Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:11366

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-08-2020
Datum publicatie
11-11-2020
Zaaknummer
AWB 19/9527
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

EU-document Chavez- Vilchez voor moeder - vw vond zorg- en opvoedingstaken onvoldoende aangetoond - niet in geschil dat kinderen altijd bij moeder hadden gewoond in Marokko en nu bij moeder en echtgenoot in NL wonen - beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/9527 en AWB 19/9528

uitspraak van de enkelvoudige kamer en voorzieningenrechter van 19 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiseres/verzoekster] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres/verzoekster

(gemachtigde: mr. H.K. Jap-A-Joe),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. K.H.A.M. Elias).

Procesverloop

Bij besluit van 24 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een EU-verblijfsdocument afgewezen.

Bij besluit van 11 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft zij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2020 door middel van Skype-beeldverbinding. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiseres is geboren op [1986] en afkomstig uit Marokko. Zij is getrouwd met [A] . Samen hebben zij twee kinderen: [minderjarige 1] , geboren op [2005] , en [minderjarige 2] , geboren op [2010] . De echtgenoot van eiseres heeft de Nederlandse nationaliteit en de kinderen ook. Eiseres woont sinds 5 december 2018 met haar kinderen bij haar echtgenoot in Nederland. Omdat ze in Nederland wil blijven met haar kinderen, heeft eiseres een aanvraag ingediend voor het verlenen van een EU-verblijfsdocument op basis van het arrest Chavez-Vilchez van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU).1 Eiseres meent dat zij recht heeft op dit document, omdat zij zodanige zorg- en opvoedtaken ten behoeve van kinderen verricht en een zodanige afhankelijkheidsrelatie met hen heeft dat zij de Europese Unie (EU) zouden moeten verlaten als de aanvraag wordt afgewezen.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij in Marokko altijd met haar kinderen op hetzelfde adres heeft gewoond en voor hen heeft gezorgd. Sinds 5 december 2018 wonen eiseres, haar echtgenoot en haar kinderen allemaal samen in één huis in Nederland en zorgt eiseres dus nog steeds voor haar kinderen. Eiseres stelt dat zij voldoende heeft aangetoond dat aan de voorwaarden voor het gevraagde document wordt voldaan. Zij heeft in een brief die zij bij haar aanvraag heeft overgelegd uitgelegd dat zij en haar echtgenoot altijd gescheiden van elkaar hebben geleefd. Eiseres woonde met haar kinderen in Marokko en zorgde voor hen. Nadat haar kinderen tijdelijk in Nederland hadden verbleven en het daar erg naar hun zin hadden, zijn eiseres en de kinderen definitief naar Nederland verhuisd. De echtgenoot van eiseres kan de zorg voor de kinderen alleen niet aan omdat hij al ouder is en zijn rug een handicap is. Ter onderbouwing van de zorgtaken die eiseres zegt te verlenen, heeft zij een overzicht overgelegd van de Sociale verzekeringsbank waaruit volgt dat haar echtgenoot kinderbijslag ontving, stortingsbewijzen van stortingen van haar echtgenoot naar haar, en een inschrijving van de school van haar zoon [minderjarige 1] . In beroep heeft ze daarnaast nog een aantal verklaringen van de school van haar kinderen in Nederland overgelegd.

2. Verweerder betwist niet dat eiseres altijd samen met haar kinderen op één adres heeft gewoond in Marokko, en dat zij nu in Nederland nog steeds samen met haar kinderen woont. Volgens verweerder is hiermee echter nog niet aangetoond dat eiseres ook daadwerkelijk zorg- en opvoedingstaken voor haar kinderen verricht(te), hetgeen wel nodig is om aan de voorwaarden voor het verzochte EU-verblijfsdocument te voldoen. De stukken die eiseres nu heeft overgelegd zijn hiertoe volgens verweerder niet voldoende. Van eiseres mag worden verwacht dat zij meer stukken indient, die concreet aantonen wat voor zorg- en opvoedingstaken eiseres heeft verricht. Nu eiseres die stukken niet heeft overgelegd, voldoet zij ook niet aan de voorwaarde dat zij een zodanige afhankelijkheidsrelatie met haar kinderen heeft dat haar kinderen de EU zouden moeten verlaten als de aanvraag wordt afgewezen.

Oordeel van de rechtbank

3. Voor een verblijfsdocument op basis van het arrest Chavez-Vilchez is volgens dit arrest en paragraaf B10/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 als voorwaarde gesteld dat de vreemdeling zorgtaken verricht voor zijn kind met de Nederlandse nationaliteit. Daarnaast moet er tussen de vreemdeling en zijn kind sprake zijn van een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de EU te verlaten als aan de vreemdeling verblijfsrecht wordt geweigerd. Het is aan de vreemdeling om aan te tonen dat aan deze voorwaarden wordt voldaan.

4. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de kinderen van eiseres in Marokko altijd in hetzelfde huis als eiseres hebben gewoond. De echtgenoot, die toen in Nederland woonde, was niet betrokken bij de opvoeding van de kinderen. Evenmin is in geschil dat eiseres sinds december 2018 met haar kinderen bij haar echtgenoot in een huis in Nederland woont. De rechtbank ziet in deze feiten, die door verweer niet zijn betwist, geen aanleiding om te twijfelen aan de stelling van eiseres dat zij in Marokko en in Nederland daadwerkelijke zorgtaken ten behoeve van haar kinderen heeft verricht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiseres heeft voldaan aan de in het arrest Chavez-Vilchez bedoelde stelplicht met betrekking tot het verrichten van zorg- en opvoedingstaken. De rechtbank volgt verweerder niet in het standpunt dat eiseres nog concreter dient aan te tonen welke zorg- en opvoedingstaken zij ten behoeve van de kinderen heeft verricht. Verweerder kan zich hierbij niet beroepen op de hypothese dat er een ander familielid bij eiseres en haar kinderen kan hebben gewoond, die voor de kinderen zorgde. Daartoe is geen aanwijzing door verweerder naar voren gebracht. Eiseres heeft aan haar stelplicht voldaan met betrekking tot het aantonen van zorg- en opvoedingstaken. Het is nu aan verweerder om te onderzoeken of er tussen eiseres en haar kinderen een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat dat bij de weigering om haar een verblijfsrecht toe te kennen, de kinderen gedwongen zouden worden de EU te verlaten. Verweerder heeft dit nader onderzoek niet verricht. Het bestreden besluit is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en om die reden in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

Conclusie

5. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.

6. Wegens het gegronde beroep zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op

€ 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). Daarnaast bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht dient te vergoeden.

7. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek wordt afgewezen. De voorzieningenrechter ziet gelet op hetgeen in de hoofdzaak is overwogen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De voorzieningenrechter stelt de kosten op grond van het Bpb op € 525,- (1 punt voor het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). Ook moet verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep gegrond;

 vernietigt het bestreden besluit;

 bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt;

 draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiseres te vergoeden;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 1.050,- te betalen aan eiseres;

De voorzieningenrechter:

 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

 draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiseres te vergoeden;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 525,-.

Deze uitspraak is op 19 augustus 2020 gedaan door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Ruizendaal-van der Veen, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

griffier rechter

de griffier is buiten staat de uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 HvJEU van 10 mei 2017 ECLI:EU:C:2017:354.