Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:10979

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-11-2020
Datum publicatie
17-11-2020
Zaaknummer
SGR 18/6386 t/m SGR 20/667
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Er is sprake van een langlopend conflict tussen eiser en verweerder. Bij vonnis in kort geding van 7 februari 2019 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank geoordeeld dat eiser misbruik van recht maakt. De voorzieningenrechter heeft eiser – kort gezegd – verboden om zich gedurende een aaneengesloten periode van twee jaar per kalendermaand meer dan twee keer met brieven, faxen, en e-mails of op welke wijze dan ook te richten tot verweerder, daarbij uitdrukkelijk voor bezwaar vatbare beschikkingen niet inbegrepen, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor elke keer dat dit verbod wordt overtreden, met een maximum van € 25.000,-. Bij arrest in kort geding van 25 februari 2020 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep het voormelde vonnis van 7 februari 2019 bekrachtigd. Bij vonnis in kort geding van 31 augustus 2020 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank geoordeeld dat de termijn van twee jaar waarin eiser verweerder niet mag benaderen zoals omschreven in het kort gedingvonnis van 7 februari 2019 nog niet is verstreken en dat het aantal contacten van eiser in die termijn aanzienlijk groter was dan hem op grond van dat kort gedingvonnis was toegestaan. De voorzieningenrechter acht het daarom aangewezen het contactverbod te versterken met een (nieuwe/extra) dwangsombepaling, in die zin dat eiser een dwangsom van € 500,- verbeurt voor elke keer dat hij het hem in het vonnis van 7 februari 2019 opgelegde verbod overtreedt. Gebleken is dat eiser zich stelselmatig niet houdt aan voormeld verbod. Eiser heeft grote aantallen aanvragen om bijzondere bijstand ingediend voor het griffierecht in andere door hem aangespannen beroepsprocedures en is feitelijk onverdroten doorgegaan met het benaderen van verweerder. De rechtbank oordeelt dat op grond van het door de kort geding-rechter opgelegde verbod, zoals dat door het gerechtshof is bekrachtigd, en de stelselmatige, voortdurende overtreding daarvan door eiser moet worden aangenomen dat ook bij het instellen van alle voorliggende bestuursrechtelijke beroepsprocedures die zijn gevolgd op door eiser in de verbodsperiode gedane aanvragen, in alle gevallen misbruik van recht moet worden aangenomen, zodat die beroepen alleen al daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Dit zou slechts anders kunnen zijn indien (1) eiser met bewijsstukken aantoont dat in de betreffende maand slechts twee aanvragen door hem zijn gedaan, en indien (2) uit de beroepsgronden aanstonds zou blijken dat het bij deze beroepen gaat om een reëel geschilpunt in de rechtsverhouding tussen eiser en verweerder. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aan beide voorwaarden heeft voldaan. In vrijwel alle zaken maakt eiser niet alleen misbruik van recht door de doorwerking van de civiele uitspraken, maar maakt eiser naar inhoud, handelwijze en proceshouding ook misbruik van procesrecht. De rechtbank overweegt dat het eiser in alle hier voorliggende zaken voor zover die zien op bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht op enig moment duidelijk is geworden of redelijkerwijs duidelijk had moeten worden dat de kosten voor het griffierecht in de onderliggende procedure niet (of niet meer) gemaakt zouden worden omdat het beroep in de onderliggende procedure niet-ontvankelijk was verklaard, dan wel omdat eisers beroep op betalingsonmacht in de onderliggende procedure was toegewezen. Desondanks heeft eiser al zijn aanvragen, bezwaren en beroepen gehandhaafd, zonder verweerder of de rechtbank te informeren wat er met de ‘onderliggende’ zaken is gebeurd. Ook door al zijn bezwaren en beroepen te handhaven terwijl eiser weet dat de kosten zich niet voordoen of niet meer zullen voordoen, maakt eiser misbruik van recht. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank geen redelijke verklaring gegeven waarom hij zijn aanvragen, bezwaren en beroepen handhaaft. Daarbij komt nog het volgende. Eiser heeft alleen al in de periode van 1 januari 2020 tot en met 14 augustus 2020 179 beroepen en verzoeken om voorlopige voorzieningen ingediend bij het team van de rechtbank dat bijstandszaken behandelt. Daarmee is eiser verantwoordelijk voor 10% van de instroom aan zaken bij dat team. Bij de voorlopige voorzieningen hebben de verzoeken van eiser over dezelfde periode een aandeel van 27,8%. Met deze beroepen en verzoeken belast eiser aldus het gerechtelijk apparaat onevenredig. Belangrijker is echter dat de handelwijze van eiser de behandeling van beroepen en verzoeken van andere burgers verstoort en vertraagt. Met zijn talloze kansloze beroepen en verzoeken miskent eiser het in het verbod van misbruik van bevoegdheid tot uitdrukking gebrachte bewustzijn dat hij, ook bij de uitoefening van rechten en bevoegdheden waartoe hij op grond van het recht in beginsel gerechtigd is, behoort te letten op de belangen van degenen, tot wie hij bij en door de uitoefening van die rechten en bevoegdheden in maatschappelijke relatie staat of treedt, waaronder de rechtbank en zelfs de andere burgers die een beroep op de rechtspraak moeten kunnen doen. Ten slotte weegt de rechtbank de proceshouding van eiser mee als het gaat om de behandeling van zijn beroepen ter zitting. Eiser verzoekt voortdurend om uitstel van zittingen en spreiding van de behandeling van de vele door hemzelf ingestelde beroepsprocedures. Daar staat echter tegenover dat eiser bij voortduring, en in grote aantallen tegelijk, verzoeken om voorlopige voorzieningen in lopende bodemzaken indient, waarbij hij stelt spoedeisend belang te hebben. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft in een tijdsbestek van nog geen vier maanden bijna 90 verzoeken om een voorlopige voorziening afgewezen in uitspraken van 26 mei 2020 , 5 juni 2020 , 8 juni 2020 , 17 juni 2020 , 27 juli 2020 , 11 augustus 2020 en 16 september 2020. Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat eiser zijn rechten en bevoegdheden in deze en soortgelijke zaken zodanig evident zonder redelijk doel heeft aangewend of heeft gebruikt voor een ander doel dan waartoe zij gegeven zijn, dat het aanwenden daarvan blijkt geeft van kwade trouw. Daarom is in alle zaken sprake van misbruik van recht. De rechtbank zal alle beroepen daarom niet-ontvankelijk verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 18/6386, SGR 19/3521, SGR 19/4738, SGR 19/4741, SGR 19/4743, SGR 19/4811, SGR 19/4991, SGR 19/5340, SGR 19/5525, SGR 19/5832, SGR 19/5833, SGR 19/5834, SGR 19/6089, SGR 19/6090, SGR 19/6292, SGR 19/6443, SGR 19/7115, SGR 19/7122, SGR 19/7248, SGR 19/7417, SGR 19/7669, SGR 19/7683, SGR 19/7788, SGR 19/7790, SGR 19/7996, SGR 20/311 en SGR 20/667

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 november 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst (ISD) Bollenstreek, verweerder

(gemachtigde: mr. D.F. Rosenbaum).

Procesverloop

Bij besluiten van 11 maart 2019 (SGR 19/4811), 12 april 2019 (SGR 19/4738,

SGR 19/4741 en SGR 19/4743), 13 mei 2019 (SGR 19/5340), 14 mei 2019 (SGR 19/5525, SGR 19/5834 en SGR 19/6089), 15 mei 2019 (SGR 19/5833), 22 mei 2019 (SGR 19/6090), 28 mei 2019 (SGR 19/7248) 13 juni 2019 (SGR 19/7122), 14 juni 2019 (SGR 19/7115),

17 juni 2019 (SGR 19/7683 en SGR 20/667), 25 juni 2019 (SGR 19/7417 en SGR 19/7788), 26 juni 2019 (SGR 19/7790), 15 juli 2019 (SGR 20/311), 30 juli 2019 (SGR 19/7669) heeft verweerder de aanvragen van eiser om bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht afgewezen.

Bij besluiten van 11 april 2018 (SGR 18/6386), 1 april 2019 (SGR 19/3521) en 17 juni 2019 (SGR 19/5832) heeft verweerder de ingebrekestellingen dan wel verzoeken om een dwangsom afgewezen.

Bij besluit van 29 april 2019 heeft verweerder een eerder genomen besluit van 15 april 2019 ingetrokken in afwachting van nadere besluitvorming (SGR 19/4991).

Bij besluit van 24 mei 2019 heeft verweerder de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand voor reiskosten in verband met een zitting bij de rechtbank afgewezen (SGR 19/6292).

Bij besluit van 11 juni 2019 heeft verweerder het door eiser op 3 juni 2019 gedane verzoek om een eerder genomen besluit van 15 januari 2019 te herzien afgewezen (SGR 19/6443).

Bij besluit van 16 juli 2019 heeft verweerder de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand voor de lokale heffingen van 2019 afgewezen (SGR 19/7996).

Verweerder heeft de bezwaren van eiser in alle zaken kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht (de bestreden besluiten).

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Bij uitspraak van 27 januari 2020 heeft de rechtbank het beroep met zaaknummer

SGR 19/3521 niet-ontvankelijk verklaard. Het daartegen gedane verzet is gegrond verklaard bij uitspraak van 17 juni 2020.

In de zaken met zaaknummers SGR 18/6386, SGR 19/4738, SGR 19/4741, SGR 19/4743, SGR 19/4811, SGR 19/4991, SGR 19/5340, SGR 19/5525, SGR 19/5832, SGR 19/5833, SGR 19/5834, SGR 19/6089, SGR 19/6090, SGR 19/6292, SGR 19/6443, SGR 19/7115, SGR 19/7122, SGR 19/7248, SGR 19/7417, SGR 19/7788, SGR 19/7790, SGR 19/7996 en SGR 20/311 zijn eiser, de heer [A] , directeur van de ISD Bollenstreek, en de heer [B] , wethouder van de gemeente Hillegom, bij brieven van 20 februari 2020 opgeroepen om te verschijnen op de regiezitting van de meervoudige kamer van 13 maart 2020. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich tijdens deze regiezitting laten vertegenwoordigen door mr. V.L.T. van Roy. Voorts zijn namens verweerder [A] , [B] en de gemachtigde van verweerder, mr. D.F. Rosenbaum, verschenen. Ter zitting hebben beide partijen aangegeven bereid te zijn om middels mediation te proberen tot een oplossing van het conflict te komen. Hiertoe heeft de rechtbank het onderzoek in deze zaken geschorst in afwachting van de uitkomst van het mediationtraject. Op 30 maart 2020 heeft het mediationbureau van de rechtbank bericht dat het mediationtraject zonder onderlinge overeenstemming beëindigd is.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet (in de zaken met zaaknummers SGR 18/6386,

SGR 19/4738, SGR 19/4741, SGR 19/4743, SGR 19/4811, SGR 19/4991, SGR 19/5340, SGR 19/5525, SGR 19/5832, SGR 19/5833, SGR 19/5834, SGR 19/6089, SGR 19/6090, SGR 19/6292, SGR 19/6443, SGR 19/7115, SGR 19/7122, SGR 19/7248, SGR 19/7417, SGR 19/7788, SGR 19/7790, SGR 19/7996 en SGR 20/311) en heeft plaatsgevonden op

23 september 2020. Tijdens deze zitting van de meervoudige kamer is tevens het beroep in de zaken met zaaknummers SGR 19/3521, SGR 19/7669, SGR 19/7683 en SGR 20/677 behandeld. Daarnaast is tijdens deze zitting van de meervoudige kamer tevens het beroep in de zaken met zaaknummers SGR 19/3941, SGR 19/6088, SGR 19/6288, SGR 19/6292, SGR 19/6443, SGR 19/7787 en SGR 19/7965 behandeld, die bij afzonderlijke uitspraken worden beoordeeld.

Eiser is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

1. Eiser heeft een beroep gedaan op betalingsonmacht. Dit beroep op betalingsonmacht is bij brief van 21 juli 2020 voorlopig toegewezen. Ter zitting van

23 september 2020 heeft de rechtbank eiser definitief vrijgesteld van het betalen van griffierecht in onderhavige zaken.

2. Eiser stelt zich in zijn beroepschriften – samengevat weergegeven – op het standpunt dat verweerder de bevoegdheid niet toekomt om een bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren vanwege misbruik van procesrecht.

3. De rechtbank overweegt het volgende.

4.1

Ingevolge artikel 3:13, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan degene aan wie een bevoegdheid toekomt haar niet inroepen voor zover hij haar misbruikt. In het tweede lid is bepaald dat een bevoegdheid onder meer kan worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.

4.2

De in artikel 3:13, eerste lid, van het BW neergelegde regel dat een bevoegdheid niet kan worden ingeroepen voor zover deze wordt misbruikt, vindt ingevolge artikel 3:15 van het BW ook toepassing buiten het vermogensrecht, tenzij de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen verzet.

4.3

De bestuursrechtelijke aard van een rechtsbetrekking verzet zich, blijkens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), niet tegen toepassing van de in artikel 3:13, eerste lid, van het BW neergelegde regel.

4.4

Artikel 3:13, gelezen in verbinding met artikel 3:15, van het BW vindt voor burgers ook toepassing bij de bevoegdheid om beroep bij de bestuursrechter in te stellen. Deze artikelen verzetten zich tegen een inhoudelijke behandeling van een bij de bestuursrechter ingesteld beroep dat misbruik van bevoegdheid behelst en bieden een wettelijke grondslag om een zodanig beroep niet-ontvankelijk te verklaren. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de CRvB van 22 januari 20191 en de uitspraak van de Afdeling van 19 november 20142.

4.5

Zoals de CRvB in de voormelde uitspraak van 22 januari 2019 heeft overwogen, zijn voor het niet-ontvankelijk verklaren van een bij een rechter ingesteld rechtsmiddel wegens misbruik van recht zwaarwichtige gronden vereist, aangezien met de niet-ontvankelijkverklaring de betrokkene in feite het recht op toegang tot de rechter wordt ontzegd. Dit geldt temeer wanneer het gaat om een door de burger tegen de overheid aangewend rechtsmiddel, gelet op de — soms zeer verstrekkende — bevoegdheden waarover de overheid beschikt. Slechts als over de zwaarwichtige gronden geen enkele twijfel bestaat, volgt niet-ontvankelijkverklaring. Zwaarwichtige gronden zijn onder meer aanwezig indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij gegeven zijn, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. Een min of meer overmatig beroep op de door de overheid geboden faciliteiten levert in het algemeen op zichzelf geen misbruik van recht op. Elk beroep op die faciliteiten brengt immers kosten met zich voor de overheid en benadeelt die overheid in zoverre. Wel kan de frequentie of intensiteit waarmee een bepaald recht of bevoegdheid wordt aangewend, in combinatie met andere omstandigheden, bijdragen aan de conclusie dat sprake is van misbruik van recht.

5. De rechtbank ziet zich in deze zaken voor de vraag gesteld of sprake is van misbruik van recht. Om deze ontvankelijkheidsvraag te kunnen beantwoorden, zal de rechtbank eerst het conflict tussen partijen weergeven, vervolgens de betekenis van de civiele uitspraken die tot op heden tussen partijen zijn gewezen onderzoeken en ten slotte de bestuursrechtelijke geschillen, waaronder de in deze uitspraak voorliggende zaken, nader bezien.

Het conflict tussen partijen

6. De onderhavige procedures staan niet op zichzelf, maar maken onderdeel uit van een langlopend conflict tussen eiser en verweerder. Sinds februari 2014 heeft verweerder verschillende uitkeringen aan eiser verstrekt onder meer op grond van de Wet werk en bijstand, het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen en de Participatiewet. Nadat op enig moment verschil van inzicht is ontstaan tussen partijen is de situatie in de jaren daarna geleidelijk ontspoord. Eiser heeft in de loop der jaren talloze aanvragen ingediend in het kader van de (bijzondere) bijstand en vele verzoeken gedaan op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Ook heeft eiser vele honderden bezwaarschriften en tientallen klachten ingediend. Verder hebben partijen over en weer meermalen aangifte gedaan bij de politie van onder meer bedreiging en smaad dan wel laster. Daarnaast zijn partijen – naast bestuursrechtelijke procedures – verwikkeld in diverse civiele procedures. Het conflict komt er – zeer kort weergegeven – op neer dat verweerder eiser verwijt dat hij misbruik van procesrecht maakt, terwijl eiser vindt dat sprake is van stelselmatig onbehoorlijk bestuur. Verschillende pogingen – onder meer op initiatief van deze rechtbank – om middels mediation tot een oplossing van dit conflict te komen, zijn gestrand.

De civiele uitspraken

7.1

Bij vonnis in kort geding van 7 februari 20193 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank geoordeeld dat eiser misbruik van recht maakt. De voorzieningenrechter heeft eiser verboden om, binnen 24 uur na betekening van dat vonnis, zich gedurende een aaneengesloten periode van twee jaar per kalendermaand meer dan twee keer met brieven, faxen, en e-mails of op welke wijze dan ook (via SMS, telefonisch, balie, enzovoort) te richten tot de ISD en/of haar medewerkers of andere organen of instellingen die zich vanwege de in art. 4 van de Wob en/of andere wettelijke bepalingen opgenomen doorzendplicht moeten wenden tot de ISD, daarbij uitdrukkelijk voor bezwaar vatbare beschikkingen niet inbegrepen, waarbij de correspondentie niet meer dan één aanvraag, bezwaar, klacht of herzieningsverzoek mag bevatten en niet mag zien op meer dan één procedure naar aanleiding van een dergelijke aanvraag, bezwaar, klacht of herzieningsverzoek, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor elke keer dat dit verbod wordt overtreden, met een maximum van € 25.000,-.

7.2

Bij arrest in kort geding van 25 februari 20204 heeft het Gerechtshof Den Haag (hierna: het gerechtshof) in hoger beroep het voormelde vonnis van 7 februari 2019 bekrachtigd. Het gerechtshof heeft onder meer overwogen dat eiser misbruik van recht maakt en het door de voorzieningenrechter opgelegde verbod niet disproportioneel is. De rechtbank citeert uit het arrest van het gerechtshof de korte samenvatting van het aan eiser opgelegde verbod, zoals opgenomen in overweging 6.2:

“Het verbod van de voorzieningenrechter laat aan [eiser] de mogelijkheid open om twee keer per maand contact met de ISD te zoeken. Hij mag dus twee keer per maand een brief, verzoek, aanvraag of ingebrekestelling aan de ISD ter behandeling geven.”

7.3

Bij vonnis in kort geding van 31 augustus 20205 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank geoordeeld dat de termijn van twee jaar waarin eiser verweerder niet mag benaderen zoals omschreven in het kort gedingvonnis van 7 februari 2019 nog niet is verstreken en dat het aantal contacten van eiser in die termijn aanzienlijk groter was dan hem op grond van dat kort gedingvonnis was toegestaan. De voorzieningenrechter acht het daarom aangewezen het contactverbod te versterken met een (nieuwe/extra) dwangsombepaling, in die zin dat eiser een dwangsom van € 500,- verbeurt voor elke keer dat hij het hem in het vonnis van 7 februari 2019 opgelegde verbod overtreedt na 24 uur na de betekening van het vonnis van 31 augustus 2020, met een maximum van € 5.000,-. Voor zover eiser ook dit maximum aan dwangsommen verbeurt, zal het vonnis van 7 februari 2019 uitvoerbaar bij lijfsdwang worden verklaard op de wijze zoals door verweerder is gevorderd. Dit laatste is volgens de voorzieningenrechter weliswaar een ultimum remedium, maar daar is de situatie dan ook naar. Minder vergaande dwangmiddelen zijn dan, volgens de voorzieningenrechter, onvoldoende gebleken.

7.4

De rechtbank constateert dat het door de voorzieningenrechter en het gerechtshof opgelegde verbod nog steeds van kracht is.

7.5

Uit de processtukken blijkt dat eiser zich stelselmatig niet houdt aan voormeld verbod. Dit volgt ook al uit hetgeen onder ‘procesverloop’ in deze uitspraak is opgenomen en uit de uitspraken van deze rechtbank van 26 augustus 20206 en 1 september 20207. Eiser heeft onder meer grote aantallen aanvragen om bijzondere bijstand ingediend voor het griffierecht in andere door hem aangespannen beroepsprocedures. Die aanvragen heeft eiser soms zelfs meermalen per dag ingediend, terwijl eiser op diezelfde dag soms ook nog andere aanvragen heeft gedaan, zoals voor reiskosten. Eiser is feitelijk – ondanks en in strijd met het verbod van de voorzieningenrechter – onverdroten doorgegaan met het benaderen van verweerder, zoals dat ook blijkt uit voormeld kort gedingvonnis van 31 augustus 2020.

7.6

De rechtbank oordeelt dat op grond van het door de kort geding-rechter opgelegde verbod, zoals dat door het gerechtshof is bekrachtigd, en de stelselmatige, voortdurende overtreding daarvan door eiser (op 12 augustus 2020 had eiser bij de ISD 1.471 werkprocessen op zijn naam staan), moet worden aangenomen dat ook bij het instellen van alle voorliggende bestuursrechtelijke beroepsprocedures die zijn gevolgd op door eiser in de verbodsperiode gedane aanvragen8, in alle gevallen misbruik van recht moet worden aangenomen, zodat die beroepen alleen al daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. Dit zou slechts anders kunnen zijn indien (1) eiser met bewijsstukken aantoont dat in de betreffende maand slechts twee aanvragen door hem zijn gedaan, en indien (2) uit de beroepsgronden aanstonds zou blijken dat het bij deze beroepen gaat om een reëel geschilpunt in de rechtsverhouding tussen eiser en verweerder. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aan beide voorwaarden heeft voldaan. Zoals de voorzieningenrechter heeft overwogen in het kort gedingvonnis van 31 augustus 2020 (rechtsoverweging 4.2) mag van eiser worden verwacht dat hij aantoont hoe vaak hij zijns inziens na betekening van het kort gedingvonnis van 7 februari 2019 contact heeft gezocht met verweerder. Eiser heeft hier echter geen enkel inzicht in geboden. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat alle aanvragen in de procedures die vermeld zijn in voetnoot 8 buiten de toegestane twee contacten per maand vallen.

7.7

De rechtbank komt tot haar oordeel omdat de ruimte die eiser als burger in beginsel heeft om aanvragen bij de ISD in te dienen, in de verbodsperiode gemotiveerd en onderbouwd is ingeperkt door de kort geding-rechter en het gerechtshof. Het zou in die situatie in strijd zijn met de strekking van de in 4.1 en 4.2 weergegeven wetsartikelen als eiser dan wel onbeperkt een inhoudelijke behandeling van beroepen over die aanvragen bij de rechtbank zou kunnen verkrijgen. In zoverre is reeds daarom in alle onderhavige zaken grond voor een niet-ontvankelijkverklaring.

7.8

In de zaken met de nummers SGR 19/5832, SGR 19/6292, SGR 19/6443 en
SGR 19/7996 is de doorwerking van de civiele uitspraken aldus de reden voor niet-ontvankelijkverklaring.

De bestuursrechtelijke geschillen

8. In alle niet in 7.8 genoemde zaken is niet alleen sprake van misbruik van recht door de doorwerking van de civiele uitspraken, maar maakt eiser naar inhoud, handelwijze en proceshouding ook misbruik van procesrecht. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

9. In de afgelopen twee jaar hebben deze rechtbank en de Afdeling al diverse uitspraken gedaan waarin de beroepen van eiser niet-ontvankelijk zijn verklaard wegens misbruik van recht. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van deze rechtbank van 15 augustus 20189, 11 april 201910, 2 oktober 201911 en 4 november 201912 in het kader van Wob-procedures. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 21 augustus 201913 en 8 mei 202014 voormelde uitspraken van de rechtbank van 15 augustus 2018 en

11 november 2019 bevestigd.

10. De rechtbank wijst ter illustratie van de hiervoor onder 8 bedoelde handelwijze en proceshouding van eiser op de procedures met de zaaknummers SGR 19/4738 en SGR 19/4743. In deze procedures heeft eiser op 8 april 2019 aanvragen om bijzondere bijstand voor griffierecht ingediend. Verweerder heeft op deze aanvragen (primaire) besluiten genomen op 12 april 2019. Uit die besluiten blijkt dat eisers beroepen op betalingsonmacht in de onderliggende procedures (die eiser separaat aan zijn aanvragen om bijzondere bijstand heeft gedaan, maar waarover hij verweerder bij die aanvragen en daarna niet heeft geïnformeerd) al waren toegewezen. Dit belet eiser echter niet om vervolgens tóch in bezwaar te gaan, en nadien in beroep te komen. Waardoor de rechtbank thans op deze beroepen moet beslissen.

11. De rechtbank overweegt dat – evenals in de hiervoor ter illustratie beschreven gevallen – het eiser in alle hier voorliggende zaken voor zover die zien op bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht15 op enig moment duidelijk is geworden of redelijkerwijs duidelijk had moeten worden dat de kosten voor het griffierecht in de onderliggende procedure niet (of niet meer) gemaakt zouden worden omdat het beroep in de onderliggende procedure niet-ontvankelijk was verklaard, dan wel omdat eisers beroep op betalingsonmacht in de onderliggende procedure was toegewezen. Desondanks heeft eiser al zijn aanvragen, bezwaren en beroepen gehandhaafd, zonder verweerder of de rechtbank te informeren wat er met de ‘onderliggende’ zaken is gebeurd. Ook door al zijn bezwaren en beroepen te handhaven terwijl eiser weet dat de kosten zich niet voordoen of niet meer zullen voordoen, maakt eiser misbruik van recht. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank geen redelijke verklaring gegeven waarom hij zijn aanvragen, bezwaren en beroepen handhaaft. Dat het, zoals eiser stelt, in een aantal gevallen gaat om een voorlopige vrijstelling, maakt het vorenstaande niet anders. De kosten doen zich immers nog steeds niet voor. Pas in het geval dat het beroep op betalingsonmacht na een voorlopige vrijstelling alsnog definitief wordt afgewezen, zouden de kosten zich voordoen. In dat geval zou eiser, zo blijkt uit artikel 6, tweede lid van de Uitvoeringsregels bijzondere bijstand ISD Bollenstreek 2016, binnen één maand nadat de kosten zijn gemaakt of duidelijk is geworden wat de kosten zijn die voor eigen rekening blijven een aanvraag om bijzondere bijstand kunnen indienen. Gelet hierop had eiser geen geldige reden om zijn beroepen te handhaven.

12. Hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 12 ten aanzien van het zinloos indienen en handhaven van procedures die zien op bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht, geldt ook voor de procedures met zaaknummers SGR 18/6386, SGR 19/3521 en SGR 19/4991.

13.1

In de procedure met zaaknummer SGR 18/6386 heeft eiser op 17 maart 2017 aan verweerder schriftelijk toestemming gevraagd voor de financiering van een auto. Bij brief van 11 april 2017 heeft verweerder op dit verzoek gereageerd. Op 3 april 2018 (ruim een jaar later dus) heeft eiser verweerder in gebreke gesteld omdat – zo blijkt uit zijn bezwaarschrift tegen de afwijzing ingebrekestelling – verweerder in de brief van 11 april 2017 niet expliciet toestemming heeft verleend voor de financiering en deze brief daarom niet als besluit in de zin van de Awb kan worden aangemerkt. De rechtbank overweegt dat uit de onderliggende rapportage van 13 april 2017 blijkt dat verweerder zich op het standpunt stelt dat het verzoek van eiser binnen de exploitatiebegroting past, maar dat niet expliciet toestemming wordt verleend omdat eiser de auto op dat moment toch al in economisch eigendom had. Verweerder is vervolgens nimmer op de brief en de daaraan ten grondslag liggende rapportage teruggekomen. In het verweerschrift heeft verweerder toegelicht dat eiser een aantal maal heeft vernomen dat het leasen van de auto geen probleem was voor verweerder. Eiser had dan ook geen aanleiding om te veronderstellen dat verweerder nog geen toestemming had verleend voor de financiering van een auto. Het ruim een jaar later alsnog indienen van een ingebrekestelling en het indienen en handhaven van rechtsmiddelen tegen het besluit op die ingebrekestelling moet dan ook worden aangemerkt als misbruik van recht.

13.2

In de procedure met zaaknummer SGR 19/3521 heeft eiser verweerder op

27 december 2018 in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een besluit op zijn bezwaarschrift van 27 augustus 2018. Uit het dossier blijkt echter dat verweerder reeds op 9 november 2018 (verzonden op 12 november 2018) een beslissing op bezwaar heeft genomen. Eiser betwist de ontvangst van dit besluit niet, maar betwist – zo blijkt uit zijn bezwaarschrift – de rechtsgeldigheid van het besluit. De rechtbank overweegt dat eiser – indien hij de rechtsgeldigheid van het besluit van 9 november 2018 betwist – beroep had moeten instellen tegen dit besluit. Het indienen van een ingebrekestelling en het indienen en handhaven van rechtsmiddelen tegen besluiten op die ingebrekestelling, terwijl het ook voor eiser evident duidelijk was of had moeten zijn dat dit niet de juiste weg was, moet naar het oordeel van de rechtbank – gelet op het overige dat in deze uitspraak is overwogen – eveneens als misbruik van recht worden aangemerkt.

13.3

In de procedure met zaaknummer SGR 19/4991 heeft verweerder bij besluit van

29 april 2019 een eerder genomen besluit (van 15 april 2019) ingetrokken in afwachting van nadere besluitvorming. Die nadere besluitvorming heeft gestalte gekregen in het besluit van 16 oktober 2019. Ondanks dit besluit heeft eiser rechtsmiddelen gehandhaafd tegen het besluit van 29 april 2019 terwijl het hem duidelijk was of had moeten zijn dat dit zinloos was nu de in dat besluit aangekondigde nadere besluitvorming reeds had plaatsgevonden. Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om ook in deze procedure te oordelen dat eiser hierdoor misbruik van recht maakt.

Onevenredige belasting en proceshouding

14. Daarbij komt nog het volgende. Eiser heeft alleen al in de periode van

1 januari 2020 tot en met 14 augustus 2020 179 beroepen en verzoeken om voorlopige voorzieningen ingediend bij het team van de rechtbank dat bijstandszaken behandelt. Daarmee is eiser verantwoordelijk voor 10% van de instroom aan zaken bij dat team. Bij de voorlopige voorzieningen hebben de verzoeken van eiser over dezelfde periode een aandeel van 27,8%. Met deze beroepen en verzoeken belast eiser aldus het gerechtelijk apparaat onevenredig. Belangrijker is echter dat de handelwijze van eiser de behandeling van beroepen en verzoeken van andere burgers verstoort en vertraagt. Met zijn talloze kansloze beroepen en verzoeken miskent eiser het in het verbod van misbruik van bevoegdheid tot uitdrukking gebrachte bewustzijn dat hij, ook bij de uitoefening van rechten en bevoegdheden waartoe hij op grond van het recht in beginsel gerechtigd is, behoort te letten op de belangen van degenen, tot wie hij bij en door de uitoefening van die rechten en bevoegdheden in maatschappelijke relatie staat of treedt, waaronder de rechtbank en zelfs de andere burgers die een beroep op de rechtspraak moeten kunnen doen.

15. Ten slotte weegt de rechtbank de proceshouding van eiser mee als het gaat om de behandeling van zijn beroepen ter zitting. Eiser verzoekt voortdurend om uitstel van zittingen en spreiding van de behandeling van de vele door hemzelf ingestelde beroepsprocedures. Daar staat echter tegenover dat eiser bij voortduring, en in grote aantallen tegelijk, verzoeken om voorlopige voorzieningen in lopende bodemzaken indient, waarbij hij stelt spoedeisend belang te hebben. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft in een tijdsbestek van nog geen vier maanden bijna 90 verzoeken om een voorlopige voorziening afgewezen in uitspraken van 26 mei 202016, 5 juni 202017, 8 juni 202018,

17 juni 202019, 27 juli 202020, 11 augustus 202021 en 16 september 202022.

16. Ook de proceshouding van eiser en de onevenredige belasting door eiser dragen daarom bij aan de conclusie van de rechtbank dat sprake is van misbruik van recht.

Conclusie

17. Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat eiser zijn rechten en bevoegdheden in deze en soortgelijke zaken zodanig evident zonder redelijk doel heeft aangewend of heeft gebruikt voor een ander doel dan waartoe zij gegeven zijn, dat het aanwenden daarvan blijkt geeft van kwade trouw. Daarom is in alle zaken sprake van misbruik van recht. De rechtbank zal alle beroepen daarom niet-ontvankelijk verklaren.

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, voorzitter, en mr. D.R. van der Meer en mr. D. Biever, leden, in aanwezigheid van mr. R.A.E. Bach, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 november 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 ECLI:NL:CRVB:2019:307

2 ECLI:NL:RVS:2014:4135

3 Zaaknummer C/09/560634 / KG ZA 18-1001

4 ECLI:NL:GHDHA:2020:287

5 ECLI:NL:RBDHA:2020:8457

6 ECLI:NL:RBDHA:2020:8481, ECLI:NL:RBDHA:2020:8482, ECLI:NL:RBDHA:2020:8483, ECLI:NL:RBDHA:2020:8484 en ECLI:NL:RBDHA:2020:8485

7 ECLI:NL:RBDHA:2020:8497 en ECLI:NL:RBDHA:2020:8498

8 SGR 19/4738, SGR 19/4741, SGR 19/4743, SGR 19/5340, SGR 19/5525, SGR 19/5832, SGR 19/5833, SGR 19/5834, SGR 19/6089, SGR 19/6090, SGR 19/6292, SGR 19/6443, SGR 19/7115, SGR 19/7122, SGR 19/7248, SGR 19/7417, SGR 19/7669, SGR 19/7683, SGR 19/7788, SGR 19/7790, SGR 19/7996, SGR 20/311 en SGR 20/667

9 ECLI:NL:RBDHA:2018:9862

10 ECLI:NL:RBDHA:2019:3584

11 ECLI:NL:RBDHA:2019:10313 en ECLI:NL:RBDHA:2019:10315

12 ECLI:NL:RBDHA:2019:11676

13 ECLI:NL:RVS:2019:2817

14 Zaaknummer 201909023/2/A3

15 SGR 19/4738, SGR 19/4741, SGR 19/4743, SGR 19/4811, SGR 19/5340, SGR 19/5525, SGR 19/5833, SGR 19/5834, SGR 19/6089, SGR 19/6090, SGR 19/7115, SGR 19/7122, SGR 19/7248, SGR 19/7417, SGR 19/7669, SGR 19/7683, SGR 19/7788, SGR 19/7790, SGR 20/311 en SGR 20/667

16 ECLI:NL:RBDHA:2020:4669 en ECLI:NL:RBDHA:2020:4670

17 ECLI:NL:RBDHA:2020:4980

18 ECLI:NL:RBDHA:2020:5117

19 ECLI:NL:RBDHA:2020:5421

20 ECLI:NL:RBDHA:2020:7007

21 ECLI:NL:RBDHA:2020:7686

22 ECLI:NL:RBDHA:2020:9144