Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:11107

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-10-2020
Datum publicatie
05-11-2020
Zaaknummer
AWB 20/4261
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Faciliterend visum, Chavez-Vilchez. ouder van een minderjarig Nederlands kind, ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 20/4261

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. F.A. van den Berg),

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een faciliterend visum op grond van artikel 20 van het VWEU1 afgewezen.

Bij besluit van 29 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 3 september 2020. Eiser heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren ter zitting aanwezig [naam] (echtgenote van eiser) en Z. Haile (tolk).

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1991 (of 1990) en de Eritrese nationaliteit te bezitten. Eiser verblijft momenteel in Israël. Eiser heeft een aanvraag ingediend om een faciliterend visum op grond van artikel 20 van het VWEU en verwijst daarbij naar het arrest Chavez-Vilchez2. Hij beoogt verblijf bij zijn gestelde zoon, [naam] (referent), geboren op [geboortedatum] . Referent heeft de Nederlandse nationaliteit en woont samen met zijn moeder, de echtgenote van eiser, in Nederland.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat op grond van de door eiser overgelegde Eritrese identiteitskaart niet kan worden vastgesteld dat eiser de vader is van referent. De naam en geboortedatum op zijn Eritrese identiteitskaart komen immers niet overeen met de personalia vermeld op de door hem overgelegde geboorteakte van referent en met de personalia die zijn vermeld op de overgelegde huwelijksakte. Reeds hierom kan eiser geen aanspraak maken op een faciliterend visum op grond van artikel 20 van het VWEU. Ook is volgens verweerder niet aangetoond dat hij zorgtaken ten behoeve van het minderjarige kind verricht. Eiser heeft tot slot niet aannemelijk gemaakt dat tussen hem en het minderjarige kind een wezenlijke afhankelijkheidsverhouding bestaat.

3. Eiser voert aan dat de verschillende schrijfwijzen van zijn naam zijn te wijten aan de diverse vertalingen die mogelijk zijn van het Tigrinia naar het Hebreeuws en het Nederlands. Ten onrechte gaat de Nederlandse vertaling van de Eritrese identiteitskaart uit van het geboortejaar 1991. Het juiste geboortejaar is 1990, zoals dit ook op de andere overgelegde Israëlische documenten van eiser is vermeld. Volgens eiser had het op de weg van verweerder gelegen om, bij twijfel aan zijn vaderschap, een DNA-onderzoek te laten verrichten. Eiser voert zorgtaken uit door dagelijks telefonisch contact te hebben met zijn echtgenote over de opvoeding van referent. Dat eiser niet fysiek voor referent kan zorgen, is het gevolg van het niet afgeven van een faciliterend visum. Hem kan daarom niet worden verweten dat hij niet meer zorgtaken uitvoert. Eiser wijst op het belang van het kind en verwijst naar de artikelen 7 en 24 van het Handvest3.

De rechtbank overweegt als volgt.

4. Eiser heeft diverse documenten overgelegd om de gestelde familierechtelijke band tussen hem en referent te onderbouwen, waaronder de geboorteakte van referent en eisers huwelijksakte. Op de Eritrese identiteitskaart van eiser staat echter het geboortejaar 1991 vermeld, terwijl op alle andere documenten die door eiser zijn overgelegd het geboortejaar 1990 is vermeld. Hoewel namens eiser is aangevoerd dit te maken heeft met een onjuiste vertaling van de Eritrese identiteitskaart, heeft de gemachtigde ter zitting – na het bekijken van een duidelijke scan van de identiteitskaart – erkend dat op de Eritrese identiteitskaart het geboortejaar 1991 is vermeld. Dat er sprake is van een onjuiste vertaling, volgt de rechtbank dan ook niet. Bovendien heeft eiser op zijn visumaanvraag zelf vermeld dat zijn geboortejaar 1991 is. Daarnaast wordt op de Eritrese identiteitskaart de achternaam ‘ [naam] ’ vermeld, terwijl op alle andere documenten de achternaam ‘ [naam] ’ is vermeld. Dat dit verschil eveneens het gevolg zou zijn van vertalingen is niet aannemelijk gemaakt.

5. Eisers stelling dat het op de weg van verweerder lag om bij twijfel aan het vaderschap van eiser een DNA-onderzoek te laten verrichten, volgt de rechtbank niet. Het is in beginsel aan eiser om gegevens over te leggen en aan de hand daarvan aannemelijk te maken dat hij de vader is van referent. Het betreft hier immers een aanvraag van eiser tot het vaststellen van een afgeleid verblijfsrecht. Dit uitgangpunt is ook aangenomen in het arrest Chavez-Vilchez4.

6. Nu de personalia zoals vermeld op eisers Eritrese identiteitskaart niet overeenkomen met de personalia op de stukken die de familierechtelijke relatie zouden moeten aantonen en eiser geen ander bewijs heeft overgelegd, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat eiser de vader is van referent.

7. Verweerder heeft verder overwogen dat niet is gebleken van zorgtaken en een wezenlijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en referent. Omdat verweerder de aanvraag voor het faciliterend visum al heeft kunnen afwijzen omdat niet is gebleken dat eiser de ouder is van een minderjarig Nederlands kind, behoeven de overige beroepsgronden die betrekking hebben op de zorgtaken en de afhankelijkheidsrelatie geen bespreking meer. Deze kunnen immers niet leiden tot het voor eiser gewenste resultaat.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 oktober 2020.

De griffier is verhinderd om

deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

2 Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354

3 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie

4 Zie punten 75 en 76 van het arrest.