Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:11256

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-08-2020
Datum publicatie
09-11-2020
Zaaknummer
NL20.13642
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Griekenland, statushouders, asielaanvraag n-o, toets artikel 8 EVRM, AIDA-rapport 2020, ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.13642

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres, V-nummer: [V-nummer] , hierna: eiseres

mede name het minderjarige kind,

[miinderjarige] , V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. R.S. Sewdajal),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. K. Elias).

Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak NL20.13643, plaatsgevonden op 11 augustus 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen D. Habtab. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk wordt verklaard indien de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie bescherming geniet. In dit geval geniet eiseres bescherming in Griekenland.

  2. Eiseres voert allereerst aan dat haar asielaanvraag ook aangemerkt moet worden als een aanvraag voor een ‘machtiging tot voorlopig verblijf – nareizigers asiel’ en als een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier in het kader van ‘familie en gezin’. Eiseres heeft namelijk bij haar gehoor en in de zienswijze aangegeven dat zij en haar kind herenigd willen worden met haar partner, die een verblijfsvergunning heeft in Nederland. Eiseres

verzoekt in dit verband ook om aanhouding van de beroepszaak, totdat haar aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier in het kader van ‘familie en gezin’ in behandeling is genomen, zodat op alle aanvragen tegelijkertijd een besluit kan worden genomen. Ter zitting heeft eiseres aangegeven dat inmiddels een aparte aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier in het kader van ‘familie en gezin’ is ingevuld. Eiseres verzoekt ook om aanhouding, omdat vanwege de gevolgen van het coronavirus nu mogelijk niet kan worden overgedragen en zij in afwachting van de uitkomst van de aanvragen niet gescheiden wil worden van haar partner.

3. De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 3.6a, eerste lid, onder a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) volgt dat bij afwijzing van de eerste aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd alsnog ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend aan de vreemdeling wiens uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Uit het tweede lid van dit artikel volgt echter dat het eerste lid niet van toepassing is indien de aanvraag niet- ontvankelijk is verklaard op grond van artikel 30a van de Vw. In het onderhavige geval is verweerder dan ook niet gehouden ambtshalve te toetsen aan artikel 8 van het EVRM en de aanvraag inhoudelijk te behandelen. Als eiseres een beroep wil doen op artikel 8 van het EVRM en een aanvraag wil doen voor een verblijfsvergunning regulier in het kader van ‘familie en gezin’ dient zij daarvoor een aparte aanvraag in te dienen. De rechtbank ziet geen reden om de zaak aan te houden totdat op die aanvraag is beslist.

4. De rechtbank ziet verder ook geen reden om de behandeling van het beroep aan te houden vanwege de gevolgen van het coronavirus. De omstandigheid dat de overdracht op dit moment mogelijk niet uitgevoerd kan worden door de gevolgen van het coronavirus is een tijdelijk, feitelijk beletsel om te reizen. Het staat er niet aan in de weg dat, als het beletsel is opgeheven, eiseres in beginsel alsnog kan terugkeren.

5. Ter zitting is gebleken dat eiseres wel ook in Nederland als vluchteling wil worden toegelaten. In dit kader voert zij aan dat zij vanwege de slechte leefomstandigheden daar niet naar Griekenland kan terugkeren. Eiseres voert aan dat zij in Griekenland op straat heeft geleefd, dat ze geen uitzicht had op werk en onvoldoende toegang had tot de medische zorg. Volgens eiseres zal ze bij terugkeer naar Griekenland terecht komen in een situatie van verregaande materiële deprivatie strijdig met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Zij doet in dit kader ook een beroep op de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 19 maart 2019 Ibrahim1 en Jawo2. Ter onderbouwing van het voorgaande wijst eiseres op het rapport van AIDA over Griekenland van 23 juni 2020 (AIDA-rapport). Hieruit blijkt volgens eiseres dat er in theorie medische voorzieningen zijn voor statushouders, maar in praktijk niet. Daarbij zou er sprake zijn van discriminatie en staan statushouders achteraan in de rij. Verder voert eiseres aan dat zij bijzonder kwetsbaar is, omdat zij een jonge moeder is met een zeer jong kind en omdat zij medische klachten heeft. Ter onderbouwing heeft eiseres een medisch dossier overgelegd. Eiseres verwijst ook naar de uitspraak van de ABRvS van 22 april 20203, waarin de ABRvS heeft geoordeeld dat geen bijzondere kwetsbaarheid aangenomen

1. ECLI:EU:C:2019:219.

2 ECLI:EU:C:2019:218.

3 ECLI:NL:RVS:2020:1102.

kon worden bij een gezin met minderjarige schoolgaande kinderen. Volgens eiseres verschilt haar situatie van de situatie in de uitspraak, omdat zij een jonger kind heeft en omdat zij medische klachten heeft. Daarbij zou zij in Griekenland een alleenstaande ouder zijn.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Griekenland in een situatie terecht zal komen die strijdig is met artikel 4 van het Handvest en dat dus niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. Uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (ABRvS) van 30 mei 2018, 15 juli 2019 en van 1 juli 20204 volgt dat de situatie voor statushouders in Griekenland in beginsel niet zodanig slecht is dat zij bij terugkeer een reëel risico lopen op een artikel 3 van het EVRM –dat gelijkstaat aan artikel 4 van het Handvest- strijdige behandeling. De ABRvS is van oordeel dat de situatie van statushouders in Griekenland weliswaar moeilijk is, maar dat de situatie niet zodanig is dat sprake is van extreme armoede of ontberingen van eerste levensbehoeften en rechteloosheid waartegenover de Griekse autoriteiten onverschillig staan.

7. Het AIDA-rapport van 23 juni 2020 leidt hierin niet tot een ander oordeel. In de uitspraak van de ABRvS van 15 juli 2019 is het AIDA-rapport over Griekenland van 29 maart 2019 meegewogen. Het meest recente AIDA-rapport laat geen wezenlijk ander beeld zien dan het rapport van 29 maart 2019. Uit het rapport blijkt dat er moeilijkheden zijn wat betreft huisvesting, maar het blijkt niet dat het voor statushouders niet mogelijk is om onderdak te krijgen. Ook volgt uit het rapport dat er gratis toegang is tot de gezondheidszorg, maar dat er in praktijk obstakels kunnen zijn. Uit de update van 2020 blijkt dat Griekenland de afgifte van Burgerservicenummers (AMKA’s) heeft opgeschort, waardoor statushouders belemmeringen ervaren in het verkrijgen van medische zorg. Dat er moeilijkheden zijn in het verkrijgen van medische zorg betekent echter niet dat eiseres in het geheel geen toegang zal hebben tot de medische zorg.

8. Van eiseres mag dan ook worden verwacht dat zij ten minste zelf pogingen doet om in Griekenland de rechten die voortvloeien uit haar status te effectueren. Belangrijk in dit verband is dat eiseres zelf heeft verklaard dat zij in Griekenland nog niet een poging gedaan om haar rechten als statushouder te effectueren. Zij wilde er niet blijven en heeft daarom geen hulp gevraagd. Ook blijkt uit haar persoonlijk relaas dat zij in Griekenland medische zorg heeft ontvangen. Uit de algemene informatie en de individuele verklaringen blijkt dan ook niet dat verweerder in haar geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit mocht gaan.

9. Ook het beroep op het arrest Ibrahim slaagt niet. Uit dit arrest volgt dat de bijzondere kwetsbaarheid van individuele statushouders ertoe kan leiden dat zij bij terugkeer naar de lidstaat waar zij een asielvergunning hebben gekregen buiten hun eigen wil en keuzes om, zullen terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiseres echter niet aangemerkt worden als bijzonder kwetsbaar. Uit de uitspraak van de ABRvS van 22 april 2020 blijkt dat de omstandigheid dat iemand een alleenstaande ouder met jonge kinderen is, onvoldoende is om bijzondere kwetsbaarheid aan te nemen. Dat het kind van eiseres jonger is dan de kinderen uit de

4 ECLI:NL:RVS:2018:1795; ECLI:NL:RVS:2019:2385 en ECLI:NL:RVS:2020:1510.

uitspraak maakt dit niet anders. Ook heeft eiseres niet voldoende onderbouwd dat zij medische klachten heeft die maken dat zij een reëel risico loopt om aan een met artikel 3 EVRM en artikel 4 van het EU Handvest strijdige behandeling te worden blootgesteld. Uit het overgelegde medisch dossier blijkt alleen dat zij een onschuldige knobbel op haar hand heeft die bij de huisarts weggehaald kan worden en dat zij soms buikpijn en spanningshoofdpijn heeft. Uit het dossier blijkt echter geen diagnose voor deze buikpijn of dat zij hiervoor onder behandeling staat.

10. Voor zover eiseres een beroep doet op artikel 64 van de Vw overweegt de rechtbank dat zij hiervoor een aparte aanvraag in moet dienen. Uit artikel 6.1e, tweede lid, van het Vb volgt dat een beroep op artikel 64 van de Vw niet ambtshalve wordt beoordeeld als de aanvraag niet-ontvankelijk wordt verklaard op grond van artikel 30a van de Vw.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Oosterhoff - Vos, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op:

18 augustus 2020

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.