Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:10729

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-08-2020
Datum publicatie
03-11-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 6362
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Participatiewet. Schending inlichtingenplicht. Voldoende grondslag voor het standpunt dat eiseres niet haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/6362

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 augustus 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. R.G. Jagesar),

en

het college van burgemeester en wethouder van Zoetermeer, verweerder

(gemachtigde: M. Roodhorst).

Procesverloop

Bij besluit van 17 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten het recht op uitkering van eiseres op grond van de Participatiewet (Pw) in te trekken over de periode van 1 januari 2017 tot en met 16 november 2017 en van 7 december 2017 tot en met
8 april 2019. Tevens is in verband hiermee een bedrag van € 30.718,77 teruggevorderd.

Bij besluit van 29 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en de tolk in de Turkse taal P.B. den Butter. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Wat ging er aan de zaak vooraf?

1. Eiseres ontvangt vanaf 6 januari 2016 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande. Eiseres heeft bij haar aanvraag om bijstand opgegeven woonachtig te zijn op het adres [adres] [huisnummer 1] te [plaats 1] (het uitkeringsadres).

2. Naar aanleiding van een melding van woningbouwvereniging Vidomes dat de woning op het uitkeringsadres leeg stond, heeft verweerder onderzoek gedaan naar de woon- en leefsituatie van eiseres. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een onderzoeksrapport van de sociale recherche van 8 april 2019 (het onderzoeksrapport). Op grond van dit onderzoeksrapport heeft verweerder geconcludeerd dat eiseres vanaf 1 januari 2017 niet haar hoofdverblijf op het uitkeringsadres heeft gehad. Verweerder heeft daarom bij het primaire besluit het recht op bijstand van eiseres over de periode van 1 januari 2017 tot en met 16 november 2017 en van 7 december 2017 tot en met 8 april 2019 ingetrokken en een bedrag van € 30.718,77 van eiseres teruggevorderd.

3. Verweerder stelt zich in deze besluitvorming op het standpunt dat eiseres de op haar rustende inlichtingenplicht heeft geschonden door niet te melden dat zij vanaf 1 januari 2017 niet haar hoofdverblijf heeft gehad op het uitkeringsadres.

4. Eiseres kan zich daarin niet vinden en voert, samengevat, het volgende aan. De woning van eiseres stond een korte tijd leeg omdat eiseres haar woning aan het opknappen was en zij ook nieuwe meubels gekocht had. De twee in het rapport genoemde waarnemingen van 7 en 14 maart 2019 mogen niet voor het bewijs worden gebruikt omdat deze zeer kortdurend en selectief zijn en niet voldoen aan de eisen die de Raad van State heeft neergelegd in de uitspraak die is gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:RVS:2017:1179. Er was evenmin een redelijke grond om tot het huisbezoek van 26 maart 2019 over te gaan en daarnaast kunnen de bevindingen van het huisbezoek niet tot de conclusie leiden dat eiseres niet haar hoofdverblijf in de woning had. Tijdens het huisbezoek en het verhoor was bovendien een medewerker van de gemeente [plaats 1] aanwezig in plaats van een beëdigde en onafhankelijke tolk, hetgeen zou kunnen hebben geleid tot belangenverstrengeling. De verklaringen van de buren kunnen niet tot de conclusie leiden dat eiseres niet haar hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. De reden dat zij weinig gezien is door de buren is dat zij een tijdje veel binnen heeft gezeten in verband met psychische problemen. Ook de pintransacties tonen niets aan. Eiseres doet regelmatig boodschappen in [plaats 2] vanwege de Turkse producten die daar te koop zijn. Ook doet ze vaak boodschappen met haar ex-partner en haar vriendin omdat zij een auto tot hun beschikking hebben. Eiseres heeft in het verleden wel in [plaats 2] gewoond waardoor zij daar nog een sociaal netwerk heeft en ze daar dus ook vaak te vinden is.

Heeft eiseres de inlichtingenplicht geschonden?

5. Voorop staat dat het hier gaat om een voor eiseres belastend besluit, namelijk de intrekking van haar recht op bijstand en de terugvordering van de over de te beoordelen periode verstrekte kosten van bijstand. Bij een dergelijk besluit is het aan het bestuursorgaan om de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de bewijslast in beginsel niet op eiseres maar op verweerder rust. Derhalve ligt het op de weg van verweerder om aannemelijk te maken dat eiseres in de te beoordelen periode niet haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.

6. Het hoofdverblijf van een betrokkene ligt daar waar zich het zwaartepunt van het persoonlijk leven bevindt en dient te worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden1. Voor de beoordeling van het recht op bijstand ingevolge de Pw is van belang dat duidelijk is waar iemand woont. Daarom is de belanghebbende verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken. De rechtbank is van oordeel dat eiseres dat in de te beoordelen periode niet heeft gedaan. De bevindingen uit het onderzoeksrapport zijn voldoende voor de conclusie dat eiseres in de te beoordelen periode niet haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Verweerder heeft de bevindingen van dat onderzoek daarom terecht aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Hierbij neemt de rechtbank het volgende in overweging.

7. Allereerst heeft eiseres ter zitting verklaard dat zij elke week ongeveer 3 à 4 dagen in [plaats 2] verbleef bij haar ex-partner. Deze verklaring komt in grote lijnen overeen met de verklaring van eiseres die zich in het onderzoeksrapport bevindt. Ook daaruit blijkt, kort gezegd, dat eiseres meer in [plaats 2] dan in [plaats 1] verblijft. De rechtbank verwijst hiervoor naar de volgende passages: “De buren hebben verklaard dat er al zeker vanaf de kerst 2016 een jong stel heeft gewoond. Daarbij hebben wij foto’s van u en van de heer [A] laten zien en de buren herkenden u niet als zijnde de buurvrouw. Wat kunt u hierover verklaren?: Dat kan kloppen. Dan hebben mijn buren [B] en haar partner beschreven. Die verbleven soms ook bij mij en ik had ook steun aan hun gehad, omdat ik mijn broer heb verloren (…) Ik ben eerlijk gezegd 3 dagen in de week in [plaats 1] en 4 dagen in [plaats 2] . En de andere week is dat weer andersom.

(…) Als we naar uw transacties kijken dan pint u het meest in [plaats 2] . Waar ligt dan

het zwaartepunt van uw leven?: Nee dat is echt 50 procent in [plaats 1] en 50 procent in [plaats 2] . (…) Ik ben een paar dagen in [plaats 2] en een paar dagen hier.

(…) Maar wij hebben het idee dat u niet de waarheid vertelt omdat u bang bent om uw uitkering te verliezen. Waar bent u nu hoofdzakelijk? Ik ben meer daar dan hier.

(…) Dus als we het samenvatten: Het hoofdverblijf heeft u in [plaats 2] , de dagelijkse activiteiten buiten de deur en de dagelijkse boodschappen vinden plaats in [plaats 2] . Klopt dat?: Als u het samenvat klopt dat wat u zegt, maar als dit betekent dat ik mijn uitkering

daardoor kwijtraak dan ga ik mezelf wat aandoen”.

De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan deze verklaring nu eiseres ook ter zitting heeft bevestigd dat zij de bij het gesprek aanwezige tolk in de Turkse taal heel goed begreep en dat deze haar in detail dingen had uitgelegd. Daarnaast zit in het dossier een mailbericht van deze tolk waarin zij schrijft dat het contact met eiseres goed en soepel verliep. Het betoog van eiseres dat zij door de angst en stress tijdens het gesprek verkeerd heeft verklaard is tegen die achtergrond niet onderbouwd en wordt daarom niet gevolgd.

8. Verder bevat het onderzoeksrapport de uitkomsten van een buurtonderzoek rond het uitkeringsadres waaruit samengevat blijkt dat eiseres niet wordt herkend als de bewoonster van nummer [huisnummer 1] . Zakelijk weergegeven hebben de buurtbewoners het volgende verklaard.

  • -

    De bewoonster van nummer [huisnummer 5] herkende eiseres en haar ex-partner van de getoonde foto’s en meende dat dit de buren waren van nummer [huisnummer 1] . Zelf woonde ze sinds 2013 op nummer [huisnummer 5] en had hen in al die jaren slechts twee- of driemaal gezien.

  • -

    De bewoonster van nummer [huisnummer 2] had eiseres wel eens gezien, maar verklaarde dat dit niet de buurvrouw van nummer [huisnummer 1] was. Op nummer [huisnummer 1] woonde volgens haar een meisje van ongeveer [huisnummer 2] jaar dat er drie jaar had gewoond. Het laatste half jaar woonde de vriend van dat meisje er ook. De bewoonster zag hen enkele keren per week. Onlangs zijn ze verhuisd.

  • -

    De bewoner van nummer [huisnummer 3] verklaarde dat op nummer [huisnummer 1] een jong stel woonde dat onlangs is verhuisd. De vrouw op de getoonde foto’s had hij recentelijk voor het eerst gezien. Het jonge stel had volgens hem twee à drie jaar gewoond op nummer [huisnummer 1] . In ieder geval sinds de kerst van 2016, want toen had de vader van het buurmeisje tegen hem gezegd dat hij de gang zo leuk versierd vond. Toen woonde het stel er net.

  • -

    De bewoonster van nummer [huisnummer 4] heeft verklaard dat zij de vrouw en man van de getoonde foto’s vorige week voor het eerst in de lift had gezien. Zij gingen naar binnen bij nummer [huisnummer 1] . Dit vond zij vreemd omdat daar een meisje woonde van ongeveer [huisnummer 1] jaar. Dat meisje was een paar weken eerder verhuisd en had er ongeveer drie jaar gewoond.

De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de inhoud van deze verklaringen nu deze in grote lijnen met elkaar overeenkomen en ze bovendien gedetailleerd en concreet zijn. Daarnaast strookt het feit dat op het moment van de melding de woning leeg stond met de verklaringen van de buren van nummer [huisnummer 3] , [huisnummer 2] en [huisnummer 4] dat het jonge stel recentelijk was verhuisd. Ook stroken deze verklaringen met de eigen verklaring van eiseres dat zij hoofdzakelijk in [plaats 2] verbleef. Het betoog van eiseres dat zij weinig buiten kwam in verband met haar psychische gesteldheid en het feit dat de dochter van een vriendin wel eens bij haar logeerde zijn van onvoldoende gewicht om deze verklaringen te ontkrachten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking het feit dat dat uit de pintransacties blijkt dat eiseres wel degelijk regelmatig buiten kwam om te winkelen, zij daarnaast regelmatig heeft gereisd en zij (naar eigen zeggen) een sociaal leven in [plaats 2] heeft.

9. Tenslotte wordt hetgeen onder 7 en 8 wordt overwogen ondersteund door de bankafschriften van eiseres over de periode van 2 februari 2016 tot en met 1 maart 2019. Hieruit blijkt, kort gezegd, dat zij vanaf september 2016 steeds meer transacties verrichtte in [plaats 2] . Daarbij valt op dat zij met grote regelmaat bij Euro Supermarkt (op 280 meter afstand van de woning van haar ex-partner) en bij de Action, Aldi, Jumbo, SK slagerij op de [weg] (ongeveer 700 meter van de woning van haar ex-partner) winkelt.

10. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van eiseres ter zitting en in het onderzoeksrapport, de uitkomsten van het buurtonderzoek en de pintransacties voldoende grondslag bieden voor het standpunt dat eiseres niet haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht de conclusie kunnen trekken dat het zwaartepunt van het persoonlijk leven van eiseres zich niet op het uitkeringsadres bevindt. Nu eiseres verweerder geen duidelijkheid heeft gegeven over haar woonsituatie, heeft zij in strijd gehandeld met de inlichtingenverplichting, zoals bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw2. De beroepsgronden die zien op de waarnemingen van 7 en 14 maart 2019, de melding van Vidomes en het huisbezoek doen aan dit oordeel niet af en behoeven daarom geen verdere bespreking.

Heeft verweerder de bijstand terecht ingetrokken?

11 . Door het schenden van de inlichtingenplicht was verweerder niet (langer) in staat het recht op bijstand vast te stellen. Wanneer het recht op bijstand niet langer kan worden vastgesteld doordat de inlichtingenverplichting is geschonden, is dat een grond voor intrekking van dat recht3. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat zij, indien zij de inlichtingenverplichting wel zou zijn nagekomen, een te honoreren aanspraak op bijstand zou hebben gehad. Verweerder was daarom op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw verplicht het recht van eiseres op bijstand met ingang van
1 januari 2017 in te trekken4 en op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw de kosten van bijstand die door de schending van de inlichtingenplicht te veel zijn ontvangen, terug te vorderen.

Conclusie

12. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht de bijstandsuitkering van eiseres per 1 januari 2017 ingetrokken en de over de te beoordelen periode verstrekte kosten van bijstand teruggevorderd, op de grond dat eiseres niet heeft voldaan aan haar inlichtingenverplichting en dat daardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

13. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 18 augustus 2020 door mr. C.J. Waterbolk, voorzitter, en mr. O.M. Harms en mr. N. Achahbar, leden, in aanwezigheid van mr. E. Denters, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de rechtbank van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage: Relevante wet- en regelgeving

Artikel 17 eerste lid van de Participatiewet: Inlichtingenplicht

De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.

Artikel 54, derde lid, van de Participatiewet: Onjuiste gegevens en onvoldoende medewerking

3 Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Artikel 58 van de Participatiewet: Terugvordering

1 Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB): ECLI:NL:CRVB:2019:3514

2 Zie de bijlage voor alle relevante wet- en regelgeving

3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB: ECLI:NL:CRVB:2019:4096

4 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB: ECLI:NL:CRVB:2018:203