Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:11118

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-11-2020
Datum publicatie
05-11-2020
Zaaknummer
AWB 20/4636
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mvv, duurzame & exclusieve relatie, middelenvereiste, inspectie SZW, ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 20/4636

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiseres

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J.W. de Haan),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: N.H.T. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de weigering om haar een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) te verlenen ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 24 september 2020. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig [naam] , referent.

Overwegingen

1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Tadzjiekse nationaliteit te bezitten. Eiseres heeft sinds [datum] 2018 een relatie met referent. Referent heeft ten behoeve van het verblijf van eiseres in Nederland een mvv voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ aangevraagd. Bij besluit 29 september 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

2. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres daartegen ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder overwogen dat niet wordt aangenomen dat eiseres en referent een duurzame en exclusieve relatie hebben, omdat daartoe onvoldoende stukken zijn overgelegd. Daarnaast is ook niet voldaan aan het middelenvereiste. De Inspectie SZW1 heeft naar aanleiding van een melding van de IND2 een onderzoek ingesteld naar een mogelijk gefingeerd dienstverband van referent. Uit het Rapport van bevindingen van 23 september 2019 dat is opgesteld naar aanleiding van dit onderzoek, wordt door verweerder geconcludeerd dat referent niet werkzaam is bij zijn gestelde werkgever [bedrijf] . (hierna: [bedrijf] ). Daarom wordt geen waarde gehecht aan de arbeidsovereenkomst die referent met [bedrijf] heeft.

3. Op wat eiseres daartegen aanvoert, wordt hierna ingegaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

Duurzame en exclusieve relatie

4. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie tussen haar en referent. Zij heeft namelijk voldoende stukken overgelegd bij de aanvraag en in de bezwaarfase: een traditionele huwelijksakte, foto’s, WhatsApp-berichten, verklaringen en aanvullend bewijs zoals vliegtickets. Er is daarom sprake van vooringenomenheid van verweerder op dit punt. Daarnaast heeft verweerder de eis gesteld dat de verklaring van eiseres wordt vertaald door een beëdigd vertaler Tadzjieks, maar er is in Nederland geen beëdigd vertaler in deze taal beschikbaar.

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres en referent met hun verklaringen niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij een duurzame en exclusieve relatie onderhouden. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat de traditionele huwelijksakte op zichzelf onvoldoende is om een duurzame en exclusieve relatie aan te nemen. Verweerder heeft kunnen tegenwerpen dat de verklaring van referent over de ontwikkeling van de relatie niet is onderbouwd met bewijsstukken. Daarnaast heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat ook de overgelegde foto’s niets zeggen over het bestaan van een duurzame en exclusieve relatie. De foto’s waarop slechts eiseres of referent alleen staan, kunnen niet als onderbouwing worden gezien. De drie foto’s waar eiseres en referent gezamenlijk op staan, heeft verweerder onvoldoende kunnen achten. Over de twee overgelegde vliegtickets heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat deze slechts aantonen aan dat eiseres en referent samen een land hebben bezocht. De overgelegde WhatsApp-berichten zijn niet vertaald, zodat verweerder deze niet heeft kunnen beoordelen. Ter zitting heeft referent aangegeven dat deze berichten ook niet vertaald kunnen worden, omdat deze berichten zijn geschreven in een ‘eigen taal’: een mix van Russisch en Tadzjieks. Van vooringenomenheid aan verweerders kant is niet gebleken. Met betrekking tot de gevraagde vertaling van de verklaring van eiseres heeft verweerder in het verweerschrift het standpunt ingenomen dat eiseres al eerder in de bezwaarfase de mogelijkheid heeft gehad om aan te geven dat er geen beëdigd vertaler beschikbaar is en dat de verklaring van eiseres in essentie overeenstemt met de verklaring van referent, die wel is betrokken bij de beoordeling. Gelet hierop acht de rechtbank het niet aannemelijk dat eiseres in haar belangen is geschaad.

Middelenvereiste

6. Eiseres voert aan dat ten onrechte zeer zwaar gewicht is toegekend aan het rapport van de Inspectie SZW, omdat referent geen gelegenheid is geboden om op- of aanmerkingen te plaatsen bij dit rapport. Zo is de verklaring van referent dat hij zijn bedrijfsbusje ook gebruikt voor woon-werkverkeer niet in het rapport opgenomen. Verweerder legt volgens eiseres te veel de nadruk op bankafschriften en het gebruik van een tankpas, waardoor de bedoeling van Europese jurisprudentie, waaronder het arrest Chakroun3, wordt miskend. Het is namelijk niet de bedoeling om tot op de cent af te rekenen als het gaat om het middelenvereiste. Naast zijn werkzaamheden als [beroep] bij [bedrijf] verkrijgt referent ook inkomsten uit zijn eigen bedrijf. In beroep heeft referent de cijfers van zijn bedrijf overgelegd, evenals de halfjaarbalans van [bedrijf] , een door referent ondertekend contract van [bedrijf] , een UWV-overzicht en diverse bank- en transactieoverzichten. Tot slot wordt een beroep gedaan op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 1 februari 20194.

7. De Inspectie SZW heeft, zo blijkt uit het Rapport van bevindingen, tweemaal een werkbezoek gebracht aan [bedrijf] . Tijdens deze bezoeken hebben de arbeidsinspecteurs waargenomen dat referent daar wel aanwezig was, maar konden zij niet vaststellen dat referent werkzaam was als [beroep] . Referent was beide keren ook niet gekleed als [beroep] . Tijdens het eerste werkbezoek heeft referent verklaard dat hij altijd met zijn privéauto van zijn woonadres naar zijn werk rijdt. De Inspectie SZW heeft vervolgens de overzichten van tankpas.nl vergeleken met deze verklaring van referent. Daaruit is geconcludeerd dat sprake is van een tekort van 42% aan noodzakelijk getankte liters brandstof voor deze reisbewegingen. Het onderzoek door de Inspectie SZW is na het tweede werkbezoek afgerond, omdat de arbeidsinspecteurs een slaapruimte onder het bedrijfspand hebben aangetroffen die hen doet vermoeden dat in het bedrijfspand illegale werkzaamheden plaatsvinden.

8. De rechtbank merkt op dat dit rapport op ambtsbelofte is opgemaakt, zodat in beginsel van de juistheid ervan kan worden uitgegaan. In wat eiseres heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van dit rapport. De enkele stelling van referent dat hij heeft verklaard dat hij ook met zijn bedrijfsbusje naar zijn werk rijdt, is daartoe onvoldoende. Uit het rapport van horen blijkt immers dat eiser heeft aangegeven juist altijd zijn privéauto te gebruiken voor zijn woon-werkverkeer. Voorafgaand aan de ondertekening van het rapport van horen is daarnaast vermeld dat de verklaring aan referent is voorgelezen en dat referent heeft verklaard daarbij te volharden.

9. Verweerder heeft verder aan referent tegengeworpen dat er ongerijmdheden zitten in de uitbetalingen van vakantiegeld en de loonspecificaties. Hiertegen is in beroep niets aangevoerd.

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op het rapport van Inspectie SZW en de niet-verklaarde ongerijmdheden in de uitbetalingen, op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen daadwerkelijke invulling wordt gegeven aan arbeidsovereenkomst met [bedrijf] .

11. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat referent in bezwaar niet heeft betoogd, dan wel met de juiste stukken heeft onderbouwd dat hij met de inkomsten uit zijn eigen bedrijf wel beschikt over duurzame en voldoende middelen van bestaan. De in beroep overgelegde financiële stukken die betrekking hebben op het eigen bedrijf van referent kunnen, gelet op de ex-tunc-toetsing in beroep, niet worden betrokken bij de beoordeling.

12. Voor wat betreft het beroep van eiseres op het arrest Chakroun overweegt de rechtbank als volgt. Het middelenvereiste heeft drie componenten: de referent moet zelfstandig beschikken over de middelen, de middelen moeten voldoende zijn en ze moeten duurzaam beschikbaar zijn. Nu verweerder de inkomsten van referent uit zijn werk bij [bedrijf] buiten beschouwing heeft mogen laten, mag verweerder ervan uit mag gaan dat referent geen inkomen heeft en dat dus niet wordt voldaan aan het eerste component. Aan de twee andere componenten wordt dan niet meer toegekomen. Het beroep op de uitspraak van zittingsplaats Haarlem van 1 februari 2019 slaagt daarom ook niet.

Conclusie

13. Het beroep is ongegrond.

14. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 november 2020.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

2 Immigratie- en Naturalisatiedienst van verweerder.

3 Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 maart 2010, ECLI:EU:C:2010:117

4 Met zaaknummer AWB 18/3448