Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:10923

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-08-2020
Datum publicatie
30-10-2020
Zaaknummer
NL20.13176
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opvolgende aanvraag asiel. Besnijdenis. Guinee. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.13176


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres,

mede namens haar twee minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2]

(gemachtigde: mr. J.A. Pieters),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).


Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.13177, via Skypeverbinding plaatsgevonden op 21 juli 2020. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Eiseres heeft de gelegenheid gekregen om te reageren op de uitspraak van de rechtbank, deze zittingsplaats, van 17 juli 2020 in de zaak met nummer NL19.22631.

Het onderzoek ter zitting is op 29 juli 2020, eveneens via Skypeverbinding, hervat. Eiseres is daarbij verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer M. Khairi. Namens verweerder is ditmaal verschenen mr. M.E.E. Disselkamp.

Inleiding en standpunten

1. Eiseres heeft de Guinese nationaliteit en is op [1988] geboren. Zij heeft eerder een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze asielaanvraag bij besluit van 15 september 2016 afgewezen. Deze beslissing staat inmiddels vast.1

2. Op 13 februari 2019 heeft eiseres opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Die aanvraag ligt ten grondslag aan het nu bestreden besluit.
Eiseres heeft aangevoerd dat zij en haar dochter [naam] , geboren op [2014] en eveneens van Guineese nationaliteit, bij terugkeer naar Guinee een reëel risico als bedoeld in artikel 3 van het EVRM lopen. Eiseres heeft gesteld dat zij zich bij terugkeer naar Guinee niet aan haar eigen herbesnijdenis en aan de besnijdenis van [naam] zullen kunnen onttrekken.

3. Verweerder heeft de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard, onder verwijzing naar de beslissing van 15 september 2016. Volgens verweerder is er sprake van een opvolgende aanvraag, waaraan eiseres geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd. Evenmin zijn er volgens verweerder nieuwe elementen of bevindingen aan de orde gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag.2

4. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat er wél nieuwe feiten en omstandigheden zijn. Zij heeft hiertoe gewezen op het volgende:

-tijdens de presentatie van eiseres bij de Guinee autoriteiten op 10 april 2018 is door medewerkers bevestigd dat eiseres en haar dochter bij terugkeer naar Guinee inderdaad hebben te vrezen voor (her)besnijdenis;

-er is sprake van een gewijzigde beslispraktijk. Dit blijkt uit het feit dat verweerder in een aantal vergelijkbare zaken, mede op grond van arresten van het Europese Hof van de Rechten van de Mens (EHRM), inwilligende beschikkingen heeft genomen.

-het thematisch ambtsbericht Guinee inzake Female Genital Mutilation en minderjarigen van mei 2020;

Overwegingen

Over het verslag van de Guineese vertegenwoordiging

5. Van de presentatie van eiseres op 10 april 2018 is een verslag opgemaakt. Hierin is, voor zover relevant, het volgende vermeld:

“(…) De delegatieleden hebben de Guinese nationaliteit van betrokkene bevestigd, echter de nationaliteit van de kinderen is niet bevestigd. De delegatieleden verklaarden dat betrokkene bij terugkeer naar Guinee het risico loopt dat haar dochter zal worden afgenomen en zal worden besneden. De dochter zou hierdoor een groot gevaar op infectie kunnen oplopen. (…)”

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat dit verslag geen nieuw element of bevinding vormt dat kan afdoen aan het besluit van 15 september 2016. Daarbij heeft verweerder mogen tegenwerpen dat de verklaring van Guineese delegatieleden niet met objectief verifieerbare informatie is onderbouwd. Verder valt uit de verklaring ook niet af te leiden op grond van welke feiten en omstandigheden de delegatieleden hun verklaring over het risico voor besnijdenis voor eiseres en haar dochter hebben gebaseerd. De enkele stelling van eiseres dat de delegatieleden vanuit hun achtergrond en kennis van de Guineese cultuur in staat geacht moeten worden om dat risico te beoordelen, volstaat niet.

Gewijzigde beslispraktijk?

7. De diverse inwilligende besluiten op asielaanvragen van vrouwen die zich hebben beroepen op vrees voor besnijdenis, leiden niet tot het oordeel dat sprake is van een gewijzigde beslispraktijk bij verweerder. Onverminderd beoordeelt verweerder in dergelijke zaken de individuele omstandigheden van de vreemdeling. Dat er sprake zou zijn van een gewijzigde beslispraktijk wordt voorts niet gestaafd door het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2020/14 (asielbeleid ten aanzien van Guinee). Verder heeft eiseres ook niet concreet gemaakt waarin het veronderstelde “oude” en “nieuwe” beleid dan van elkaar zouden verschillen.

Beroep op het gelijkheidsbeginsel en het thematisch ambtsbericht

8. Eiseres heeft drie inwilligende beschikkingen van asielzoeksters uit Guinee en Sierra Leone. De vrouwen hadden alle drie de vrees voor besnijdenis bij terugkeer naar hun landen van herkomst aangevoerd. Onder verwijzing naar deze zaken doet eiseres een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Volgens haar heeft verweerder ondeugdelijk gemotiveerd dat haar situatie op essentiële onderdelen anders is dan die van genoemde vrouwen. Verweerder heeft in dit verband ten onrechte gewezen op de uitspraak de ABRvS van 6 februari 2020.3 Eiseres heeft aangevoerd dat in die kwestie andere omstandigheden speelden dan bij haar aan de orde zijn, te weten:
-eiseres komt niet uit de stad [woonplaats] , maar laatstelijk uit een plaats die “ [woonplaats] ” wordt genoemd. Dit ligt tussen [woonplaats] en [woonplaats] . Eiseres is wel in [geboorteplaats] geboren, maar is op 10-jarige leeftijd naar een dorp vertrokken;

-eiseres heeft wel directe familie in Guinee, in de personen van haar oom en tante, die druk zullen uitoefenen om haar dochter te laten besnijden;

-eiseres heeft geen onderwijs genoten en is daarom niet in staat om een zelfstandig bestaan in Guinee op te bouwen.

Volgens eiseres heeft verweerder deze aspecten ten onrechte niet allemaal in zijn motivering betrokken. In dit verband heeft eiseres gewezen op het thematisch ambtsbericht van

mei 2020. Uit de pagina’s 32 en 33 volgt dat deze aspecten van belang zijn om het risico op besnijdenis te beoordelen.

9. De rechtbank is van oordeel dat aan het bestreden besluit inderdaad een motiveringsgebrek kleeft. Eiseres heeft een aantal zaken van asielzoeksters aangehaald die tot inwilligende beslissingen hebben geleid.4 Eiseres heeft gemotiveerd aangegeven waarom haar situatie vergelijkbaar zou zijn met die van de asielzoeksters in kwestie. Zo is ook zij afkomstig uit Guinee, heeft zij een dochtertje dat in Nederland is geboren en is haar asielrelaas aanvankelijk ongeloofwaardig bevonden. Gelet hierop had het op de weg van verweerder gelegen om in te gaan op de diverse persoonlijke omstandigheden van eiseres, zoals of zij uit [woonplaats] afkomstig is, haar opleidingsniveau, of zij eerder in haar eigen levensonderhoud heeft voorzien en de omstandigheid dat zij zelf besneden is.5

10. Ter zitting heeft verweerder aanvullende motiveringen aangedragen. Verweerder heeft het volgende aangevoerd:

-het staat vast dat eiseres in [geboorteplaats] is geboren en dat zij uit die stad komt. Eiseres is bij haar oom en tante in [woonplaats] opgegroeid en pas veel later naar “ [woonplaats] ” vertrokken;

-eiseres heeft inderdaad weinig tot geen onderwijs gevolgd. Met hulp van bijvoorbeeld de organisatie OPROGEM in [woonplaats] wordt zij evenwel in staat geacht om in haar eigen levensonderhoud en die van haar kinderen te kunnen voorzien;

-de identiteit van eiseres staat niet vast. Hierdoor moet aan andere delen van haar relaas worden getwijfeld. Zo is niet geloofwaardig dat zij problemen heeft gehad met haar oom en tante, in verband met de onmogelijkheid om haar te besnijden als gevolg van haar

onwettige zwangerschap. De twijfel omtrent haar identiteit leidt ook tot twijfel over de verklaringen van eiseres dat zij ongeschoold is, dat zij op 10-jarige leeftijd uit [woonplaats] is vertrokken en dat zij eerder in Guinee niet in haar eigen levensonderhoud heeft voorzien;

-voornoemde twijfel strekt zich ook uit over de omstandigheid dat eiseres zelf besneden is. Nu de problemen met de oom en tante niet geloofwaardig zijn, is niet aannemelijk dat eiseres zich bij terugkeer naar Guinee niet aan haar gestelde vrees voor besnijding kan onttrekken. Dat zij eerder zelf al besneden is, maakt dit niet anders.

Op grond van deze nadere motiveringen slaagt het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel niet, aldus verweerder. De rechtbank toetst hierna of deze motiveringen het geconstateerde gebrek alsnog herstellen.

11. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat eiseres uit [woonplaats] komt. Uit de gehoren in de vorige asielprocedure blijkt dat eiseres heeft verklaard dat zij in [woonplaats] is geboren, dat zij vanaf haar 10e bij haar oom en tante in [wijk] , een wijk of buurt in [woonplaats] , heeft gewoond en dat zij in 2013 vanwege de problemen met haar oom en tante naar de plaats “ [woonplaats] ” is gevlucht. Deze verklaring strookt niet met de verklaring die eiseres ter zitting van 29 juli 2020 heeft afgelegd, namelijk dat zij op haar 10e vanuit de stad naar een dorp is vertrokken. Zonder nadere onderbouwing voor dit verschil met haar eerdere verklaring, heeft verweerder aan de verklaring van 29 juli 2020 voorbij mogen gaan.

12. De rechtbank volgt verweerder ook in het standpunt dat de gestelde problemen van eiseres met haar oom en tante ongeloofwaardig zijn bevonden. Dit maakt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Guinee druk van haar familie zal ervaren om zich en haar dochter te laten besnijden. De onaannemelijkheid van het bestaan van deze druk wordt niet weggenomen door de omstandigheid dat eiseres eerder besneden is.

13. De rechtbank laat de tussen partijen bestaande discussie over het opleidingsniveau en de eerdere economische zelfstandigheid van eiseres onbesproken. Deze discussie laat namelijk onverlet dat eiseres naar [woonplaats] kan terugkeren. Dit vloeit immers voort uit hetgeen is overwogen onder 11 en 12. Ongeacht het opleidingsniveau of de economische zelfstandigheid van eiseres, heeft verweerder niet ten onrechte aangevoerd dat eiseres zich bij terugkeer naar [woonplaats] voor hulp, begeleiding en bijstand tot bijvoorbeeld een organisatie als OPROGEM kan wenden.

14. Uit 11, 12 en 13 volgt dat verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, toereikend heeft gemotiveerd dat de situatie van eiseres op essentiële onderdelen verschilt van de zaken waarnaar eiseres heeft verwezen. In die zaken was immers aan de orde dat de asielzoeksters uit dorpen kwamen, waar zij zich niet aan de sociale druk om zich te laten besnijden konden onttrekken. In het geval van eiseres zijn deze omstandigheden niet aan de orde. Daar komt bij dat van eiseres verwacht kan worden dat zij zich met hulp van bijvoorbeeld OPROGEM staande kan houden in Guinee.

15. Het voorgaande betekent dat verweerder het motiveringsgebrek heeft hersteld. De rechtbank ziet aanleiding om het gebrek te passeren. Eiseres is door de gang van zaken niet in haar belang geschaad, omdat zij ter zitting voldoende gelegenheid heeft gehad om op de nadere motivering van verweerder te reageren.6

16. Het beroep is ongegrond. Het geconstateerde motiveringsgebrek leidt er evenwel toe dat de rechtbank verweerder veroordeelt in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.050,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.Y. Wong, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Dit op grond van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juli 2017, nr. 201704732/2/V1.

2 Verweerder heeft toepassing gegeven aan artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

3 ECLI:NL:RVS:2020:388

4 Eiseres heeft in dit verband verwezen naar de uitspraak van de rechtbank, deze zittingsplaats, van 19 april 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:4148.

5 Dat deze persoonlijke omstandigheden relevant zijn, blijkt volgens eiseres uit de uitspraak van de rechtbank, deze zittingsplaats, van 17 juli 2020, NL19.22631.

6 De rechtbank geeft hierbij toepassing aan artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht.