Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:11257

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-11-2020
Datum publicatie
09-11-2020
Zaaknummer
NL18.25231
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Terugwijzing door de Afdeling maakt door tijdsverloop de procedure bijzonder complex – honoreren grief berust naar het oordeel van de rechtbank op het deels niet onderkennen van de strekking van de uitspraak van de rechtbank en stelt de rechtbank voor het dilemma of de uitspraak van de Afdeling desondanks in acht moet worden genomen – verweerder moet kenbaar betrekken dat eiser minderjarig was ten tijde het relaas en moet motiveren dat hij kennis heeft hoe een minderjarige jongen die opgroeit in Afghanistan ontdekt dat hij homoseksueel is en een eerste relatie aangaat zich zal gedragen - beroep gegrond.

Eiser heeft in 2018 een opvolgende aanvraag ingediend en een homoseksuele geaardheid, relatie en daaruit voortvloeiende problemen als asielmotief benoemd. De rechtbank doet uitspraak op 14 december 2018, de Afdeling beslist op 8 juli 2020 op het hoger beroep tegen deze uitspraak en draagt de rechtbank op zijn uitspraak in acht te nemen.

Eiser heeft inmiddels, omdat er geen zicht was op een uitspraakdatum van de Afdeling waar eiser wel contact over heeft opgenomen met de Afdeling een “beroep niet tijdig”-procedure gestart. Op het moment dat de rechtbank de zaak na de terugwijzing moet behandelen zijn er, naast nieuw opgekomen asielmotieven, in de tweede procedure ook een voornemen en zienswijze uitgebracht die zien op het gehoor uit 2018.

De wijze van terugwijzen door de Afdeling stelt de rechtbank voor een dilemma. De rechtbank is opgedragen de overwegingen van de Afdeling met betrekking tot de door verweerder verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling over te nemen, terwijl wel tot een nieuwe beoordeling van het beroep moet worden gekomen.

De rechtbank overweegt dat het in acht moeten nemen van een overweging van de Afdeling die naar het oordeel van de rechtbank de strekking van de rechtbank-uitspraak deels miskent, de rechtbank niet in staat stelt invulling te geven aan haar eigen rechtsprekende taak, de rechtbank daarmee beperkt in het uitvoeren van de opdracht die de rechtbank in eerste aanleg heeft en daarmee niet verenigbaar is. De rechtbank kan dan ook, gelet op de concrete omstandigheden van dit geval, niet anders dan de overweging van de Afdeling dat verweerder niet ten onrechte bij de geloofwaardigheidsbeoordeling heeft betrokken dat er een mvv-aanvraag op naam van eiser gedurende de eerste procedure is gedaan passeren.

Verweerder had zich rekenschap moeten geven van de minderjarigheid van eiser en bij de geloofwaardigheidsbeoordeling een gedragsdeskundige moeten betrekken als hij zich op het standpunt stelt dat de gedragingen van eiser dermate afwijken van zijn vooronderstelling over hoe een kind in Afghanistan zich gedraagt als hij ontdekt dat hij homoseksueel is, als hij een eerste relatie aangaat en of het reëel is om te verwachten dat een kind op dat moment bij een eerste (homoseksuele) relatie bezig is met het maken van toekomstplannen terwijl hij opgroeit in een land waar homoseksualiteit een artikel 3 EVRM-vrees oplevert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.25231


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

[V-nummer]

(gemachtigde: mr. P.L.M. Stieger),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. P. van Zijl).


Procesverloop
Bij besluit van 25 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g van de Vw 2000. Daarnaast is aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar, gerekend vanaf de datum dat hij Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank, deze zittingsplaats, heeft het beroep van eiser bij uitspraak van 14 december 2018 gegrond verklaard.

Verweerder heeft tegen de uitspraak van 14 december 2018 hoger beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 8 juli 2020 (nr. 201810231/1/V2) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank.


Verweerder heeft op 17 juli 2020 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit. Verweerder heeft aan eiser de geboortedatum [geboortedag] 1998 toegekend. Eiser stelt zich vanaf de aanvang van zijn eerste procedure consistent en onder verwijzing naar de door hem overgelegde en door Bureau Documenten beoordeelde taskera op het standpunt dat hij geboren is in 2000 of 2001.

2. Eiser heeft eerder, op 11 november 2015, een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft aan die aanvraag onder meer zijn afvalligheid van de islam en problemen die hij als gevolg hiervan heeft ondervonden ten grondslag gelegd. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 10 juli 2017 afgewezen. Verweerder achtte de Afghaanse nationaliteit en Hazara afkomst van eiser geloofwaardig. De identiteit van eiser, met name de geboortedatum van eiser (en dus eisers leeftijd) en geboorteplaats, werden door verweerder ongeloofwaardig geacht. Ook werd de gestelde afvalligheid en de daardoor ondervonden problemen ongeloofwaardig geacht door verweerder. Bij uitspraak van 22 januari 2018 (kenmerk NL17.5810) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen voornoemde uitspraak van de rechtbank is hoger beroep ingesteld. De Afdeling heeft het ingestelde hoger beroep bij uitspraak van 24 april 2018 kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd zodat deze uitspraak in rechte vaststaat.

3. Eiser heeft vervolgens, op 9 februari 2018, kenbaar gemaakt een opvolgende aanvraag in te willen dienen en heeft deze vervolgens op 19 oktober 2018 (formeel) ingediend. Hieraan heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is, in Afghanistan een homoseksuele relatie heeft gehad met [naam] en dat uit die relatie problemen zijn voortgekomen. Hij heeft dit tijdens zijn vorige asielprocedure niet verteld omdat hij [naam] beloofd had met niemand te spreken over deze geheime relatie en omdat hij zich schaamt voor zijn geaardheid.

4. Verweerder heeft de opvolgende aanvraag bij besluit van 25 oktober 2018 (het bestreden besluit) afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser zijn homoseksuele gerichtheid en tevens zijn relatie met [naam] en de hieruit voorgekomen problemen niet aannemelijk heeft gemaakt en derhalve niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, Vw 2000.

5. Het hiertegen door eiser ingestelde beroep is door de rechtbank Den Haag, deze zittingsplaats, bij uitspraak van 14 december 2018 (NL18.19912), gegrond verklaard en daarbij is overwogen dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de gestelde seksuele gerichtheid van eiser en de daardoor ontstane problemen ongeloofwaardig zijn. Meer in het bijzonder heeft de rechtbank – kort samengevat – overwogen dat verweerder zich in het besluit van 25 oktober 2018 ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat bij voorbaat afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas, omdat dit zich volgens de vreemdeling heeft afgespeeld in een herkomstgebied waarover in de vorige procedure twijfel bestond en in die procedure ook is getwijfeld aan de door de vreemdeling opgegeven leeftijd. De rechtbank heeft hierbij betrokken dat de omstandigheid dat de vreemdeling vasthoudt aan zijn verklaring dat hij uit Jerma komt en aan de eerdere geboortedatum niet vanzelfsprekend leidt tot de ongeloofwaardigheid van de gestelde seksuele gerichtheid en van de verklaringen op welke leeftijd bepaalde gebeurtenissen die met die gerichtheid verband houden hebben plaatsgevonden. Ook heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verweerder in de vorige procedure niet heeft vastgesteld dat de gestelde herkomst en leeftijd onjuist, dan wel ongeloofwaardig zijn. Verder heeft de rechtbank overwogen dat verweerder ten onrechte bij zijn standpunt heeft betrokken dat het opmerkelijk is dat eiser in 2016 een aanvraag heeft ingediend om zijn moeder en minderjarige zus naar Nederland te laten overkomen, terwijl hij stelt te vrezen voor zijn familie vanwege zijn gestelde geaardheid omdat zijn familie hem zou doden als zij zouden weten dat hij homoseksueel is. Eisers aannemelijke verklaring dat zijn familie ten tijde van de aanvraag nog niet van zijn geaardheid op de hoogte was, maar dat zijn familie daar ongeveer een jaar geleden achter is gekomen en dat op initiatief van en door Vluchtelingenwerk Nederland deze (tijdens een asielprocedure kansloze) aanvraag is ingediend – hetgeen ook ter zitting bevestigd werd door verweerder - maakt naar het oordeel van de rechtbank dat de besluitvorming op dit punt onjuist gemotiveerd is.

6. In voornoemde uitspraak heeft de rechtbank het besluit van 25 oktober 2018 vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag moet nemen met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen.

7. Tegen deze uitspraak heeft verweerder op 21 december 2018 hoger beroep ingesteld.

Terugwijzing door de Afdeling

8. Bij uitspraak van 8 juli 2020 heeft de Afdeling vervolgens uitspraak gedaan op het door verweerder ingestelde hoger beroep. De Afdeling heeft in die uitspraak het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats

‘s-Hertogenbosch, van 14 december 2018 vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank en aangegeven dat de rechtbank het oordeel van de Afdeling in deze

uitspraak in acht neemt.

9. De Afdeling heeft in deze uitspraak het volgende overwogen.

‘(…) 2.1. (...) De staatssecretaris betoogt terecht dat zijn standpunt in het eerdere besluit van 10 juli 2017, dat de gestelde herkomst en identiteit, namelijk de leeftijd, geboortedatum en geboorteplaats van de vreemdeling, niet worden gevolgd, niet anders kan worden begrepen dan dat hij de verklaringen van de vreemdeling over zijn herkomst uit Jerma en leeftijd niet geloofwaardig vindt. Ook de rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, is daar in haar door de Afdeling bevestigde uitspraak van 22 januari 2018 van uitgegaan.

2.2.

Anders dan de staatssecretaris aanneemt, staan de eerder ongeloofwaardig bevonden elementen herkomst en leeftijd daarmee niet in rechte vast. Wel kan de staatssecretaris inhoudelijk concluderen dat wat de vreemdeling naar voren heeft gebracht voor hem geen reden is er bij de nieuwe aanvraag anders over te denken.

2.3.

De staatssecretaris heeft in dit geval vastgehouden aan zijn eerdere standpunt over de geloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling over zijn herkomst en leeftijd, omdat de vreemdeling in deze procedure hierover alleen heeft herhaald wat hij in de vorige procedure al naar voren had gebracht. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de

staatssecretaris hierbij niet ten onrechte betrokken dat hij de hiervoor bedoelde verklaringen in de vorige procedure niet geloofwaardig heeft geacht, terwijl hij geen aanleiding had daar nu anders over te denken.

2.4.

De staatssecretaris heeft zich bij de beoordeling van de seksuele gerichtheid van de vreemdeling niet beperkt tot de onder 2 weergegeven argumenten, maar heeft de geloofwaardigheid daarvan ook zelfstandig beoordeeld. De staatssecretaris heeft in het voornemen, dat deel uitmaakt van het besluit, toegelicht waarom de vreemdeling met zijn verklaringen over zijn persoonlijke ervaringen over zijn seksuele gerichtheid niet overtuigend is.

De staatssecretaris betoogt terecht dat de rechtbank dit onderdeel van de motivering van het besluit niet in haar overwegingen heeft betrokken.

2.5.

De grief slaagt.

3. In het eerste onderdeel van grief 2 voert de staatssecretaris terecht aan dat hij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, bij zijn standpunt over de geloofwaardigheid van de gestelde seksuele gerichtheid niet ten onrechte heeft betrokken dat opmerkelijk is dat de vreemdeling in 2016 een nareisaanvraag voor zijn moeder en zus heeft ingediend, terwijl hij heeft verklaard dat zijn familie hem zal doden als zij van zijn seksuele gerichtheid op de hoogte raken. De staatssecretaris betoogt terecht dat niet van belang is dat de familie van de vreemdeling ten tijde van de nareisaanvraag niet op de hoogte was van zijn seksuele gerichtheid, maar dat het gaat om de gevolgen waar de vreemdeling voor vreest als zijn familie daar op enig moment weet van zou krijgen.

3. 1. Dit onderdeel van de grief slaagt.

3.2.

Het tweede onderdeel van grief 2 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris ten onrechte bij zijn standpunt heeft betrokken dat het opmerkelijk is dat de vreemdeling in Nederland geen invulling heeft gegeven aan zijn seksuele gerichtheid, terwijl hij heeft verklaard dat na eventuele terugkeer in Afghanistan wel te willen doen. Omdat de staatssecretaris in dit geval bij de geloofwaardigheidsbeoordeling van de gestelde seksuele gerichtheid van ondergeschikt belang heeft geacht of de vreemdeling zijn seksuele gerichtheid al dan niet in Nederland heeft geuit en hij dit ook niet van de vreemdeling heeft verlangd, kan dit onderdeel van de grief al niet slagen.(…)’

10. De rechtbank overweegt dat zij gelet op de uitspraak van de Afdeling opnieuw een oordeel dient te geven over het bestreden besluit van 25 oktober 2018 en daarbij het oordeel van de Afdeling over haar eerdere uitspraak in acht dient te nemen. De Afdeling heeft hierbij uitdrukkelijk verwezen naar artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. In dit artikel is bepaald dat de hogerberoepsrechter de zaak terug wijst naar de rechtbank die de zaak in eerste aanleg heeft behandeld indien “de hogerberoepsrechter om andere redenen van oordeel is dat de zaak opnieuw door de rechtbank moet worden behandeld”.

11. De rechtbank stelt vast dat de Afdeling in deze uitspraak niet (aan de rechtbank) heeft uitgelegd wat deze “andere redenen” zijn. De rechtbank stelt verder vast dat het tijdsverloop tussen de uitspraak van de rechtbank, op 14 december 2018, en de uitspraak van de Afdeling, op 8 juli 2020, aanzienlijk is.

Dit tijdsverloop brengt, naar het oordeel van de rechtbank, mee dat door de zaak terug te wijzen de procedure in eerste aanleg procedureel complex is geworden.

12. Eiser die op 9 februari 2018 kenbaar heeft gemaakt een opvolgende asielaanvraag in te willen dienen is nu nog steeds in afwachting van de beoordeling in eerste aanleg van deze aanvraag. Doordat eiser wilde bewerkstelligen dat er zicht zou komen op een finaal oordeel over deze aanvraag heeft hij een zogenaamde “beroep niet-tijdig- procedure gestart.

Mede gelet op het beroep niet tijdig beslissen (NL20.9146) heeft verweerder ondertussen (op grond van de uitspraak van de rechtbank van 14 december 2018) op 20 mei 2020 een nieuw voornemen uitgebracht. Op 13 juli 2020 is door verweerder een zienswijze op het tweede voornemen ontvangen. In deze zienswijze heeft eiser aangeven dat hij inmiddels is verwesterd en dat gelet op de recente Afdelingsjurisprudentie de omstandigheid dat hij behoort tot de Hazara ook risico’s bij terugkeer met zich brengt en dit ook beoordeeld moet worden in deze asielprocedure. Omdat op 8 juli 2020 de Afdeling uitspraak heeft gedaan op het hoger beroep heeft verweerder aangegeven vooralsnog geen nieuw besluit in deze tweede procedure te nemen. Dit betekent dus dat ten tijde van het onderzoek ter zitting op 6 oktober 2020 er gelijktijdig twee procedures aanhangig zijn die betrekking hebben op dezelfde aanvraag en hetzelfde relaas zoals dat naar voren is gebracht in het gehoor opvolgende aanvraag van 19 oktober 2018. In de tweede procedure heeft eiser gepersisteerd bij zijn relaas en twee nieuwe asielmotieven aangevoerd maar in die procedure heeft verweerder aan eiser te kennen gegeven geen besluit te zullen nemen.

13. De rechtbank heeft de complexe situatie die is ontstaan door het tijdsverloop tussen de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak van de Afdeling met partijen besproken en gevraagd wat zij beogen en wensen met deze procedure. Aan partijen is de vraag voorgelegd of zij het wenselijk achten dat de rechtbank in de onderhavige procedure alle argumenten over en weer die betrekking hebben op de gestelde geaardheid en de nieuwe asielmotieven betrekt of dat zij wensen dat alleen de eerste procedure en de uitspraak op het hoger beroep nu aan de orde komen.

Met partijen is hierop afgesproken dat in de onderhavige procedure uitsluitend het besluit van 25 oktober 2018 aan de orde komt tot en met de beoordeling hiervan in de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020. De argumenten uit het tweede voornemen en de zienswijze hierop voor zover die betrekking hebben op de gestelde geaardheid blijven buiten beschouwing. Verweerder heeft ter zitting toegezegd dat eiser zal worden gehoord over zijn asielmotieven verwestering en het behoren tot de Hazara voor zover het in deze procedure niet tot een inwilliging komt. De rechtbank zal dan ook in deze uitspraak het besluit van 25 oktober 2018 toetsen aan de hand van de gronden van 31 oktober 2018, de uitspraak van de rechtbank van 14 december 2018, de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020 en hetgeen is besproken ter zitting van 6 oktober 2020.

Toetsing van het besluit van 25 oktober 2018 met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020

14. Verweerder heeft naar aanleiding van het asielrelaas van eiser de volgende relevante elementen onderscheiden:

  • -

    eiser is homoseksueel;

  • -

    eiser heeft in Afghanistan een (seksuele) relatie gehad met [naam] ;

  • -

    de problemen die uit de relatie met [naam] zijn voortgekomen.

15. Verweerder heeft de opvolgende aanvraag afgewezen omdat eiser zijn homoseksuele gerichtheid en tevens zijn relatie met [naam] en de hieruit voortgekomen problemen niet aannemelijk heeft gemaakt.

Overwegingen uit de uitspraak van 14 december 2018 die niet zijn aangetast.

16. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat alle overwegingen in de uitspraak van 14 december 2018 van de rechtbank waar niet tegen op is gekomen in hoger beroep thans niet meer ter toetsing voorliggen. De rechtbank volgt dit niet omdat de Afdeling de hele uitspraak van de rechtbank heeft vernietigd en dus ook de overwegingen waartegen niet is opgekomen. Dit laat evenwel onverlet dat de rechtbank, nu er geen nieuwe motivering door verweerder is aangedragen voor zijn besluit van 25 oktober 2018, tot dezelfde uitspraak komt voor zover het deze overwegingen betreft. Dit betekent dat alle overwegingen behoudens de overwegingen over de herkomst, leeftijd en de aanvraag voor de mvv, integraal in deze uitspraak worden overgenomen.

In de uitspraak van 14 december 2018 is in rechtsoverweging 9 overwogen dat verweerder ten onrechte bij zijn standpunt heeft overwogen dat eiser niet concreet heeft verklaard over hoe hij en [naam] hun toekomst zagen en of zij over de consequenties van de ontdekking van deze geaardheid hadden nagedacht.

In rechtsoverweging 11 is overwogen dat verweerder ten onrechte bij zijn beoordeling heeft betrokken dat eiser verklaard zou hebben dat hij na terugkeer naar Afghanistan zijn geaardheid wil uiten. Ook de stelling van verweerder dat eiser in Nederland nog geen invulling had gegeven aan zijn geaardheid is door de rechtbank niet gevolgd.

In rechtsoverweging 12 is bepaald dat verweerder ten onrechte heeft tegengeworpen dat eiser geen belangenorganisaties kent in Afghanistan die opkomen voor de rechten van homoseksuelen.

In rechtsoverweging 13 heeft de rechtbank overwogen dat verweerder niet mag tegenwerpen dat eiser meer had moeten weten van de situatie van de LHBT- gemeenschap en homorechten in Nederland. De rechtbank komt in de onderhavige procedure tot dezelfde conclusie zodat deze rechtsoverwegingen ook aan deze uitspraak ten grondslag liggen.

Leeftijd en herkomst

17. De rechtbank is opgedragen de uitspraak van de Afdeling in acht te nemen. De rechtbank overweegt dat in de uitspraak van de Afdeling is overwogen dat de elementen herkomst en leeftijd niet in rechte vast staan. De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder de “leeftijd” en de “herkomst” van eiser niet als (afzonderlijk) elementen heeft benoemd in zijn besluit. Voor zover verweerder de gestelde leeftijd en gestelde herkomst niet aannemelijk acht heeft dan ook te gelden dat dit niet betekent dat er sprake is van ongeloofwaardige elementen, zodat zonder nadere motivering op dit punt niet valt in te zien hoe dit een rol kan spelen bij de integrale beoordeling en weging van de elementen.

18. Aan verweerder kan weliswaar worden toegegeven dat eiser niets nieuws hierover heeft aangevoerd en verweerder daardoor, gelet op de vorige procedure, ook in deze procedure heeft mogen vinden dat de gestelde leeftijd en herkomst niet alsnog geloofwaardig zijn gemaakt. Onvoldoende gemotiveerd is echter –wederom en nog steeds - waarom dit de geloofwaardigheid van de gestelde geaardheid op voorhand aantast zoals is overwogen in rechtsoverweging 7 van de uitspraak van 14 december 2018. De Afdeling heeft overwogen dat verweerder nog meer tegenwerpingen heeft geformuleerd. Dat is correct maar laat onverlet dat verweerder overweegt dat het enkele niet aannemelijk kunnen maken van leeftijd en herkomst het relaas dat eiser homoseksueel is regardeert, terwijl niet is gemotiveerd waarom dit zo is. De rechtbank overweegt dat eiser hiertegen opkomt en het enkele vermelden van verweerder zonder dit te motiveren dus niet volstaat.

19. Verweerder overweegt in het voornemen dat ten aanzien van de eerste procedure niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden ten aanzien van de herkomst en leeftijd. Verweerder voegt hieraan in het voornemen toe dat er twijfel blijf bestaan over waar eiser is geboren en opgegroeid “waardoor op voorhand getwijfeld wordt aan het thans naar voren gebrachte asielrelaas dat zich daar zou hebben afgespeeld”. In het bestreden besluit is opgenomen dat hierdoor “op voorhand ernstig wordt getwijfeld aan de actuele verklaringen van betrokkenen”. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom in het voornemen “twijfel” wordt aangenomen en in het besluit “ernstige twijfel”. Dit is dan ook niet begrijpelijk en getuigt van een onzorgvuldige motivering.

20. De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder niet heeft overwogen dat de niet aannemelijk geachte gestelde leeftijd het asielrelaas regardeert zodat de geloofwaardigheid van eisers verklaringen dat hij homoseksueel is niet op voorhand is aangetast omdat eiser zijn leeftijd niet aannemelijk heeft weten te maken. De rechtbank verwijst overigens naar WI 2014/10 waarin het kader van de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling uiteen is gezet. In paragraaf 3.2.2 van WI 2014/10 is vermeld dat “moet worden getoetst of en in hoeverre bepaalde zware omstandigheden de geloofwaardigheid van het volledige relaas aantasten”. Blijkens de werkinstructie “betekent een integrale toets echter niet dat de ongeloofwaardigheid van één element automatisch doorwerkt naar andere elementen”. De rechtbank stelt vast dat, hoewel de gestelde herkomst niet als element is geduid, de motivering waarom (ernstig) wordt getwijfeld aan het asielrelaas niet begrijpelijk is. Eiser heeft verklaard hoe en wanneer hij heeft ontdekt dat hij homoseksueel is en wat dat betekent als je ergens woont en opgroeit waar dat niet is toegestaan. Verweerder acht in ieder geval geloofwaardig dat eiser uit Afghanistan komt zodat verweerder niet had kunnen tegenwerpen dat op voorhand (ernstig) wordt getwijfeld aan de verklaringen over de seksuele geaardheid vanwege de niet aannemelijk gemaakte herkomst. De beroepsgrond van eiser dat verweerder hiermee in strijd met zijn werkinstructie heeft gehandeld slaagt.

21. De Afdeling heeft overwogen dat verweerder ook de geloofwaardigheid van de andere elementen zelfstandig heeft beoordeeld en de grief slaagt omdat de rechtbank die beoordeling niet heeft betrokken in de uitspraak.

De rechtbank overweegt dat wordt onderkend dat verweerder de overige elementen ook heeft beoordeeld. De integrale geloofwaardigheidsbeoordeling vergt echter dat alle elementen in onderlinge samenhang worden beoordeeld. Als een element geloofwaardig wordt bevonden dan kan dat ook de geloofwaardigheid van de andere elementen raken. De rechtbank overweegt dat hieruit volgt dat de elementen die eiser niet aannemelijk kan maken alsnog geloofwaardig kunnen worden bevonden doordat een ander element geloofwaardig is. Gelet daarop dient verweerder eerste alle elementen op zichzelf en onbevangen te beoordelen en daarna pas in onderlinge samenhang te wegen. Verweerder heeft nu het element geaardheid beoordeeld maar hierbij overwogen dat “op voorhand ernstig wordt getwijfeld aan de geloofwaardigheid van de actuele verklaringen omdat deze betrekking hebben op zijn ongeloofwaardig geachte herkomstgebied, alsmede zijn niet aannemelijk geachte leeftijd”. De rechtbank heeft in de uitspraak van 14 december 2018 verweerder eerst opnieuw willen laten motiveren hoe de geloofwaardigheidsbeoordeling uit zou vallen als de elementen afzonderlijk zouden worden beoordeeld. De rechtbank heeft hier destijds bij betrokken dat verweerder ter zitting, waar deze vraag uitvoerig is besproken, heeft aangegeven dat de weging van de elementen niet kenbaar is verricht en dat op dat moment niet was te overzien wat de uitkomst van de geloofwaardigheidsbeoordeling zou zijn als verweerder met inachtneming van deze uitspraak opnieuw zou moeten beslissen op de asielaanvraag van eiser.

22. Verweerder had gelet op zijn werkinstructie over integrale geloofwaardigheidsbeoordeling eerst de verklaringen over de geaardheid moeten beoordelen als ware er geen twijfel over de gestelde herkomst en leeftijd of ongeloofwaardig andere element. De rechtbank wijst hierbij ook op de samenwerkingsplicht zoals verwoord in artikel 4 van de Definitierichtlijn. Verweerder moet bovendien welwillend bezien of aan eiser het voordeel van de twijfel kan en moet worden gegund. In deze procedure heeft te gelden dat verweerder zich die mogelijkheid onthoudt als hij aan het gestelde asielrelaas reeds op voorhand ernstig twijfelt en dan pas de elementen afzonderlijk gaat beoordelen.

23. Als verweerder vervolgens tot de conclusie zou zijn gekomen dat de geaardheid wel geloofwaardig is, had dit dus ook in positieve zin de geloofwaardigheid van de door eiser gestelde leeftijd en herkomst kunnen beïnvloeden. Omdat verweerder de werkwijze zoals beschreven in de werkinstructie niet heeft gevolgd, heeft verweerder zich de mogelijkheid onthouden om meer gewicht toe te kennen aan de taskera en de beoordeling hiervan door Bureau Documenten.

Na de terugwijzing heeft naar het oordeel van rechtbank nog steeds te gelden dat verweerder niet heeft vastgesteld dat eiser in strijd met de waarheid heeft verklaard over zijn herkomst en leeftijd. Eiser heeft dit “slechts” nog steeds niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft er hierbij terecht op gewezen dat hij steeds en vanaf zijn eerste gehoor in zijn eerste procedure consistent heeft verklaard over zijn leeftijd en dat Bureau Documenten op 13 februari 2017 in zijn verklaring van onderzoek over het geboorte-identiteitsdocument heeft vermeld dat “gelet op de ervaringen met soortgelijke documenten het document zeer wel mogelijk echt is”. Tevens is vermeld dat niet kan worden vastgesteld welke waarde er gehecht kan worden aan de aangetroffen radering. Bureau Documenten heeft niet kunnen vaststellen of het document is opgemaakt en afgegeven door een daartoe bevoegde instantie en of het document inhoudelijk juist is.

24. De rechtbank concludeert dat eiser niet alleen consistent maar ook in overeenstemming met zijn door Bureau Documenten beoordeelde taskera heeft verklaard. Bureau Documenten kan geen uitspraken doen over de inhoud en of het bevoegd is opgemaakt en afgeven. De conclusie is dus neutraal. Niet is na dit onderzoek, wat als een deskundigenbericht moet worden aangemerkt, geconcludeerd dat het document niet echt of vals is of dat de inhoud niet klopt of dat het niet bevoegd is opgemaakt of afgeven.

Dit betekent dat verweerder niet kan tegenwerpen dat eiser volhardt in zijn verklaring over zijn leeftijd. Eiser kan slechts deze verklaring niet aannemelijk maken. Eiser hoeft dan ook geen afstand te nemen van zijn verklaringen.

De rechtbank overweegt desondanks dat in deze procedure dient te worden uitgegaan van de beoordeling van verweerder dat eiser zijn leeftijd en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt omdat dit in een eerdere procedure in rechte vast is komen te staan en eiser geen andere argumenten of documenten heeft aangedragen.

Geaardheid en relatie met [naam] en de daaruit voortgekomen problemen

25. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder bij de beoordeling van zijn relaas dat hij homoseksueel is geen rekening heeft gehouden met zijn leeftijd. Deze beroepsgrond slaagt. Verweerder heeft enkel overwogen dat de door eiser opgegeven leeftijd niet aannemelijk is gemaakt en aan eiser daarom de geboortedatum [geboortedag] 1998 is toegekend.

26. Ten aanzien van de leeftijd heeft te gelden dat ook indien eiser zou zijn geboren op [geboortedag] 1998, verweerder wel geloofwaardig acht dat eiser minderjarig was tijdens het gestelde ontdekken van zijn geaardheid en zijn relatie met [naam] en de daaruit voortvloeiende problemen.

27. Onder 3.2.2 van WI 2014/10 is vermeld dat bij de geloofwaardigheidsbeoordeling rekening moet worden gehouden met “verschonende omstandigheden” die een bepaald gebrek in de geloofwaardigheid zouden kunnen verklaren. Hierbij zijn “leeftijd” en “schaamte” expliciet genoemd als voorbeelden van dergelijke omstandigheden. Verweerder heeft in het bestreden besluit op geen enkele wijze aan deze passage in zijn werkinstructie gerefereerd en evenmin in zijn besluit bij het formuleren van zijn tegenwerpingen –kenbaar- betrokken dat eiser heeft verklaard dat hij in zijn eerste procedure niet over zijn geaardheid durfde te verklaren vanwege (onder meer) schaamte. Verweerder mag uitgaan, gelet op deze eerste procedure, van de door hem aan eiser toegekende geboortedatum, maar ook dan heeft te gelden dat eiser minderjarig was ten tijde van de gestelde gebeurtenissen. Weliswaar voorziet WI 2014/10 in instructies hoe moet worden omgegaan met de omstandigheid dat een vreemdeling minderjarig is ten tijde van de aanvraag en het gehoor hier te lande. Verweerder heeft echter de handelwijze van eiser ten tijde van het gestelde relaas beoordeeld en die gedragingen die eiser dus als minderjarige heeft verricht als ongeloofwaardig beoordeeld en ook hierbij moet verweerder –kenbaar- de minderjarigheid betrekken.

28. De verklaringen van eiser hebben betrekking op het ontdekken van seksuele gevoelens en het aangaan van een eerste seksuele relatie. Op geen enkele wijze heeft verweerder –kenbaar- betrokken dat eiser minderjarig was bij het doormaken van deze gestelde ontwikkeling.

29. Verweerder heeft, daargelaten dat hij bij de geloofwaardigheidsbeoordeling niet conform zijn eigen werkinstructie heeft gehandeld, bij de beoordeling van het relaas op geen enkele wijze gemotiveerd dat hij over kennis beschikt over het gedrag en de handelwijze van minderjarigen die ontdekken dat ze homoseksueel zijn en opgroeien in een omgeving waar het uiten van deze geaardheid niet wordt geaccepteerd. Verweerder gaat hierbij uit van vooronderstellingen dat een minderjarige in de leeftijd van 13-15 jaar zich laat leiden door ratio in plaats van gevoelens en een risico-taxatie maakt bij de vraag waar en wanneer hij seksuele handelingen verricht en hoe hij uit dat hij gevoelens heeft die verderstrekkend zijn dan vriendschap. Eiser heeft ook hier in de gronden van beroep terecht op gewezen en deze grond slaagt dan ook.

30. De rechtbank overweegt verder dat eiser over zijn geaardheid, zijn relatie en problemen consistent heeft verklaard. De rode draad van zijn verklaringen is dat hij vanaf zijn zevende jaar veel contact met een bepaalde klasgenoot had. Eiser heeft uitgelegd dat dit kwam doordat hij werd gepest en uitgescholden omdat hij in de ogen van zijn klasgenoten “vrouwelijk” zou zijn. Er was één klasgenoot die wel met hem om wilde gaan en hem –als enige- ook bezocht toen hij ziek was. Eiser legt met deze verklaringen uit hoe hij met deze jongen bevriend raakte. Eiser heeft vervolgens verklaard dat ze steeds vaker met zijn tweeën omgingen omdat ze allebei buiten de groep vielen. Eiser beschrijft hiermee dat de vriendschap hechter werd omdat ze elkaar dagelijks zagen. Eiser heeft ook verklaard dat op enig moment zijn gevoelens overgingen van vriendschap naar een verliefdheid, dat [naam] dat ook had en dat ze beiden dit op enig moment aan elkaar kenbaar hebben gemaakt.

31. De verklaringen van eiser over zijn seksuele ontwikkeling en de ontdekking van zijn seksuele identiteit dient verweerder opnieuw te beoordelen waarbij het weinig relevant is wat de herkomst is. Verweerder kan bij de gestelde relatie en de verklaringen van eiser waar hij met [naam] gesprekken voerde en seksuele handelingen verrichtte betrekken dat de herkomst niet aannemelijk is. Verweerder heeft echter, ook in deze procedure, niet vastgesteld dat deze verklaringen in strijd met de waarheid zijn. Bovendien kan verweerder de verklaringen over de gestelde relatie ook beoordelen voor zover eiser heeft beschreven hoe de ontwikkeling van een vriendschap naar een liefdesrelatie en seksuele relatie is verlopen.

Verweerder dient hierbij kenbaar te motiveren dat eiser minderjarig was ten tijde van het ontdekken van zijn gestelde seksuele identiteit en het aangaan van een eerste relatie. Verweerder heeft meerdere tegenwerpingen geformuleerd die zien op de handelwijze van eiser. De rechtbank doelt op de tegenwerpingen dat niet geloofwaardig is dat eiser als minderjarige zo onvoorzichtig handelde, dat hij geen concrete toekomstplannen had als minderjarige, en dat hij zijn gevoelens bij zijn eerste relatie niet diepgaander kan beschrijven. De rechtbank stelt vast dat verweerder op geen enkele wijze motiveert waar hij deze tegenwerpingen op baseert. Verweerder had zich rekenschap moeten geven van de minderjarigheid van eiser en bij de geloofwaardigheidsbeoordeling een gedragsdeskundige moeten betrekken als hij zich op het standpunt stelt dat de gedragingen van eiser dermate afwijken van zijn vooronderstelling over hoe een kind in Afghanistan zich gedraagt als hij ontdekt dat hij homoseksueel is, als hij een eerste relatie aangaat en of het reëel is om te verwachten dat een kind op dat moment bij een eerste (homoseksuele) relatie bezig is met het maken van toekomstplannen terwijl hij opgroeit in een land waar homoseksualiteit een artikel 3 EVRM-vrees oplevert. Verweerder heeft bij zijn beoordeling betrokken dat de verklaringen van eiser over de overgang van een vriendschapsrelatie naar een liefdesrelatie slechts in algemene bewoordingen zijn beschreven en eiser zijn gevoelens niet heeft geconcretiseerd. Ook voor deze tegenwerping heeft te gelden dat verweerder moet motiveren waarom hij op dit punt meer verwacht van eiser die ten tijde van de ontmoeting met [naam] minderjarig was. Verweerder heeft dit alles niet gedaan maar overweegt eenvoudigweg zelf en enkel op basis van de verklaringen van eiser dat het relaas ongeloofwaardig is. Dit volstaat niet en verweerder zal dit dus opnieuw moeten motiveren.

32. Verweerder heeft tegengeworpen dat eiser oppervlakkig en in algemeenheden heeft verklaard over zijn gevoelens voor [naam] en zijn relatie. Gemachtigde van eiser heeft er terecht op gewezen dat verweerder de verklaringen van eiser op dit punt heeft opgenomen in het voornemen maar dat hieruit niet valt op te maken waarom deze verklaringen als niet concreet worden gekwalificeerd omdat dit niet nader is gemotiveerd. Deze beroepsgrond slaagt ook.

33. Verweerder heeft bij de overweging dat het niet geloofwaardig is dat eiser het risico op betrapping zou nemen bij zijn keuze om seksueel actief te zijn met [naam] niet betrokken dat eiser destijds minderjarig was. Eiser wordt bovendien gevolgd in zijn argument dat verweerder bij deze tegenwerping ook niet heeft betrokken dat eiser heeft verklaard dat hij en [naam] deze relatie meerdere jaren verborgen hebben weten te houden en zij steeds voorzichtig zijn geweest. Deze beroepsgrond slaagt ook.

34. Verweerder heeft in het voornemen de verklaringen van eiser over of hij of [naam] als eerste aangaf verderstrekkende gevoelens te hebben als niet consistent benoemd. Ter zitting van 6 oktober 2020 heeft verweerder aangegeven dat deze inconsistentie niet relevant is. De rechtbank stelt dan ook vast dat verweerder ten aanzien van de benoemde elementen geen enkele tegenstrijdigheid heeft vastgesteld.

35. Verweerder heeft bij de beoordeling van het relaas betrokken dat het ongeloofwaardig is dat eiser dacht dat homoseksualiteit alleen in eigen dorp verboden zou zijn. De rechtbank overweegt dat verweerder niet motiveert waarop hij baseert dat een kind in Afghanistan kennis hiervan heeft, in ogenschouw nemend dat vragen stellen en praten over homoseksualiteit in Afghanistan niet voor de hand ligt om informatie hierover te verkrijgen. Ook deze tegenwerping kan zonder nadere motivering, die in het tweede voornemen wel maar in deze procedure niet aanwezig is, geen stand houden.

36. De rechtbank concludeert dat alle gronden die gericht zijn tegen de tegenwerpingen die betrekking hebben op de gestelde homoseksuele geaardheid slagen. Het besluit zal dan ook om deze reden worden vernietigd. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat dit enkele element, als dit geloofwaardig wordt geacht reeds tot inwilliging moet leiden. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat dit element niet geloofwaardig is en die discussie dus niet aan de orde is. De rechtbank zal in ieder geval bepalen dat verweerder, indien hij de afwijzing van de asielaanvraag wil handhaven, nader moet motiveren waarom de verklaringen die eiser heeft afgelegd over wanneer hij zijn geaardheid ontdekte en hoe hij daarmee is omgegaan ongeloofwaardig worden geacht.

37. De rechtbank concludeert voorts dat alle gronden die gericht zijn tegen het ongeloofwaardig achten van de relatie van eiser met [naam] ook slagen.

De problemen die zijn voortgekomen uit de relatie met [naam]

38. Verweerder motiveert de ongeloofwaardigheid van de gestelde problemen door te overwegen dat eiser in 2015 Afghanistan heeft verlaten en de problemen dus niet hebben kunnen plaatsvinden op de door eiser gestelde leeftijd. De rechtbank volgt dit niet gelet op wat hiervoor reeds is overwogen over integrale geloofwaardigheidsbeoordeling en de omstandigheid dat eiser zijn gestelde leeftijd slechts niet aannemelijk heeft gemaakt.

Eiser heeft in de zienswijze beargumenteerd waarom de tegenwerping in het voornemen dat het opmerkelijk is dat eiser en [naam] na de betrapping de vader van [naam] konden ontlopen niet deugdelijk is gemotiveerd. In het besluit is hier niet op ingegaan zodat de rechtbank er van uitgaat dat verweerder deze tegenwerping niet langer handhaaft.

39. Eiser heeft ten aanzien van de vlucht verklaard, en hier in de gronden van beroep ook op gewezen, dat er slechts één route is naar Kabul en hij en [naam] bang waren om te verdwalen. Verweerder heeft hier niet verder inhoudelijk op gereageerd en evenmin gemotiveerd met bijvoorbeeld geografische gegevens dat er meerdere vluchtwegen waren. Eiser heeft er in de gronden van beroep bovendien ook terecht op gewezen dat eiser niet heeft verklaard dat hij en [naam] wisten dat de politie bij de controlepost op de hoogte was van de betrapping maar enkel dat dit risico bestond. De gronden die hierop zien slagen ook. De rechtbank betrekt hierbij tevens dat het niet aangaat om eerst in het bestreden besluit, in reactie op de zienswijze, zonder nadere motivering te overwegen dat eiser en [naam] zich hadden kunnen schuilhouden. De rechtbank passeert deze overweging van verweerder omdat niet duidelijk is hoe dit als tegenwerping kan gelden voor de keuze die eiser, die minderjarig was, heeft gemaakt om te vluchten.

aanvraag mvv-nareis voor moeder en zus

40. De Afdeling heeft bij zijn uitspraak, waarbij de eerdere uitspraak van de rechtbank is vernietigd, overwogen dat verweerder bij zijn standpunt over de geloofwaardigheid van de gestelde seksuele gerichtheid niet ten onrechte heeft betrokken dat opmerkelijk is dat de vreemdeling in 2016 een nareisaanvraag voor zijn moeder en zus heeft ingediend, terwijl hij heeft verklaard dat zijn familie hem zal doden als zij van zijn seksuele gerichtheid op de hoogte raken. Verweerder heeft niet gemotiveerd in hoeverre de term “opmerkelijk” de geloofwaardigheidsbeoordeling beïnvloedt en dat wordt evenmin duidelijk uit de uitspraak van de Afdeling die wel overweegt dat verweerder de handelwijze van eiser “opmerkelijk” mag vinden. Verweerder heeft volgens de Afdeling terecht betoogd dat niet van belang is dat de familie van de vreemdeling ten tijde van de nareis-aanvraag niet op de hoogte was van zijn seksuele gerichtheid, maar dat het gaat om de gevolgen waar de vreemdeling voor vreest als zijn familie daar op enig moment weet van zou krijgen.

41. Het komt de rechtbank voor, zoals ook besproken ter zitting in 2018 en in 2020, dat door deze mvv-aanvraag verweerder aanneemt dat eiser hem heeft willen misleiden. Verweerder vindt de aanvraag immers opmerkelijk omdat hij stelt te vrezen dat zijn moeder ontdekt dat hij homoseksueel is. De Afdeling volgt deze redenering.

42. Deze redenering miskent echter deels de strekking van de overweging van de rechtbank waar deze –gehonoreerde- grief betrekking op heeft. De rechtbank overweegt dat de Afdeling de –onvolledige- uitleg van verweerder over rechtsoverweging 10 van de uitspraak van de rechtbank van 14 december 2018 integraal heeft overgenomen en daarmee de strekking van de overweging van de rechtbank ook (deels) niet heeft onderkend.

43. De rechtbank heeft niet enkel overwogen dat de tegenwerping van verweerder geen stand kan houden omdat ten tijde van de mvv-aanvraag moeder nog niet op de hoogte was van de gestelde geaardheid.

De rechtbank heeft overwogen dat het niet de keuze en het initiatief van eiser is geweest om te bezien of moeder naar Nederland kon komen. Volwassenen van VWN hebben eiser, die toen minderjarig was, niet gevraagd of hij een aanvraag wilde doen om zijn moeder naar Nederland te laten komen. Eiser heeft aangegeven dat hij op dat moment nog niet tegenover derden, anders dan [naam] , had uitgesproken dat hij homoseksueel is onder meer omdat hij zich hiervoor schaamde.

De aanvraag van de mvv nareis, die juridisch kansloos is gedurende een asielprocedure, is ongetwijfeld goed bedoeld van vluchtelingewerk maar levert thans nagenoeg onoverkomelijke problemen op voor eiser. Immers, indien verweerder veronderstelt dat sprake is van misleiding, zal dit sterk wegen bij de beoordeling dat het relaas gekwalificeerd wordt als ongeloofwaardig. Verweerder heeft tijdens de zitting in 2018 de verklaring van eiser dat VWN de aanvraag heeft gedaan en niet eiser zelf of zijn gemachtigde, na raadpleging van het digitale systeem ter zitting bevestigd.

44. Tijdens de zitting op 6 oktober 2020 heeft de rechtbank met eiser besproken wat is overwogen door de Afdeling en dat naar het oordeel van de rechtbank die overweging is gebaseerd op het niet volledig onderkennen van de strekking van de rechtsoverweging van de rechtbank.

De rechtbank heeft eiser wederom gevraagd waarom een mvv-nareis aangevraagd is voor zijn moeder en zus terwijl hij stelt bang te zijn voor de gevolgen als bekend wordt dat hij homoseksueel is. Eiser heeft hierop verklaard dat VWN enkel heeft gevraagd of hij zijn moeder weer wilde zien en dat hij daarop bevestigend heeft geantwoord.

45. De rechtbank overweegt dat verweerder tijdens de behandeling van dit beroep in 2018 heeft aangegeven dat deze tegenwerping niet zwaar weegt. Tijdens de behandeling van ditzelfde beroep op 6 oktober 2020 heeft verweerder aangegeven dat deze tegenwerping standhoudt omdat eiser tegen VWN had kunnen en moeten zeggen dat hij niet wil dat deze mvv-aangevraagd wordt ingediend. De rechtbank volgt dit niet. Eiser was ten tijde van deze aanvraag die namens hem in Nederland is gedaan minderjarig. Daargelaten dat verweerder niet heeft gesteld en onderbouwd dat eiser met beantwoording van de vraag of hij zijn moeder wilde zien besefte dat er een mvv-aanvraag werd gedaan, heeft verweerder niet gemotiveerd dat van een minderjarige die bescherming vraagt in Nederland kan worden verwacht dat hij meerderjarigen van VWN zegt dat hij het niet eens met de aangeboden hulp. Verweerder had bij deze tegenwerping dus –kenbaar- moeten betrekken dat de mvv-aanvraag, voor zover eiser hier al kennis van had, niet door of op verzoek van eiser is gedaan, eiser op dat moment minderjarig was en nog nooit met iemand anders dan met zijn enige relatie had gesproken over zijn geaardheid. Door dit niet bij de motivering te betrekken kan verweerder de omstandigheid dat VWN een mvv-aanvraag indient om eiser met zijn moeder en zus te herenigen terwijl eiser in de opvolgende procedure stelt voor hen te vrezen, niet ten grondslag leggen aan het ongeloofwaardig achten van het relaas. Verweerder heeft het aanvragen van de mvv gekwalificeerd als “opmerkelijk”, maar zoals besproken ter zitting kan het niet anders dan dat deze overweging de geloofwaardigheidsbeoordeling sterk kleurt omdat hieruit blijkt dat verweerder veronderstelt dat eiser helemaal niet vreest voor hereniging met zijn moeder en zus. De rechtbank overweegt hierbij –ten overvloede en zoals ter zitting aangegeven- dat indien eiser daadwerkelijk verweerder had willen misleiden door een homoseksuele geaardheid voor te wenden, het voor de hand had gelegen dat hij zich had vergewist van de mogelijkheden daartoe en aanstonds na het in rechte vast komen te staan van de afwijzing van de eerste aanvraag bij verweerder te kennen zou hebben gegeven dat hij een opvolgende aanvraag wilde indienen. Hiervan is niet gebleken, in tegendeel, het is gemachtigde van eiser, die eiser heeft geadviseerd om bij verweerder te vertellen wat eiser uiteindelijk ook aan gemachtigde heeft verteld, te weten dat hij homoseksueel is en daardoor vreest bij terugkeer.

46. Deze wijze van terugwijzen door de Afdeling stelt de rechtbank voor een dilemma. De rechtbank is opgedragen de overwegingen van de Afdeling met betrekking tot de door verweerder verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling over te nemen, terwijl wel tot een nieuwe beoordeling van het beroep moet worden gekomen.

47. De rechtbank overweegt dat het in acht moeten nemen van een dergelijke overweging van de Afdeling over de geloofwaardigheidsbeoordeling, die naar het oordeel van de rechtbank de strekking van de rechtbank-uitspraak deels miskent, de rechtbank niet in staat stelt invulling te geven aan haar eigen rechtsprekende taak, de rechtbank daarmee beperkt in het uitvoeren van de opdracht die de rechtbank in eerste aanleg heeft en daarmee niet verenigbaar is. De rechtbank kan dan ook, gelet op de concrete omstandigheden van dit geval, niet anders dan de overweging van de Afdeling dat verweerder niet ten onrechte bij de geloofwaardigheidsbeoordeling heeft betrokken dat er een mvv-aanvraag op naam van eiser gedurende de eerste procedure is gedaan passeren. De rechtbank overweegt dan ook dat de beroepsgrond die hierop ziet slaagt en dat deze tegenwerping dus ondanks de terugwijzing door de Afdeling geen stand houdt.

Conclusie

48. De rechtbank concludeert dat verweerder de benoemde elementen in strijd met de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling zoals uiteengezet in Werkinstructie 2014/10 heeft beoordeeld en gewogen. Verweerder heeft verder bij de geloofwaardigheidsbeoordeling op geen enkele wijze –kenbaar- betrokken dat eiser minderjarig was ten tijde van het gestelde relaas. Verweerder mag weliswaar tegenwerpen dat eiser zijn gestelde herkomst en gestelde leeftijd niet aannemelijk heeft gemaakt, maar heeft daarbij onvoldoende gemotiveerd hoe dit de gestelde homoseksuele geaardheid regardeert. Ook voor zover de gestelde relatie en gestelde problemen niet geloofwaardig zouden zijn had verweerder een zorgvuldige beoordeling moeten maken van de gestelde homoseksuele geaardheid.

De rechtbank heeft uitgelegd waarom verweerder, ondanks de uitspraak van de Afdeling, niet bij de geloofwaardigheid van het relaas mag betrekken dat VWN namens eiser maar niet op verzoek van eiser of met goedkeuring van eiser een juridisch kansloze mvv-aanvraag heeft gedaan. Verweerder heeft zich namelijk geen rekenschap gegeven van de omstandigheid dat hij heeft verklaard dat hij op dat moment niet over zijn geaardheid durfde te spreken uit schaamte. De rechtbank is het hierbij niet eens met verweerder dat eiser, die toen in Nederland ook nog minderjarig was, had kunnen en moeten voorkomen dat VWN een aanvraag indiende.

Alleen de overweging van verweerder dat eiser ook thans zijn gestelde herkomst en leeftijd niet aannemelijk heeft weten te maken is voldoende gemotiveerd. Dit kan echter het besluit voor zover het ziet op de geaardheid, de relatie en de daardoor ondervonden problemen niet dragen.

49. Alle beroepsgronden die zien op het ongeloofwaardig achten van het asielrelaas slagen. De rechtbank komt daarom niet toe aan de beoordeling van de vraag of sprake is van een zogenaamde 15c-situatie in Afghanistan en acht het overigens ook niet opportuun om dit thans te bespreken. Eiser heeft zich tenslotte terecht op het standpunt gesteld dat omdat het besluit geen stand kan houden aan eiser geen vertrektermijn had mogen worden onthouden en ook geen inreisverbod had mogen worden opgelegd.

50. De aanvraag is ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, omdat de rechtbank het niet onwaarschijnlijk acht dat reeds hierin aanleiding zal worden gezien om een rechtsmiddel aan te wenden. De rechtbank kan bovendien thans evenmin overzien of verweerder eiser reeds heeft gehoord op zijn nieuwe asielmotieven en hierin wellicht aanleiding is gezien om tot verblijfsaanvaarding over te aan. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor, ondanks dat dit niet besproken is ter zitting, een termijn van vier weken. Indien verweerder geen rechtsmiddel aanwendt, wat binnen een week na bekendmaking van deze uitspraak dient te geschieden, heeft verweerder, voldoende gelegenheid om opnieuw te beslissen omdat verweerder ter zitting heeft aangegeven eiser niet nader te zullen horen over zijn gestelde geaardheid, (homoseksuele) relatie en problemen die hieruit zijn ontstaan. De rechtbank betrekt hierbij het zeer grote tijdsverloop tussen alle fases van de procedure. Verweerder is hiervoor weliswaar niet verantwoordelijk maar het is in het belang van eiser om duidelijkheid te verkrijgen over zijn asielaanvraag waarvan hij op 9 februari 2018 te kennen heeft gegeven dat hij die wilde indienen. Een beslissing binnen vier weken na heden is ook in het belang van verweerder om zodoende duidelijkheid te verkrijgen of eiser nog moet worden gehoord op zijn nieuwe asielmotieven of dat wordt overgegaan tot inwilliging van de asielaanvraag vanaf de datum van de aanvraag die in de onderhavige procedure aan de orde is.

51. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing


De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een beslissing te nemen op de asielaanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van

mr. E.C.M. Boerboom, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 9 november 2020

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.