Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:11133

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-11-2020
Datum publicatie
05-11-2020
Zaaknummer
NL20.14788
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Malta; persoonlijk onderhoud; minderjarigheid; AIDA-rapport “Country Report: Malta 2019 Update” van ECRE van april 2020.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.14788


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 november 2020 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. Y.E. Verkouter),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. R. Helmus).

Procesverloop

Bij besluit van 30 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Malta verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.14789 plaatsgevonden op 24 september 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Malta een verzoek om overname gedaan. Malta heeft dit verzoek aanvaard.

Persoonlijk onderhoud

2. Eiser betoogt dat hij ten onrechte en in strijd met de Dublinverordening niet persoonlijk is gehoord. Dat vanwege de corona-problematiek vergaande beperkingen zijn geweest in het fysiek horen van vreemdelingen en dat de mogelijkheden te horen via videoverbindingen hun begrenzing hebben gevonden in de beschikbare capaciteit, is geen rechtsgeldige reden om van wettelijke voorschriften af te wijken. Het feit dat er snel duidelijkheid dient te komen betekent evenmin dat afgeweken kan worden van strikte zorgvuldigheidsvereisten zoals deze zijn neergelegd in de Europese wetgeving. Bovendien heeft verweerder volgens eiser ook na het uitbrengen van het voornemen mogelijkheden gehad hem te horen. Hiervan is welbewust afgezien. Dat eiser door middel van zijn gemachtigde schriftelijk heeft kunnen reageren doet niet af aan het feit dat het verweerder is die eiser persoonlijk dient te horen. Eiser is in zijn belangen geschaad nu hem de mogelijkheid is onthouden om persoonlijk zijn mening te geven aan het bevoegde orgaan, verweerder.

2.1.

Artikel 5, eerste lid, van de Dublinverordening luidt:

“Om de verantwoordelijke lidstaat gemakkelijker te kunnen bepalen, voert de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijk lidstaat is belast een persoonlijk onderhoud met de verzoeker. Het onderhoud biedt de verzoeker tevens de mogelijkheid de overeenkomstig artikel 4 aan hem verstrekte informatie juist te begrijpen.”

Punt 18 van de considerans bij de Dublinverordening luidt:

“Er dient een persoonlijk onderhoud met de verzoeker plaats te vinden om gemakkelijker te kunnen bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming. Zodra het verzoek om internationale bescherming wordt ingediend, moet de verzoeker over de toepassing van deze verordening worden geïnformeerd, en ervan in kennis worden gesteld dat het onderhoud de verzoeker de mogelijkheid biedt om informatie te verstrekken over de aanwezigheid van gezinsleden, familieleden of andere familierelaties in de lidstaten, om gemakkelijker te kunnen bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is.”

2.2.

Uit punt 18 van de considerans bij de Dublinverordening en artikel 5, eerste lid, van de Dublinverordening volgt dat het doel van het persoonlijk onderhoud tweeledig is. In de eerste plaats biedt het de verzoeker om internationale bescherming (lees hier: eiser) de mogelijkheid om informatie te verstrekken die van belang is voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat. Het gaat dan bijvoorbeeld over de aanwezigheid van gezinsleden, familieleden of andere familierelaties in de lidstaten. In de tweede plaats dient het om de verzoeker uitleg te geven over de Dublinprocedure, als hij daarover vragen heeft.

2.2.1.

In dit geval heeft op 14 maart 2020 een aanmeldgehoor plaatsgevonden. In dat gehoor is eiser in de gelegenheid gesteld informatie naar voren te brengen die van belang is voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat. Zo heeft eiser desgevraagd onder meer verklaard over zijn familie- en gezinsleden en zijn reisroute. Tevens is hem medegedeeld dat zijn vingerafdrukken staan geregistreerd in Malta en is hij hierover bevraagd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft daarmee een persoonlijk onderhoud als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Dublinverordening plaatsgevonden. Dat niet expliciet over de toepassing van de Dublinverordening is gesproken, doet hieraan niet af. Gelet op de gestelde minderjarigheid van eiser stond een eventuele overdracht aan een andere lidstaat op dat moment nog niet voorop. Overigens is eiser in de gelegenheid gesteld schriftelijk zijn mogelijke bezwaren tegen een Dublin-overdracht naar Malta naar voren te brengen, hetgeen zijn gemachtigde namens hem ook heeft gedaan. Deze bezwaren zijn vervolgens bij het uitgebrachte voornemen betrokken.

2.2.2.

Eiser heeft zich nog op het standpunt gesteld dat het niet horen eveneens in strijd is met artikel 34, eerste lid, van de Procedurerichtlijn. Dit is niet juist. Anders dan eiser meent, heeft de Procedurerichtlijn geen betrekking op procedures tussen lidstaten die vallen onder de Dublinverordening (zie punt 53 van de considerans behorende bij de Procedurerichtlijn), hetgeen ook volgt uit het bepaalde in artikel 34, gelezen in samenhang met artikel 33, eerste lid, van de Procedurerichtlijn.

De beroepsgrond slaagt niet.

Leeftijd

3. Eiser betoogt dat verweerder zich ongemotiveerd op het standpunt stelt dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn minderjarigheid niet kan onderbouwen. Volgens eiser heeft hij nooit over documenten beschikt en kan hij zijn leeftijd om die reden niet onderbouwen. Hij verkeert dus wel degelijk in bewijsnood, aldus eiser.

3.1.

Naar aanleiding van het onderzoek in het Eurodac-systeem heeft verweerder de Maltese autoriteiten verzocht om informatie over eiser. De Maltese autoriteiten hebben op 3 april 2020 geantwoord dat eiser heeft verklaard dat hij is geboren op [datum] 2002. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel gaat verweerder er in beginsel terecht van uit dat die registratie zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat de in Malta geregistreerde meerderjarigheid onjuist is. Hierin is eiser niet geslaagd. Hij heeft immers geen identificerende documenten overgelegd. Evenmin heeft hij afdoende verklaard waarom dit voor hem vanwege zijn gestelde minderjarigheid niet mogelijk zou zijn. Verder acht de rechtbank van belang dat eiser in het aanmeldgehoor heeft verklaard dat hij niet meer zo goed wist welke geboortedatum hij in Malta heeft opgegeven en dat hij misschien 2002 of 2003 heeft gezegd.

De beroepsgrond slaagt niet.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

4. Eiser betoogt dat ten aanzien van Malta niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. Er is in dat land sprake van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen zodat bij overdracht aan Malta een reëel risico bestaat op een behandeling in strijd met artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft een beroep gedaan op passages in het AIDA-rapport “Country Report: Malta 2019 Update” van de European Council on Refugees and Exiles van april 2020 (AIDA-rapport). Volgens eiser blijkt uit die passages dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat niet aannemelijk is dat Dublinclaimanten (anders dan vreemdelingen die illegaal de grens overschrijden) worden gedetineerd. Ook stelt verweerder zich ten onrechte op het standpunt dat asielzoekers en Dublinclaimanten worden gedetineerd onder de Opvangrichtlijn. Verder voert eiser aan dat zowel de detentie- als de opvangomstandigheden in Malta zeer slecht zijn en dat toegang tot effectieve rechtsmiddelen alsmede reële mogelijkheden om beklag te doen ontbreken.

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat een lidstaat in het kader van de Dublinverordening alleen niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan als bij overdracht aan een andere lidstaat een reëel risico bestaat op schending van artikel 3 van het EVRM. Dit vindt bevestiging in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening, waarin staat dat een vreemdeling niet aan een lidstaat kan worden overgedragen als er ernstig moet worden gevreesd dat daar systeemfouten bestaan in de asielprocedure en opvangvoorzieningen die resulteren in een schending van artikel 4 van het EU Handvest. De inhoud en reikwijdte van die bepaling komen overeen met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank verwijst hiervoor naar de arresten van het Hof van Justitie van 19 maart 2019, Jawo tegen Duitsland1, en van 16 februari 2017, C.K. tegen Slovenië2, en artikel 52, derde lid, van het EU Handvest.

Ten aanzien van de detentie van Dublinclaimanten

4.2.

Uit het AIDA-rapport blijkt dat in 2019 een sterke stijging ontstond van de overzeese aankomst van asielzoekers. Dit (mede) naar aanleiding van het beëindigen van een informele overeenkomst tussen Malta en Italië waarbij Italië had ingestemd met het in Italië ontschepen van migranten die in Maltese wateren waren opgepikt. Deze toevloed heeft tot problemen geleid bij de opvang van migranten in Malta, die daarop niet was toegerust. Daarop is door de Maltese autoriteiten besloten om alle migranten die onrechtmatig Malta zijn binnengekomen te detineren. Eiser heeft hierop ook gewezen. Anders dan eiser stelt kan uit het rapport echter niet worden afgeleid dat dit ook geldt voor Dublinclaimanten. Weliswaar maakt het rapport gewag van het feit dat (ook) het grootste deel van de Dublinclaimanten in detentie komt, tegelijkertijd volgt hieruit dat het detineren van Dublinclaimanten geen automatisme is. Bovendien hoeft een detentie, zoals verweerder ter zitting ook heeft betoogd, niet in strijd te zijn met de Opvangrichtlijn. Detentie is in beginsel toegestaan in een situatie dat een vreemdeling zich eerder aan het toezicht van de lidstaat heeft onttrokken, zoals ook in eisers geval aan de orde is. Indien een vreemdeling op onjuiste gronden wordt gedetineerd, kan hij zich hierover beklagen. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat uit het AIDA-rapport3 volgt dat dit ook met succes is gebeurd.

Eisers betoog slaagt in zoverre niet.

Detentie- en opvangomstandigheden

4.3.

Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de detentie- en opvangomstandigheden voor vreemdelingen in strijd met artikel 3 van het EVRM zijn. Uit het AIDA-rapport4 volgt weliswaar dat de opvang- en detentieomstandigheden sinds 2015 erg moeilijk zijn en in 2018 en 2019 snel zijn verslechterd door overbevolking, slechte hygiënische omstandigheden en verouderde infrastructuur, maar alleen daaruit volgt niet dat in Malta de in het Jawo-arrest bepaalde ondergrens is bereikt. Uit het AIDA-rapport5 blijkt immers ook dat asielzoekers in open opvangcentra zijn voorzien van accommodatie, dagelijkse maaltijden en reisgeld en gratis toegang tot overheidsgezondheidszorg en dat kinderen onder 16 jaar gratis toegang hebben tot onderwijs. Gedetineerde asielzoekers zijn voorzien van accommodatie, eten en kleding en hebben gratis toegang tot medische voorzieningen van overheidswege. Verder wordt ondersteuning geboden vanuit de European Asylum Support Organisation, welke ondersteuning in het jaar 2020 is uitgebreid.

Eisers betoog dat verweerder vanwege de detentie- en opvangomstandigheden voor Malta ten onrechte van het interstatelijk vertrouwensbeginsel is uitgegaan, slaagt dus niet.

Effectieve rechtsmiddelen/beklagmogelijkheden

4.4.

Uit het AIDA-rapport6 blijkt dat kort na aanvang van de detentie de geldigheid van de detentie ambtshalve wordt onderzocht door de Immigration Appeals Board (AIB). Als de IAB oordeelt dat de detentie onwettig is dan wordt de gedetineerde onmiddellijk vrijgelaten. Bij het onderzoek door de IAB is toegang tot gratis rechtsbijstand. Uit het rapport7 blijkt verder dat rechtsbijstandverleners, medewerkers van UNHCR en medewerkers van diverse NGO’s te allen tijde toegang hebben tot de gedetineerde. Ondanks alle kanttekeningen die in het AIDA-rapport worden gemaakt, volgt hieruit niet dat aan gedetineerden contact met hulpverleners wordt onthouden. Ook verweerder heeft hierop gewezen.

Verder blijkt uit het AIDA-rapport8 dat asielzoekers toegang tot gratis rechtsbijstand hebben als zij in beroep gaan in hun asielprocedure. Met het AIDA-rapport heeft eiser dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij in Malta niet over een effectief rechtsmiddel kan beschikken dan wel mogelijkheden om zijn beklag te doen ontbreken.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Rosmalen, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 ECLI:EU:C:2019:218.

2 ECLI:EU:C:2017:127.

3 P. 65.

4 P. 70.

5 P. 53.

6 P. 73 en 74.

7 P. 72 en 73.

8 P. 77.