Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:11046

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
05-11-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 7062
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verzoek hogere tegemoetkoming woninghuur met terugwerkende kracht afgewezen.Verweerder is slechts gehouden om de tegemoetkoming te betalen met terugwerkende kracht tot aan de datum van het verzoek van eiser. beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/7062

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. I. Blekman),

en

de commandant van het Dienstencentrum Internationale Ondersteuning Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. L.A. Visser).

Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser een hogere tegemoetkoming in de woninghuur toegekend vanaf 3 juli 2019.

Bij besluit van 26 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek heeft met behulp van Skype plaatsgevonden op 29 juli 2020. Eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, en de gemachtigde van verweerder hebben aan de Skype-zitting deelgenomen.

Overwegingen


1. Met ingang van 6 juli 2015 is eiser de functie toegewezen van medewerker Ziekenboeg met als standplaats Willemstad, Curaçao. Vanwege zijn plaatsing en zijn verhuizing met zijn gezin ontvangt eiser een tegemoetkoming van ANG 2.400,- in de woninghuur.

1.1.

Bij verzoek van 3 juli 2019 heeft eiser naar aanleiding van een salarisverhoging verzocht om een hogere tegemoetkoming in de woninghuur van ANG 2.750,- vanaf
1 januari 2019.

1.2.

Bij het primaire besluit heeft verweerder eiser overeenkomstig eisers verzoek een hogere tegemoetkoming in de woninghuur toegekend. Deze verhoging is niet met terugwerkende kracht toegekend vanaf 1 januari 2019, maar vanaf 3 juli 2019 (datum verzoek).

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd, onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 24 juli 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD9150, dat hij slechts gehouden is om de tegemoetkoming te betalen met terugwerkende kracht tot aan de datum van het verzoek van eiser, als sprake is van een duuraanspraak. Verweerder ziet in dit geval geen aanleiding voor toepassing van de hardheidsclausule, zoals neergelegd in artikel 28 van het Voorzieningenstelsel buitenland defensiepersoneel (VBD). De uitspraak van de Raad van 6 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1328, waar eiser zich op heeft beroepen, ziet op een andere rechtsvraag, namelijk of het rechtens juist is het geldende huurplafond slechts eenmalig vast te stellen. De Raad is van oordeel dat dit niet het geval is. Deze uitspraak laat echter onverlet dat verweerder slechts gehouden is om de tegemoetkoming te betalen met terugwerkende kracht tot aan de datum van het verzoek van eiser, als sprake is van een duuraanspraak.

Verweerder heeft eisers verzoek opgevat als een verzoek om terug te komen van een in rechte vaststaand besluit. Bij de toetsing van dat verzoek moet een onderscheid worden gemaakt tussen het verleden en de toekomst. Wat betreft de periode voorafgaand aan eisers verzoek moet worden bezien of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hiervan is geen sprake. Verweerder benadrukt dat eiser ambtshalve op de hoogte is gesteld van de mogelijkheid om gedurende de buitenlandplaatsing een hogere tegemoetkoming te krijgen. Hierbij is eiser geïnformeerd dat een militair zelf die aanvraag moet indienen om in aanmerking te komen voor een hogere tegemoetkoming. Ook eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet, omdat niet is gebleken van gelijke gevallen. Voor toekenning met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2019, zoals door eiser verzocht, bestaat daarom geen verplichting.

3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – aan dat de hogere tegemoetkoming in de woninghuur met terugwerkende kracht dient te worden toegekend vanaf 1 januari 2019. Eiser stelt dat het voor hem pas na zijn salarisverhoging duidelijk is geworden dat hij bij een salarisverhoging aanspraak kan maken op een hogere tegemoetkoming in de woninghuur. Volgens eiser kan verweerders standpunt geen stand houden. Ook in de eiser aangehaalde uitspraak van de Raad van 6 april 2017 is verzocht om aanpassing van het huurplafond met terugwerkende kracht. De Raad heeft dit verzoek gehonoreerd vanaf het moment waarop de aanspraak ontstond. Eiser meent dat hij niet eerder dan wel onjuist is voorgelicht en dat de te late indiening van zijn verzoek hem daarom niet mag worden tegengeworpen.

4. Op grond van artikel 13, tweede lid, onder a, van het VBD, heeft de defensie-ambtenaar die aanspraak heeft op de toelage-buitenland, bedoeld in artikel 7, eerste of derde lid, en die in het gebied van plaatsing een eigen huishouding voert, aanspraak op een maandelijkse tegemoetkoming in de woninghuur, indien het hem naar het oordeel van de commandant niet mogelijk is geweest in Duitsland, de Nederlandse Antillen of Aruba: een passende defensiewoning of, indien een zodanige woning naar het oordeel van de commandant niet beschikbaar is, een passende woning te huren waarvan de huur lager is dan of gelijk is aan de eigen bijdrage. De tegemoetkoming bedraagt het verschil tussen de verschuldigde huur, of bij een vrije keuze woning de door de commandant bepaalde maximale huur, en de eigen bijdrage.

5. De rechtbank stelt vast dat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen zijn salarisstroken van februari, maart, april, mei en juni 2019, terwijl eiser had kunnen weten dat hij, gelet op zijn salarisverhoging, een aanpassing van het huurplafond kon aanvragen. Dat betekent dat die besluiten in rechte vaststaan.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder het door eiser in juli 2019 ingediende verzoek terecht heeft opgevat als een verzoek om terug te komen van het in rechte vaststaande besluit van februari 2019. De rechtbank volgt verweerder in het gemaakte onderscheid in het toetsingskader tussen het verleden en de toekomst.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser voor de periode tot aan het verzoek geen nieuwe feiten of omstandigheden, als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, naar voren heeft gebracht, zodat verweerder terecht geen aanleiding heeft gezien om voor die periode terug te komen van het in rechte vaststaande besluit van februari 2019.

5.1.

De rechtbank is van oordeel dat het betoog van eiser, dat verweerder aan hem de hogere tegemoetkoming met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2019 dient toe te kennen, niet kan slagen. Anders dan eiser stelt gaat het om een duuraanspraak, gelet op voornoemde uitspraak van de Raad van 24 juli 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD9150, waarbij verweerder slechts is gehouden om de tegemoetkoming te betalen met terugwerkende kracht tot aan de datum van het verzoek van eiser. De uitspraak van de Raad van 6 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1328, waar eiser zich op heeft beroepen, maakt dit niet anders. Verweerder heeft zijn standpunt hieromtrent afdoende gemotiveerd. Gelet hierop heeft verweerder de ingangsdatum op goede gronden vastgesteld op 3 juli 2019.

5.2.

Eiser kan niet worden gevolgd in zijn standpunt dat hij onjuist is voorgelicht en dat de te late indiening van zijn verzoek hem daarom niet mag worden tegengeworpen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat verweerder eiser voldoende heeft geïnformeerd. Vanaf 6 december 2017, de datum waarop verweerder aan alle in het Caraïbische gebied geplaatste defensiemedewerkers een e-mail heeft gestuurd met informatie over een mogelijke aanpassing van het huurplafond als gevolg van een salarisverhoging, had eiser kunnen weten dat een salarisverhoging kan leiden tot een hogere tegemoetkoming. Ook is eiser door verweerder geïnformeerd over de mogelijkheid van een tussentijdse wijziging van het huurplafond in de Wekelijkse Orders van Marinebasis Parera van week 19 (7 tot en met 13 mei 2018). Gelet hierop is eiser, anders dan eiser stelt, door verweerder gewezen op de mogelijkheid om gedurende zijn buitenlandplaatsing een hogere tegemoetkoming te krijgen. Van onjuiste informatie is de rechtbank niet gebleken. Dat eiser mogelijk tijdelijk verhinderd was om kennis te nemen van deze informatie komt voor eigen rekening en risico. Voor verweerder bestaat in een geval als het onderhavige daarom geen wettelijke verplichting om het in rechte vaststaande besluit ambtshalve te herzien.

6. Het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel, waarbij verweerder in een zaak wel tot aanpassing van de tegemoetkoming in de woninghuur met terugwerkende kracht is overgegaan, slaagt niet, omdat dit beroep onvoldoende is geconcretiseerd, zodat niet kan worden beoordeeld of sprake is van gelijke gevallen.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 29 september 2020 door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. van Veen, griffier.

griffier rechter

De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.