Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:11367

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-11-2020
Datum publicatie
16-11-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 8794
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

aanvraag uitstel van vertrek - artikel 64 Vw - ten tijde van de bestreden beschikking is niet aannemelijk geworden dat eiser in Nederland verbleef - niet aangetoond noch aannemelijk gemaakt reizen gelet op gezondheidstoestand onverantwoord - ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/8794

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 november 2020 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.E. Muller),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Mačkiç).

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor opschorting van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

Bij besluit van 5 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2020 middels een Skype-beeldverbinding. Eiser is niet verschenen. Als waarnemer van gemachtigde van eiser is verschenen mr. M. van Werven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1998 en heeft de Eritrese nationaliteit. Op 5 juli 2019 heeft eiser een aanvraag ingediend om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000.

2. Verweerder heeft de aanvraag in het primaire besluit afgewezen en die beslissing in het bestreden besluit gehandhaafd. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat niet is gebleken dat eiser zich in Nederland bevindt, wat maakt dat op grond van paragraaf A3/7.1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) niet kan worden toegekomen aan een beoordeling van de aanvraag tot uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw 2000. Verweerder heeft geen onderzoek door het Bureau Medische Advisering (BMA) laten verrichten naar de medische situatie van eiser, nu eiser zich op 20 augustus 2019 aan het toezicht heeft onttrokken en het niet bekend is of eiser zich in Nederland bevindt. Verweerder heeft overwogen dat eiser los daarvan in onderhavige procedure niet met de overgelegde stukken heeft aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat het, gelet op zijn gezondheidstoestand, onverantwoord zou zijn te reizen en overdracht aan de autoriteiten van Italië om die reden achterwege zou moeten blijven. Ook heeft verweerder overwogen dat er vanuit kan worden gegaan dat een vreemdeling bij aankomst in Italië direct toegang kan hebben tot medische zorg. Verweerder kan tevens de Italiaanse autoriteiten, indien nodig, voor een overdracht informeren over de medische problemen van de vreemdeling indien de medische gegevens daartoe noodzakelijk beschikbaar zijn en ook zal, indien dit medisch noodzakelijk wordt geacht, voordat een overdracht wordt geëffectueerd, een fit-to-fly beoordeling plaatsvinden. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft verweerder afgezien van het horen van eiser.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft hiertoe aangevoerd dat reeds in de gronden van bezwaar is aangevoerd dat de gemachtigde van eiser bekend is met de verblijfplaats van eiser. Eiser verblijft nog altijd in Nederland en heeft dit met (nadere) stukken onderbouwd. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom dit onvoldoende is om aan te nemen dat eiser nog altijd in Nederland verblijft. Eiser heeft dan ook belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn verzoek om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000. Voorts heeft verweerder ten onrechte nagelaten om door het BMA onderzoek te laten verrichten naar de medische situatie van eiser. Verweerder heeft door te overwegen dat middels de overgelegde stukken niet is aangetoond, noch aannemelijk gemaakt, dat het voor eiser, gelet op zijn gezondheidstoestand, onverantwoord zou zijn om te reizen en dat zijn overdracht aan de autoriteiten van Italië om die reden achterwege zou moeten blijven, miskend dat een dergelijk oordeel ten aanzien van de medische situatie van eiser niet tot de taak van verweerder behoort. Dit klemt te meer nu door eiser medische informatie is overgelegd die door het BMA had kunnen worden beoordeeld. Bovenstaande overweging van verweerder is dan ook ondeugdelijk gemotiveerd. Tevens heeft verweerder ten onrechte afgezien van het horen van eiser in bezwaar.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. Op grond van artikel 64 van de Vw 2000 blijft uitzetting achterwege, zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling niet verantwoord is om te reizen.

Ingevolge paragraaf A3/7.4.2. van de Vc 2000, voor zover hier van belang, past de IND artikel 64 van de Vw 2000 niet toe als de vreemdeling op grond van de Verordening (EU) nr.604/2013 wordt overgedragen aan een bij de Verordening aangesloten lidstaat. In dat geval kan de vreemdeling op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden overgedragen aan een andere lidstaat, tenzij de vreemdeling met bewijsmiddelen aannemelijk maakt dat dit uitgangspunt in zijn geval niet opgaat.

De vreemdeling dient in dat geval een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw schriftelijk in bij de IND. Deze aanvraag moet onderbouwd worden met:

- een ingevulde en ondertekende toestemmingsverklaring, niet ouder dan zes maanden met vermelding van de behandelaar(s) bij wie de vreemdeling momenteel onder behandeling staat; en

- bewijs omtrent de medische situatie van de vreemdeling; en

- medische stukken waaruit blijkt dat de vreemdeling niet in staat is om fysiek overgedragen te worden aan een bij de Verordening (EU) nr. 604/2013 aangesloten lidstaat.

Bij de beoordeling van een aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw 2000, waarbij sprake is van een overdracht aan één van de bij de Verordening aangesloten lidstaten, kan de IND het BMA verzoeken om een advies uit te brengen.

6.1

De rechtbank stelt vast dat verweerder eiser per brief van d.d. 28 augustus 2019 heeft medegedeeld dat via ambtshalve verkregen informatie is gebleken dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat eiser wordt verzocht zich binnen de termijn van twee weken te melden bij een IND-loket teneinde vast te stellen of en waar eiser in Nederland verblijft. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid en evenmin is gebleken dat hij aan deze oproep geen gevolg had kunnen geven. De rechtbank volgt verweerder dan ook in het standpunt dat het, gelet op het voorgaande, ten tijde van de bestreden beschikking niet aannemelijk is geworden dat eiser in Nederland verbleef. De enkele stelling van de gemachtigde dat zij nog contact heeft met eiser doet aan vorenstaande niet af. Ten aanzien van de eerst in beroep door eiser overgelegde stukken ter onderbouwing van de stelling dat eiser wel degelijk in Nederland verblijft, is van belang dat deze, gelet op de ex-tunc toets in beroep, niet betrokken kunnen worden bij de beoordeling van onderhavig beroep.

Voorts heeft verweerder aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij met de door hem overgelegde medische stukken niet heeft aangetoond noch aannemelijk heeft gemaakt dat het voor hem, gelet op zijn gezondheidstoestand, onverantwoord zou zijn om te reizen en dat zijn overdracht naar Italië om die reden achterwege zou moeten blijven. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen afzien van de mogelijkheid om het BMA om advies te vragen, nu eiser niet met stukken heeft onderbouwd dat hij onder behandeling staat voor (ernstige) medische aandoeningen en er door een arts is geconcludeerd dat de overdracht aan de Dublinlidstaat zal leiden tot een onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand. Daarbij is van belang dat stukken waar uitsluitend uit blijkt dat sprake is van, al dan niet ernstige, medische problematiek, niet volstaan. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat in het bestreden besluit geen medisch oordeel is gegeven, maar enkel is beoordeeld of er, gelet op de onderzoeksplicht, aanleiding was om tot raadpleging van het BMA over te gaan. Die aanleiding was er, gelet op vorenstaande, niet.

6.2

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uit mag gaan dat een vreemdeling, indien dit nodig blijkt, bij aankomst in Italië direct toegang kan hebben tot medische zorg. Daarbij komt dat verweerder in het bestreden besluit heeft bevestigd dat voorafgaand aan de overdracht van eiser, indien het nodig wordt geacht en een medisch dossier beschikbaar is, de Italiaanse autoriteiten zullen worden geïnformeerd over de medische problemen van eiser. Ook zal er, indien dit medisch noodzakelijk wordt geacht, voorafgaand aan de effectuering van de overdracht aan de Italiaanse autoriteiten, door een arts worden beoordeeld of eiser in staat is om te reizen (fit-to-fly-beoordeling).

7. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van schending van de hoorplicht. Verweerder mag met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, Awb van het horen afzien indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de inhoud van het primaire besluit en wat daartegen door eiser is aangevoerd, doet een dergelijke situatie zich hier voor en heeft verweerder kunnen afzien van horen.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Petersen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 november 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.