Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:11511

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-11-2020
Datum publicatie
07-12-2020
Zaaknummer
NL20.5880
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BNT, beroep gegrond, 8+8 weken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.5880


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [#]

(gemachtigde: mr. P.J.T. de Kan),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop
Op 5 maart 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijnaanvraag.


Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 23 mei 2019 een asielaanvraag ingediend. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 bedraagt de beslistermijn zes maanden. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden in het vierde en het vijfde lid om deze termijn te verlengen. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 23 november 2019 een beslissing had moeten nemen.

2. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn is verstreken zonder dat een beslissing op de aanvraag is genomen. Eiser heeft verweerder op 14 februari 2020 rechtsgeldig in gebreke gesteld, zoals bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Hierna zijn twee weken verstreken voordat eiser beroep heeft ingesteld. Het beroep is daarom kennelijk gegrond.

3. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat er aan zijn kant vanaf 16 maart 2020 sprake is geweest van overmacht en dat het veel moeite zal kosten de toegenomen achterstanden in te lopen. Uit artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn volgt echter dat de lidstaten verplicht zijn om procedures in elk geval uiterlijk binnen 21 maanden af te ronden.1 Verweerder heeft zich in verschillende procedures bij de rechtbank op het standpunt gesteld dat in elk geval na 19 juli 2020 geen sprake meer is van overmacht.

4. Op grond van artikel 4:17, eerste en tweede lid, van de Awb verbeurt verweerder een dwangsom voor elke dag dat hij in gebreke is, met een maximum van 42 dagen en

€ 1.442. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op de tijdelijke overmacht aan zijn kant, gedurende de desbetreffende periode geen dwangsommen heeft verbeurd. Echter, ook indien verweerder wordt gevolgd in zijn elders ingenomen standpunt dat pas vanaf 19 juli 2020 geen sprake meer is van overmacht, leidt dat tot de conclusie dat in dit geval de bestuurlijke dwangsom alsnog is verbeurd voor het maximale aantal dagen.

5. De rechtbank is van oordeel dat, vanwege de bij de IND ontstane achterstanden, sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. Omdat de asielprocedure van eiser nog niet is begonnen, zal de rechtbank, overeenkomstig een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State,2 bepalen dat verweerder binnen acht weken na bekendmaking van de uitspraak het eerste gehoor moet afnemen en binnen acht weken na het eerste gehoor een beslissing op de aanvraag moet nemen, in ieder geval binnen zestien weken na de uitspraak.

6. Verweerder stelt dat het opleggen van een dwangsom met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb niet zal leiden tot bekorting van de beslistermijn, dat er buiten het belang van een tijdige beslissing geen andere wezenlijke belangen van eiser op het spel staan en dat een dwangsomregeling niet in verhouding is met schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke beslistermijn. De rechtbank volgt verweerder niet. De aan de naleving van de uitspraak verbonden dwangsom is een geëigende en bovendien wettelijk voorgeschreven prikkel. De hoogte van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke beslistermijn staat hier los van. De rechtbank zal daarom bepalen dat verweerder een dwangsom verbeurt, in overeenstemming met het landelijk beleid, van € 100 per dag dat verweerder in gebreke blijft de uitspraak na te leven, met een maximum van € 7.500.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 262,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor van 0,5).

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep gegrond;

 vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;

 veroordeelt verweerder tot betaling van een dwangsom met het bedrag van € 1.442 (veertienhonderdtweeënveertig euro) aan eiser;

 bepaalt dat verweerder binnen acht weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden het eerste gehoor afneemt en binnen acht weken na het eerste gehoor een besluit aan eiser bekendmaakt, in ieder geval binnen zestien weken na de uitspraak;

 bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100 (honderd euro) aan eiser verbeurt voor elke dag dat de hiervoor gestelde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500 (vijfenzeventighonderd euro);

 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser van € 262,50 (tweehonderdtweeënzestig euro en vijftig eurocent).

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

1 Richtlijn 2013/32/EU.

2 Van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560.