Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:11110

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-09-2020
Datum publicatie
05-11-2020
Zaaknummer
AWB 19/5340
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 8 EVRM-aanvraag. Eisers, afkomstig uit Turkije, verblijven sinds 1997 in Nederland. De eerder aan eisers verleende asielvergunning en Nederlanderschap zijn met terugwerkende kracht ingetrokken. De kinderen en kleinkinderen van eisers verblijven rechtmatig in Nederland. Eisers willen, wegens het familieleven met hun kinderen en kleinkinderen, in Nederland blijven. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat het familieleven dat eisers met hun kinderen en kleinkinderen hebben niet beschermenswaardig is op grond van artikel 8 van het EVRM. Hierdoor komen eisers niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/5340

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer [nummer] , eiser en

[eiseres] , v-nummer [nummer] , eiseres,

samen eisers

(gemachtigde: mr. J. de Jong),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: J. Bakker).

Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers voor een verblijfsvergunning voor privéleven op grond van artikel 8 van het EVRM afgewezen. Ook wordt aan eisers een licht inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. Eisers komen niet in aanmerking voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

Bij besluit van 21 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 11 juli 2019 hebben eisers beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2020. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers zijn afkomstig uit Turkije. Eisers verblijven sinds 1997 in Nederland. De

eerder aan eisers verleende asielvergunningen en het Nederlanderschap zijn met terugwerkende kracht ingetrokken. Eisers hebben onjuiste gegevens verstrekt over hun identiteit en asielrelaas. Eisers hebben in Nederland kinderen en kleinkinderen waar zij bij willen verblijven.

2. Verweerder heeft de aanvraag op grond van artikel 8 van het EVRM afgewezen.

Eisers beschikken niet over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), maar komen in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van hun medische situatie. Eisers hebben in Nederland kinderen en kleinkinderen die rechtmatig in Nederland verblijven. De kinderen van eisers zijn meerderjarig. Verweerder neemt enkel familieleven aan tussen ouders en meerderjarige kinderen als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Verweerder neemt aan dat de band tussen eisers en hun kinderen erg goed is, maar niet dat er sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. De kinderen helpen eisers met dagelijkse dingen, maar niet is gebleken dat eisers als gevolg van scheiding van hun kinderen niet meer zelfstandig zouden kunnen functioneren.

Verweerder neemt familieleven aan met kleinkinderen als er sprake is van hechte persoonlijke banden tussen de grootouders en hun kleinkinderen. De door eisers aangevoerde feiten en omstandigheden ziet verweerder als gewone banden tussen grootouders en hun kleinkinderen. Hierom is geen sprake van een beschermingswaardig gezinsleven tussen eisers en hun kinderen en kleinkinderen en is uitzetting van eisers niet in strijd met artikel 8 van het EVRM.

Eisers hebben privéleven in Nederland, maar dit bekent niet dat zij zonder meer recht hebben op een verblijfsvergunning. In de belangenafweging komt verweerder tot het oordeel dat het belang van de Nederlandse overheid zwaarder weegt dan eisers belang. Hierbij speelt een rol dat het Nederlanderschap en de verblijfsvergunningen van eisers zijn ingetrokken. Eisers hebben nimmer rechtmatig in Nederland verbleven. Dat eisers al lang in Nederland verblijven, en inherent hieraan in Nederland sociale contacten hebben opgebouwd, komt voor hun rekening en risico. Eisers beheersen de Nederlandse taal beperkt, hebben de laatste jaren geen betaald werk verricht en zijn vooral actief geweest in de Turkse gemeenschap, wat niet duidt op integratie in Nederland. Uitzetting van eisers is volgens verweerder dan ook niet in strijd met het privéleven op grond van artikel 8 van het EVRM.

Eisers hebben een medische behandeling nodig en bij het uitblijven daarvan zal op korte termijn een medische noodsituatie ontstaan. De benodigde medische behandeling is ook in Turkije beschikbaar. Eisers hebben niet met documenten aannemelijk gemaakt dat deze behandeling voor hen niet toegankelijk is. De enkele stelling dat de kosten te hoog zijn en de behandeling ver weg is, is hiervoor onvoldoende, aldus verweerder.

Familieleven tussen eisers en de meerderjarige kinderen

3. Eisers voeren aan dat wel sprake is van een meer dan gebruikelijke

afhankelijkheidsrelatie tussen hen en hun kinderen. Eisers zijn voor de dagelijkse verzorging afhankelijk van hun kinderen. De kinderen helpen eisers met het regelen van hun medicatie en de zware taken in het huishouden. Volgens eisers is het hierdoor evident dat zij zonder de hulp van hun kinderen niet zelfstandig kunnen functioneren. Daarbij zijn eisers, wegens het intrekken van hun verblijfsvergunningen en Nederlanderschap volledig financieel afhankelijk van de kinderen. Ten onrechte neemt verweerder in de besluitvorming niet mee of de hulp die eisers van hun kinderen krijgen door anderen in Turkije kan worden geboden.

3.1.

De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat eisers niet hebben

onderbouwd dat zij voor hun dagelijks functioneren afhankelijk zijn van de zorg van hun kinderen. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de kinderen veel zorgtaken voor eisers verrichten, maar wel of eisers in staat zijn om deze taken zelf te verrichten. Voor de stelling dat eisers niet zelfstandig zouden kunnen functioneren, biedt het dossier geen onderbouwing. Uit de adviezen die het Bureau Medische Advisering (BMA) voor eiser (op 23 april 2018) en voor eiseres (op 23 juli 2018) heeft opgesteld volgt niet dat zij afhankelijk zijn van mantelzorg. Ook uit de door eisers overgelegde brief van hun huisarts van 28 januari 2020 volgt enkel dat de kinderen mantelzorg verlenen, niet dat eisers hiervan afhankelijk zijn. De beroepsgrond slaagt niet.

Familieleven tussen eisers en de kleinkinderen

4. Eisers voeren aan dat het oordeel van verweerder dat tussen hen en hun

kleinkinderen geen sprake is van beschermingswaardig gezinsleven ondeugdelijk is gemotiveerd.

4.1.

Volgens paragraaf B7/3.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 moet om

familie- en gezinsleven aan te nemen tussen grootouders en kleinkinderen, sprake zijn van hechte persoonlijke banden.

4.2

De rechtbank constateert dat verweerder in het bestreden besluit aan de hand van feiten en omstandigheden heeft onderzocht of tussen eisers en de kleinkinderen daadwerkelijk hechte persoonlijke banden bestaan. Het is de rechtbank niet gebleken dat verweerder in de beoordeling niet alle gestelde feiten en omstandigheden heeft betrokken. Verweerder heeft in redelijkheid geoordeeld dat het gezinsleven tussen eisers en de kleinkinderen niet beschermingswaardig is. De beroepsgrond slaagt niet.

Belangenafweging privéleven

5. Eisers voeren aan dat zij er geen rekening mee hoefden te houden dat op enig

moment hun verblijfsvergunningen en Nederlanderschap konden worden ingetrokken. Als verweerder bij eisers aanvragen in 1997 onderzoek had gedaan naar de verstrekte gegevens, dan had toen al vastgesteld kunnen worden dat deze onjuist waren. Verweerder heeft dit niet gedan waardoor eisers ervan uit konden gaan zij hier hun gezinsleven veilig konden uitoefenen en opbouwen. Bovendien wist verweerder al in 2011 dat eisers onjuiste gegevens hadden verstrekt en is verweerder pas in 2015 de intrekkingsprocedure gestart. Verweerder heeft hierdoor onvoldoende waarde gehecht aan het feit dat eisers al lang in Nederland blijven en hier een leven hebben opgebouwd.

Volgens eisers werpt verweerder in het kader van de belangenafweging ten onrechte aan hen tegen dat zij beperkt Nederlands spreken. Eisers hebben ervoor gekozen om een tolk te regelen voor de hoorzitting op 11 april 2019 om zich ervan te verzekeren dat zij alles goed mee zouden krijgen tijdens dit belangrijke gehoor.

Ook laat verweerder, volgens eisers, ten onrechte meewegen dat de verblijfsvergunningen en het Nederlanderschap van eisers zijn ingetrokken. Deze procedures zijn afgesloten en eisers zijn, met de uitkomst van deze procedures, voldoende gestraft voor de gebeurtenissen in het verleden.

Verweerder laat, volgens eisers, na om aan te tonen dat eisers wel kunnen terugkeren naar Turkije en zich hier kunnen vestigen. Eisers zijn het leven in Turkije volledig ontwend, het contact met hun familieleden in Turkije is verbroken en zij hebben daar geen inkomsten. Ook is het voor eisers, wegens hun leeftijd en gezondheidsproblemen, niet meer mogelijk om een acceptabel privéleven in Turkije op te bouwen.

Verweerder heeft ten onrechte de belangen van de kinderen en kleinkinderen niet meegenomen in de belangenafweging. Bij uitzetting van eisers worden de kinderen moreel verplicht om de financiële lasten van hun ouders te dragen.

Verweerder motiveert niet welke belangen aan de kant van de Nederlandse overheid zwaarder wegen dan het belang van eisers.

5.1.

In het kader van de belangenafweging heeft verweerder het belang van de

Nederlandse overheid (dat vreemdelingen alleen een verblijfsvergunning krijgen als zij aan de voorwaarden voldoen) en het belang van eisers om privéleven in Nederland te kunnen hebben tegen elkaar afgewogen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het belang van de Nederlandse overheid zwaarder weegt dan het belang van eisers.

5.2.

De rechtbank is van oordeel dat door verweerder de juiste belangen in de

beoordeling zijn betrokken. De belangen van de kinderen en kleinkinderen heeft eiser meegenomen in de beoordeling van het familieleven tussen eisers en hun kinderen en kleinkinderen. Verweerder mag in de belangenafweging laten meewegen dat de verblijfsvergunningen van eisers en hun Nederlanderschap is ingetrokken. Verweerder heeft ter zitting terecht overwogen dat met de intrekkingen geen sprake is van straffen van eisers, maar van rechtsherstel. Zij hadden namelijk nooit recht op de aan hen verstrekte vergunningen en Nederlanderschap. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State1 dat een vreemdeling die op basis van onjuiste of onvolledige informatie rechten verwerft, er steeds rekening mee dient te houden dat op enig moment rechtsherstel kan plaatsvinden. Evenwel kunnen zich zodanige bijzondere feiten en/of omstandigheden voordoen dat de desbetreffende vreemdeling er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat een verleende verblijfsvergunning niet zal worden ingetrokken. De rechtbank is van oordeel dat daar in het onderhavige geval geen sprake van is. Het enkele tijdsverloop is onvoldoende om te spreken van dergelijke bijzondere feiten en/of omstandigheden. Dat het voor eisers lastig zal zijn om privéleven in Turkije op te bouwen zorgt er ook niet voor dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat het belang van de Nederlandse overheid zwaarder weegt dan het belang van eisers.

Artikel 64 van de Vw 2000

6. Eisers voeren aan dat zij in Turkije geen toegang zullen hebben tot de voor hun

noodzakelijke medische zorg. Om toegang te krijgen tot medische zorg hebben eisers in Turkije namelijk een zorgverzekering nodig. Eisers beschikken echter niet over inkomsten waardoor zij deze zorgverzekering niet kunnen betalen en dus geen toegang hebben tot de medische zorg in Turkije. Uitzetting zal hierdoor voor eisers leiden tot een situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM.

6.1.

Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat eisers niet aannemelijk hebben

gemaakt dat zij in Turkije geen toegang zullen hebben tot de benodigde medische zorg. Eisers gaan er ten onrechte vanuit dat het voor verweerder een feit van algemene bekendheid is dat zij geen zorgverzekering in Turkije kunnen krijgen en dus geen toegang hebben tot de medische zorg in Turkije. Het is aan eisers om deze stellingen te onderbouwen.

Inreisverbod

7. Volgens eisers is het aan hen opgelegde inreisverbod in strijd met artikel 8 van

het EVRM. Door het inreisverbod hebben eisers niet de mogelijkheid om hun kinderen en kleinkinderen in Nederland op te zoeken. Voor de kinderen en kleinkinderen is het, omdat zij allen werkverplichtingen hebben, onmogelijk om eisers in Turkije te bezoeken.

7.1.

Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat met de enkele stelling dat de

kinderen en kleinkinderen werkverplichtingen hebben niet is onderbouwd dat het onmogelijk is om eisers in Turkije te bezoeken. Iedereen die werkt, heeft namelijk ook vakantie.

Artikel 4:84 van de Awb

8. Eisers voeren aan dat de gevolgen van de bestreden beslissing wegens de

hierboven beschreven bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen belangen.

8.1.

De rechtbank is van oordeel dat zich hier geen bijzondere omstandigheden

voordoen waardoor de toepassing van beleid leidt tot onevenredige gevolgen in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.

Conclusie

9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen

aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bruinse-Pot, rechter, in aanwezigheid van

M.M. Neutgens, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 17 september 2020

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 9 november 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BK3313).