Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:11040

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-09-2020
Datum publicatie
05-11-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3283
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

verzetzaak.misbruik van recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/3283

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 september 2020 op het verzet van

[Opposant] , te [woonplaats] , opposant

tegen de uitspraak van de rechtbank in zijn zaak tegen

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst (ISD) Bollenstreek, verweerder.

Procesverloop

Opposant heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van verweerder van 8 april 2019 (het bestreden besluit).

Bij uitspraak van 12 december 2019 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan.

Het onderzoek met behulp van Skype was gepland op 2 september 2020. Opposant is met voorafgaand bericht aan de rechtbank niet verschenen.

Overwegingen

1.
De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat opposant het griffierecht niet heeft betaald en niet is gebleken dat dit hem niet is toe te rekenen. Het beroep op betalingsonmacht is afgewezen omdat opposant niet aan het criterium voor betalingsonmacht voldoet.

2. In deze verzetzaak is op grond van artikel 8:55, eerste lid, van de Awb uitsluitend aan de orde of de rechtbank terecht de zaak niet op een zitting heeft behandeld. De rechtbank kan het beroep pas inhoudelijk behandelen als het verzet gegrond is.

3. Opposant voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat hij het griffierecht niet kan betalen, omdat sprake is van betalingsonmacht. Opposant stelt dat in andere procedures bij deze rechtbank wel vrijstelling voor het betalen van het griffierecht wegens betalingsonmacht is toegekend op grond van dezelfde informatie die hij hiervoor aan de rechtbank heeft aangeleverd. Hij verwijst daarbij naar de door hem in beroep overgelegde inkomensverklaring van de Raad voor Rechtsbijstand van 28 juni 2019. Deze rechtbank heeft bij uitspraak op het verzet van 12 december 2019 (SGR 19/1538) geoordeeld dat op basis van deze inkomensverklaring vrijstelling van het griffierecht dient te worden verleend.

4. De rechtbank overweegt het volgende.

4.1.

Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2266, wordt een beroep op betalingsonmacht beoordeeld op basis van de hoogte van het inkomen en het vermogen in de periode die aanvangt nadat voor de eerste maal op de verschuldigdheid van het griffierecht is gewezen en eindigt op de datum waarop het griffierecht uiterlijk moet zijn betaald.

4.2.

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in haar uitspraak van 12 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2730, heeft overwogen kan het door een rechtzoekende, wiens beroep op betalingsonmacht eenmaal door de bestuursrechter is gehonoreerd, veelvuldig - al dan niet tegelijkertijd of nagenoeg tegelijkertijd - starten van procedures waarin telkens een beroep op betalingsonmacht wordt gedaan, de bestuursrechter onder omstandigheden eveneens tot de slotsom leiden dat sprake is van misbruik van recht. Bij de beoordeling of zich misbruik van recht voordoet, als hiervoor bedoeld, is onder meer van belang het aantal procedures dat de rechtzoekende aanhangig heeft gemaakt, op welk moment hij dat heeft gedaan, de partijstelling in de verschillende procedures en het belang dat de rechtzoekende met het voeren van de beroepsprocedure beoogt te behartigen. Evenzeer is van belang of het procedures zijn naar aanleiding van besluiten die op aanvraag zijn genomen, dan wel ambtshalve genomen besluiten. In ieder geval bij de laatste categorie ligt het aannemen van misbruik van recht naar zijn aard niet snel in de rede. Indien de bestuursrechter tot het oordeel komt dat een rechtzoekende misbruik van recht maakt, kan hij een beroep op betalingsonmacht afwijzen, ook al blijkt dat het inkomen van die rechtzoekende minder bedraagt dan 90 percent van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm.

4.3.

In de uitspraak van 21 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2817) heeft de Afdeling de uitspraak van deze rechtbank van 15 augustus 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:9862) waarin – in een vergelijkbaar geschil – is geconcludeerd tot misbruik van recht, bevestigd. De Afdeling overweegt in deze uitspraak dat eiser, die een langlopend conflict heeft met verweerder, geen redelijke verklaring of belang heeft gegeven voor het door hem ingediende grote aantal Wob-verzoeken, bezwaren, beroepen en klachten tegen verweerder. De Afdeling ziet blijkens de uitspraak ook niet in waarom eiser vanwege eerdere afwijzingen van zijn Wob-verzoeken gedwongen was om telkens nieuwe verzoeken te doen. De Afdeling overweegt voorts dat niet gebleken is dat eiser daadwerkelijk iets doet met de van verweerder verkregen documenten. Deze factoren zijn volgens de Afdeling, naast een aantal andere zaaksgerelateerde gedragingen, door de rechtbank terecht betrokken bij de beoordeling of misbruik van recht is gemaakt.

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat ook in deze zaak misbruik van recht kan worden aangenomen, gelet op de in rechtsoverweging 4.3. genoemde omstandigheden.

5. De rechtbank volgt opposant gelet op het voorgaande niet in zijn stelling dat in andere procedures op grond van dezelfde gegevens het beroep op betalingsonmacht is bekrachtigd en daarom in onderhavige zaak ook zonder meer het beroep op betalingsonmacht moet worden gehonoreerd. Temeer nu ook andere omstandigheden kunnen leiden tot een ander oordeel op het beroep op betalingsonmacht.

6. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank in de buitenzittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat zij het beroep zonder zitting kon afdoen. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buitenzittinguitspraak in stand blijft.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.R. van Veen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
7 september 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.