Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:11505

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-11-2020
Datum publicatie
13-11-2020
Zaaknummer
09/852006-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplichtigheid aan oplichting bedrijfstakpensioenfonds. Werkstraf 100 uur. Schadevergoeding voor weggesluisde bedragen waar verdachte bij betrokken was. Medeplichtigheid geen reden om te oordelen dat de schade van het pensioenfonds minder is. Toewijzing volledige bedragen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/852006-19

Datum uitspraak: 13 november 2020

Tegenspraak

Verkort vonnis

De rechtbank Den Haag heeft op grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te Lissabon (Portugal),

BRP-adres: [adres]

De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 29 maart 2019 (regie) en 30 oktober 2020 (inhoudelijk).

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. M. Berbee, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. C.M. Offers heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij deels en hoofdelijk zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 30 oktober 2020 - ten laste gelegd dat:

Primair:

(dossiers 2. 3, 5, 7 en 9)

[medeverdachte] op een of meerdere tijdstip(pen) in of hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2017 tot en met 1 maart 2018 te Zoetermeer, althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [pensioenfonds] heeft bewogen tot de afgifte van een of meerdere geldbedrag(en), in elk geval enig goed, hebbende die [medeverdachte] met vorenomschreven oogmerk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven -

- meerdere formulieren van een of meer pensioengerechtigden ( [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] ) van het [pensioenfonds] , waar onder het aanvraagformulier ouderdomspensioen en/of bewijs van in leven zijn-formulier en/of verklaring vrijstelling Belastingdienst, valselijk ingevuld, door

- ( zonder betrokkenheid van de betreffende pensioengerechtigde) de aanvraagouderdomspensioen in te vullen, als ware het formulier door de betreffende pensioengerechtigde zelf ingevuld en/of

- een rekeningnummer dat niet aan de betreffende pensioengerechtigde toebehoorde, maar aan verdachte, op te nemen in dat/die formulier(en) en/of die/dat formulier(en) valselijk te ondertekenen, en/of (vervolgens)

- dat/die formulier(en) in te dienen bij en/of in het systeem van het [pensioenfonds] ,

waardoor [pensioenfonds] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

tot het plegen van welke misdrijf verdachte op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2017 tot en met 1 maart 2018 te Den Helder en/of Zoetermeer, althans in Nederland gelegenheid, opzettelijk middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door

a. (dossier 3, 5 en 7) zijn eigen rekeningnummer aan [medeverdachte] beschikbaar te stellen voor het storten van de door het pensioenfonds te storten geldbedrag(en) en/of het/de gestorte bedrag(en) op te nemen van zijn bankrekening en/of die/dat bedrag(en) (deels) af te geven aan die [medeverdachte] en/of

b. (dossiers 2 en 9) het rekeningnummer van een derde ( [betrokkene 6] en/of [betrokkene 7] ) beschikbaar te stellen aan die [medeverdachte] voor het storten van de door het pensioenfonds te storten geldbedrag(en);

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

(dossiers 3, 5, 7, 9)

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2017 tot en met 1 maart 2018, te Zoetermeer en/of te Den Helder,

althans in Nederland,

€ 11.500,00, althans € 5.500,00 heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of heeft omgezet

terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat die geldbedragen

geheel of gedeeltelijk

onmiddellijk of middellijk

afkomstig was uit enig misdrijf.

De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel met een opgave daarvan, zal dit plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen – heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan, te weten dat:

Primair:

(dossiers 2. 3, 5, 7 en 9)

[medeverdachte] in de periode van 1 april 2017 tot en met 1 maart 2018 te Zoetermeer, althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en door een of meer listige kunstgrepen, [pensioenfonds] heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen, hebbende die [medeverdachte] met vorenomschreven oogmerk valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven -

- formulieren van pensioengerechtigden ( [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en [betrokkene 5] ) van het [pensioenfonds] , waaronder het aanvraagformulier ouderdomspensioen en/of bewijs van in leven zijn-formulier en/of verklaring vrijstelling Belastingdienst, valselijk ingevuld, door

- zonder betrokkenheid van de betreffende pensioengerechtigde de aanvraagouderdomspensioen in te vullen, als ware het formulier door de betreffende pensioengerechtigde zelf ingevuld en

- een rekeningnummer dat niet aan de betreffende pensioengerechtigde toebehoorde, maar aan verdachte, op te nemen in die formulieren en die formulieren valselijk te ondertekenen, en vervolgens

- die formulieren in te dienen bij en/of in het systeem van het [pensioenfonds] ,

waardoor [pensioenfonds] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 1 april 2017 tot en met 1 maart 2018 te Den Helder en/of Zoetermeer, althans in Nederland, opzettelijk middelen en inlichtingen heeft verschaft door

a. (dossier 3, 5 en 7) zijn eigen rekeningnummer aan [medeverdachte] beschikbaar te stellen voor het storten van de door het pensioenfonds te storten geldbedragen en de gestorte bedragen op te nemen van zijn bankrekening en die bedragen deels af te geven aan die [medeverdachte] en

b. (dossiers 2 en 9) het rekeningnummer van derden ( [betrokkene 6] en [betrokkene 7] ) beschikbaar te stellen aan die [medeverdachte] voor het storten van de door het pensioenfonds te storten geldbedragen.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

De strafoplegging

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte is behulpzaam geweest bij oplichting van het [pensioenfonds] . Hij stelde zijn eigen rekeningnummer en rekeningnummers van anderen ( [betrokkene 6] en [betrokkene 7] ) beschikbaar die door de mededader bij de aanvraag ouderdomspensioen werden opgegeven. Door het handelen van de verdachte ontvingen hij, [betrokkene 6] en [betrokkene 7] geldbedragen die niet voor hen, noch voor de mededader van verdachte bestemd waren. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij behulpzaam is geweest bij het oplichten van een pensioenfonds. Pensioenfondsen zijn financiële organisaties waar werknemers iedere maand een deel van hun salaris aan moeten betalen om te zorgen dat zij in de toekomst over voldoende financiële middelen kunnen beschikken. Verdachte is de andere dader behulpzaam geweest bij het zich vergrijpen aan dit pensioengeld.

De verdachte heeft snel geld willen verdienen en heeft hierbij geen rekening gehouden met de gevolgen daarvan. Door op deze wijze te handelen heeft de verdachte niet alleen het fonds schade berokkend, maar ook afbreuk gedaan aan het voor het pensioenfonds noodzakelijke vertrouwen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en een op naam van de verdachte staand uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 25 september 2020.

Naar het oordeel van de rechtbank komen de ernst van het bewezenverklaarde, de door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden en het tijdsverloop in deze zaak tot uitdrukking in de door de officier van justitie gevorderde straf. Daarom zal de rechtbank de straf opleggen zoals door de officier van justitie is gevorderd.

De vordering van de benadeelde partij

Drs. [vertegenwoordiger benadeelde partij] [pensioenfonds] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 183.781,87 te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag (materiële schade) bestaat uit € 75.163,59 aan gedane betalingen en € 108.618,28 aan onderzoekskosten. Het verzoek tot vergoeding van advocaatkosten van € 4.716,- is ter zitting ingetrokken.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van een deel van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, nu een machtiging ontbreekt waaruit blijkt dat [vertegenwoordiger benadeelde partij] de vordering mocht indienen. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat het pensioenfonds enkel in de volgende dossiers rechtstreeks schade heeft geleden door het handelen van de verdachte: dossiers 3 ( [betrokkene 2] ), 5 ( [betrokkene 3] ), 7 ( [betrokkene 4] ) en 9 ( [betrokkene 5] ). De benadeelde partij dient ten aanzien van de overige gestelde posten, niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering. Enig causaal verband tussen het handelen van de verdachte en de onderzoekskosten ontbreekt.

Beslissing rechtbank

De rechtbank acht de benadeelde partij wel-ontvankelijk. De advocaat van de benadeelde partij, mr. J.H. Pelle, heeft ter terechtzitting van 30 oktober 2020 nadrukkelijk verklaard dat hij namens de benadeelde partij de vordering heeft ingediend en dat hij hiertoe door de benadeelde partij is gemachtigd. Deze mededeling dekt ieder eventueel machtigingsgebrek.

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat alleen in de dossiers waarin de verdachte de persoon is geweest die zijn eigen rekening beschikbaar heeft gesteld of de rekening van een ander, het pensioenfonds rechtstreeks schade heeft geleden door het handelen van de verdachte.

De bedragen die zijn weggesluisd vormen de schade die het pensioenfonds heeft geleden. Dat verdachte niet medepleger, maar medeplichtig was maakt die schade niet minder. De bedragen komen geheel voor toewijzing in aanmerking.

Het betreft de netto pensioenuitkeringen in de volgende dossiers:

Dossier 3 ( [betrokkene 2] ) € 17.845,56

Dossier 5 (J.L. [betrokkene 3] ) € 7.670,86

Dossier 7 ( [betrokkene 4] ) € 6.399,44

Dossier 9 ( [betrokkene 5] ) € 5.295,70 +

Totaal: € 37.211,56

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 37.211,56.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente per post als volgt toewijzen, omdat vast is komen te staan dat de betreffende kosten op die datum zijn gemaakt:

Dossier 3 ( [betrokkene 2] ) € 17.845,56, met ingang van 22 september 2017;

Dossier 5 (J.L. [betrokkene 3] ) € 7.670,86, met ingang van 21 juli 2017;

Dossier 7 ( [betrokkene 4] ) € 6.399,44, met ingang van 23 mei 2017;

Dossier 9 ( [betrokkene 5] ) € 5.295,70, met ingang van 21 juli 2017.

De rechtbank bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag.

De benadeelde partij is voor het overige deel niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal – in afwijking van hetgeen de officier van justitie heeft gevorderd – geen schadevergoedingsmaatregel opleggen. De benadeelde partij is, hoewel het een pensioenfonds zonder winstoogmerk betreft, een grote professionele organisatie, die in staat wordt geacht het bedrag zelfstandig bij de verdachte te innen. Daarbij weegt de rechtbank in het bijzonder mee dat de verdachte – in tegenstelling tot de mededader – een vast verblijfsadres heeft en staat ingeschreven in de basisregistratie personen. Hij is dan ook vindbaar voor de benadeelde partij. Gelet op dit alles acht de rechtbank het niet opportuun om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen:

- 9, 22c, 22d, 48, 49, 57 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

medeplichtigheid aan oplichting, meermalen gepleegd

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis,

de vordering van de benadeelde partij [pensioenfonds];

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [pensioenfonds] een bedrag van € 37.211,56, vermeerderd met de wettelijke rente daarover:

- ten aanzien van € 17.845,56, met ingang van 22-09-2017;

- ten aanzien van € 7.670,86, met ingang van 21-07-2017;

- ten aanzien van € 6.399,44, met ingang van 23-05-2017;

- ten aanzien van € 5.295,70, met ingang van 21-07-2017;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Rigter, voorzitter,

mr. G.H.M. Smelt, rechter,

mr. I.G.C. Bij de Vaate, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. C. de Beer, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 november 2020.