Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:1139

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-02-2020
Datum publicatie
21-02-2020
Zaaknummer
C/09/564434 / HA ZA 18-1219
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg koopovereenkomst aandelen. Voldaan aan opschortende voorwaarde (totstandkoming franchiseocereenkomst)?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/564434 / HA ZA 18-1219

Vonnis van 12 februari 2020

in de zaak van

[APH] te [plaats 1] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. L.M.F. Relouw te Haarlem,

tegen

1 [B.V. I] te [plaats 2] ,

2. [DSR] te [plaats 3] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. R.J.M. Lenstra te Den Haag.

Partijen zullen hierna APH, [B.V. I] en DSR worden genoemd. [B.V. I] en DSR zullen samen [BV I c.s.] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in incident van 16 januari 2019 en de daarin genoemde stukken, waarin de voeging van deze zaak met de bij deze rechtbank aanhangige zaak met zaak- /rolnummer C/09/562012 / HA ZA 18-1074 met als gedaagde partij [APR] (deze partij hierna te noemen: ‘APR’ en deze andere zaak hierna te noemen: de gevoegde zaak) is bevolen,

  • -

    de (inhoud van de) conclusie van antwoord tevens houdende conclusie van eis in reconventie van APR in de gevoegde zaak, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord van [BV I c.s.] , met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 13 maart 2019, waarin een comparitie van partijen is bevolen,

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie, met producties,

  • -

    de akte wijziging/vermeerdering van eis in reconventie,

  • -

    het (buiten aanwezigheid van partijen opgemaakte) proces-verbaal van comparitie van 23 augustus 2019 en de daarin genoemde aanvullende producties van [BV I c.s.] en APH,

  • -

    de antwoordakte van APH, met een reactie op de gewijzigde eis in reconventie, met producties,

  • -

    de antwoordakte van [BV I c.s.] (in de fax van mr. Lemstra van 25 september 2019), met een reactie op de hiervoor genoemde nadere producties.

1.2.

De gevoegde zaak is op de rol van 4 september 2019 geschorst in verband met het faillissement van APR per 9 juli 2019. Met instemming van APH en [BV I c.s.] heeft de comparitie van partijen in de onderhavige zaak op 23 augustus 2019 doorgang gevonden. Tevens is met instemming van deze partijen de (inhoud van de) conclusie van antwoord tevens houdende conclusie van eis in reconventie van APR in de gevoegde zaak, met producties, aan het procesdossier in de onderhavige zaak toegevoegd.

1.3.

Het proces-verbaal van de comparitie is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om eventuele feitelijke onjuistheden binnen twee weken schriftelijk kenbaar te maken aan de rechtbank. Bij brief van 12 september 2019 heeft mr. Relouw daarvan (namens APH) gebruik gemaakt. Bij brief van 17 september 2019 heeft mr. Lenstra daarvan (namens [BV I c.s.] ) gebruik gemaakt. Deze brieven maken deel uit van het procesdossier. Het proces-verbaal zal gelezen worden met inachtneming van de inhoud van deze brieven, maar uitsluitend voor zover het correcties van feitelijke aard betreft. In geval van een geschil tussen partijen over de verslaglegging van het verhandelde ter terechtzitting ten aanzien van een voor de beslissing relevant punt, zal de rechtbank daarop in dit vonnis ingaan.

1.4.

Ten slotte is de datum voor het wijzen van vonnis in deze zaak nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

In 2015 zijn [A] (‘ [A] ) en [B] (‘ [B] ’) het (kip)restaurant ‘ [X] ’ begonnen aan de [adres] .

Voor de exploitatie van het restaurant is op 27 maart 2015 APR opgericht. [B] en [A] hielden via hun houdstermaatschappijen (respectievelijk [B.V. II] (‘ [B.V. II] ’) en [B.V. III] (‘ [B.V. III] ’) ieder 50% van de aandelen in APR.

2.2.

Op 9 maart 2016 is APH opgericht waarin [A] en [B] indirect (via door hun bestuurde vennootschappen) ook ieder 50% van de aandelen hielden. APH is op haar beurt 100% aandeelhoudster in APR geworden.

2.3.

Enige tijd later hebben [A] en [B] onderling onenigheid gekregen en zijn zij gaan overleggen over het afwikkelen van hun samenwerking. [A] heeft zich bij de overleggen over de afwikkeling als adviseur laten bijstaan (en vertegenwoordigen) door zijn vriend [C] (‘ [C] ’).

2.4.

In 2018 is, na verkenning van verschillende opties, als mogelijkheid voor de afwikkeling besproken dat (i) [B.V. III] haar aandelen in APH zou verkopen aan [B.V. II] en (ii) APH vervolgens haar aandelen in APR zou verkopen aan [B.V. III] . Ook is gesproken over het aangaan van een franchiserelatie, waarbij APH zou optreden als franchisegever en APR als franchisenemer. In verband daarmee heeft [B] op 30 maart 2018 aan [C] een e-mail gezonden, met als bijlage een concept franchiseovereenkomst. In de e-mail schrijft [B] :

“Hierbij het voorbeeld de franchiseovereenkomst. Natuurlijk in deze situatie in onderling overleg afstemmen op elkaar.”

2.5.

Op 5 en 6 april 2018 hebben [B] en [C] (namens [B.V. III] / [A] ) per e-mail gecorrespondeerd over de afwikkelingsafspraken en de franchiseovereenkomst. Op 5 april 2018 heeft [C] onder meer het volgende geschreven:

“Bijgaand het voorstel voor de overname van [APR] door [B.V. III] .

(…)

Uitkopen [B.V. II]

  • -

    Gezamenlijk is de waarde van 50% van de winkel c.q. de overnamesom vastgesteld op 125.000 euro

  • -

    [B.V. II] biedt [B.V. III] een afbetalingsregeling aan, gezien het feit dat een financieringsaanvraag zinloos is.

  • -

    Door de aanstaande aandelenoverdracht heeft [B.V. III] een schuld aan [B.V. II] van 125.000 euro.

(…)

Schuldenlast [APR]

(…)

Het te overbruggen bedrag (overnamesom + restant netto schuldenlast) is in onze optiek op dit moment nog een brug te ver. Als we de huidige omzet en kostenstructuur als uitgangspunt nemen, dan is het aflossen van de totale som in 36 maanden niet haalbaar; we zijn zelf van mening dat een langere aflossingsperiode niet wenselijk is. Reden hiervoor is onder andere dat aan de kant van [B.V. III] op dit moment alle aflossingen vanuit de marge (winst) moet worden betaald; terwijl korte termijn schulden als vakantiegeld op korte termijn een liquiditeitsprobleem worden en de langlopende schulden maandelijks worden geïncasseerd (en termijnbedragen niet onderhandelbaar zijn bij Rabobank en VHC). Er ligt dus al per direct spanning op liquiditeit met mogelijk een oplopende crediteurenstand als gevolg.

Eindvoorstel overname [APR] + aflosschema (...)

(…)

NB hierbij merk ik nog op dat in werkelijkheid voor [B.V. III] de schuldenlast 109.666,74 blijft, waarvan 50% korte termijn schulden zijn. Ondanks dat hiervan in ons voorstel een deel wordt verdisconteerd in de overnamesom aan [B.V. II] , moeten de kosten nog altijd wel vanuit de omzet van [APR] worden betaald. Het is echter niet mogelijk om én de korte termijn schulden uit de omzet weg te poetsen, de verplichtingen aan de lange termijn te blijven voldoen plus de volledige overnamesom van 125K af te lossen binnen een overzienbare periode. (...)

Ter aanvulling nog wat zaken m.b.t. de overgang naar franchise

(…)

We gaan ons aanvullend verdiepen in de franchiseovereenkomst en bijbehorende voorwaarden. Ik stel voor dat we jou voor het weekend feedback geven op de overeenkomst.

(…)”

2.6.

Per e-mail van 6 april 2018 heeft [B] onder meer het volgende aan [C] geantwoord:

“(…) Mijn telefonische aanbod om de franchise te waarderen op 25.000 euro bevestig ik hierbij. We kunnen dus bij de genoemde franchise facturen zo’n 22k optellen waardoor we uitkomen op een overnamesom van 100k. Dus 100k, finale kwijting over en weer

Daarbij de volgende punten aanbieden:

- Een rentevrije aflossing, over een periode van max 5 jaar. Het lijkt mij verstandig om te beginnen vanaf 1-1-2019 met nader vast te stellen maandelijkse termijnen. (…) Je kunt dan de zaak eerst financieel op de rit krijgen en houdt je sowieso de 2222,22 per maand die je voorstelde, dit jaar nog liquide. Kortom, krijg alles op de rit en bel me zodra de tijd rijp is om te gaan aflossen. (…)

(…)

Met betrekking tot de franchise neem ik jullie punten in overweging, ik moet me hier ook in verdiepen. Op zich lijken de punten mij billijk, ik streef echter naar uniformiteit naar alle franchisenemers en zakelijk gezien wordt [plaats 4] , met terugwerkende kracht, een franchisevestiging per 1-4-2018. Ik wil dan ook geen scheve gezichten onder de franchisenemers. We gaan de punten bespreken als we tot een akkoord overnameprijs komen.

(…)”

2.7.

[A] was in april 2018 als werknemer in dienst bij [Y] . [Y] heeft kenbaar gemaakt dat zij bezwaar had tegen een overname van APR door [A] , omdat [Y] als beleid heeft dat werknemers, ter voorkoming van belangenverstrengeling, geen restaurant op hun naam mogen hebben. Daardoor moest [A] afzien van de koop van APR. Vervolgens heeft [C] samen met de heer [D] (‘ [D] ’) een oplossing geboden. [C] had [D] gevraagd om deel te nemen, omdat [D] horecaervaring had. Met [B] is vervolgens overeengekomen dat [C] en [D] door middel van hun persoonlijke vennootschappen [B.V. I] en DSR de aandelen van APR zouden kopen.

2.8.

Op 4 juni 2018 heeft [C] per-email aan [B] bericht dat hij aanpassingen had doorgevoerd in de franchiseovereenkomst. [B] heeft vervolgens op 5 juni 2018 als bijlage een ‘versie 2.0 van de FO’ (Franchise Overeenkomst, rechtbank) aan [C] toegezonden en meegedeeld: ‘de afspraken van straks moeten hier nog in worden verwerkt’.

2.9.

Op 5 juni 2018 is een koopovereenkomst tot stand gekomen tussen [BV I c.s.] (aangeduid als ‘koper’), APH (aangeduid als ‘verkoper’) en APR (aangeduid als ‘de Vennootschap’). In de overeenkomst (hierna: de koopovereenkomst) staat dat APH per 5 juni 2018 de aandelen in APR aan [BV I c.s.] verkoopt tegen een prijs van € 75.000,-. In de voorgedrukte tekst van de koopovereenkomst stond een koopsom van € 125.000,-, maar die koopsom is met goedkeuring van verkoper en koper later handmatig gewijzigd in € 75.000,-. In de koopovereenkomst is verder, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

In aanmerking nemende :

(…)

4. dat Partijen deze Koopovereenkomst aangaan onder de opschortende voorwaarde dat tussen Verkoper als franchisegever en de Vennootschap als franchisenemer een franchiseovereenkomst wordt gesloten.”

(…)

Artikel 2

1. De koopsom bedraagt € 75.000,- (…) ten behoeve van Verkoper door Koper te voldoen. Voor welke koopsom door Verkoper op 5 juni 2018 een lening zal worden verstrekt.

(…)

Artikel 4

(…)

2. Vorderingen voortkomend uit de door de Vennootschap gevoerde ondernemingen en overige activiteiten van de Vennootschap welke voorafgaand aan het sluiten van deze overeenkomst niet bij Koper zijn gemeld en/of bekend zijn gemaakt, zullen worden verrekend met de vordering die [APH] op de Vennootschap, zoals de franchise- en marketing fee, heeft.

(…)”

2.10.

Bij notariële akte van 15 juni 2018 (‘de leveringsakte’) heeft APH de aandelen in APR aan [BV I c.s.] geleverd. Aan de leveringsakte is een overeenkomst van geldlening gehecht tussen APH en APR, gesloten op 5 juni 2018 (hierna: de ‘leningsovereenkomst’). In de leningsovereenkomst staat, kort gezegd, dat de schuldeiser (APH) aan de schuldenaar (APR) een renteloze lening van € 75.000,- zal verstrekken ten behoeve van de overname van APR en het aangaan van een franchiseovereenkomst ter zake van de exploitatie van de in APR ondergebrachte onderneming. De geldlening moet met ingang van 1 januari 2019 over een periode van vijf jaar, in 60 gelijke maandelijkse termijnen, worden afgelost. Verder is in de leningsovereenkomst onder meer het volgende opgenomen:

Artikel 4 Betaling

4.1

Schuldenaar zal alle bedragen die ter zake van deze overeenkomst verschuldigd zijn zonder enige aftrek, compensatie of kosten voor Schuldeiser voldoen. Schuldenaar zal zich niet op verrekening kunnen beroepen.

(…)

Artikel 5 Opeisbaarheid

5.1

De uitstaande Hoofdsom vermeerderd met de verschenen vergoeding is onmiddellijk en zonder ingebrekestelling of andere formaliteit volledig opeisbaar wanneer:

(…)

- De franchiseovereenkomst ter zake van de exploitatie van de [X] vestiging in [plaats 4] om wat voor reden dan ook ten einde komt.

(…)

Artikel 8 overig

8.1

Deze overeenkomst vervangt alle voorgaande afspraken tussen ondergetekenden inzake die onderwerpen die in deze overeenkomst zijn opgenomen.

(…)”

2.11.

Op 15 juni 2018 is ook een tweede overeenkomst van geldlening tot stand gekomen tussen [B.V. II] en APR voor een renteloze geldlening van € 35.800,-. Voor wat betreft de looptijd, betaling en de opeisbaarheid zijn de voorwaarden van deze lening gelijk aan de leningsovereenkomst tussen APH en APR.

2.12.

Op 2 juli 2018 heeft [B] aan [C] gevraagd om de omzetgegevens van APR over de maand juni 2018 toe te sturen, om op basis daarvan de factuur ‘voor de franchise fee’ te kunnen toezenden. Ook schrijft [B] : “Zoals eerder afgesproken zijn de maanden april en mei vrij van franchisefee”. APR heeft de gegevens diezelfde dag aan [B] verstrekt. Een maand later heeft zij hetzelfde gedaan voor de maand juli 2018.

2.13.

Per e-mail van 20 juli 2018 heeft [C] de franchiseovereenkomst aan [B] toegestuurd, voorzien van verschillende opmerkingen. [B] en [C] hebben tussen 20 en 25 juli 2018 verder gecorrespondeerd, onder meer over de vraag van [B] hoe hij de opmerkingen van [C] in het computerbestand zichtbaar kon maken.

2.14.

Op 2 augustus 2018 heeft [B] namens APH aan APR ( [D] en [C] ) een brief overhandigd met, onder meer, de volgende inhoud:

Vanaf 1-4-2018 exploiteren jullie de vestiging aan de [adres] op basis van franchise volgens de franchiseovereenkomst, die ik destijds als onderdeel van onze afspraken inzake de aandelenoverdracht van [APR] met jullie heb gemaakt. Over de inhoud waren we het eens.

Verschillende malen heb ik verzocht om de franchiseovereenkomst te ondertekenen. Steeds hebben jullie echter de franchiseovereenkomst niet getekend zonder dat daar een geldige reden voor is aan te voeren. Tot mijn grote verbazing ontving ik je mail van 20-7-2018 met daarin een groot aantal punten, die fundamenteel afwijken van onze afspraken. Ik ga daar absoluut niet mee akkoord. De franchiseovereenkomst is zoals die is. (…) Ik wil dat de franchiseovereenkomst uiterlijk voor 12.00 uur maandag 6 augustus 2018 getekend is en aan mij is teruggestuurd.”

2.15.

Eind juli/begin augustus 2018 is APH erachter gekomen dat omzet van APR die in juni en juli 2018 is gegeneerd via [Y] , niet op de rekening van APR is betaald maar op de bankrekening van [B.V. I] . APH heeft in die periode ook kennis genomen van een e-mail van [C] aan [A] van 23 juli 2018 met betrekking tot de omzet van APR via [Y] . [C] schrijft in de e-mail onder meer:

“Bijgaand de schaduwadministratie over inkomsten [Y].

Uitleg:

  • -

    Ik hanteer 20% inkoop, dat storten we terug op de rekening van [APR]

  • -

    Eventuele privé opnamen houd ik per persoon bij; dan houden we het scherp

Uitbetalingen worden nu op de rekening van mijn BV gestort, vandaar dat ik het ook zo bij houd voor jullie. Hierdoor kunnen we A&P boekhouding (met schulden) buiten schot laten en zelf bepalen wat we met deze inkomsten doen.

Voor zover dus 5.500 eu inkomsten.”

Bij deze e-mail is een overzicht gevoegd waarin (kort gezegd) staat dat de inkomsten via [Y] tussen 5 juli en 27 juli 2018 € 6.898,94 bedragen, dat het bedrag van de inkoopfactuur (20%) € 1.379,79 is (met de opmerking: ‘nog niet uitgekeerd’) en dat het resultaat voor de aandeelhouders over juli € 5.519,15 is.

2.16.

APH heeft geconstateerd dat de omzet via [Y] ontbrak in de door APR verstrekte omzetoverzichten van juni en juli 2018. Vervolgens heeft op 3 augustus 2018 een gesprek plaatsgevonden tussen APH (in de persoon van [B] ) en APR (in de persoon van [C] ), waarin [B] het ontbreken van die omzet aan de orde heeft gesteld.

2.17.

Bij aangetekende brief van 6 augustus 2018 aan APR heeft APH met onmiddellijke ingang ‘de franchiseovereenkomst’ opgezegd. De brief vermeldt dat niet is voldaan aan het onder 2.14 genoemde ultimatum voor ondertekening van de franchiseovereenkomst en dat [C] en [D] substantiële omzet van [Y] niet via APR hebben laten lopen, maar via een andere vennootschap. APH schrijft in de brief dat dit in strijd is met de franchiseafspraken en dat dit een vertrouwensbreuk heeft veroorzaakt. APH heeft in de brief, in verband met de beëindiging van de franchiseovereenkomst, het bedrag van € 75.000,- zoals vermeld in de leningsovereenkomst opgeëist en APR gesommeerd dit bedrag binnen vijf werkdagen terug te betalen. Ook eist APH in de brief, om dezelfde reden, de geldlening aan APR van € 35.800,- op.

2.18.

APR heeft bij brief van dezelfde dag gereageerd. Vervolgens is tussen 13 augustus 2018 en 17 september 2018 verder gecorrespondeerd tussen de advocaat van APH en de (toenmalige) advocaat van APR. In die correspondentie is onder andere discussie gevoerd over de vraag of er al een franchiseovereenkomst tussen APH en APR bestond (volgens APH wel, volgens APR niet). APH heeft APR bij brief van haar advocaat van 17 september 2018 gesommeerd om uiterlijk op 19 september 2019 de hoofsommen van de geldleningen aan APH betaald te hebben. APR heeft aan die sommatie geen gevolg gegeven.

2.19.

Na daartoe op 20 september 2018 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam verlof te hebben verkregen, hebben APH en [B.V. II] ten laste van APR conservatoir derdenbeslag gelegd.

2.20.

Bij brief van 21 september 2018 heeft APH [BV I c.s.] , als hoofdelijk schuldenaar bij de geldlening van € 75.000,-, gesommeerd tot (terug)betaling van deze hoofdsom. [BV I c.s.] heeft bij brief van haar advocaat verweer gevoerd en, op meerdere gronden, betwist dat zij tot betaling van het bedrag van € 75.000,- is gehouden. [BV I c.s.] heeft in dat kader onder meer aangevoerd dat zij, anders dan APH betoogt, geen hoofdelijk schuldenaar is bij de geldlening.

2.21.

Bij dagvaarding van 4 oktober 2018 heeft APH (samen met [B.V. II] ) als eisende partij de gevoegde zaak aanhangig gemaakt. In de gevoegde zaak wordt onder meer (terug)betaling van de geldlening van € 75.000,- van APR gevorderd.

2.22.

Bij vonnis in kort geding van 14 december 2018 (ECLI:NL:RBAMS:2018:9309) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam de door APR gevorderde opheffing van het conservatoire beslag afgewezen.

2.23.

APR heeft tussen 6 augustus 2018 en juli 2019 het restaurant in [plaats 4] voortgezet, maar niet langer als een vestiging van ‘ [X] ’. APR is op 9 juli 2019 in staat van faillissement verklaard.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

APH vordert samengevat - dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [BV I c.s.] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan APH van een bedrag van € 75.000,-, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf (primair) 6 augustus 2018. Daarnaast vordert APH betaling van een bedrag van € 1.525,- voor buitengerechtelijke incassokosten (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding) en veroordeling van [BV I c.s.] in de proceskosten en de nakosten.

3.2.

[BV I c.s.] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[BV I c.s.] vordert – samengevat en na vermeerdering van eis – dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

primair

i. bepaalt dat de gevolgen van de koopovereenkomst en/of de leveringsakte op grond van dwaling (artikel 6:228 en artikel 6:230 van het Burgerlijk Wetboek, BW) of op grond van onvoorziene omstandigheden (artikel 6:258 BW) aldus gewijzigd worden dat de koopprijs voor de aandelen in APR op nihil wordt gesteld;

APH op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW) veroordeelt tot betaling van schadevergoeding, op te maken bij staat;

subsidiair

APH op grond van toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst en/of leveringsakte, althans op grond van onrechtmatige daad, veroordeelt tot schadevergoeding, op te maken bij staat;

zowel primair als subsidiair met veroordeling van APH in de proceskosten en de nakosten (te vermeerderen met de wettelijke rente) en met veroordeling van APH in de proceskosten van het voegingsincident, deze kosten eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.5.

APH voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

[BV I c.s.] hoofdelijk schuldenaar bij de geldlening?

4.1.

De vorderingen in conventie en in reconventie worden gelet op hun nauwe samenhang gezamenlijk behandeld.

4.2.

De rechtbank ziet zich als eerste gesteld voor de vraag of tussen [BV I c.s.] (als hoofdelijk schuldenaar) en APH (als schuldeiser) een overeenkomst van geldlening voor een bedrag van € 75.000 bestaat, zoals APH stelt.

4.3.

[BV I c.s.] betwist het bestaan van die overeenkomst van geldlening. Volgens [BV I c.s.] volgt uit de aan de leveringsakte gehechte leningsovereenkomst dat alleen APR schuldenaar is bij de geldlening van € 75.000,-. Dit strookt volgens [BV I c.s.] met de bedoeling van partijen dat de koopprijs voor de aandelen zou worden voldaan uit de door APR behaalde winst. In lijn met die bedoeling is de schuld van [BV I c.s.] (tot betaling van de koopsom) door ondertekening van de leningsovereenkomst, met toestemming van APH, overgenomen door (een geldlening aan) APR, aldus [BV I c.s.]

4.4.

APH bestrijdt de lezing van [BV I c.s.] en stelt dat [BV I c.s.] weldegelijk hoofdelijk schuldenaar bij de geldlening is. Volgens APH is de betalingsverplichting van [BV I c.s.] (als koper) in de – hierna nog weer te geven – leveringsakte omgezet in een geldlening van € 75.000,- aan [BV I c.s.] en zijn alleen de voorwaarden van de lening geregeld in de aan de leveringsakte gehechte leningsovereenkomst. In die leningsovereenkomst is ook APR – naast [BV I c.s.] – als extra hoofdelijk schuldenaar aan de lening verbonden, aldus APH.

4.5.

Aangezien partijen elk een andere lezing van de overeenkomst tussen [BV I c.s.] en APH hebben, zal de rechtbank zich moeten buigen over de vraag hoe die overeenkomst moet worden uitgelegd. De uitleg van een overeenkomst dient te geschieden aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Deze maatstaf houdt in dat het bij de uitleg van een schriftelijk contract aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bewoordingen van de overeenkomst mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, in hun onderlinge samenhang bezien. In beginsel staat bij de uitleg het achterhalen van de bedoelingen en redelijke verwachtingen van partijen voorop. Die bedoeling wordt niet alleen aan de hand van een louter taalkundige uitleg van de bewoordingen van het contract en andere schriftelijke stukken achterhaald. Dat neemt niet weg dat – afhankelijk van de omstandigheden van het geval – wel veel gewicht kan toekomen aan de taalkundige uitleg van de bewoordingen van de overeenkomst.

4.6.

In dit geval concentreert het geschil over de positie van [BV I c.s.] zich vooral op

de inhoud van de notariële leveringsakte van 15 juni 2018 voor de levering van de aandelen in APR (met APH als ‘Verkoper’ en [BV I c.s.] als ‘Koper’) en de samenhang met de aan die akte gehechte leningsovereenkomst, waarin uitsluitend APR als schuldenaar wordt genoemd. In artikel IIB van de leveringsakte staat, voor zover van belang:

“II. UITVOERING

(…)

B. Koopprijs

1. De koopprijs voor de Aandelen bedraagt (...) (€ 75.000,00).

(…)

2. De Koper en de Verkoper verklaren hierbij te zijn overeengekomen dat bij deze afstand wordt gedaan van de gehele koopprijs, zulks onder de verplichting voor de Koper, tevens te noemen: “schuldenaar”, om hoofdelijk aan de Verkoper, tevens te noemen: “schuldeiser”, schuldig te erkennen uit hoofde van geldlening een bedrag in contanten groot (...) (€ 75.000,00).

De Koper aanvaardt deze afstand en erkent gemeld bedrag schuldig aan de Verkoper, die als gevolg van deze schulderkenning kwijting verleent voor de betaling van de koopsom.

Voor deze geldlening gelden de bepalingen als opgenomen in de aan de minuut van deze akte gehechte akte van geldlening.”

4.7.

De rechtbank is met APH van oordeel dat uit de bewoordingen van artikel IIB van de leveringsakte volgt dat [BV I c.s.] hoofdelijk met APH een geldlening is aangegaan voor de koopsom van € 75.000,-. Dat in de aangehechte leningsovereenkomst alleen APR als schuldenaar voor de geldlening van € 75.000,- wordt genoemd, betekent niet dat [BV I c.s.] geen hoofdelijk schuldenaar is bij de geldlening. In artikel IIB van de leveringsakte staat duidelijk dat afstand is gedaan van de betaling van de koopprijs van € 75.000,- onder de voorwaarde dat de koper (dus: [BV I c.s.] ) hoofdelijk een geldlening voor hetzelfde bedrag aangaat. De toevoeging in de leveringsakte dat voor deze geldlening aan [BV I c.s.] de bepalingen als opgenomen in de aangehechte akte van geldlening gelden, kan bezwaarlijk anders worden gelezen dan dat de bepalingen die in de leningsovereenkomst tussen APH en APR staan (over onder meer betaling, looptijd en opeisbaarheid), óók gelden voor [BV I c.s.] in hun verhouding tot APH. De leningsovereenkomst tussen APH en APR kan niet worden losgezien van, en moet in samenhang worden gelezen met artikel IIB van de leveringsakte en de onderliggende koopovereenkomst tussen APH en [BV I c.s.]

Uit de tekst van deze drie documenten leidt de rechtbank af dat de transactie waarbij APR in handen is gekomen van [C] en [D] in de kern neerkomt op de verkoop en levering door APH van de aandelen in APR aan [BV I c.s.] , waarbij de koopsom is omgezet in een lening van APH van € 75.000 aan [BV I c.s.] en waarbij APH het – op basis van een separate leningsovereenkomst met APR voor hetzelfde bedrag – mogelijk heeft gemaakt om op die lening ook vanuit de omzet of winst van APR af te lossen. Opmerking verdient hier dat [C] op 5 april 2018 bij [B] op die mogelijkheid als noodzaak had aangedrongen (zie 2.5). De drie documenten wijzen er dus op dat het in de kern gaat om één en dezelfde lening van € 75.000 (als omgezette koopsom voor de aandelen in APR) waarbij het de bedoeling was dat zowel [BV I c.s.] als APR voor de aflossing instonden. Het gegeven dat in de leningsovereenkomst niets expliciet staat vermeld over hoofdelijkheid en de naam van [BV I c.s.] in de leningsovereenkomst niet is genoemd, is onvoldoende aanwijzing voor het tegendeel.

4.8.

De tekst van de koopovereenkomst, de leveringsakte en de leningovereenkomst ondersteunen dus in hoge mate de uitleg die APH aan het tussen partijen overeengekomene geeft. Er is in dit geval ook alleszins aanleiding om bij de uitleg van hetgeen partijen zijn overeengekomen veel gewicht toe te kennen aan de bewoordingen van deze documenten. Vast staat dat partijen de leveringsakte op voorhand in concept hebben ontvangen en daarop commentaar hebben kunnen leveren. Eveneens staat vast dat de verschillende overeenkomsten en akten bij de notaris zijn doorgenomen. Dit heeft ertoe geleid dat de koopprijs nog handmatig is aangepast naar € 75.000,-. Daarnaast heeft [BV I c.s.] zelf gesteld dat de partijen bij de verschillende overeenkomsten nog met de notaris onder de zijn loep genomen (zie conclusie van antwoord [BV I c.s.] , randnummers 30 en 41). Indien het – zoals [BV I c.s.] betoogt – de kenbare bedoeling van partijen was geweest dat APR de schuld voor de koopprijs van € 75.000,- (als enig leningnemer) volledig zou overnemen en [BV I c.s.] verder van enige betalingsverplichting was ontslagen, had het voor de hand gelegen dat de notaris – als redelijk bekwaam en redelijk handelend notaris – deze schuldovername door APR met zoveel woorden in de leveringsakte of in een afzonderlijk document had opgenomen. Maar dat is niet gebeurd. In de leveringsakte is de hiervoor aangehaalde tekst gehandhaafd, met onder meer de expliciete bepaling dat [BV I c.s.] als koper het bedrag van € 75.000,- op grond van geldlening schuldig zijn. Uit de leveringsakte blijkt op geen enkele wijze dat [BV I c.s.] als gevolg van de leningsovereenkomst tussen APH en APR was ontslagen van haar betalingsverplichting als koper.

4.9.

Die uitleg van [BV I c.s.] valt voorts niet te rijmen met de koopovereenkomst van 5 juni 2018. In artikel 2 van die koopovereenkomst staat eveneens dat voor de koopsom aan koper ( [BV I c.s.] ) een geldlening zal worden verstrekt. Ook de koopovereenkomst biedt geen enkele aanwijzing dat de schuld van [BV I c.s.] , met volledige kwijting, werd overgenomen door APR.

4.10.

De gestelde schuldovername door APR kan evenmin worden afgeleid uit artikel 8 van de aan de leveringsakte gehechte leningsovereenkomst, waarin staat dat deze overeenkomst alle voorgaande afspraken tussen de ondertekende partijen vervangt. Terecht betoogt APH dat die (standaard)bepaling alleen betrekking heeft op de inhoud en de voorwaarden van de geldlening zelf. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat dat hiermee is bedoeld om, anders dan in de koopovereenkomst is vermeld, [BV I c.s.] niet langer schuldenaar te laten zijn onder de geldlening. Een dergelijke uitleg is bovendien onverenigbaar met artikel IIB van de leveringsakte.

4.11.

De rechtbank volgt [BV I c.s.] evenmin in haar stelling dat de schuldovername door APR volgt uit de afspraak dat de geldlening vanuit de winst van APR zou worden afgelost. Dat dit laatste de bedoeling was, wordt op zichzelf niet door APH betwist en volgt ook uit de correspondentie tussen [B] en [C] van begin april 2018, waarin [C] benoemt dat zowel de overnamesom als de schulden vanuit de winst van APR moeten worden afgelost en een afbetalingsregeling noodzakelijk is (zie 2.5). Naar de rechtbank begrijpt, is vanuit die achtergrond ook de afspraak ontstaan dat de koopsom zou worden omgezet naar een renteloze geldlening die over een periode van vijf jaren moest worden afgelost. Maar de rechtbank ziet nergens een aanknopingspunt dat partijen hieraan het verstrekkende gevolg hebben willen verbinden dat de schuld voor de koopprijs volledig zou worden overgenomen door APR en de koper van zijn betalingsverplichting zou zijn gekweten. Integendeel, in zijn e-mail van 5 april 2018 is [C] voortdurend bij het uitgangspunt gebleven dat de betalingsverplichting voor de (in termijnen af te lossen) koopsom rust op de koper (toen nog [B.V. III] ): ‘[B.V. II] biedt [B.V. III] een afbetalingsregeling aan (..)’, ‘Door de aanstaande aandelenoverdracht heeft [B.V. III] een schuld aan [B.V. II] van 125.000 euro’, ‘aan de kant van [B.V. III] [moeten] op dit moment alle aflossingen vanuit de marge (winst) worden betaald’ (zie eveneens 2.5). [BV I c.s.] heeft geen concrete feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat bij de uiteindelijke afspraken van dit uitgangspunt is afgeweken, toen [BV I c.s.] de plaats van [B.V. III] als koper innam. In de koopovereenkomst tussen [BV I c.s.] en APH van 5 juni 2018 is juist, in lijn met wat eerder voor [B.V. III] was besproken, opgenomen dat voor de koopsom aan de koper ( [BV I c.s.] ) een lening worden verstrekt.

4.12.

[BV I c.s.] heeft ook overigens geen feiten of omstandigheden aangedragen die haar lezing van de gemaakte afspraken ondersteunen.

4.13.

De rechtbank volgt dan ook de uitleg van APH, te weten dat [BV I c.s.] zich op grond van geldlening hoofdelijk heeft verbonden (samen met APR) tot aflossing van de koopsom van € 75.000,-, onder de voorwaarden die in de aan de leveringsakte gehechte leningsovereenkomst zijn opgenomen.

franchiseovereenkomst tot stand gekomen?

4.14.

Het tweede geschilpunt betreft de vraag of de geldlening op 6 augustus 2018 vervroegd opeisbaar is geworden. Volgens APH is dat het geval. Volgens APH bestond op dat moment tussen haar en APR al een franchiseovereenkomst. De geldlening is op 6 augustus 2018 onmiddellijk opeisbaar is geworden doordat de franchiserelatie tussen APH en APR – door de opzeggingsbrief van diezelfde dag – met ingang van 6 augustus 2018 is geëindigd, aldus APH.

4.15.

[BV I c.s.] ziet dit anders. Volgens [BV I c.s.] volgt uit de correspondentie tussen partijen dat zij ook na de levering van de aandelen nog in overleg waren over de voorwaarden en condities waaronder een zij een franchiserelatie zouden aangaan. [BV I c.s.] wijst in dat verband onder meer op de omstandigheid dat APR op 20 juli 2018 nog verschillende opmerkingen bij de concept franchiseovereenkomst heeft geplaatst, die vervolgens niet resoluut door [B] van de hand zijn gewezen. Die opmerkingen betroffen volgens [BV I c.s.] kernbedingen van de franchiserelatie, waaronder de franchisevergoeding. [BV I c.s.] spreekt op die grond tegen dat er op 6 augustus 2018 al een (romp)overeenkomst was of dat er anderszins al enige franchiserelatie bestond.

4.16.

De rechtbank overweegt op dit punt als volgt.

Partijen zijn het erover eens dat zij voornemens waren hun samenwerking vorm te geven in een franchiserelatie. Dat op basis van franchise zou worden samengewerkt, volgt tevens uit de koopovereenkomst voor de aandelen van 5 juni 2018. Die koopovereenkomst is onder de opschortende voorwaarde gesloten dat tussen APH (als franchisegever) en APR (als franchisenemer) een franchiseovereenkomst wordt gesloten.

Vast staat dat de inhoud van de franchiseovereenkomst in juni 2018 nog niet tot in detail was geregeld. De gewisselde concepten hadden nog niet geleid tot een ondertekende overeenkomst. Op een aantal punten was nog geen overeenstemming bereikt. Wel heeft [B] op de dag van ondertekenen van de koopovereenkomst (5 juni 2018) aan [C] een (aangepaste) conceptovereenkomst toegezonden, waarop de partijnamen en het bezorgingsgebied al waren vermeld.

Partijen zijn vervolgens op 15 juni 2018 tot levering van de aandelen overgegaan. Bij die aandelenoverdracht zijn ook de geldleningen verstrekt voor de aflossing van de koopprijs. Aan die geldleningen was de voorwaarde verbonden dat deze vervroegd opeisbaar zouden zijn, indien de franchiseovereenkomst om wat voor reden dan ook ten einde zou komen.

APR heeft na de aandelenoverdracht het restaurant daadwerkelijk onder de vlag van ‘ [X] ’ geëxploiteerd. Ook staat vast dat de intellectuele eigendomsrechten met betrekking tot het merk ‘ [X] op grond van artikel 11 van de koopovereenkomst door APR aan APH waren overgedragen. Ook is duidelijk geworden dat het ‘merk’ [X] een substantiële waarde vertegenwoordigde. Dat wordt geïllustreerd door de omstandigheid dat de omzet van APR met 30% is gedaald, nadat APR - als gevolg van de beëindiging van de samenwerking door APH - een concept- en naamswijziging (aanpassing van menukaarten en inventaris) heeft moeten doorvoeren en niet langer onder de naam ‘ [X] ’ kon opereren.

Verder heeft APR na de aandelenoverdracht desgevraagd over de maanden juni en juli 2018 haar omzet doorgegeven aan APH. APH heeft in het verzoek om de omzet daartoe uitdrukkelijk vermeld dat dit was ten behoeve van de berekening van de ‘franchise fee’.

Vast staat dat er gedurende deze periode nog geen ondertekende franchiseovereenkomst was. Er is echter niet gesteld – en is evenmin gebleken – dat APR een hard voorbehoud heeft gemaakt alvorens op deze wijze met APH te gaan samenwerken. Evenmin heeft APR na de toezending van het concept op 5 juni 2018 – tot eind juli 2018 – wijzigingen voorgesteld, of aan APH te kennen gegeven dat van een franchiserelatie in haar visie geen sprake was.

4.17.

De rechtbank is van oordeel dat uit de voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, volgt dat APH en APR zich feitelijk hebben gedragen alsof tussen hen een franchiserelatie bestond. APH heeft er op grond van het voorgaande op mogen vertrouwen dat op hoofdlijnen al overeenstemming was bereikt over de franchiseovereenkomst, maar dat over sommige bijzonderheden nog overeenstemming diende te worden bereikt.

4.18.

De door [BV I c.s.] overgelegde verklaring van de notaris van 18 maart 2019 brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De notaris verklaart hierin: “(…) Ikzelf heb geen franchise overeenkomst gezien en had begrepen dat die ten tijde van de levering nog niet getekend was, dat nog geen overeenstemming was bereikt. Ik heb hierop gewezen en er verder naar gevraagd en toen begrepen dat U allen het vertrouwen had daar samen uit te komen. Aangezien het voor dhr [A] van belang was dat de leveringen zo spoedig mogelijk plaats zouden vinden, was ervoor gekozen niet af te wachten.” Partijen hadden aan de aandelenoverdracht de opschortende voorwaarde verbonden dat een franchiseovereenkomst tot stand moest zijn gekomen. Dat hing samen met de bedoeling van partijen om in een franchisevorm te gaan samenwerken. De verklaring van de notaris bevestigt dat, hoewel nog tot overeenstemming moest worden gekomen over een uitgewerkte schriftelijke franchiseovereenkomst, bij APR en APH al wel een zodanige mate van vertrouwen in het bereiken van zo’n overeenkomst bestond dat volgens hen al tot levering van de aandelen kon worden overgegaan. Naar het oordeel van de rechtbank kan de verklaring van partijen bij de notaris daarom niet anders worden begrepen dan dat op voldoende essentiële onderdelen overeenstemming bestond over de invulling van de franchiserelatie en dat partijen de opschortende voorwaarde als vervuld hebben beschouwd.

4.19.

Maar ook als [BV I c.s.] moet worden gevolgd in haar stelling dat nog geen sprake was van een (geformaliseerde) franchiserelatie, kan in elk geval worden vastgesteld dat partijen na 15 juni 2018 samenwerkten op basis van een rompovereenkomst die onlosmakelijk samenhing met de overdracht van de aandelen en het verstrekken van de leningen. Partijen hebben alsdan hun afspraken zo mogen en moeten opvatten, dat de leningen opeisbaar zouden zijn als aan die (romp)overeenkomst een eind zou komen.

4.20.

De stelling van [BV I c.s.] dat tussen partijen geen (franchise)overeenkomst tot stand is gekomen en er op 6 augustus 2018 dus ook geen opzegging kan hebben plaatsgevonden, zodat de leningen niet opeisbaar zijn, houdt dus geen stand.

franchiserelatie terecht beëindigd?

4.21.

De rechtbank is verder van oordeel dat APH de franchiserelatie, althans de rompovereenkomst, op 6 augustus 2018 rechtsgeldig en op goede gronden heeft beëindigd.

4.22.

Tot uitgangspunt kan worden genomen dat APH en APR het erover eens waren dat APR gedurende de franchiserelatie maandelijks omzetcijfers aan APH zou verstrekken zodat APH de door APR verschuldigde franchisevergoeding kon berekenen. Weliswaar heeft [C] in zijn e-mail van 20 juli 2018 de wens uitgesproken om verder te onderhandelen over de hoogte en ingangsdatum van die vergoeding, maar gesteld noch gebleken is dat [C] tegen de hiervoor genoemde verantwoordingswijze heeft geprotesteerd. Integendeel, [C] heeft zonder protest de omzetgegevens van APR over juni en juli 2018 aan [B] verstrekt voor ‘de franchisefee’.

4.23.

Evenmin is gesteld of gebleken dat APR concrete bezwaren heeft geuit – vóór de aandelenoverdracht, of daarna – tegen artikel 25.1 sub b van de door APH opgestelde concept franchiseovereenkomst, waarin was bepaald dat de franchisegever (APH) het recht heeft om de overeenkomst onmiddellijk en zonder rechterlijke tussenkomst per aangetekende brief te ontbinden als bij het tot stand komen of gedurende de looptijd van de overeenkomst blijkt dat de franchisenemer (APR) bewust of onbewust valse, onjuiste of onvolledige opgaven aan de franchisegever heeft verstrekt. Uit niets blijkt dat die beëindigingsgrond ooit een punt van discussie is geweest. APR heeft op 20 juli 2018 weliswaar opmerkingen gemaakt over de artikelen 24 en 25 van de conceptovereenkomst, maar niet over deze specifieke beëindigingsgrond. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat de franchiserelatie tussen APR en APH mede door het bepaalde in artikel 25 lid 1 sub b van de conceptovereenkomst werd beheerst.

4.24.

Tussen partijen is niet in geschil dat de in juni en juli 2018 door APR gegenereerde omzet via [Y] niet was opgenomen in de door APR aan APH verstrekte omzetoverzichten van die maanden. Volgens [BV I c.s.] was van bewuste misleiding door APR echter geen sprake en kwam het ontbreken van de omzet voort uit het feit dat de omzet van [Y] - die door [Y] op de bankrekening van [B.V. I] werd betaald en daarna werd doorbetaald - niet altijd door het personeel van APR was aangeslagen.

4.25.

Deze uitleg van [BV I c.s.] overtuigt niet. Uit de e-mail van [C] van 23 juli 2018 volgt genoegzaam dat hij de omzet via [Y] opzettelijk buiten de boeken van APR heeft gelaten, zodat hij - na aftrek van 20% ten behoeve van APR - zelf kon bepalen wat met de inkomsten werd gedaan (zie 2.15). Ook staat vast dat [C] de omzet via [Y] nauwgezet had bijgehouden in de aan de e-mail gehechte administratie, door hem zelf veelzeggend aangeduid als ‘schaduwadministratie’. [C] wist, althans behoorde als bestuurder van APR zonder meer te weten dat deze omzet voor 100% aan APH toekwam en ook volledig aan APH moest worden doorgegeven in het kader van de berekening van een franchisevergoeding. Dat is echter niet gebeurd en hiervan maakt APH APR terecht een verwijt. Gesteld noch gebleken is dat APR (in de persoon van [C] ) op enig moment van haar schreden is teruggekeerd en APH heeft geïnformeerd over de ontbrekende omzet uit [Y] . Integendeel, APH is hier zelf bij toeval achter gekomen.

4.26.

De rechtbank is van oordeel dat het alleszins gerechtvaardigd is dat APH in verband met deze bewust onvolledige omzetopgave over drie maanden door APR de franchiserelatie/rompovereenkomst op grond van voornoemd artikel 25.1 sub b op 6 augustus 2018 met onmiddellijke ingang heeft beëindigd. Dat APH de relatie na de ontdekking niet onmiddellijk heeft beëindigd, maar APR nog tot uiterlijk 6 augustus 2018 een laatste kans heeft geboden onder de voorwaarde dat APR de voorliggende concept franchiseovereenkomst zou ondertekenen, doet aan de rechtsgeldigheid van die beëindiging niet af.

4.27.

De rechtbank voegt aan het voorgaande toe dat ook als zou worden aangenomen dat artikel 25.1 geen onderdeel was geweest van de tussen partijen bestaande rechtsverhouding, de redelijkheid en billijkheid in de gegeven omstandigheden meebrengen dat de onmiddellijke beëindiging van die rechtsverhouding desalniettemin rechtsgeldig is gedaan. Het opzettelijk achterhouden van een gedeelte van de omzet door APR heeft het voor een vruchtbare samenwerking tussen franchisegever- en franchisenemer vereiste wederzijds vertrouwen in hoge mate aangetast. Dat het daarbij in absolute omvang niet om een groot bedrag ging, doet niet af aan de ernst van die vertrouwensbreuk. Te minder, nu het achterhouden van de omzetgegevens door APR al in een pril stadium van de samenwerking plaatsvond, waarin partijen ook nog in onderhandeling waren over de verdere details van hun franchiserelatie.

4.28.

De conclusie is dat APH met juistheid heeft gesteld dat de geldlening van € 75.000,- op grond van artikel 5.1 van de leningsovereenkomst vanwege de beëindiging van de franchiserelatie op 6 augustus 2018 onmiddellijk en volledig opeisbaar is geworden.

4.29.

De rechtbank voegt daar ten overvloede aan toe dat ook indien [BV I c.s.] had moeten worden gevolgd in haar stelling dat tussen partijen in het geheel geen (franchise) overeenkomst tot stand was gekomen, dit haar niet kan baten. Artikel 5.1 van de leningsovereenkomst, inhoudend dat de hoofdsom vermeerderd met de verschenen vergoeding onmiddellijk en zonder ingebrekestelling of andere formaliteit volledig opeisbaar is wanneer de franchiseovereenkomst ter zake van de exploitatie van de [X] vestiging in [plaats 4] om wat voor reden dan ook ten einde komt, dient naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven omstandigheden immers aldus te worden uitgelegd dat hetzelfde geldt als de franchiseovereenkomst, ondanks redelijke inspanningen, niet tot stand komt. Ook in die situatie zou de geldlening opeisbaar zijn geworden, nu APH zich naar het oordeel van de rechtbank voldoende heeft ingespannen om de beoogde franchiseovereenkomst met APR tot stand te laten komen en het uitblijven daarvan, gelet het opzettelijk achterhouden van via [Y] behaalde omzet, aan APR moet worden toegerekend.

non-conformiteit geleverde aandelen (art. 7:17 BW)?

4.30.

Om te beoordelen of het voorgaande ertoe leidt dat [BV I c.s.] een bedrag van € 75.000,- aan APH moet betalen, zullen eerst de overige standpunten van [BV I c.s.] in conventie en in reconventie moeten worden besproken.

4.31.

[BV I c.s.] heeft onder meer betoogd dat na de levering van de aandelen is gebleken dat de schuldenlast van APR groter is dan APH had medegedeeld. APR heeft in dat verband een aantal schulden genoemd, waaronder belastingschulden, oude facturen van Klikproces en een verzekeringskwestie rondom een eerdere brand (conclusie van in reconventie [BV I c.s.] , randnummer 62 en 63). [BV I c.s.] stelt, mede op basis van deze schulden, dat de geleverde aandelen in APR niet voldoen aan dat wat [BV I c.s.] op grond van de koopovereenkomst mocht verwachten (artikel 7:17 BW). [BV I c.s.] verwachtte dat zij een goed lopend restaurant overnam, waarbij de bestaande formule en merknaam ‘ [X] en de daaraan verbonden goodwill konden worden benut. De schuldenlast van APR blijkt echter veel groter te zijn dan op basis van de koopovereenkomst en de mededelingen van APH mocht worden verwacht, terwijl ook geen gebruik meer kon worden gemaakt van de intellectuele eigendomsrechten, omdat deze rechten inmiddels aan APH waren overgedragen en geen franchiseovereenkomst tot stand was gekomen, aldus [BV I c.s.]

4.32.

De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat alle door [BV I c.s.] genoemde niet-medegedeelde schulden, schulden van APR betreffen. Als onweersproken staat tevens vast dat partijen in artikel 4 lid 2 van de koopovereenkomst zijn overeengekomen dat niet door APH medegedeelde schulden van APR zullen worden verrekend met de vordering die APH op APR heeft, zoals de franchise- en marketingvergoeding. Daaruit volgt dat partijen in de koopovereenkomst al rekening hebben gehouden met de mogelijkheid dat na de levering nog oude schulden van APR bekend konden worden die niet door APH waren medegedeeld. APH en [BV I c.s.] hebben ook uitdrukkelijk in een specifieke regeling voor de afwikkeling van zulke schulden voorzien, namelijk verrekening in de verhouding tussen APH en APR. [BV I c.s.] staat buiten die verhouding. Om die reden kan niet als juist worden aanvaard dat het enkele ontdekken van dergelijke schulden maakt dat de geleverde aandelen niet aan de koopovereenkomst beantwoorden.

4.33.

Evenmin kan als juist worden aanvaard dat de omstandigheid dat het uiteindelijk niet tot een ondertekende franchiseovereenkomst is gekomen, maakt dat de geleverde aandelen non-conform zijn. Vast staat dat [BV I c.s.] na de levering van de aandelen de exploitatie van het restaurant ongehinderd hebben kunnen voortzetten, met gebruikmaking van de franchiseformule ‘ [X] ’ en de daaraan verbonden intellectuele eigendomsrechten. Dat na 6 augustus 2018 aan dat gebruik een einde is gekomen en het niet tot een ondertekende franchiseovereenkomst is gekomen, is niet aan APH, maar aan APR (en [BV I c.s.] als bestuurder en aandeelhouder van APR) toe te rekenen. De rechtbank verwijst daartoe naar hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 4.21 tot en met 4.27 is overwogen.

4.34.

Van non-conformiteit van de aandelen in de zin van artikel 7:17 BW is dan ook geen sprake.

onrechtmatig handelen APH?

4.35.

Anders dan door [BV I c.s.] is betoogd, is ook voor schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW) geen plaats.

4.36.

Voor zover [BV I c.s.] stelt dat APH onrechtmatig heeft gehandeld door geen franchiseovereenkomst met APR aan te gaan, stuit die stelling af op hetgeen hiervoor al is overwogen, namelijk dat wel degelijk een franchiserelatie tussen partijen tot stand is gekomen en dat partijen hier ook uitvoering aan hebben gegeven. Het niet tot stand komen van een volledig uitgewerkte, ondertekende franchiseovereenkomstkomst is volledig aan [BV I c.s.] toe te rekenen, omdat APR onder het bestuur van [BV I c.s.] zelf voor een ernstige vertrouwensbreuk heeft gezorgd door een deel van de omzet van APR via [Y] voor APH achter te houden. APH heeft vervolgens op goede gronden, na eerst [BV I c.s.] in de gelegenheid te stellen om de concept-franchiseovereenkomst alsnog te tekenen, de samenwerking beëindigd.

4.37.

Voor zover [BV I c.s.] betoogt dat ook het niet mededelen van de door haar genoemde schulden van APR een onrechtmatige daad van APH oplevert, faalt dat betoog. In de eerste plaats geldt dat partijen in de koopovereenkomst zijn overeengekomen dat eventuele niet meegedeelde schulden worden afgewikkeld en verrekend in de verhouding tussen APH en APR. Het zijn ook schulden van APR. Ter zake van die schulden heeft dus alleen APR een vordering op APH. Indien APH in dat kader haar verplichtingen niet nakomt en APR daardoor schade lijdt, heeft in beginsel alleen APR het recht om schadevergoeding van APH te vorderen. APR is echter geen partij in deze procedure.

4.38.

In de tweede plaats geldt dat de aandeelhouders van de vennootschap op grond van het leerstuk van de ‘afgeleide schade’ in een dergelijke situatie - waarin een vennootschap door een gedraging van een derde schade wordt toegebracht - in beginsel niet een eigen schadevergoedingsvordering tegen de schuldenaar van de vennootschap kunnen instellen vanwege een met die schade corresponderende vermindering van de waarde van hun aandelen. Het ligt op de weg van de vennootschap om van de derde schadevergoeding te vorderen; slaagt de vennootschap daarin, dan moet ook de met die schade corresponderende waardevermindering van de aandelen geacht worden te zijn ongedaan gemaakt. De aandeelhouder heeft alleen recht op vergoeding van de door hem als aandeelhouder geleden schade, als die schade het gevolg is van een jegens hem geldende specifieke zorgvuldigheidsverplichting (zie o.a. Hoge Raad 16 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0419).

4.39.

Van schending van een dergelijke specifieke zorgvuldigheidsnorm is hier geen sprake. Vast staat dat APH voorafgaand aan de koopovereenkomst informatie heeft verstrekt over de financiële situatie en openstaande schulden van APR. [BV I c.s.] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld of onderbouwd die de conclusie rechtvaardigen dat APH administratie of belangrijke informatie over APR bewust of opzettelijk voor [BV I c.s.] heeft achtergehouden. Bovendien hebben partijen voor de afwikkeling van ‘verborgen’ schulden in de koopovereenkomst een specifieke regeling getroffen (zie 4.32 en 4.37).

4.40.

Evenmin slaagt de stelling van [BV I c.s.] dat haar afgeleide schade vergoed moet worden, omdat de waardevermindering van de aandelen definitief is geworden als gevolg van het faillissement van APR dat volgens [BV I c.s.] is veroorzaakt door gedragingen van APH. Dat APR vanaf 6 augustus 2018 niet langer onder de naam ‘ [X] ’ heeft kunnen opereren en dat haar omzet daarna met 30% is gedaald, is immers – zoals hiervoor overwogen – het gevolg van de eigen gedragingen van APR en komt voor rekening van APR en daarmee [BV I c.s.] De stelling van [BV I c.s.] dat haar de kans is ontnomen om de aandelen in APR aan een derde te verkopen doordat APH administratie of belangrijke informatie heeft achtergehouden, is door [BV I c.s.] niet feitelijk onderbouwd en wordt daarom gepasseerd. Ten slotte kan, anders dan door [BV I c.s.] is bepleit, niet worden geoordeeld dat APH de bedrijfsvoering van APR heeft belemmerd door onrechtmatig beslag te leggen. Vast staat dat APH een opeisbare vordering heeft in verband met de geldlening van € 75.000,- die onbetaald is gebleven. Het stond APH vrij om ter verzekering van het verhaal van haar vordering conservatoir beslag te leggen. De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft in het opheffingsgeding geoordeeld dat dit beslag niet als een disproportionele maatregel kan worden gezien; dat oordeel is in deze procedure door [BV I c.s.] niet concreet ter discussie gesteld zodat de rechtbank geen aanleiding ziet thans anders te oordelen. Dat APR heeft gepretendeerd nog enkele tegenvorderingen te hebben op APH in verband met de gestelde niet medegedeelde schulden, stond het beslag door APH niet in de weg, aangezien APH en APR in artikel 4.1 van de leningsovereenkomst zijn overeengekomen dat de schuldenaar (APR) zich ter zake van betalingsverplichtingen van de geldlening niet op verrekening kan beroepen.

4.41.

Van onrechtmatig handelen van APH jegens [BV I c.s.] , is dan ook geen sprake.

dwaling?

4.42.

Het beroep van [BV I c.s.] op dwaling (artikel 6:228 BW), slaagt evenmin. [BV I c.s.] stelt dat zij de koopovereenkomst niet was aangegaan, indien [BV I c.s.] wist dat APH geen franchiseovereenkomst met hen zou aangaan. Dit beroep stuit reeds af op het oordeel dat er wel degelijk een franchiserelatie tussen APH en APR tot stand is gekomen. Het gegeven dat het niet is gekomen tot een gedetailleerde, ondertekende franchiseovereenkomst, komt in de gegeven omstandigheden, zoals eerder overwogen, volledig voor rekening en risico van [BV I c.s.] Hierbij wordt in aanmerking genomen dat [B] juist heeft aangedrongen op ondertekening van de concept-franchiseovereenkomst.

onvoorziene omstandigheden?

4.43.

Om dezelfde reden faalt het beroep van [BV I c.s.] op wijziging van de gevolgen van de koopovereenkomst en de leveringsakte op grond van onvoorziene omstandigheden. Nog los van de vraag of het niet tot stand komen van een gedetailleerde, ondertekende franchiseovereenkomst als een onvoorziene omstandigheid in de zin van artikel 6:258 BW kan worden aangemerkt, is dat een omstandigheid die voor eigen rekening komt van [BV I c.s.] , zodat [BV I c.s.] daarop geen beroep kan doen (artikel 6:258 lid 2 BW).

tussenconclusie hoofdsom € 75.000,- en wettelijke (handels)rente

4.44.

Uit het voorgaande volgt dat dat de vordering in conventie van APH in hoofdsom van € 75.000,- in beginsel toewijsbaar is. Wel komt hierop in mindering de door [BV I c.s.] opgevoerde factuur voor de restaurantgids 010 van 10 juli 2018 voor een bedrag van € 211,75, nu APH bij monde van [B] op de zitting van 23 augustus 2019 heeft verklaard dat APH bereid is om deze factuur met haar vordering te verrekenen. Derhalve resteert aan te betalen hoofdsom een bedrag van (€ 75.000,- -/- € 211,75 =) € 74.788,25. De in conventie gevorderde hoofdsom zal daarom voor dit bedrag worden toegewezen.

4.45.

APH vordert tevens betaling van de wettelijke handelsrente over de hoofdsom. De wettelijke handelsrente is op grond van artikel 6:119a lid 1 BW alleen verschuldigd als sprake is van een handelsovereenkomst. Een geldlening kan een handelsovereenkomst zijn, maar dan moet het geld wel tegen betaling van rente zijn uitgeleend. Een kenmerk van een handelsovereenkomst is immers dat het een overeenkomst om baat betreft. De geldlening van APH aan [BV I c.s.] was echter niet om baat, maar een renteloze geldlening. Die geldlening kwalificeert daarom niet als handelsovereenkomst. De rechtbank zal over de hoofdsom dus niet de wettelijke handelsrente, maar de gewone wettelijke rente toewijzen. Deze is verschuldigd vanaf de datum van verzuim (artikel 6:119 lid 1 BW). De hoofdregel is dat verzuim pas intreedt, nadat de schuldenaar – na het opeisbaar worden van de vordering – in gebreke is gesteld. APH heeft niet onderbouwd dat [BV I c.s.] al vóór of op 7 november 2018 in verzuim was. De eerste, uit het dossier kenbare sommatie is per e-mail van 7 november 2018 gedaan. De door APH bedoelde sommatiebrief van 21 september 2018 is niet als productie ingebracht. De rechtbank zal de wettelijke rente daarom toewijzen vanaf de datum van dagvaarding, te weten 27 november 2018.

buitengerechtelijke incassokosten

4.46.

APH heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat zij buitengerechtelijke incassohandelingen heeft verricht, die op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW voor vergoeding in aanmerking komen. De incassokosten worden, overeenkomstig de staffel van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten toegewezen tot een bedrag van € 1.523,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding.

slotsom conventie/reconventie/proceskosten

4.47.

De slotsom is dat de vordering in conventie op de hierboven weergegeven wijze wordt toegewezen. De vorderingen in reconventie worden afgewezen.

4.48.

[BV I c.s.] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten in conventie en in reconventie. De proceskosten in conventie worden aan de kant van APH begroot op € 4.179,- (€ 81,- aan kosten dagvaarding, € 1.950 aan griffierecht en € 2.148,- (2 punten x tarief € 1.074,-) aan salaris advocaat). De proceskosten in reconventie worden aan de kant van APH begroot op € 1.357,50 (2,5 punten x tarief € 543).

4.49.

Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. Hoge Raad 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116). De rechtbank zal, zoals gevorderd, de nakosten begroten conform het daarop toepasselijke liquidatietarief.

4.50.

De proceskosten in conventie en de nakosten zullen, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de in de beslissing genoemde ingangsdatum.

4.51.

In het incidentele vonnis tot voeging van 16 januari 2019 is de beslissing over de proceskosten in het incident aangehouden. De rechtbank zal, gelet op de referte van [BV I c.s.] in het incident, de proceskosten in het incident compenseren, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt [BV I c.s.] hoofdelijk (in die zin dat de één betaalt, ook de andere hoofdelijk schuldenaren voor het betaalde deel is gekweten) om aan APH een bedrag van € 74.788,25 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 27 november 2018 tot aan de dag van volledige betaling;

5.2.

veroordeelt [BV I c.s.] om aan APH een bedrag van € 1.523,- te betalen aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 27 november 2018 tot aan de dag van volledige betaling;

5.3.

veroordeelt [BV I c.s.] in de proceskosten, aan de kant van APH begroot op € 4.179,- aan kosten tot op heden;

in reconventie

5.4.

wijst de vorderingen af;

5.5.

veroordeelt [BV I c.s.] in de proceskosten, aan de kant van APH begroot op € 1.357,50 aan kosten tot op heden;

in conventie en in reconventie

5.6.

begroot de nog te maken nakosten op € 246,-, te vermeerderen met € 82,- in geval van betekening;

5.7.

bepaalt dat de onder 5.3 genoemde proceskosten in conventie en de nakosten worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, indien de nakosten niet uiterlijk binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis zijn betaald;

5.8.

verklaart de in 5.1, 5.2, 5.3, 5.5, 5.6 en 5.7 gegeven beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.9.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in het incident tot voeging

5.10.

compenseert de proceskosten, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L. Harmsen en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2020.1

1 type: 2431 coll: