Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:11192

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-11-2020
Datum publicatie
11-11-2020
Zaaknummer
09/184752-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

veroordeling voor stalking en bedreiging. Vrijspraak voor mishandeling en bedreiging. Gelet op de tijd in voorarrest doorgebracht, komt de rechtbank niet meer toe aan een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/184752-20

Datum uitspraak: 11 november 2020

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2001 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres]

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting “Alphen aan den Rijn”, locatie Eikenlaan, te Alphen aan den Rijn.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 28 oktober 2020.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. B. Looijestijn en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. J. Bekooij naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1

hij op een of meer tijdstip( pen ) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 12 juni 2020 te Leiderdorp, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [naam aangeefster] , door

-die [naam aangeefster] voortdurend, althans veelvuldig te bellen en/of berichten te sturen en/of

-veelvuldig, althans regelmatig naar de woning van die [naam aangeefster] te komen en/of voor de woning van die [naam aangeefster] langs te lopen en/of rijden, met het oogmerk die [naam aangeefster] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

2

hij op of omstreeks 27 januari 2020 te Leiderdorp [naam aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een filmje naar die [naam aangeefster] te sturen waarop hij vuurt met een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp;

3

hij op of omstreeks 3 juni 2020 te Leiderdorp [naam aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [naam aangeefster] (via een vriendin) dreigend de woorden toe te voegen "Als [naam aangeefster] niet ophoudt, dan steek ik haar dood met een mes door haar strot heen naar haar vagina" en/of "en lik ik al het bloed op tot ze dood bloedt", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of door die [naam aangeefster] (via een vriendin) een fimpje te sturen waarop hij met een mes zwaait en/of (daarbij) de woorden toe te voegen "Ik ga haar neersteken" en/of "Ik kom haar opzoeken", althans gedraging(en) en/of woorden van gelijke bedreigende aard en/of strekking;

4

hij op of omstreeks 18 februari 2020 te Leiderdorp [naam aangeefster] heeft mishandeld door haar tegen het gezicht te stompen en/of te slaan;

5

hij op een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 16 juni 2020 te Leiderdorp [naam aangeefster] heeft mishandeld door haar bij de keel te grijpen en/of in de keel te knijpen;

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde, tweede gedachtestreepje en tot vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1, eerste gedachtestreepje, 3, 4 en 5 tenlastegelegde.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1, 2, en 4 tenlastegelegde. Ten aanzien van hetgeen onder 3 en 5 tenlastegelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Op specifieke verweren wordt, voor zover relevant, hieronder ingegaan.

3.3

De beoordeling van de tenlastelegging1

Het dossier

Op 12 juni 2020 heeft [naam aangeefster] aangifte gedaan van stalking (de rechtbank begrijpt: belaging), mishandeling en bedreiging door de verdachte.

De aangeefster heeft verklaard dat zij een relatie heeft gehad met de verdachte. Op 29 mei 2020 (de rechtbank begrijpt: 2019) heeft haar moeder namens haar aangifte gedaan van bedreiging door de verdachte. Volgens de aangeefster heeft de verdachte naar aanleiding hiervan enige tijd vast gezeten en kreeg hij een contactverbod ten aanzien van haar waardoor zij geen contact meer met hem had. Op een gegeven moment kwam zij de verdachte weer tegen in Leiderdorp. Zij verklaarde dat zij gewoon vrienden wilde zijn met hem; dan hoefde ze niet meer bang voor hem te zijn. De aangeefster verklaarde verder dat zij het idee heeft dat de verdachte geobsedeerd is door haar. De verdachte zou tegen de moeder van de aangeefster hebben gezegd dat hij er niet tegen kan als hij haar ziet met een andere jongen. Hij maakt haar bang zodat zij geen nieuwe relatie kan beginnen.2

De aangeefster heeft voorts verklaard dat op 4 februari 2020 een incident heeft plaatsgevonden waarbij zij tegen de verdachte heeft gezegd: “Nu is het klaar. Nu ga je weg. Jij hoeft nooit meer contact met mij op te nemen.” Na dit incident bleef de verdachte maar bellen met de vraag of zij aangifte zou gaan doen.

In de maand april van 2020 werd de aangeefster heel veel gebeld door de verdachte. Dat was door een anoniem nummer. Als zij opnam, herkende zij de stem de verdachte. De verdachte zei dat hij haar miste en dat hij haar terug wilde. Zij werd per dag wel tien keer gebeld. Soms nam zij op en werd zij uitgescholden of wilde de verdachte weten wat zij deed. De aangeefster kapte dan het gesprek af en hing op, maar werd dan vervolgens nog een keer door hem gebeld.

De aangeefster heeft verklaard dat zij onzeker werd door deze telefoontjes. Zij heeft tegen de verdachte gezegd dat hij met haar gevoelens speelde en dat hij haar met rust moest laten. De moeder van de aangeefster heeft dit gehoord. De moeder van de aangeefster heeft de verdachte ook met zijn gedrag geconfronteerd en tegen hem gezegd dat hij de aangeefster met rust moest laten. Hij beloofde dat, maar nam de volgende dag weer telefonisch contact met de aangeefster op.3 Het nummer waarmee de verdachte de aangeefster belde was [telefoonnummer] .4

Op 13 juni 2020 heeft [naam] , de moeder van de aangeefster, een getuigenverklaring afgelegd bij de politie. Zij verklaarde dat zij een paar maanden geleden voor het eerst er achter kwam dat aangeefster vaak gebeld werd door de verdachte. De telefoongesprekken vonden vooral ’s nachts plaats. Zij heeft gehoord dat aangeefster tegen de verdachte zei: “Laat me godverdomme met rust.” De aangeefster zei vooral dat ze met rust gelaten wilde worden.5

Door de politie is onderzoek gedaan naar de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer] . In het proces-verbaal van bevindingen over dit onderzoek is te lezen dat in de periode 1 januari 2020 tot en met 12 juni 2020 dat nummer in totaal 490 keer contact heeft gezocht met het telefoonnummer van de aangeefster. In diezelfde periode heeft het nummer van de aangeefster 53 keer contact gezocht met het telefoonnummer [telefoonnummer] .6

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de aangeefster vaak heeft gebeld omdat zij hem veel ellende heeft veroorzaakt.7

Feit 2

De aangeefster heeft verklaard dat de verdachte op 27 januari 2020 een filmpje aan haar heeft gestuurd waarop een arm te zien is die een klein zwart pistool vasthoudt dat tweemaal werd afgevuurd. De aangeefster herkende de arm van de verdachte aan zijn jas en herkende de omgeving als een plek waar een vriend van de verdachte zou wonen.

De verdachte heeft ter terechtzitting ontkend dat hij dit filmpje heeft gestuurd.

Feit 3

De aangeefster heeft verklaard dat zij op 3 juni 2020 bij haar buurmeisje [naam 2] was. [naam 2] werd gebeld en nam op waarop de aangeefster de stem van de verdachte herkende. Zij hoorde hem zeggen: “Als [naam aangeefster] niet ophoudt, dan steek ik haar dood met een mes door haar strot heen naar haar vagina. Draai ik het rond totdat het bloedt en lik ik al het bloed op tot ze dood bloedt”. De aangeefster verklaarde dat zij de verdachte in staat acht dit ook echt te doen. Direct nadat dit had plaatsgevonden, belde de verdachte het buurmeisje via Facetime. De aangeefster herkende de omgeving als [locatie] te Leiderdorp. Zij zag dat de verdachte met een mes dat je kan openklappen aan het zwaaien was. Zij hoorde dat de verdachte onder andere zei: “Ik ga haar neersteken”. 8

Op 11 juli 2020 heeft de politie een gesprek gehad met [naam 2] . De politie relateert dat zij heeft verklaard dat zij op 3 juni 2020 samen met [naam aangeefster] bij haar thuis was. Zij werd gebeld door een privénummer en nam op. Zij herkende de stem als die van de verdachte. Hij zei dat hij [naam aangeefster] zou gaan snijden met een mes en het bloed dan op zou likken. Later werd zij weer gebeld door de verdachte, ditmaal via videobellen. [naam aangeefster] was daar ook bij. [naam 2] herkende de verdachte. Hij had een mes in zijn hand en sprak met een luide boze stem over onder andere [naam aangeefster] . Het was een groot mes; groter dan een zakmes.9

Feit 4

De aangeefster heeft verklaard dat zij op 18 januari 2020 ruzie heeft gekregen met de verdachte waarna zij werd mishandeld door hem. Zij heeft met haar telefoon een opname gemaakt van dit incident. De politie heeft deze opname beluisterd en heeft gerelateerd dat een stem, waarvan aangeefster verklaarde dat die van de verdachte is, zegt: “Kankerzooi ik wil dit niet, je trapt me in mijn ballen joh, dat doet kankerveel pijn. Ik haat dit zo altijd, altijd gezeik, altijd.”.

De verdachte heeft ter terechtzitting ontkend dat hij deze mishandeling heeft gepleegd.

Feit 5

De aangeefster heeft op 16 juni 2020 aangifte gedaan van mishandeling door de verdachte in de winkel [naam winkel] , gevestigd te Leiderdorp. De mishandeling zou in het begin van 2020 hebben plaatsgevonden. De aangeefster heeft verklaard dat zij samen met haar collega in de winkel stond toen de verdachte heel boos de winkel binnen kwam. Hij kwam op haar af en greep haar bij de keel. De aangeefster voelde dat hij in haar keel kneep. Na een korte tijd liet de verdachte haar hals weer los. Zij verklaarde dat zij rode plekken in haar hals had maar geen pijn.10

De politie heeft op 15 juni 2020 telefonisch gesproken met [naam 3] . De politie heeft gerelateerd dat zij verklaarde dat zij verkoopster is in de [naam winkel] te Leiderdorp. In het vroege voorjaar was zij in de winkel met onder andere de aangeefster, toen een man, waarvan zij later begreep dat het de ex-vriend was van de aangeefster, boos de winkel binnen kwam. De jongen was constant aan het schreeuwen. Hij liep naar de aangeefster toe en schreeuwde tegen haar. Hierop liep de man weg en verliet de winkel. Daarna zag zij dat de man de winkel weer binnen kwam, naar de aangeefster liep en de aangeefster met zijn twee handen bij haar hals vastpakte. Hij hield haar vast en schreeuwde tegen haar.11

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij naar de winkel waar de aangeefster was, is gegaan en dat hij boos was.12

Bewijsoverwegingen en vrijspraken

Vrijspraak feit 2 en feit 4

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit 2. Uit het procesdossier volgt niet dat er enig onderzoek is gedaan naar de vraag of het de verdachte is geweest die het filmpje aan de aangeefster heeft gestuurd. De omstandigheden die zijn genoemd door de aangeefster zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om buiten redelijke twijfel bewezen te verklaren dat de verdachte het feit heeft gepleegd. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van dit feit.

Ditzelfde geldt voor het tenlastegelegde feit 4. Anders dan uit de verklaring van aangeefster, volgt uit niets in het procesdossier dat het de verdachte is geweest die de aangeefster heeft geslagen, en dat hij te horen is op de geluidsopname. Hierbij merkt de rechtbank op dat in het proces-verbaal van bevindingen omtrent het uitluisteren van het geluidsfragment niet is gerelateerd dat de verbalisant de stem op de opname herkent als die van de verdachte. De rechtbank is ook niet in staat geweest hieromtrent een eigen waarneming te doen, omdat zij gedurende het onderzoek niet de beschikking heeft gehad over het geluidsfragment. De verdachte zal van het als feit 4 tenlastegelegde feit worden vrijgesproken.

Feit 1

Ontvankelijkheid

De rechtbank stelt ambtshalve het volgende aan de orde. Volgens art. 285b, tweede lid, Sr vindt vervolging voor belaging niet plaats anders dan op klacht van degene tegen wie het misdrijf is begaan. In het procesdossier bevindt zich niet een dergelijke klacht.

Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat in het geval dat op grond van het onderzoek ter terechtzitting wordt vastgesteld dat de klachtgerechtigde ten tijde van het opmaken van de aangifte de bedoeling had dat een vervolging van de verdachte zou worden ingesteld, er sprake is van een klacht in de zin van art. 64, eerste lid, Sr (HR 2 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ4289 en HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:BV6662).

De rechtbank stelt vast dat de aangeefster in een korte periode tweemaal aangifte heeft gedaan jegens de verdachte en tevens een vordering benadeelde partij heeft ingediend die onder meer ziet op de tenlastegelegde belaging. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de aangeefster de vervolging van de verdachte heeft gewenst waardoor er voldaan is aan het genoemde klachtvereiste en de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging van de verdachte.

Juridisch kader

De rechtbank stelt het volgende voorop. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in art. 285b, eerste lid, Sr zijn verschillende factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer (HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5710; HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3095).

Conclusies ten aanzien van het bewijs

De rechtbank stelt op grond van de tot het bewijs gebruikte bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.

De rechtbank is van oordeel dat het telefoonnummer dat door de aangeefster is genoemd in gebruik is geweest bij de verdachte. De verklaring van de verdachte dat hij de aangeefster veel heeft gebeld komt namelijk overeen met het onderzoek van de politie waaruit blijkt dat in de periode van 1 januari 2020 tot en met 12 juni 2020 het onderzochte nummer 490 keer contact heeft opgenomen met de aangeefster.

Dit contact vond plaats binnen de context van een verbroken relatie tussen de verdachte en aangeefster en, zoals zal blijken uit het navolgende, in een periode waar de verdachte zich ook schuldig maakte aan andere strafbare feiten jegens de aangeefster.

De rechtbank is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van de aangeefster - naar objectieve maatstaven bezien - zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer sprake is geweest. Hierbij verwijst de rechtbank in het bijzonder naar de inhoud van de aangifte en het feit dat uit het onderzoek naar de telefoongegevens is gebleken dat de verdachte de aangeefster plusminus tienmaal vaker belde als zij hem terwijl zij aangaf dat zij dat contact niet meer wilde.

Uit de feiten en omstandigheden komt naar voren dat de verdachte op intensieve wijze heeft geprobeerd met de aangeefster in contact te komen terwijl de aangeefster herhaaldelijk aan de verdachte te kennen heeft gegeven van zijn toenaderingen niet gediend te zijn. De gevolgen die de gedragingen van de verdachte in het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van de aangeefster teweeg hebben gebracht zijn dat zij geen nieuwe relatie meer durfde te beginnen en dat zij de toenaderingspogingen van de verdachte heeft moeten dulden.

De rechtbank acht daarmee de aan de verdachte ten laste gelegde belaging bewezen.

Verweer

Door de verdediging is naar voren gebracht dat vrijspraak dient te volgen omdat gedurende de gehele tenlastegelegde periode het de verdachte onvoldoende duidelijk is geweest dat hij geen contact meer op diende te nemen met de aangeefster.

Uit de verklaring van aangeefster volgt dat er vroeg in 2020 bij haar nog enige twijfel was omtrent haar relatie met de verdachte. Zij heeft immers verklaard dat zij vrienden met de verdachte wilde zijn. Daardoor kan de rechtbank niet met voldoende zekerheid vaststellen dat het de verdachte het in deze periode voldoende duidelijk was dat hij geen contact meer met de aangeefster op diende te nemen. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van feit 1 voor zover het ziet op de periode voor 4 februari 2020.

Dit is anders vanaf 4 februari 2020 omdat de rechtbank geen aanleiding heeft om te twijfelen aan de verklaring van de aangeefster dat zij op die datum in niet mis te verstane bewoordingen de verdachte te kennen heeft gegeven dat zij geen enkele vorm van contact meer met hem wenste. Dat zij nadien van dit standpunt is teruggekomen blijkt niet uit de inhoud van het procesdossier.

Vrijspraak gedachtestreepje 2

De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken voor het handelen beschreven bij gedachtestreepje twee, namelijk het zich ophouden bij of om de woning van de aangeefster, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat dit zou hebben plaatsgevonden.

Feit 3 en feit 5

De verdachte heeft de tenlastegelegde feiten 3 en 5 ontkend. In beide gevallen is er naast de aangifte, een getuigenverklaring die de aangifte ondersteunt. De rechtbank heeft geen enkele aanleiding te twijfelen aan de juistheid van die getuigenverklaringen omdat niet is gebleken dat de getuigen enige reden hebben gehad om niet naar waarheid te verklaren. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van de verklaring van aangeefster.

Ten aanzien van het tenlastegelegde feit 3 gaat de rechtbank voorbij aan het verweer dat het dat het tonen van een mes niet bewezen kan worden omdat zowel de aangeefster als de getuige hebben verklaard dat zij een mes hebben gezien.

De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte op 3 juni 2020 aangeefster meerdere malen heeft bedreigd met de dood en de aangeefster in het voorjaar van 2020 heeft mishandeld door haar bij de keel te pakken en daarin te knijpen.

3.4

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 4 februari 2020 tot en met 12 juni 2020 te Leiderdorp, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [naam aangeefster] , door

-die [naam aangeefster] veelvuldig te bellen, met het oogmerk die [naam aangeefster] , te dwingen iets niet te doen en te dulden;

3

hij op 3 juni 2020 te Leiderdorp [naam aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [naam aangeefster] (via een vriendin) dreigend de woorden toe te voegen: "Als [naam aangeefster] niet ophoudt, dan steek ik haar dood met een mes door haar strot heen naar haar vagina" en "en lik ik al het bloed op tot ze dood bloedt", en door die [naam aangeefster] (via een vriendin) een filmpje te sturen waarop hij met een mes zwaait en daarbij de woorden toe te voegen: "Ik ga haar neersteken";

5

hij op een tijdstip gelegen in de periode van 1 januari 2020 tot en met 16 juni 2020 te Leiderdorp [naam aangeefster] heeft mishandeld door haar bij de keel te grijpen en in de keel te knijpen.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 59 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en daarbij te stellen de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de geldende LOVS-oriëntatiepunten, aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf niet langer dan 20 dagen dan wel een straf gelijk aan het voorarrest van de verdachte.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging, bedreiging en mishandeling van het slachtoffer [naam aangeefster] .

Het slachtoffer heeft gedurende ruim vier maanden veel last gehad van stalkingsgedrag door de verdachte, namelijk van zijn onophoudelijk bellen. Ondanks dat zij, en later haar moeder, duidelijk heeft aangegeven dat zij absoluut geen contact meer met hem wilde, bleef de verdachte veelvuldig contact zoeken met haar. Dit heeft een grote impact op het leven van het slachtoffer gehad.

Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een doodsbedreiging van het slachtoffer, onder andere door het tonen van een mes. Dit gebeurde via de telefoon van een vriendin van het slachtoffer waardoor niet alleen het slachtoffer maar ook zij getuige is geweest van dit ontoelaatbare gedrag van de verdachte.

Als laatste heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een mishandeling. De verdachte heeft het slachtoffer doelbewust opgezocht op haar werkplek, een openbare winkel, en haar daar zonder enige aanleiding bij de keel gepakt en daarin geknepen. Dit is erg ingrijpend geweest voor het slachtoffer, haar collega en het winkelend publiek. Zij zijn ongewild met dit gedrag geconfronteerd.

Belaging is een ernstig feit, nu het gaat om een misdrijf gericht tegen de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer. Als gevolg van de diepgaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer ervaren slachtoffers hiervan vaak een afname van levensvreugde en onbevangenheid. Bedreiging en mishandeling zijn eveneens ernstige feiten.

Dit alles heeft blijkens de verklaringen van het slachtoffer en de namens haar ingediende vordering benadeelde partij grote indruk gemaakt op haar en op haar omgeving, in het bijzonder haar moeder. Het gedrag van de verdachte heeft geleid tot angstgevoelens bij het slachtoffer.

De rechtbank rekent dit alles de verdachte aan. In het bijzonder rekent de rechtbank de verdachte aan dat hij zowel gedurende het vooronderzoek als ter terechtzitting geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen en de oorzaak van zijn gedrag volledig buiten zichzelf legt.

Strafblad

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank kennis genomen van het strafblad van de verdachte van 2 oktober 2020. Hierin is te lezen dat de verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld. Wel is er sprake van een schorsingstoezicht met betrekking tot de verdenking van een feit dat in 2019 zou hebben plaatsgevonden jegens het slachtoffer in deze zaak.

Rapportages

De rechtbank heeft kennis genomen van de rapportage van de reclassering van 25 oktober 2020. In dit advies is te lezen dat er sprake is van een zorgelijk patroon van justitiecontacten. Zeker gezien het feit dat deze zich hebben voorgedaan tijdens een schorsing van de preventieve hechtenis. Uit het onderzoek blijkt dat er meerdere problemen spelen in de persoonlijke omstandigheden. Zo is bij de verdachte middels een onderzoek door het NIFP (2019) een achterstand in zijn emotionele ontwikkeling alsmede de aanwezigheid van ADD vastgesteld en zijn er aanwijzingen voor een antisociale persoonlijkheidsstoornis in ontwikkeling. Verder heeft hij geen vaste woon-of verblijfplaats, is sprake van financiële problemen, bevindt hij zich mogelijk in een negatief netwerk, is er een vermoeden van middelengebruik en ontbeert hij een zinvolle dagbesteding en regulier inkomen.

Als positief punt ziet de reclassering dat de familie van de verdachte hem graag wil steunen. De vader van de verdachte heeft toegezegd hem – onder strikte voorwaarden – nogmaals een kans te bieden door hem kost- en inwoning te geven in combinatie met dagbesteding.

De jeugdreclassering heeft toezicht gehouden op de eerder gestelde bijzondere voorwaarden bij het schorsen van de voorlopige hechtenis in de zaak van 2019. Dit heeft niet kunnen voorkomen dat de verdachte opnieuw is aangehouden. De reclassering twijfelt daarom of hij in staat is om te profiteren van opgelegde hulpverlening.

Tot nu toe heeft de verdachte volgens de reclassering weinig motivatie en responsiviteit laten zien. Hoewel dat zijn motivatie met name gericht lijkt te zijn op het eerder vrijkomen, ziet de reclassering vanwege zijn jonge leeftijd voldoende mogelijkheden om hem opnieuw te begeleiden naar een positieve gedragsverandering.

De reclassering adviseert om, indien de verdachte wordt veroordeeld, hem een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht, ambulante behandeling en begeleiding, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een contact- en locatieverbod ten aanzien van het slachtoffer te controleren middels elektronische controle (een enkelband), meewerken aan schuldhulpverlening en middelencontrole en dagbesteding.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bereid is te voldoen aan door de rechtbank te stellen voorwaarden.

De op te leggen straf

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten, niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van de hierna te noemen duur. De rechtbank heeft minder bewezen verklaard dan door de officier van justitie gevorderd en komt daardoor tot een lagere straf dan door hem gevorderd.

De rechtbank heeft voor het bepalen van de omvang van de straf gekeken naar straffen die zijn opgelegd in vergelijkbare zaken. In zaken als de onderhavige worden in de regel onvoorwaardelijke (taak)straffen opgelegd met daarbij aanzienlijke voorwaardelijke strafdelen met bijzondere voorwaarden.

De rechtbank stelt voorop dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan drie ernstige strafbare feiten waarvan de strafwaardigheid niet moet worden onderschat. Tegelijkertijd stelt de rechtbank vast dat de verdachte op het moment van het doen van de uitspraak inmiddels 121 dagen, dat wil zeggen ongeveer 4 maanden, in voorarrest heeft doorgebracht, terwijl er sprake is van een jonge verdachte die niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit.

Hoewel uit de rapportage van de reclassering en het onderzoek ter terechtzitting zonder twijfel blijkt dat het nut en de noodzaak voor begeleiding en behandeling van de verdachte bestaat, is de rechtbank van oordeel dat zij niet meer de ruimte heeft om een voorwaardelijk strafdeel te bepalen omdat de verdachte de maximaal aan hem op te leggen gevangenisstraf al reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Dit betekent dat aan de verdachte een gevangenisstraf van 121 dagen zal worden opgelegd en dat de rechtbank géén voorwaardelijk strafdeel zal opleggen met bijzondere voorwaarden.

7 De vordering van de benadeelde partij

[naam] heeft zich als wettelijke vertegenwoordiger van [naam aangeefster] als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 3650,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot een bedrag van € 3000,- dient te worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering afgewezen dan wel niet- ontvankelijk verklaard dient te worden, omdat de benadeelde partij eigen schuld heeft aan de bewezenverklaarde strafbare feiten en omdat er geen onderbouwing is gegeven voor het causaal verband tussen die feiten en de geleden schade.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de vordering van immateriële schade als gevolg van lichamelijk letsel is door de benadeelde partij gesteld dat zij door het vastpakken bij de keel rode plekken in de hals heeft gekregen, dat zij enkele dagen last heeft gehad van een stijve nek en pijnklachten heeft ondervonden. De aangeefster heeft bij de politie echter verklaard dat zij geen pijn had aan haar nek. De stelling dat zij pijn heeft ondervonden acht de rechtbank daarom niet aannemelijk.

De rechtbank is van oordeel dat enkel het ontstaan van rode plekken in de nek niet voldoende is om te oordelen dat er sprake is immateriële schade.

Ten aanzien van de vordering op grond van immateriële schade door psychisch letsel is door de benadeelde partij gesteld dat het handelen van de verdachte heeft geleid tot stress, dat zij continue alert was en dat zij zich veel zorgen maakte. Haar lichaam voelde verdoofd en zij voelde zich depressief. De door de benadeelde partij gesteld psychische gevolgen zijn niet onderbouwd door middel van (medische) stukken.

De rechtbank is van oordeel dat de door de benadeelde partij gestelde gevolgen onvoldoende onderbouwd zijn voor toekenning van immateriële schadevergoeding.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. De benadeelde partij kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 285, 285b en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de tenlastegelegde feiten 2 en 4 heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de tenlastegelegde feiten 1, 3 en 5 heeft begaan, zoals hierboven onder 3.4 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

belaging;

ten aanzien van feit 3:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 5:

mishandeling;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 121 (honderdéénentwintig) dagen;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

heft op de voorlopige hechtenis;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.G.P. Glas, voorzitter,

mr. M.T. Paulides, rechter,

mr. B.F.M. Klappe, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. V.A. Paul griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 november 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2020207827, van de politie eenheid Den Haag, district Leiden - Bollenstreek, Basisteam Leiden-Noord (doorgenummerd p. 1 t/m 121).

2 Proces-verbaal van aangifte, p. 17 t/m 18.

3 Proces-verbaal aangifte, p. 19 t/m 21.

4 Proces-verbaal van aangifte, p. 23.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 26 t/m 27.

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 58.

7 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 28 oktober 2020.

8 Proces-verbaal van aangifte, p. 21 t/m 22.

9 Proces-verbaal van bevindingen, p. 59.

10 Proces-verbaal van verhoor aangeefster, p. 24 t/m 25.

11 Proces-verbaal van bevindingen, p. 41.

12 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 28 oktober 2020.