Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:11445

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-09-2020
Datum publicatie
12-11-2020
Zaaknummer
8448773 RP VERZ 20-50229
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Een medewerkster van een zorgafdeling voor dementerende ouderen wordt op staande voet ontslag wegens het toebrengen van letsel aan een bewoonster. Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig omdat niet is komen vast te staan dat de medewerkster het letsel heeft toegebracht. Aan de medewerkster, die heeft berust in het ontslag, wordt de transitievergoeding, een billijke vergoeding en een vergoeding wegens onregelmatig ontslag toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1351
PS-Updates.nl 2020-0857
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

DA/C

Zaaknr.: 8448773 RP VERZ 20-50229

Uitspraakdatum: 28 september 2020

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij in de zaak van het verzoek,

verwerende partij in de zaak van het zelfstandig tegenverzoek,

gemachtigde: mr. N.M. Fakiri,

tegen

de stichting Stichting Florence,

gevestigd te Rijswijk,

verwerende partij in de zaak van het verzoek,

verzoekende partij in de zaak van het zelfstandig tegenverzoek,

gemachtigde: mr. E.H. de Joode.

Partijen worden verder aangeduid als “ [verzoekster] ” en “Florence”.

1 Het procesverloop

1.1.

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

- het verzoekschrift met producties, ontvangen op 12 april 2020;

- het verweerschrift, tevens houdende zelfstandig tegenverzoek met producties, ontvangen op 21 augustus 2020;

- de zijdens [verzoekster] overlegde producties 15 t/m 17;

- de zijdens Florence overgelegde productie 31.

1.2.

Op 31 augustus 2020 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaats gevonden. [verzoekster] is verschenen, bijgestaan door mr. Fakiri. Voorts zijn verschenen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] namens Florence, bijstaan door mr. P.P. van Dalsen en mr. De Joode. Daarbij zijn door mr. Fakiri en mr. Van Dalsen pleitaantekeningen overgelegd. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt die zich in het procesdossier bevinden.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] , geboren op [geboortedag 1] 1992, is op 15 januari 2015 in dienst getreden bij Florence. De laatste functie die [verzoekster] vervulde is die van Verzorgende 3 IG, met een salaris van € 2.144,60 bruto exclusief 8% vakantiebijslag en overige emolumenten. [verzoekster] was werkzaam op de locatie Uitzicht in Den Haag, waar kleinschalige woonruimte wordt aangeboden voor dementerende ouderen. [verzoekster] was daar werkzaam op een gesloten afdeling met twaalf bewoners.

2.2.

Op 12 februari 2020 is [verzoekster] door Florence op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief van die datum is voor zover relevant het volgende vermeld:

Middels deze brief ontslaan wij u vandaag (12 februari 2020) op staande voet. Aan dit ontslag ligt het volgende ten grondslag.

(…)

Op zondag 9 februari 2020 hebben enkele collega’s u beschuldigd van ontoelaatbaar gedrag jegens een van onze cliënten tijdens uw dienst. Op aandringen van deze collega’s is de CD

dienst erbij gehaald en deze constateerde dat de cliënt erg angstig en overstuur was en u

ervan beschuldigde haar pijn te hebben gedaan. Het bleek ook dat de cliënt divers letsel had opgelopen. De CD dienst heeft hiervan vervolgens verslag bij uw leidinggevende uitgebracht.

U bent door uw leidinggevende op dinsdag 11 februari 2020 uitgenodigd voor een gesprek.

Tijdens dit gesprek is u gevraagd of u enig idee had waarom u bent uitgenodigd. U antwoordde met ‘nee’. Toen de naam van cliënt werd genoemd, vertelde u dat u deze cliënt tijdens uw dienst op 9 februari bij haar polsen heeft gepakt om ervoor te zorgen dat cliënt niet naar haar verwondingen op de benen zou grijpen. U vertelde dat u tijdens deze handeling mogelijk de cliënt verwond zou kunnen hebben. Er zijn vervolgens foto’s getoond van de verwondingen van cliënt. U ontkende dat dit door u was toegebracht. Er is u vervolgens verteld dat u geen polsen van een cliënt mag vastpakken om te voorkomen dat cliënt iets doet. U heeft dit beaamd. Nadat u werd gevraagd of u al eerder letsel heeft toegebracht aan cliënten antwoorde u met ‘ja’. U gaf vervolgens aan dat u soms boos wordt als een cliënt niet meewerkt en u dan te ruw met cliënten omgaat waardoor er letsel ontstaat. U heeft hierdoor erkend de verwondingen te hebben toegebracht aan cliënt en dat van dit gedrag vaker sprake is geweest tijdens uw werk.

(…)

Uitkomst van het interne beraad, het ingewonnen juridisch advies en ons gesprek op 12 februari 2020 is dat wij hebben besloten uw arbeidsovereenkomst vandaag (12 februari 2020) met onmiddellijke ingang op te zeggen. U heeft zich schuldig gemaakt aan zeer ernstig ontoelaatbaar gedrag en cliënten (ernstige) verwondingen toegebracht. Dit is voor ons volstrekt onacceptabel en een zeer ernstige zaak.

(…)

Wij hebben hiertoe besloten na afweging van alle feiten en omstandigheden. Alle vorengenoemde gedragingen apart, alsmede tezamen vormen een dringende reden voor onverwijlde beëindiging van uw dienstverband.”

2.3.

In een niet ondertekende of gedateerde verklaring van mevrouw [betrokkene 3] is het volgende opgenomen:

1. Wat is er gebeurd?

Ik had op zondag 9/2/2020 een dagdienst op de afdeling pg 7. Ik was bezig met het verzorgen van een andere cliënt toen ik mevrouw A. hoorde gillen. Ik kon er niet direct naar toe aangezien ik nog bezig was met de zorg. Toen ik aankwam bij de kamer van Mevrouw A. was zij angstig en kwam overstuur over toen ik in de kamer binnen kwam. Mevrouw lag in een plas bloed op haar bed die vers leek. Toen ik de dekens wilde weghalen om te kijken waar het bloed vandaan kwam trok mevrouw haar dekens naar haar toe en zei dat ik weg moest. Ik heb toen [verzoekster] erbij gehaald om te kijken waar het bloed vandaan kwam. [verzoekster] haalde dekens weg en het bleek dat mevrouw een behoorlijke skin tear op haar linker arm had en die nog aan het bloeden was. Mevrouw wilde niet door ons verzorgd worden. Ik wilde de CD dienst bellen, dit is volgens protocol. [verzoekster] wilde niet dat ik de CD dienst zou bellen. Ik heb de CD dienst toch gebeld en zij ( [betrokkene 4] ) heeft mevrouw gerust kunnen stellen en verder de skin tear kunnen verzorgen. Mevrouw werd weer rustig en heb ik mevrouw geholpen met wassen en aankleden. Later op de dag was mevrouw rustig aanwezig.”

2.4.

In een niet ondertekende of gedateerde verklaring van mevrouw [betrokkene 4] , is het volgende vermeld:

Op zondag 9 februari ‘20 werd ik rond negen uur gebeld door collega [betrokkene 3] van afdeling Luxe (PG 7e). Zij vroeg mij om even te komen kijken bij een bewoonster aangezien zij in een plas bloed lag en behoorlijke wonden op de linker-onderarm had. Zij vertelde dat collega [verzoekster] niet wilde dat ze mij belde. Collega [verzoekster] gaf aan “dat kunnen we zelf wel oplossen”. Echter heeft collega [betrokkene 3] dit geweigerd en heeft mij gebeld. Zij vond echt dat ik dit moest zien en dat ik mevrouw A. zou kalmeren. Toen ik hij mevrouw kwam was ze erg angstig en pakte me stevig beet met de vraag of ik niet weg wilde gaan en bij haar wou blijven. Terwijl ik bekeek wat er aan de hand was vroeg ik haar wat er was gebeurt. Mevrouw wees hierna naar collega [verzoekster] die op dat moment aanwezig was. Mevrouw gilde daarbij: “dat heeft zij gedaan, zij heeft mij geknepen”. Terwijl deze collega dichterbij wilde komen gilde mevrouw: “weg ga weg jij!” Mevrouw oogde hierbij erg angstig en hield collega [verzoekster] constant in de gaten totdat zij uit de kamer ging. Daarna kon ik de wonden beoordelen en verbinden. Zij was daarna weer gekalmeerd. Ik heb betreffende collega niet meer gesproken daarna omdat mijn emoties te hoog zaten.

Wat er voor die tijd is gebeurd weet ik niet kwam pas op de afdeling toen ik werd gebeld om te komen.”

2.5.

Op 11 februari 2020 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoekster] en mevrouw [betrokkene 2] , manager zorg bij Florence, (hierna: “ [betrokkene 2] ”). Op 12 februari 2020 heeft [verzoekster] een gesprek gehad met [betrokkene 2] en mevr. [betrokkene 1] , HR adviseur bij Florence (hierna: “ [betrokkene 1] ”).

2.6.

In een door [betrokkene 2] opgesteld verslag van die gesprekken is het volgende opgenomen:

Na het verhaal van [betrokkene 4] , heb ik meteen mijn HR adviseur gebeld ( [betrokkene 1] ) en afgesproken dat ik [verzoekster] zou uitnodigen op locatie om het incident te bespreken. Ik heb op diezelfde dag op 11 febr. 2020 [verzoekster] uitgenodigd om naar de locatie te komen om het incident te bespreken.

Toen ik [verzoekster] vroeg naar de gebeurtenissen van 9 febr. 2020 jl., vertelde zij in eerste instantie dat er idd een incident was geweest en dat de cliënt hier misschien letsel aan over had gehouden. Ik heb toen mijn laptop gepakt en [verzoekster] de foto’s laten zien van het letsel van Mevr. A. waarbij ik heb gezegd dat: “als dit letsel tijdens zorg ontstaat, kan je dit niet ontgaan zijn!”.

[verzoekster] werd toen verdrietig en zei dat dit idd niet aan haar ontgaan was. Ze vertelde mij dat de cliënt met haar handen naar de wond aan haar been wilde gaan en dat ze toen de polsen van de cliënt had vast gepakt.

Waarop ik heb gevraagd, sinds wanneer pakken wij op deze wijze de polsen van een cliënt vast? En met deze wijze bedoel ik met als gevolg dat de cliënt dit letsel hieraan overhoud en overstuur is geraakt? [verzoekster] gaf toen toe dat zij door het hardhandig vastpakken van de polsen van de cliënt dit letsel heeft veroorzaakt.

Omdat er vaker in de locatie onverklaarbaar letsel werd aangetroffen in de periode voor 9 febr. 2020, heb ik aan [verzoekster] gevraagd of zij ook hierin een rol heeft gespeeld. [verzoekster] vertelde toen dat ze wel vaker boosheid voelde in haar lijf en dat ze wellicht te hard is om gegaan met cliënten.

Omdat ik regelmatig gesprekken met [verzoekster] had, heb ik haar gevraagd waarom zij mij niet eerder heeft gemeld dat het zo niet goed ging met haar? Waarop [verzoekster] antwoordde dat ze zich schaamde, maar iom haar behandelaar een afspraak met mij gepland, om mij mee te nemen in de problemen die er speelde of in ieder geval welk resultaat dit had op het uitvoeren van haar werk. De afspraak was gepland in de week van het voorval, maar het doel van het gesprek was mij niet bekend.

Na het gesprek met [verzoekster] heb ik mijn HR adviseur ( [betrokkene 1] ) gebeld en de

directeur intramurale zorg ( [betrokkene 5] ), met hen de inhoud van het gesprek besproken, waarna er besloten is om een vervolg afspraak met [verzoekster] en HR te plannen met als doel in dit gesprek [verzoekster] nog eens haar verhaal te laten vertellen.

(…)

Op 12 febr. 2020 heeft er een gesprek plaats gevonden tussen HR adviseur [betrokkene 1] , [verzoekster] en ik zelf, in dit gesprek heeft [verzoekster] het verhaal van de 11e nogmaals verteld.”

2.7.

[betrokkene 1] heeft in een verslag van het gesprek van 12 februari 2020 het volgende vermeld:

Op woensdag 12 februari 2020 heb ik samen met [betrokkene 2] gesproken met [verzoekster]

. De aanleiding van dit gesprek was een incident op 9 februari wat mevrouw [verzoekster] op 11 februari aan haar manager heeft toegelicht. Mevrouw [verzoekster] heeft ernstig letsel toegebracht aan een cliënt op 9 februari en heeft dit tijdens ons gesprek op 12 februari wederom toegegeven en toegelicht.

We hebben mevrouw [verzoekster] gevraagd om nogmaals te vertellen wat er volgens haar is

voorgevallen op 9 februari. Ze vertelde vervolgens dat ze tijdens het verlenen van zorg aan cliënt wilde voorkomen dat cliënt naar haar benen reikte door haar polsen vast te pakken waardoor er letsel is ontstaan. Vervolgens vertelde mevrouw [verzoekster] dat zij vaker boosheid ervaart als een cliënt niet doet wij zij wil. Ze krijgt dan een soort waas in haar hoofd wat agressie veroorzaakt. Ook heeft ze toegegeven betrokken te zijn bij eerdere incidenten waarbij onverklaarbaar letsel bij andere cliënten geconstateerd is. Mevrouw [verzoekster] verteld dat zij zich schaamt voor haar gedrag en dat ze weet dat dit heel erg verkeerd is.

Ik geef aan dat het gevolg van haar gedrag resulteert in ontslag op staande voet. Mevrouw [verzoekster] zegt dat zij dit begrijpt en dit ook verwacht had. Ik overhandig haar de bevestigingsbrief. (…)”

2.8.

[betrokkene 2] heeft op 20 februari 2020 aangifte gedaan van mishandeling van [cliente] door [verzoekster] . In die aangifte is het volgende te lezen:

Ik wil namens een client aangifte doen van mishandeling.

De naam van de client is [cliente] . [cliente] is 94 jaar.

[cliente] verblijft in Florence - Woonzorgcentrum Uitzicht (..) Ik ben daar werkzaam als manager. (…)

Op zondag 9 februari 2020 bevond [cliente] zich op haar kamer. Er was op dat

moment een collega van mij bij [cliente] . De naam van de collega is [verzoekster]

(…)

[verzoekster] moest een beenwond van [cliente] verzorgen. Op het moment dat [verzoekster]

wilde beginnen zag zij dat [cliente] met haar beide handen naar haar benen, ter hoogte van de wond greep. [verzoekster] wilde dit voorkomen en greep de beide polsen van

[cliente] vast. [cliente] wilde zich lostrekken maar [verzoekster] hield de

polsen stevig vast. Hierdoor ontstond er een worsteling.

[cliente] begon te schreeuwen.

Dit hoorde collega [betrokkene 3] , die in de kamer naast die van [cliente]

aan het werk was.

[betrokkene 3] liep naar de kamer van [cliente] en zag dat [verzoekster] beide polsen van

[cliente] vasthield.

[cliente] schreeuwde: ‘zij heeft mij pijn gedaan’, ‘zij heeft mij pijn

gedaan’.

[betrokkene 3] zag bloed op beide armen en op het bed van [cliente] zitten. [betrokkene 3]

zag ook dat er aan beide armen van [cliente] letsel zat.

[betrokkene 3] heeft toen meteen de CD-er (coördinerende hoofdzuster) gebeld. Deze kwam iets

later op de kamer van [cliente] en zag het letsel op de armen van [cliente] . Ook zag zij dat [cliente] bang was. [verzoekster] had ondertussen de kamer van [cliente] verlaten. De coördinerende hoofdzuster heeft toen de beenwond en het overige letsel behandeld en [cliente] gerustgesteld.”

3 Het verzoek

3.1.

[verzoekster] heeft verzocht om Florence te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 31.396,95 bruto op grond van artikel 7:681 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens [verzoekster] moet een billijke vergoeding worden toegekend, omdat geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet en dit ontslag niet onverwijld is gegeven en het ontslag dus in strijd is met artikel 7:671 BW.

3.2.

[verzoekster] heeft daarnaast een verzoek gedaan om Florence te veroordelen een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding te betalen. Volgens [verzoekster] is Florence op grond van artikel 7:672 lid 9 BW een vergoeding wegens onregelmatige opzegging verschuldigd, gelijk aan het bedrag aan loon over de opzegtermijn, te weten € 4.289,20. [verzoekster] stelt verder dat Florence op grond van artikel 7:673 lid 1 BW een transitievergoeding verschuldigd is van € 3.947,19.

4 Het verweer en het zelfstandig tegenverzoek

4.1.

Florence verweert zich tegen het verzoek. Voor zover van belang, zal hierna daarop nader worden ingegaan.

4.2.

Voorts heeft Florence een zelfstandig tegenverzoek gedaan, inhoudende te verklaren voor recht dat de arbeidsovereenkomst per 12 februari 2020 is geëindigd door een rechtsgeldig ontslag op staande voet en [verzoekster] te veroordelen tot betaling aan Florence van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 4.289,20 bruto.

5 De beoordeling

in de zaak van het verzoek

5.1.

[verzoekster] heeft zich neergelegd bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 12 februari 2020. De door [verzoekster] ingediende verzoeken brengen evenwel mee dat de kantonrechter een oordeel moet vellen over de rechtsgeldigheid van het door Florence gegeven ontslag op staande voet en de gevolgen daarvan wat betreft de door [verzoekster] verzochte vergoedingen.

5.2.

[verzoekster] heeft het verzoek tijdig ingediend, omdat het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Voor zover het verzoek betrekking heeft op de transitievergoeding, is het tijdig ingediend, omdat het is ontvangen binnen drie maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

5.3.

Uit de ontslagbrief van 12 februari 2020 volgt dat aan het ontslag op staande voet ten grondslag is gelegd dat [verzoekster] (ernstige) verwondingen heeft toegebracht aan cliënten Florence. Dit heeft betrekking op een incident van 9 februari 2020, waarbij [verzoekster] een cliënte van Florence, te weten [cliente] , letsel zou hebben toegebracht, alsmede op eerdere incidenten waarbij [verzoekster] andere cliënten van Florence zou hebben verwond.

5.4.

De kantonrechter zal eerst ingaan op het incident van 9 februari 2020. Tussen partijen is niet in geschil dat op 9 februari 2020 bij [cliente] letsel is geconstateerd aan haar linker onderarm, te weten zogenaamde “skin tears”. [cliente] is een dame van 93 jaar oud, die leidt dementie en verblijft Florence.

5.5.

[verzoekster] heeft betwist dat zij een rol heeft gehad bij het ontstaan van dit letsel. Volgens [verzoekster] heeft het volgende plaatsgevonden op 9 februari 2020. In de ochtend heeft ze rond acht uur medicijnen uitgedeeld aan onder meer [cliente] . [verzoekster] heeft toen de armen van [cliente] gezien en er was geen letsel zichtbaar. [verzoekster] is weggegaan en naar een andere etage gegaan. Toen ze op enig moment terugkwam op de etage, vroeg haar collega [betrokkene 3] om haar te helpen bij [cliente] omdat een oude wond op het linkerbeen was opengegaan. [betrokkene 3] was binnen bij [cliente] . [betrokkene 3] heeft de deken van [cliente] afgehaald. [verzoekster] zag dat het verband van het been van [cliente] af was. Toen [betrokkene 3] en [verzoekster] de wond van [cliente] probeerden te verplegen, kwam [cliente] overeind en reikte met haar handen naar de wond op haar benen. [verzoekster] heeft [cliente] toen zachtjes bij de polsen tegengehouden. Toen zijn [cliente] had losgelaten, zagen [verzoekster] en [betrokkene 3] dat [cliente] skin tears op haar linkerarm had. [verzoekster] vroeg aan [betrokkene 3] om [betrokkene 4] te bellen. [betrokkene 4] heeft de wond van [cliente] verzorgd. [verzoekster] heeft vervolgens gevraagd of zij weg kon naar haar leerling. [betrokkene 4] en [betrokkene 3] vonden dat goed.

5.6.

Florence heeft haar conclusie dat [verzoekster] wel de skin tears heeft veroorzaakt bij [cliente] goeddeels gebaseerd op de erkenning door [verzoekster] in het gesprek met [betrokkene 2] op 11 februari 2020 en het gesprek met [betrokkene 2] en [betrokkene 1] op 12 februari 2020. Florence heeft daartoe verwezen naar de gespreksverslagen van die gesprekken. [verzoekster] heeft de inhoud van die gespreksverslagen weersproken. Zij betwist dat ze tijdens die gesprekken heeft toegegeven het letsel te hebben veroorzaakt bij [cliente] . Elke uitleg die zij gaf werd als ongeloofwaardig door [betrokkene 2] weggewuifd en het leek alsof [betrokkene 2] al had besloten dat [verzoekster] , [cliente] iets had aangedaan. Ook tijdens het gesprek op 12 februari 2020 had [verzoekster] het idee dat ze niet werd geloofd, ondanks alle verklaringen die zij gaf.

5.7.

Naar het oordeel van de kantonrechter kan op basis van de gespreksverslagen van de gesprekken van 11 februari 2020 en 12 februari 2020 niet worden geconcludeerd dat [verzoekster] de skin tears bij [cliente] heeft veroorzaakt. Daartoe is het volgende redengevend. De gespreksverslagen zijn eenzijdig opgesteld door [betrokkene 2] en [betrokkene 1] . Ze zijn niet in samenspraak met [verzoekster] opgesteld. [verzoekster] heeft ook niet de gelegenheid gehad om vooraf commentaar te leveren op de gespreksverslagen en zij heeft ook niet ingestemd met de inhoud ervan door bijvoorbeeld de gesprekverslagen te ondertekenen. Daar komt bij dat het gespreksverslag van het gesprek van 11 februari 2020 summier is wat betreft het erkennen dat [verzoekster] het letsel bij [cliente] heeft veroorzaakt. Het verslag meldt slechts de enkele zinsnede dat [verzoekster] toe gaf dat ze het letsel heeft veroorzaakt door het hardhandig vastpakken van de polsen van [cliente] . In het verslag is niet uitgewerkt welke vragen er zijn gesteld aan [verzoekster] en welke antwoorden er precies zijn gegeven door haar. Daarmee is onvoldoende toetsbaar wat er precies is gezegd door [verzoekster] en hoe de verklaring tot stand is gekomen. Dat geldt evenzo voor het verslag van het gesprek van 12 februari 2020. Voorts is de weergave van het gesprek in de ontslagbrief niet geheel hetzelfde als vermeld in de gespreksverslagen. In de ontslagbrief staat immers dat [verzoekster] na het tonen van de foto’s van het letsel zou hebben ontkend het letsel te hebben veroorzaakt, terwijl dit niet aldus is vermeld in de gespreksverslagen. Dit alles beperkt het gewicht dat kan worden toegekend aan de gespreksverslagen.

5.8.

Op grond van de verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] kan evenmin worden vastgesteld dat [verzoekster] het letsel heeft veroorzaakt. Uit die verklaringen volgt immers dat zij niet hebben waargenomen hoe het letsel is ontstaan. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Florence zich op het standpunt gesteld dat uit de verklaring van [betrokkene 3] volgt dat de verwondingen op de armen van [cliente] zijn ontstaan voordat [betrokkene 3] in de kamer van [cliente] arriveerde. De redenering van Florence is vervolgens dat 1) [cliente] het letsel niet zelf kan hebben veroorzaakt en 2) dat tussen de aanvang van de dienst en het moment dat [betrokkene 3] de kamer inging er niemand anders in de kamer is geweest dan [verzoekster] , zodat, uitgaande van de verklaring van [betrokkene 3] , [verzoekster] het letsel moet hebben veroorzaakt. Beide aannames worden echter weersproken door [verzoekster] . Zo heeft [verzoekster] gesteld dat [cliente] wel degelijk tot zelfstandig lichamelijke beweging in staat was. Zo kon ze zich zelfstandig met een rolstoel over de gang verplaatsen. Verder blijkt uit het cliëntendossier dat ze in de avond van 8 op 9 februari veel aan het bewegen was, waardoor de sensor bij haar bed was afgegaan. Ook heeft ze gebraakt die nacht. Florence heeft dan ook onvoldoende gesteld om van die aannames uit te gaan.

5.9.

Er is wat betreft de oorzaak van de skin tears bij [cliente] veel onduidelijk gebleven. Illustratief daarvoor is de door [betrokkene 2] gedane aangifte bij de politie van mishandeling van [cliente] door [verzoekster] . Het gestelde in die aangifte wat betreft de toedracht wijkt op belangrijke onderdelen af van de verklaring van [betrokkene 3] , terwijl Florence in de onderhavige procedure weer uitgaat van die verklaring.

5.10.

Nu aan de gespreksverslagen een beperkt gewicht kan worden toegekend, terwijl uit de overige bewijsmiddelen niet eenduidig blijkt hoe het letsel bij [cliente] is ontstaan, is de gestelde ontslaggrond in zoverre niet komen vast te staan.

5.11.

Dit geldt ook voor zover aan het ontslag ten grondslag is gelegd dat [verzoekster] letsel heeft toegebracht aan andere cliënten van Florence. Daaraan is ten grondslag gelegd dat er in het verleden letsel is geconstateerd bij cliënten waarvan onduidelijk is hoe dat is ontstaan, terwijl uit de gespreksverslagen blijkt dat [verzoekster] heeft erkend ook letsel bij andere cliënten te hebben veroorzaakt. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen wat betreft die gespreksverslagen, is ook die ontslaggrond niet in voldoende mate komen vast te staan.

5.12.

Op grond van het voorgaande wordt geconcludeerd dat geen sprake was van een dringende reden voor het ontslag op staande voet. Florence heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel kunnen leiden, zodat voorbij wordt gegaan aan het bewijsaanbod.

5.13.

Gelet op de onregelmatige opzegging, is Florence een vergoeding als bedoeld in artikel 7:672 lid 11 BW verschuldigd, zijnde een vergoeding gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Florence heeft niet weersproken dat dit een bedrag betreft van € 4.289,20.

5.14.

Uit het voorgaande volgt verder dat het einde van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoekster] . De verzochte transitievergoeding van € 3.947,19 is dan ook toewijsbaar.

5.15.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of aan [verzoekster] een billijke vergoeding moet worden toegekend. De rechtsgrond voor toekenning van een billijke vergoeding op grond van artikel 7:681 lid 1 sub a BW is in beginsel reeds gegeven met het oordeel dat er geen dringende reden is voor het gegeven ontslag op staande voet en dat is opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Met andere woorden: Florence heeft ernstig verwijtbaar gehandeld door [verzoekster] ten onrechte ontslag op staande voet te geven. Dit maakt dat toekenning van een billijke vergoeding op zijn plaats is.

5.16.

Bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding komt het aan op een beoordeling van alle omstandigheden van het geval en de vergoeding moet daarbij aansluiten. Daarbij kan mede worden gelet op hetgeen de werknemer aan loon zou hebben genoten als de opzegging zou zijn vernietigd. Het zal van de omstandigheden van het geval afhangen welke verdere duur van de arbeidsovereenkomst daarbij in aanmerking moet worden genomen. Daarbij is mede van belang of de werkgever de arbeidsovereenkomst ook op rechtmatige wijze zou hebben kunnen beëindigen en op welke termijn dit dan had mogen gebeuren en vermoedelijk zou zijn gebeurd. Bij de vaststelling van de billijke vergoeding kan ook ermee rekening worden gehouden of de werknemer inmiddels ander werk heeft gevonden, en met de inkomsten die hij daaruit dan geniet, en met de (andere) inkomsten die hij in redelijkheid in de toekomst kan verwerven. Bij de vergelijking tussen de situatie zonder de vernietigbare opzegging en de situatie waarin de werknemer zich thans bevindt, dient bovendien de eventueel aan de werknemer toekomende transitievergoeding te worden betrokken. Bij het vaststellen van de billijke vergoeding als bedoeld in art. 7:681 lid 1, aanhef en onder a, BW, gaat het uiteindelijk erom dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.

5.17.

De kantonrechter zal een billijke vergoeding toekennen van € 20.000,00. Daarmee wordt [verzoekster] voldoende gecompenseerd voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van het ontslag op staande voet. Daarbij heeft de kantonrechter acht geslagen op de duur van het dienstverband van [verzoekster] en het salaris dat zij verdiende. Voorts betrekt de kantonrechter daarbij dat [verzoekster] na de beëindiging van de dienstbetrekking wel andere inkomsten heeft gegenereerd, maar aanzienlijk minder dan zij verdiende bij Florence. Gelet op hetgeen is overwogen wat betreft het ontslag op staande voet, acht de kantonrechter niet aannemelijk dat de arbeidsovereenkomst op korte termijn op rechtmatige wijze zou zijn beëindigd. Ook heeft de kantonrechter erop acht geslagen dat zij als gevolg van de aanmelding bij het Waarschuwingsregister thans niet kan werken in de gezondheidszorg, alsmede dat Florence aangifte heeft gedaan tegen [verzoekster] . Tot slot neemt de kantonrechter in aanmerking de transitievergoeding en de vergoeding wegens onregelmatig ontslag, die aan [verzoekster] worden toegekend. De kantonrechter neemt aan dat de drijfveer van Florence wat betreft het ontslag is geweest het beschermen van kwetsbare personen die aan haar zorg waren toevertrouwd en het streng optreden tegen inbreuken daarop, maar daarbij heeft zij uiteindelijk op een te wankele basis geconcludeerd dat de ontslagredenen zich hadden voorgedaan.

5.18.

De proceskosten komen voor rekening van Florence nu zij ongelijk krijgt.

in de zaak van het zelfstandig tegenverzoek

5.19.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het tegenverzoek wordt afgewezen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

in de zaak van het verzoek

- veroordeelt Florence om aan [verzoekster] een transitievergoeding te betalen van

€ 4.289,20;

- veroordeelt Florence om aan [verzoekster] een vergoeding ter zake de onregelmatige opzegging te betalen van € 3.947,19;

- veroordeelt Florence om aan [verzoekster] een billijke vergoeding te betalen van
€ 20.000,00;

- veroordeelt Florence tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [verzoekster] tot en met vandaag vaststelt op € 563,00, te weten:

griffierecht: € 83,00,

salaris gemachtigde € 480,00

en bepaalt dat dit bedrag van € 563,00 binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking moet zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening.

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

in de zaak van het zelfstandig tegenverzoek

- wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gewezen door kantonrechter mr. D.E. Alink en op 28 september 2020 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter