Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:11000

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-11-2020
Datum publicatie
18-11-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 7509
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Parkeerverbod ivm hinder en overlast. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/7509

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 november 2020 in de zaak tussen

GAIA Westland B.V., te Den Haag, eiseres 1

en

[eiseres, sub 2] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres 2

hierna tezamen: eisers

(gemachtigde: mr. D.Th.J. van der Klei),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Delfland, verweerder

(gemachtigde: mr. W.J.E. van der Werf).

Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder een verkeersbesluit genomen, inhoudende een parkeerverbod in de Harnaschdreef, Peuldreef, Sionsdreef, Vrij-Harnasch, Hoogenhoorn, Gantel, Hoog-Harnasch, Heernesse, Meerkamp, Westernesse en Harnaskade (hierna: bedrijventerrein Harnaschpolder) in Den Hoorn. Om de begrenzing van de parkeerverbodzone weer te geven worden de borden E1 van bijlage I van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 geplaatst met als onderbord “parkeren alleen in de omlijnde vakken”.

Bij besluit van 18 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft via skypeverbinding plaatsgevonden op 28 september 2020.

Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door P.J.L.J. Duijsens, kantoorgenoot van hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat op het bedrijventerrein Harnaschpolder door werknemers en bezoekers van de daar gevestigde bedrijven wordt geparkeerd op de trottoirs, waardoor voetgangers daar geen gebruik meer van kunnen maken. Voorts blokkeren de geparkeerde voertuigen het zicht op de rijbaan voor uitrijdend verkeer, in hoeken, bochten en kruispunten en het onderling zicht van weggebruikers. Hierdoor ontstaat een verkeersonveilige situatie, gaat dit ten koste van de bruikbaarheid van de weg (het trottoir) voor voetgangers en is er sprake van hinder en overlast. Verweerder heeft daarom besloten een parkeerverbodzone in te stellen op het bedrijventerrein ter verzekering van de veiligheid op de weg, ter voorkoming of beperking van de door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder en schade, ter bescherming van weggebruikers (voetgangers) en ter waarborging van de bruikbaarheid van de weg. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat een gedeeltelijk parkeerverbod geen optie is, omdat dit zou leiden tot verplaatsing van de overlast. Verder heeft verweerder erop gewezen dat het uitgangspunt is dat op het eigen terrein van de bedrijven wordt geparkeerd, dan wel door werknemers gebruik wordt gemaakt van het te realiseren parkeerterrein.

2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw 1994) kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

Ingevolge het tweede lid kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels voorts strekken tot:

a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;

b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden.

Ingevolge artikel 21 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (hierna: BABW) vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

Ingevolge artikel 23, aanhef en onder a, van de BABW worden verkeersbesluiten genomen na overleg met de korpschef.

3. Eisers betogen dat het parkeerverbod onnodig en onredelijk is en dat verweerder misbruik maakt van zijn bevoegdheid. Voorts is het ondoelmatig en disproportioneel om een parkeerverbod voor het gehele bedrijventerrein op te leggen, nu de parkeeroverlast vooral bestaat rondom de vestiging van PostNL. Eisers hebben met het plaatsen van hun gebouwen rekening gehouden met de verkeersveiligheid, daarbij rekening houdend met geparkeerde auto’s op de stroken grond langs de weg. Voorts kunnen ook met parkeren de stroken grond nog steeds als voetpad worden gebruikt. De bezwaarschriftencommissie heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de huidige situatie verkeersonveilig is, dat het ten koste gaat van de bruikbaarheid van de weg (voor voetgangers) en dat er sprake is van hinder en overlast van de geparkeerde voertuigen. Er hebben zich ook geen ongevallen voorgedaan.

Overigens is de bezwaarschriftencommissie volledig voorbij gegaan aan eisers bezwaargrond met betrekking tot de proportionaliteit van het parkeerverbod. Verder wijzen eisers op het Beeldkwaliteitsplan, waarin staat vermeld: “Het parkeren wordt op eigen terrein opgelost, zodat het openbaar gebied zo veel mogelijk vrij wordt gehouden van auto’s. Uitzonderingen vormen de interne bedrijfslanen en –straten, waar incidenteel (en tijdelijk) op de stoepen geparkeerd kan worden. Deze plaatsen zijn uitsluitend bedoeld voor bezoekers en mogen niet worden meegeteld in de vereiste parkeernorm van de aanliggende bedrijven." Door nu alsnog een parkeerverbod in te voeren, zal verwarring ontstaan. Voorts betogen eisers dat de bedoelde stroken grond geen trottoirs zijn, hetgeen ook door de politie is aangegeven in hun advies, dan wel dat het niet duidelijk is dat het zou gaan om trottoirs. Er is geen sprake van een traditionele wegindeling, zoals verweerder stelt. De politie heeft dan ook negatief geadviseerd met betrekking tot het parkeerverbod. Een aanvullend advies waarnaar verweerder heeft verwezen is bij eisers niet bekend en ook de bezwaarschriftencommissie heeft daarvan geen kennis genomen. Ook voor de bezwaarschriftencommissie was het onvoldoende duidelijk of er sprake is van trottoirs. De betreffende stroken behoren tot de wegen en worden ook als zodanig gebruikt. De bezwaarschriftencommissie heeft voorts ongemotiveerd aangenomen dat er sprake is van trottoirs. Eisers hebben daardoor onvoldoende de gelegenheid gehad om in bezwaar te reageren op het standpunt van verweerder waar een trottoir aan dient te voldoen.

Verder is niet duidelijk welk onderbord geplaatst moet worden. Ook zullen politie en BOA’s geen verbaliserende bevoegdheid hebben, omdat er niet duidelijk sprake is van een gebruik van trottoirs. Het lijkt erop dat het parkeerverbod enkel is opgelegd om het nieuwe parkeerterrein vol te krijgen, waarop de bedrijven parkeerplaatsen kunnen huren voor hun werknemers. Dit parkeerterrein is bovendien geen alternatief voor eisers, nu het terrein zich te ver bevindt van hun bedrijven.

Voorts betogen eisers dat zij op bijna alle punten van de bezwaarschriftencommissie gelijk hebben gekregen, maar dat de commissie heeft volstaan met het advies aan verweerder het een en ander in het bestreden besluit beter te motiveren. Daardoor is de bezwaarprocedure in feite een wassen neus. Bovendien heeft verweerder hier onvoldoende aan voldaan. Zo heeft verweerder niet onderbouwd wanneer er juridisch sprake is van een trottoir en daarbij bovendien verwezen naar verouderde richtlijnen van de CROW.

Tot slot wijzen eisers erop dat op het bedrijventerrein op korte termijn een Foodcenter en een Bauhaus-vestiging worden gerealiseerd met heel veel parkeerplaatsen eromheen. Niet valt in te zien waarom verweerder niet hierop heeft gewacht. Ook zijn eisers op geen enkele wijze betrokken geweest bij het parkeerverbod. De Vereniging Harnaschpolder kan niet voor eisers spreken als het gaat om de ruimtelijke ordening rondom het bedrijfscomplex. Dat is ook niet het belang dat de vereniging dient te behartigen, aldus eisers.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 6 november 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3761) overwogen dat een bestuursorgaan bij het nemen van een verkeersbesluit beoordelingsruimte toekomt bij de uitleg van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994 genoemde begrippen. De rechter toetst of het bestuursorgaan geen onredelijk gebruik heeft gemaakt van die beoordelingsruimte. Nadat het bestuursorgaan heeft vastgesteld welke verkeersbelangen in welke mate naar zijn oordeel bij het besluit dienen te worden betrokken, dient het die belangen tegen elkaar af te wegen. Daarbij komt het bestuursorgaan beleidsruimte toe. De bestuursrechter toetst of de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het verkeersbesluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. Daarbij geldt dat het bestuursorgaan niet de absolute noodzaak van een verkeersbesluit hoeft aan te tonen. Voldoende is dat met het verkeersbesluit de eraan ten grondslag gelegde belangen, bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994, worden gediend en dat inzichtelijk is gemaakt op welke wijze deze belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

4.2

Niet in geschil is dat verweerder in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994 genoemde belangen aan het parkeerverbod ten grondslag heeft gelegd. Het is de rechtbank niet gebleken dat verweerder onredelijk gebruik heeft gemaakt van de daarin gelegen beoordelingsruimte. Verweerder heeft bij de besluitvorming betrokken dat de wegen op het bedrijventerrein Harnaschpolder een beperkte breedte hebben, dat er sprake is van menging van langzaam en gemotoriseerd verkeer en dat een rijrichtingscheiding ontbreekt. Ook heeft verweerder betrokken dat de geparkeerde voertuigen het zicht op de rijbaan voor uitrijdend verkeer, in hoeken, bochten en kruispunten en het onderling zicht van weggebruikers blokkeren en dat daardoor een onveilige verkeerssituatie, hinder en overlast ontstaat. Voorts is er door de geparkeerde voertuigen minder ruimte voor voetgangers om veilig gebruik te maken van de weg. Deze overwegingen komen de rechtbank niet onredelijk voor.

De enkele stelling van eisers dat er geen sprake zou zijn van een onveilige verkeerssituatie, hinder of overlast, is onvoldoende om verweerders afweging niet te volgen, nu verweerder de absolute noodzaak voor het parkeerverbod niet hoeft aan te tonen. Voorts overweegt de rechtbank dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de nadelige gevolgen voor eisers niet zodanig onevenredig zijn dat van het parkeerverbod had moeten worden afgezien. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat uit het Beeldkwaliteitsplan Bedrijventerrein Harnaschpolder Midden-Delfland volgt dat het uitgangspunt altijd is geweest dat de bedrijven op eigen terrein in hun parkeerbehoefte voorzien en dat een gestelde parkeernorm ook is betrokken bij het verstrekken van de omgevingsvergunningen.

Voor zover de parkeercapaciteit op het eigen terrein onvoldoende blijkt te zijn, kan gebruik worden gemaakt van een parkeerterrein aan de rand van het bedrijventerrein. Voorts hebben eisers niet onderbouwd dat op het terrein onvoldoende plek zou zijn. Voor zover zij hebben gesteld een deel van het parkeerterrein te gebruiken voor de opslag van materialen, wordt overwogen dat dit voor eigen rekening en risico van eisers komt. De omstandigheid dat er al sinds 2008 op de stroken langs de weg wordt geparkeerd, maakt niet dat verweerder thans niet heeft kunnen vasthouden aan het Beeldkwaliteitsplan en geen parkeerverbod heeft kunnen opleggen. Verweerder heeft er daarbij op gewezen dat er nu veel meer bedrijven op het terrein zijn gevestigd, waardoor er meer parkeeroverlast is, hetgeen een parkeerverbod rechtvaardigt.

Gelet op voorgaande heeft verweerder in redelijkheid het parkeerverbod kunnen opleggen. Nu verweerder de absolute noodzaak daarvan niet hoeft aan te tonen, behoeft de vraag of het parkeerverbod voor het hele bedrijventerrein doelmatig is geen bespreking. Ook de vraag wanneer er sprake is van een trottoir en of de desbetreffende stroken grond als zodanig moeten worden aangemerkt, behoeft geen bespreking. Dit maakt de omstandigheid dat de geparkeerde auto’s een onveilige verkeerssituatie zouden opleveren immers niet anders. Nu verweerder het parkeerverbod met het oog op de in artikel 2 van de Wvw 1994 genoemde belangen heeft mogen opleggen, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder daarmee misbruik zou hebben gemaakt van zijn bevoegdheid. Ook de vraag in hoeverre de politie capaciteit heeft voor handhaving van het parkeerverbod, doet aan de bevoegdheid van het opleggen van het parkeerverbod niet af.

4.3

Met betrekking tot de stelling van eisers dat zij ten onrechte niet zijn betrokken bij de voorbereiding van het verkeersbesluit heeft verweerder er terecht op gewezen dat hij daartoe ook niet gehouden was. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat uit de wet- en regelgeving volgt dat in ieder geval overleg dient plaats te vinden met de korpschef. Nu dit overleg heeft plaatsgevonden is niet gebleken dat het verkeerbesluit onrechtmatig tot stand is gekomen.

4.4

Voorts is het de rechtbank niet gebleken dat de bezwaarprocedure onzorgvuldig is geweest. Eisers zijn uitgenodigd voor een hoorzitting waarbij eisers de mogelijkheid hadden op de standpunten van verweerder te reageren. Eisers hebben hier evenwel geen gebruik van gemaakt. Ook de omstandigheid dat de bezwaarschriftencommissie verweerder heeft geadviseerd het bezwaar van eisers ongegrond te verklaren, maar bepaalde punten in het besluit op bezwaar beter te motiveren, maakt niet dat de bezwaarfase illusoir is. Het gaat immers om een volledige heroverweging, waarbij voor verweerder ook ruimte is om eventuele motiveringsgebreken te herstellen.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 november 2020.

griffier rechter


De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.