Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:11332

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-11-2020
Datum publicatie
11-11-2020
Zaaknummer
09/143929-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging doodslag op echtgenote door te steken met een keukenmes. Schadevordering echtgenote grotendeels toegekend. Niet-ontvankelijkheid vordering shockschade en affectieschade dochter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0845
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 09/143929-20

Datum uitspraak: 10 november 2020

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1968 te [geboorteplaats]

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Alphen aan den Rijn, locatie Eikenlaan te Alphen aan den Rijn.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 11 september 2020 (pro forma) en 27 oktober 2020 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie
mr. E.J. van Drongelen en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman mr. F. Yildiz naar voren hebben gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting – ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 30 mei 2020 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] één en/of meerder keren met een mes danwel scherp voorwerp in haar arm en/of nek en/of rug en/of borst en/of buik en/of lichaam heeft gestoken en/of haar (meermalen) tegen het hoofd en/of lichaam heeft gestompt en/of geslagen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 30 mei 2020 te Zoetermeer aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten

  • -

    steekwonden in de bovenbuik waardoor een bloeding is veroorzaakt vanuit een (kleine) slagader in de lever, waarbij er littekens (op de buik) zichtbaar blijven;

  • -

    bij de rechteronderarm is de streksfunctie van de duim en vingers aangetast;

  • -

    één of meerdere doorgesneden zenuwen;

heeft toegebracht door die [slachtoffer] één en/of meerder keren met een mes dan wel scherp voorwerp in haar arm en/of nek en/of rug en/of borst en/of lichaam te steken en/of (meermalen) tegen het hoofd en/of lichaam te stompen en/of slaan;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 30 mei 2020 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] één of meerdere keren met een mes dan wel scherp voorwerp in haar arm en/of nek en/of rug en/of borst en/of buik en/of lichaam heeft gestoken en/of (meermalen) op haar hoofd en/of lichaam heeft gestompt en/of geslagen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meest subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 30 mei 2020 te Zoetermeer [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] één en/of meerder keren met een mes dan wel scherp voorwerp in haar arm en/of nek en/of rug en/of borst en/of buik en/of lichaam te steken en/of (meermalen) tegen haar hoofd en/of lichaam te stompen en/of slaan.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdachte heeft bekend dat hij het slachtoffer heeft gestoken en haar verwondingen heeft toegebracht. Ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit heeft de verdediging vrijspraak bepleit, wegens het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op de dood van het slachtoffer. Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde feiten – en daarmee de kwalificatie van het letsel – heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Op de specifieke standpunten van de verdediging zal de rechtbank, voor zover relevant, nader in gaan.

3.3

De beoordeling van de tenlastelegging

3.3.1

De bewijsmiddelen1

Op zaterdag 30 mei 2020, omstreeks 22:39 uur, is naar aanleiding van een melding van een steekpartij een surveillance-eenheid van de politie gestuurd naar de [adres] te Zoetermeer. Ter plaatse zag de politie dat diverse personen wezen in de richting van de woning van [perceel nummer] , waar een vrouw zat met een doek om haar rechterhand. De politie hoorde van omstanders dat de vrouw was gestoken en dat de man die dit gedaan had nog in de woning van [adres] zou zitten. Hierop heeft de politie de man aangehouden.2

Op 31 mei 2020 heeft [slachtoffer] , hierna: het slachtoffer, aangifte gedaan tegen haar man, de verdachte, naar aanleiding van het voorval dat de avond ervoor had plaatsgevonden. Zij verklaarde dat de verdachte haar met zijn vuisten in haar gezicht heeft geslagen en aan haar haren heeft getrokken. Toen ze naar buiten wilde vluchten en ze bij de voordeur was, pakte de verdachte haar. Ze had eerst niet door dat hij haar had gestoken, totdat ze het bloed zag. Ze rende naar buiten en daar heeft hij haar nog een keer gestoken.3

Aanvullend heeft het slachtoffer verklaard dat zij in de avond van 30 mei 2020 thuis was gekomen en ruzie kreeg met de verdachte. Hij sloeg haar op haar rechteroor en trok haar hoofddoek van haar hoofd. De verdachte liep daarna de keuken in om een mes te pakken. Hij zei dat hij haar dood ging maken en dat niemand dat zou merken of haar zou vinden. Het slachtoffer wilde toen naar buiten om te vluchten. In de deuropening van de voordeur heeft de verdachte haar geslagen/gestompt en gestoken met het mes dat hij had gepakt. Vervolgens pakte hij haar bij haar hoofd vast en bij haar schouder. Zo gingen zij de straat op. De verdachte heeft haar daar geslagen en gestoken met het mes. Ze riep hard om hulp. Het mes brak af, waarna hij haar verder heeft geslagen.4

In het ziekenhuis is geconstateerd dat het slachtoffer drie steekverwoningen aan haar lichaam had en dat daarnaast sprake was van inwendig bloedverlies.5 In de rechteronderarm van het slachtoffer is een afgebroken lemmet van een mes aangetroffen. Het betrof een lemmet van circa 12 cm.6

Door A.M. de Booij-Fuite, Forensisch arts KNMG bij GGD Holland-Midden en M.M. Wolfs, Forensisch arts FMG bij GGD Haaglanden is een letselrapportage opgesteld ten aanzien van de verwoningen die het slachtoffer heeft opgelopen. Zij hebben geconcludeerd dat bij het slachtoffer op 30 mei 2020 uitgebreid uitwendig letsel is ontstaan, waaronder drie steekverwondingen, waarvan één op de rechterzijde van de bovenbuik, één op de rechterflank en één op de rechteronderarm. De steekwonden zijn gehecht en het slachtoffer werd ter observatie opgenomen in het ziekenhuis. De steekwond in de bovenbuik bleek een bloeding te hebben veroorzaakt vanuit een kleine slagader in de lever. De bloeding is gestopt middels “coiling” van het bloedvat. Bij de steekwond in de rechteronderarm werd het lemmet van het mes in de arm aangetroffen. Tijdens de operatie enkele dagen later bleken meerdere structuren (een zenuw, verschillende spieren en een kleine slagader) doorgesneden en bleek een stukje van het spaakbeen los te liggen.

Daarnaast had het slachtoffer meerdere bloeduitstortingen op de armen en de buik en enkele krasletsels.

De artsen hebben geconcludeerd dat het letsel van de steekwonden in de bovenbuik en flank naar verwachting volledig zullen genezen in enkele maanden tijd bij verder ongestoord verlopende wondgenezing, vermoedelijk met littekens op de plaats van de steekwonden. Het letsel aan de rechteronderarm zal vermoedelijk niet geheel herstellen t.a.v. de strekfunctie van duim en vingers. De genezing van de doorgesneden zenuw zal minimaal een jaar vergen. Op die termijn is er op zijn vroegst iets te zeggen over de mate van herstel.

De artsen hebben voorts naar voren gebracht dat steekwonden in de (boven)buik potentieel levensbedreigend zijn. Hoewel het letsel van het slachtoffer, mede door de ingestelde behandeling, een relatief gunstig beloop heeft gehad, impliceert het snijden/steken met een scherprandig voorwerp, zoals bijvoorbeeld een mes, in de (boven)buik een aanmerkelijk risico op het veroorzaken van (acuut) levensbedreigend letsel. Op korte termijn bestaat o.a. het risico van bloeding (vanuit een bloedvat of een orgaan zoals lever, nieren of andere buikorganen en evt. de longen bij een steekwond in de bovenbuik) en daardoor potentieel overlijden, zeker zonder medisch ingrijpen. Bij het slachtoffer was sprake van een bloeding in de lever, die enkele dagen na het incident werd verholpen middels “coiling”. Hoewel het slachtoffer geen bloedtransfusie nodig had, was het HB-gehalte zelfs bij het controlebezoek van de arts op 8 juli 2020, een behoorlijke tijd na het incident, nog iets lager dan de normaalwaarde. Op iets langere termijn kunnen potentieel levensbedreigende complicaties optreden in de vorm van infecties van vitale organen in de buikholte met micro-organismen die vanuit de buitenwereld via het steekkanaal in de steriele ruimte zijn gebracht.7

Ter terechtzitting van 27 oktober 2020 heeft de verdachte verklaard dat hij in de avond van 30 mei 2020 thuis ruzie kreeg met zijn vrouw. Zij beledigde hem en begon hem te slaan. Op een gegeven moment heeft hij een fruitmes van het aanrechtblad in de keuken gepakt en heeft hij haar daarmee gestoken en geslagen. Dat was binnen. Toen zij wegrende, de straat op, is hij haar achterna gegaan. Buiten heeft hij haar nog een paar keer gestoken met hetzelfde mes en heeft hij haar geslagen. Er kwamen toen mensen, zij hebben hen uit elkaar getrokken.8

3.3.2

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte in de avond van 30 mei 2020 te Zoetermeer het slachtoffer met een mes in haar arm, buik en lichaam heeft gestoken en dat hij haar meermalen tegen het hoofd en lichaam heeft gestompt en geslagen.

Voorts stelt de rechtbank vast dat het slachtoffer als gevolg van het steken, stompen en slaan letsel heeft opgelopen, te weten drie steekverwoningen, krasletsel en verschillende bloeduitstortingen. Het letsel was van dien aard dat het slachtoffer zowel aan de wond in de bovenbuik als aan de wond in haar rechteronderarm moest worden geopereerd, vanwege de interne schade die het steken had veroorzaakt. Als gevolg hiervan heeft zij enkele weken in het ziekenhuis gelegen. Ten aanzien van het herstel van de twee steekwonden in haar bovenbuik en flank is de verwachting dat dit enkele maanden zal duren en dat zij hieraan littekens zal overhouden. Ten aanzien van haar rechteronderarm is het de vraag of deze geheel zal herstellen. Er is mogelijk sprake van blijvend zenuwletsel ten aanzien van de strekfuncties van de duim en vingers. Het herstel van de zenuw zal minstens een jaar duren, en pas daarna kan een inschatting worden gemaakt over de mate van herstel. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel, dat het letsel dat het slachtoffer heeft opgelopen naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt.

Poging doodslag?

Vervolgens moet de rechtbank de vraag beantwoorden of het handelen van de verdachte kan worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag, zoals primair ten laste is gelegd. Daarbij is de vraag of de verdachte het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad om het slachtoffer van het leven te beroven.

Voor vol opzet op de dood is vereist dat de verdachte daadwerkelijk de bedoeling had om het slachtoffer van het leven te beroven. Dat blijkt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van het slachtoffer – is aanwezig als de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg door zijn handelen zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

De verdachte heeft meerdere keren met een mes gestoken in de richting van het bovenlichaam en haar buik van het slachtoffer en heeft haar uiteindelijk geraakt in haar buik, flank en arm met ernstig letsel als gevolg. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van het slachtoffer, dat het niet anders kan dan dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat de buik een kwetsbaar deel van het lichaam is, omdat zich daarin vitale organen bevinden, waar op vrij eenvoudige wijze dodelijk letsel kan worden toegebracht. Uit de letselrapportage van de artsen volgt ook, dat het letsel dat bij het slachtoffer is toegebracht potentieel levensbedreigend was en dat zij mogelijk had kunnen overlijden. Uit dit alles leidt de rechtbank af dat de verdachte het slachtoffer met meer dan geringe kracht met een groot mes in de buik heeft gestoken. Aldus heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer dodelijk zou worden getroffen.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op 30 mei 2020 te Zoetermeer schuldig heeft gemaakt aan de onder primair ten laste gelegde poging tot doodslag, door met een mes in de buik van het slachtoffer te steken.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

hij op 30 mei 2020 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] meerdere keren met een mes in haar arm en buik en lichaam heeft gestoken en haar (meermalen) tegen het hoofd en lichaam heeft gestompt en geslagen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht jaar, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om op grond van artikel 38v Sr een maatregel op te leggen, inhoudende een contactverbod met het slachtoffer en met haar dochter [naam dochter slachtoffer] voor de duur van vijf jaren (met uitzondering van de scheidingszaak tussen de verdachte en het slachtoffer, in dat geval mag er slechts contact plaatsvinden met tussenkomst van advocaten) en om twee weken vervangende hechtenis op te leggen bij iedere overtreding hiervan. Tot slot heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel gevorderd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft subsidiair een strafmaatverweer gevoerd en verzocht om een gedeeltelijk voorwaardelijke straf op te leggen, met een proeftijd van drie jaar en met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte ambulante behandeling zal moeten volgen. De verdediging heeft daarnaast een voorwaardelijk verzoek gedaan tot een nader psychologisch onderzoek van de verdachte. De verdachte heeft gehandeld in een heftige emotionele toestand en door nader onderzoek uit te voeren naar de geestelijke gesteldheid van de verdachte, kan de rechtbank dit beter meewegen ten aanzien van de strafmaat, aldus de verdediging.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zich, door het slachtoffer met een keukenmes in haar buik, flank en arm te steken en haar te slaan en te stompen, schuldig gemaakt aan een ernstig misdrijf waarbij hij bewust het risico heeft genomen dat het slachtoffer zou overlijden. De verdachte heeft door zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en het is evident dat een dergelijk feit een grote impact heeft op het slachtoffer en diens omgeving. Ter terechtzitting hebben het slachtoffer [slachtoffer] en haar dochter [naam dochter slachtoffer] , die het voorval heeft zien gebeuren, ook verklaringen afgelegd over de enorme impact en gevolgen die zij hebben ondervonden van het incident. Daar komt bij dat een en ander zich in het huis van het slachtoffer heeft afgespeeld, een plek waar een persoon zich bij uitstek veilig moet kunnen voelen. Feiten als dit rechtvaardigen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 25 september 2020, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor bedreiging en mishandeling van zijn levensgezel, waarbij het hetzelfde slachtoffer betreft als in de onderhavige zaak. De rechtbank zal dit ten nadele van de verdachte meewegen bij het bepalen van de straf.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met het reclasseringsrapport van 20 oktober 2020. Uit dit rapport is naar voren gekomen dat bij de verdachte sprake is van een delictpatroon van problemen in de relationele sfeer. De relatie tussen de verdachte en zijn echtgenote vormt een criminogene factor. De verdachte heeft al jarenlang grote financiële problemen. Deze veroorzaken dermate veel stress, onmacht en frustratie bij de verdachte dat dit de trigger vormt tot de ruzies met zijn vrouw, die vervolgens escaleren. Ook de houding en het gedrag van de verdachte dragen bij aan de ruzies. Volgens de reclassering neemt de verdachte geen enkele verantwoordelijkheid ten aanzien van het delictgedrag en lijkt sprake te zijn van een berekenende houding. Hij mist zelfinzicht en probleembesef, en wijt zijn (delict)gedrag aan externe factoren. Hoewel de verdachte in staat is gebleken om hulp te zoeken voor zijn financiële problemen, geldt dit niet voor de opspelende problematiek in de relationele sfeer. Er is weinig tot geen stabiliteit waar te nemen op de persoonlijke leefgebieden van de verdachte.

De reclassering heeft het risico op recidive ingeschat als gemiddeld. Het risico op letselschade is ingeschat als hoog, gebaseerd op de aard van de eerdere veroordeling en eerdere meldingen ten aanzien van de verdachte, die in alle gevallen huiselijk geweld betreffen. Het risico op het onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als gemiddeld. De reclassering heeft geadviseerd om in geval van een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en een contactverbod met het slachtoffer.

Gelet op het onderzoek en het verhandelde ter terechtzitting, en in het bijzonder de verklaring van de verdachte en de inhoud van het reclasseringsrapport, ziet de rechtbank geen noodzaak om alsnog een persoonlijkheidsonderzoek te laten verrichten, zoals verzocht door de verdediging. De rechtbank wijst het voorwaardelijke verzoek dan ook af.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit, niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, en met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. De rechtbank heeft daarbij gelet op de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd en komt daarmee tot een lagere strafoplegging dan door de officier van justitie is gevorderd. Als bijzondere voorwaarden legt de rechtbank op een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en een contactverbod met het slachtoffer en haar dochter [naam dochter slachtoffer] (met uitzondering van de scheidingszaak tussen de verdachte en het slachtoffer, in dat geval mag slechts contact plaatsvinden onder toezien van en op de wijze zoals de reclassering dat zal aangeven). De rechtbank ziet in het voorgaande ook aanleiding om aan de gestelde algemene en bijzondere voorwaarden een proeftijd van drie jaren te verbinden.

Aan de oplegging van een maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr, zoals door de officier van justitie is gevorderd, komt de rechtbank gelet op het voorgaande niet toe.

Dadelijke uitvoerbaarheid voorwaarden

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, te weten een poging doodslag. Gelet op de ernst van het feit, het strafblad van de verdachte waaruit blijkt dat hij zijn echtgenoot eerder heeft bedreigd en mishandeld en het ingeschatte recidiverisico, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarden op grond van art. 14c Sr en het op grond van art. 14d Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

7 De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 23.445,18, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De door haar gevorderde schade bestaat uit:

  • -

    immateriële schade/smartengeld € 20.000

  • -

    daggeld ziekenhuisverblijf € 900

  • -

    huishoudelijke hulp € 1.710

  • -

    eigen bijdrage € 385

  • -

    medicijnen € 100

  • -

    reis- en parkeerkosten € 200

  • -

    verschottennota € 150,18

Daarnaast heeft [naam dochter slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een ter zitting nog gewijzigde schadevergoeding van € 33.060,--, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De door haar gevorderde schade bestaat uit:

  • -

    affectieschade € 17.500

  • -

    immateriële schade/smartengeld € 15.000

  • -

    reiskosten naar ziekenhuis/zorgverleners € 175

  • -

    eigen bijdrage € 385

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] , te weten een gedeelte van de immateriële schade (van € 15.000,--) alsmede daggeld ziekenhuisverblijf (€ 900,--), huishoudelijke hulp (€ 1.710,--), medicijnen (€ 100,--) en de eigen bijdrage (€ 385,--), te vermeerderen met de wettelijke rente en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel en voorts om de benadeelde partij [slachtoffer] in het overige gedeelte van haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

Ten aanzien van de benadeelde partij [naam dochter slachtoffer] heeft de officier van justitie geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering, te weten een gedeelte van de immateriële schade (€ 5.000,--), te vermeerderen met de wettelijke rente en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel en voorts om de benadeelde partij [naam dochter slachtoffer] in het overige gedeelte van haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer] bepleit om de immateriële schadevergoeding te matigen en om de overige materiële kosten af te wijzen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [naam dochter slachtoffer] heeft de raadsman bepleit dat de immateriële schade dient te worden gematigd en dat de vordering voor het overige moet worden afgewezen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

7.3.1

De vordering benadeelde partij [slachtoffer]

Immateriële schade

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Door en namens de benadeelde partij is aangevoerd dat zij fysiek letsel heeft opgelopen. Daarnaast heeft de benadeelde partij zich tot een huisarts en de Parnassia Groep gewend vanwege onder meer angstklachten door wat zich op 30 mei 2020 heeft voorgedaan. Volgens de stukken is bij haar een Acuut Stress Syndroom vastgesteld, waarvoor zij wordt behandeld. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij hiermee heeft aangetoond dat sprake is van psychische schade, die voor vergoeding in aanmerking komt. Gelet hierop zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 10.000,--.

Materiële schade

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks de hieronder genoemde schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit, zodat dit voor rekening van de verdachte dient te komen.

- Daggeldvergoeding ziekenhuisverblijf:

Uit de stukken volgt dat [slachtoffer] op 23 juni 2020 uit het ziekenhuis is ontslagen. Dat brengt mee dat zij 24 dagen in het ziekenhuis heeft verbleven. Gelet op de betreffende richtlijn van de Letselschade raad die zij als onderbouwing aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, zal de rechtbank het bedrag van (24 x € 30,--=) € 720,-- toewijzen. Door of namens de verdachte zijn deze kosten onvoldoende gemotiveerd betwist.

- Huishoudelijke hulp:

[slachtoffer] heeft ter onderbouwing van haar vordering gewezen op de richtlijn van de Letselschade raad ten aanzien van huishoudelijke hulp. Door of namens de verdachte zijn de aangevoerde kosten onvoldoende gemotiveerd betwist. Uit de stukken blijkt immers dat [slachtoffer] beperkingen heeft door het letsel dat zij heeft opgelopen en dat de hersteltijd van haar verwondingen enkele maanden tot een jaar zou duren. De rechtbank constateert echter ook dat uit de toelichting en onderbouwing van de opgevoerde kosten niet blijkt wat de precieze omvang is. De rechtbank zal er derhalve van uitgaan dat [slachtoffer] in de eerste drie maanden na het voorval zeer beperkt is geweest, dat zij een tweepersoonshuishouden heeft met haar dochter en dat zij de huishoudelijke taken evenredig hebben verdeeld. Daarom zal de rechtbank een bedrag van (€ 181,-- x 12 weken x 50%) € 1.086,-- toewijzen. De rechtbank acht het op grond van het dossier en op het verhandelde ter zitting aannemelijk dat [slachtoffer] voor de drie maanden daarna 3 uur per week extra huishoudelijke hulp nodig zal hebben conform het normbedrag van € 9,50. De rechtbank zal derhalve het bedrag van ((€ 9,50 x 3 uur) x 12 weken =) € 342,-- toewijzen.

- Medische kosten:

De rechtbank zal de kosten van € 385,-- ter zake van de eigen bijdrage van de zorgverzekering toewijzen, nu de benadeelde partij deze kosten voldoende heeft onderbouwd en deze door of namens de verdachte onvoldoende gemotiveerd zijn betwist.

- Medicijnen en reis- en parkeerkosten:

Met betrekking tot de medicijnkosten overweegt de rechtbank dat deze kosten aannemelijk zijn geworden gelet op het feit dat de benadeelde partij enige tijd in het ziekenhuis heeft verbleven en uit de stukken volgt dat de hersteltijd van haar verwondingen enkele maanden tot een jaar zou duren. De rechtbank zal de schade met betrekking tot de medicijnkosten naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 50,--. Met betrekking tot de reis- en parkeerkosten acht de rechtbank het aannemelijk dat [slachtoffer] kosten heeft moeten maken voor het vervoer naar artsen en andere zorgverleners en voor het parkeren. De rechtbank zal de schade met betrekking tot de reis- en parkeerkosten naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 100,--.

- Verschottennota:

De rechtbank zal de kosten van € 150,18 toewijzen, nu de benadeelde partij deze kosten voldoende heeft onderbouwd en deze door of namens de verdachte onvoldoende gemotiveerd zijn betwist.

Totaal

In totaal wijst de rechtbank derhalve het bedrag van € 12.833,18 toe, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente vanaf 30 mei 2020, nu de schade vanaf deze datum opeisbaar is geworden, tot aan de dag waarop de vordering is voldaan. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

Proceskosten

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte voor het primair bewezenverklaarde feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 12.833,18, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 30 mei 2020 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [slachtoffer] .

7.3.2

De vordering benadeelde partij [naam dochter slachtoffer]

Immateriële schade: affectieschade

[naam dochter slachtoffer] is de dochter van het slachtoffer [slachtoffer] . Zij stond in de avond van 30 mei 2020 op straat voor het huis van haar moeder en stiefvader, en hoorde haar moeder binnen schreeuwen. Toen ze haar moeder wilde helpen, zag ze dat zij en haar stiefvader naar buiten renden en dat haar stiefvader haar moeder sloeg. Later begreep ze dat haar moeder niet alleen was geslagen, maar ook was gestoken. Naar aanleiding hiervan heeft [naam dochter slachtoffer] affectieschade gevorderd voor een bedrag ter hoogte van € 17.500,--.

Affectieschade is de immateriële schade die bestaat uit het verdriet en de pijn die is veroorzaakt doordat een persoon waarmee men een affectieve band heeft, (zeer) ernstig blijvend letsel heeft opgelopen of is overleden. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat sprake is van ernstig en blijvend letsel bij een blijvende functiestoornis van 70% of meer. Gedacht kan worden aan een hoge dwarslaesie of aan ernstig traumatisch hersenletsel, dat grote afhankelijkheid van anderen kan veroorzaken. Deze norm van 70% betreft een indicatie, het is vervolgens aan de rechter om de regel aan de hand van de individuele omstandigheden van het geval toe te passen. Naast de functionele stoornis is bepalend wat de invloed is dat het letsel heeft op het leven van de gekwetste en diens naaste.

Ten aanzien van het letsel dat [slachtoffer] heeft opgelopen, is de verwachting van de artsen zij volledig zal herstellen van de twee steekwonden in haar bovenbuik en flank, en dat alleen de strekfuncties van duim en vingers aan de rechterhand niet geheel zullen herstellen. De rechtbank betwijfelt niet dat het letsel voor [slachtoffer] en haar dochter een grote impact heeft gehad, maar is van oordeel dat het letsel niet kan worden gekwalificeerd als (zeer) ernstig en blijvend letsel dat als voorwaarde geldt voor een aanspraak op affectieschade. De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van het gevorderde bedrag van € 17.500,--.

Immateriële schade: shockschade

Naast de affectieschade, heeft de benadeelde partij [naam dochter slachtoffer] vergoeding van shockschade gevorderd. Op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD535625) kan vergoeding van immateriële schade plaatsvinden als door het waarnemen van het ten laste gelegde of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het ten laste gelegde is gedood of gewond. Voor vergoeding van shockschade is nodig dat bij degene die de schade claimt sprake is van een psychiatrisch erkend ziektebeeld. Deze voorwaarden voor vergoeding van shockschade dienen bijzonder strikt te worden uitgelegd. De rechtbank wijst er daarbij op dat het schade betreft, waarvan de gerechtigde vergoeding kan vorderen wanneer aan een ander dan degene die de vordering instelt – het slachtoffer – iets ernstigs is overkomen.

Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval niet voldaan aan de voorwaarden die de Hoge Raad stelt aan het recht op vergoeding van schade door de confrontatie met een schokkende of traumatische gebeurtenis. De rechtbank betwijfelt niet dat hetgeen de verdachte het slachtoffer [slachtoffer] heeft aangedaan, voor haar ernstige gevolgen heeft gehad en dat [naam dochter slachtoffer] geschokt is door de confrontatie met de steekpartij en de gevolgen daarvan voor [slachtoffer] . De rechtbank stelt echter vast dat de feiten van deze zaak objectief bezien (aanmerkelijk) minder schokkend van aard zijn dan de feiten die ten grondslag liggen aan gewezen rechterlijke uitspraken waarin vergoeding van schade door de confrontatie met een schokkende of traumatische gebeurtenis is toegekend. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat [naam dochter slachtoffer] heeft verklaard dat zij dacht dat haar moeder door haar stiefvader werd geslagen en gestompt, en dat zij pas later – toen zij bloed zag – heeft begrepen dat haar moeder op dat moment tevens werd gestoken.

De rechtbank zal de benadeelde partij [naam dochter slachtoffer] dan ook niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van het gevorderde bedrag van € 15.000,--.

Materiële schade

Ten aanzien van de reiskosten naar het ziekenhuis en zorgverleners, heeft de verdediging aangegeven dat het verplaatste schade betreft van dezelfde kosten die [slachtoffer] heeft gemaakt. Nu de rechtbank deze kosten reeds ten aanzien van [slachtoffer] heeft toegewezen, kunnen deze kosten niet óók aan de benadeelde partij [naam dochter slachtoffer] worden toegewezen. De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van het gevorderde bedrag van € 175,--.

De rechtbank zal de benadeelde partij [naam dochter slachtoffer] tevens niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering ten aanzien van de eigen bijdrage van de zorgverzekering, nu door of namens haar ten eerste niet is onderbouwd dat deze kosten zijn gemaakt en de rechtbank voorts geen grondslag ziet op basis waarvan deze kosten voor vergoeding in aanmerking zouden kunnen komen.

Conclusie

De rechtbank zal de benadeelde partij [naam dochter slachtoffer] in het geheel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

8 De inbeslaggenomen goederen

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat van de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage aan dit vonnis is gehecht) het inbeslaggenomen mes moet worden onttrokken aan het verkeer en dat de overige voorwerpen aan de verdachte kunnen worden teruggegeven.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de teruggave aan de verdachte gelasten van alle voorwerpen die op de beslaglijst staan (te weten een schaar, mes, jas, broek, sokken, hemd, schoenen), nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet. Het mes dat in beslag is genomen betreft immers niet het mes waarmee de verdachte het slachtoffer heeft gestoken.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden en gelden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard en dat het bewezen verklaarde oplevert het misdrijf:

poging tot doodslag;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 (ACHTENVEERTIG) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet al op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 12 (TWAALF) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op 3 (DRIE) JAREN vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Nederland op het adres Bezuidenhoutseweg 179 te ’s-Gravenhage, op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van Forensische Polikliniek De Waag of een soortgelijke zorgverlener of en soortgelijke forensische zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen;

- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft en/of zoekt met [slachtoffer] ( [geboortedatum 1] te Sarikaya) en [naam dochter slachtoffer] [geboortedatum 2] ) met uitzondering van contact in het kader van de echtscheidingszaak tussen de verdachte en [slachtoffer] , in dat geval mag slechts contact plaatsvinden op de wijze te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het op grond van artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] (gedeeltelijk) toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 12.833,18, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 mei 2020 tot aan de dag waarop de vordering is voldaan;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in het overige gedeelte van haar vordering;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij [slachtoffer] , begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 12.833,18, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 mei 2020 tot aan de dag waarop de vordering is voldaan;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 99 (NEGENENNEGENTIG) DAGEN;

het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;

de vordering van de benadeelde partij [naam dochter slachtoffer]

verklaart de benadeelde partij [naam dochter slachtoffer] niet-ontvankelijk in haar vordering;

beslag

gelast de teruggave aan de verdachte van alle voorwerpen die op de beslaglijst staan, te weten:

1. STK Schaar (blauw);

2. 1.00 STK Mes (groen);

3. 1.00 STK Jas (blauw);

4. 1.00 STK Broek (blauw);

5. 2.00 STK Sok;

6. 1.00 STK Hemd (grijs);

7. 2.00 STK Schoenen (Nike).

Dit vonnis is gewezen door

mr. R. Wieringa, voorzitter,

mr. E.C. Kole, rechter,

mr. M.M.F. Holtrop, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.V. van Wijk, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 november 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2020155282, van de politie eenheid Den Haag, district Zoetermeer – Leidschendam / Voorburg, basisteam Zoetermeer, met bijlagen (p. 1-183).

2 Het proces-verbaal van aanhouding, p. 10-11.

3 Het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] van 31 mei 2020, p. 48-49, met fotobijlagen p. 45-47.

4 Het proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer] , p. 91-93.

5 Een ander geschrift, te weten een geneeskundige verklaring van 30/31 mei 2020, p. 100.

6 Het proces-verbaal forensisch onderzoek stukken van overtuiging, p. 157-160, fotobijlagen 161-173.

7 Een ander geschrift, te weten een letselrapportage t.a.v. [slachtoffer] door A.M. de Booij-Fuite en M.M. Wolfs van 20 oktober 2020.

8 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 27 oktober 2020.