Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:10706

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-10-2020
Datum publicatie
26-10-2020
Zaaknummer
C/09/598427 / KG-ZA 20-786
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2021:897, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Veroordeling Staat om op de ter zake gebruikelijke wijze geprivilegieerd telefonisch contact via een geheimhoudersnummer te faciliteren tussen een medewerker van het advocatenkantoor van mr. Schouten en een cliënt van dit kantoor in detentie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2021/106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/598427 / KG ZA 20-786

Vonnis in kort geding van 5 oktober 2020

in de zaak van

1 mr. PETRUS CORNELIS SCHOUTEN, h.o.d.n. Schouten Legal Advocaten,

te Breda,

eiser,

advocaat mr. O.E. de Jong te Den Haag,

2. [eiser 2] te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. P.C. Schouten te Breda,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid, meer in het bijzonder het Openbaar Ministerie en de Dienst Justitiële Inrichtingen) te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. R.W. Veldhuis te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘Schouten’, ‘ [eiser 2] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 31 augustus 2020, met producties;

- de brief van mr. Veldhuis van 18 september 2020, met producties;

- de op 21 september 2020 achter gesloten deuren gehouden mondelinge behandeling, waarbij door alle partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Bij de rechtbank Amsterdam is de strafzaak onder de naam [X] aanhangig tegen [verdachte] en zestien medeverdachten (hierna: ‘de [X]-strafzaak’). [de kroongetuige] (hierna: ‘de kroongetuige’) heeft als verdachte in dit proces in ruil voor een toezegging tot strafvermindering belastende verklaringen afgelegd over [verdachte] en verscheidende medeverdachten. Op 29 maart 2018 is de broer van de kroongetuige vermoord en op 18 september 2019 zijn toenmalige advocaat. Vervolgens hebben enkele opvolgende advocaten om uiteenlopende redenen hun rechtsbijstand aan de kroongetuige neergelegd.

2.2.

De kroongetuige heeft zich begin 2020 tot Schouten gewend en hem verzocht op te treden als zijn advocaat en [eiser 2] als zijn vertrouwenspersoon c.q. woordvoerder. Schouten en [eiser 2] hebben daarop in maart 2020 gesprekken gevoerd met het Openbaar Ministerie (OM) over de vraag of, en zo ja hoe, zij de door de kroongetuige verlangde rollen zouden kunnen vervullen. In dat kader heeft [eiser 2] twee keer een ontmoeting gehad met de kroongetuige op een geheime locatie. Het OM heeft vervolgens op 6 mei 2020 te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen de aanstelling van Schouten en (inmiddels tevens) mr. O.E. de Jong als advocaten van de kroongetuige. Het OM deelde tevens mee voor het sluiten van een overeenkomst met [eiser 2] in de rol van vertrouwenspersoon/woordvoerder geen mogelijkheden te zien. Het OM heeft die beslissing bij brief van 8 mei 2020 aldus gemotiveerd:

“Rechtsbijstand in een strafzaak vindt plaats door advocaten en niemand anders. Advocaten nemen in het strafproces dan ook een bijzondere positie in. De verantwoordelijkheden die die positie met zich meebrengt worden gewaarborgd door de beroepsregels waaraan een advocaat is gebonden. Het zou uiteindelijk in strijd zijn met de daar achterliggende idee en systematiek om door middel van een overeenkomst een niet-advocaat de facto een zelfde positie te laten innemen.”

De brief eindigt als volgt:

Ik sluit af met de opmerking dat deze beslissing niet voorkomt uit een gebrek aan vertrouwen van het Landelijk Parket richting [eiser 2] , wij kennen hem als iemand die zich aan de gemaakte afspraken houdt.”.

2.3.

[eiser 2] is met ingang van 1 juli 2020 in dienst getreden bij het advocatenkantoor van Schouten, te weten Schouten Legal Advocaten, in de functie van adviseur/woordvoerder. Het betreft een tijdelijk dienstverband voor in beginsel één jaar, zulks met de mogelijkheid tot verlenging. De op 1 juli 2020 door Schouten en [eiser 2] ondertekende arbeidsovereenkomst bevat de volgende geheimhoudingsclausule:

Artikel 8.

De werknemer is verplicht tot geheimhouding van alle gegevens over het bedrijf, de bedrijfsvoering en klanten van werkgever waarvan hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat deze vertrouwelijk zijn. Deze verplichting geldt ook na beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De geheimhouding geldt tevens als een ‘afgeleide’ geheimhouding in het kader van het beroepsgeheim zoals dat voor de op kantoor werkzame advocaten geldt, conform de Advocatenwet en de Regels en Verordeningen van de Nederlandse Orde van Advocaten.”

2.4.

Schouten heeft het OM en de directeur van de PI waar de kroongetuige verblijft (hierna: ‘de PI-directeur’) bij brieven van 6 juli 2020 op de hoogte gesteld van het dienstverband tussen zijn kantoor en [eiser 2] . Daarbij heeft Schouten erop gewezen dat de met [eiser 2] overeengekomen geheimhoudingsplicht een van de op hem als advocaat rustende geheimhoudingsplicht afgeleide geheimhoudingsplicht betreft en heeft hij benadrukt dat hij zelf verantwoordelijk is voor de naleving door [eiser 2] van deze verplichting. Daarnaast heeft Schouten aan het OM en de PI-directeur medegedeeld dat [eiser 2] de beschikking krijgt over een kantoortelefoon, die als geheimhouderstelefoon bij de Nederlandse Orde van Advocaten (NOVA) is aangemeld, en dat hij met die telefoon contact zal hebben met de kroongetuige. Daarnaast heeft Schouten de PI-directeur namens de kroongetuige (kennelijk in navolging van een reeds daartoe op 22 mei 2020 gedaan verzoek) verzocht naast telefonisch contact ook bezoeken van [eiser 2] aan de kroongetuige toe te staan, al dan niet in het bijzijn van zijn twee advocaten.

2.5.

Het OM heeft in reactie op de brief van 6 juli 2020 bij e-mail van 7 juli 2020 onder meer als volgt aan Schouten bericht:

“Wat betreft het ter beschikking stellen van een geheimhouderstelefoon aan [eiser 2] , daar kunnen wij niet mee instemmen. Zoals wij al eerder aangaven, [eiser 2] is geen advocaat en daarmee niet gebonden aan tuchtrechtelijke waarborgen. De tussen jouw kantoor en hem afgesloten arbeidsovereenkomst brengt hem ook niet onder de hoede van dat tuchtrecht.

Wij zullen in ieder geval aan de directeur van de PI waar de kroongetuige verblijft doorgeven dat geprivilegieerde gesprekken alleen tussen (de nummers van) jou en Onno de Jong kunnen plaatsvinden.”

2.6.

Bij brief van 14 juli 2020 heeft de PI-directeur Schouten naar aanleiding van diens brief van 6 juli 2020 onder meer als volgt bericht:

“Waar het gaat om de kwalificatie van de heer [eiser 2] als vertrouwenspersoon van de kroongetuige, merk ik op dat uw cliënt deze kwalificatie zelf geeft aan de heer [eiser 2] in het kader van de strafzaak. Dit betreft een aangelegenheid tussen uw cliënt en het Openbaar Ministerie. Nu het OM mij heeft bericht dat de heer [eiser 2] niet als vertrouwenspersoon is gekwalificeerd laat ik de heer [eiser 2] ook niet als zodanig toe. Toelating van de heer [eiser 2] , als vertrouwenspersoon, is namelijk strijdig met het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting (artikel 36, vierde lid, onder a van de Pbw). Op grond van artikel 38 jo. artikel 36, vierde lid, van de Pbw is het bezoek dan ook geweigerd. Indien uw cliënt zich daar niet mee kan verenigen staat tegen mijn beslissing beklag open.

(…)

De voorziening die u beschrijft (“geheimhouderstelefoon”) is het nummerherkenningsysteem dat DJI in staat stelt om na te gaan of een telefoongesprek wordt gevoerd met een geheimhouder ter waarborging van de vertrouwelijkheid van de met dezen te voeren telefoongesprekken. Met een geheimhouder wordt bedoeld een in Nederland ingeschreven advocaat, alsmede de advocaat bedoeld in artikel 16h van de Advocatenwet. De heer [eiser 2] is geen advocaat en dus ook geen geheimhouder. Hetgeen u aandraagt in dit verband maakt dit niet anders. De afgeleide vorm van het beroepsgeheim van de advocatenwet brengt niet met zich dat een persoon als advocaat mag optreden of van de daarbij behorende privileges gebruik mag maken. Indien u de heer [eiser 2] aanmeldt via de Orde om gebruik te laten maken van de voorziening voor geheimhouders wordt er misbruik gemaakt van deze voorziening. Daarbij heeft het Openbaar Ministerie u laten weten evenmin in te stemmen met het ter beschikking stellen van een geheimhouderstelefoon aan de heer [eiser 2] .”

2.7.

Schouten heeft namens [eiser 2] bij de beroepscommissie van de RSJ een pro forma klaagschrift ingediend tegen de beslissing van de PI-directeur om [eiser 2] niet in staat te stellen de kroongetuige te bezoeken.

3 Het geschil

3.1.

Schouten en [eiser 2] vorderen – zakelijk weergegeven – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. de Staat te verbieden op enigerlei wijze te verhinderen dat contact via een geheimhoudersnummer plaatsvindt tussen [eiser 2] en de kroongetuige, zulks zolang sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen [eiser 2] en het advocatenkantoor van Schouten;

II. de Staat te gebieden hangende het bestaan van voormelde arbeidsovereenkomst alle medewerking te verlenen aan het tot stand brengen van contact tussen [eiser 2] en de kroongetuige via een geheimhoudersnummer;

III. de Staat te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

Daartoe voeren Schouten en [eiser 2] – samengevat – het volgende aan. [eiser 2] zal zich in zijn functie van adviseur/woordvoerder ten behoeve van de verdediging van de kroongetuige voornamelijk gaan bezighouden met nader feitenonderzoek hangende het vooronderzoek en het bepalen van de mediastrategie, die in een extreem mediagevoelige strafzaak als de [X]-strafzaak deel uitmaakt van de juridische processtrategie. Daarbij gaat het onder meer om de wijze van reageren op de door de advocaten van medeverdachten in de media gedane negatieve uitlatingen over de kroongetuige. Daarnaast zal [eiser 2] adviseren over veiligheidsbelangen van de kroongetuige en diens familieleden en over aan het strafproces gerelateerde kwesties, waarover binnen de familie van de kroongetuige onenigheid bestaat. Met het aannemen van [eiser 2] wordt volgens Schouten voorzien in een optimale rechtsbijstand aan de kroongetuige, aangezien [eiser 2] over zeer waardevolle ervaring beschikt, die hij in vergelijkbare functies in andere mediagevoelige strafzaken heeft opgedaan. Voor het verrichten van de hiervoor genoemde werkzaamheden dient [eiser 2] zich rechtstreeks telefonisch met de kroongetuige te kunnen verstaan. [eiser 2] heeft in zijn functie van adviseur/woordvoerder bij het verrichten van die werkzaamheden een van de op Schouten als advocaat rustende geheimhoudingsplicht afgeleide geheimhoudingsplicht, terwijl hij voorts gebonden is aan een contractueel bedongen geheimhoudingsplicht. Daarbij wijzen Schouten en [eiser 2] erop dat [eiser 2] in zijn voormalige positie als directeur van een advocatenkantoor eveneens aan een (afgeleide) geheimhoudingsplicht was gebonden en hij zich hier ook altijd aan heeft gehouden. Volgens Schouten verplichten de Advocatenwet en de Verordening op de advocatuur (hierna: ‘de Verordening’) hem ertoe de contacten tussen [eiser 2] en de kroongetuige via een geheimhoudersnummer te laten verlopen. Volgens Schouten komt aan het OM niet de bevoegdheid toe zich te mengen in de wijze waarop hij zijn kantoororganisatie vormgeeft en evenmin in de toekenning van geheimhoudersnummers. Schouten stelt dat hij voor [eiser 2] een geheimhoudersnummer heeft laten registreren en dat de Deken van de Orde van Advocaten van het arrondissement Zeeland West-Brabant in diens hoedanigheid van toezichthouder op de naleving van de voor advocaten geldende wet- en regelgeving hiervan op de hoogte is gesteld en zich daartegen niet heeft verzet. Met de weigering van het OM om via het ten behoeve van [eiser 2] geregistreerde geheimhoudersnummer geprivilegieerde telefoongesprekken tot stand te brengen tussen [eiser 2] en de kroongetuige, wordt volgens Schouten het hem onmogelijk gemaakt aan zijn verplichtingen uit hoofde van de Advocatenwet en de Verordening te voldoen. Daarmee handelt de Staat volgens Schouten en [eiser 2] jegens hen beiden onrechtmatig. Schouten stelt als gevolg hiervan schade te lijden omdat hij gehouden is het salaris aan [eiser 2] te betalen, terwijl [eiser 2] niet de werkzaamheden kan verrichten waarvoor hij is aangenomen. [eiser 2] stelt schade te lijden nu hij als gevolg van dit onrechtmatig handelen zijn overeengekomen werkzaamheden niet kan verrichten, waardoor er een aanmerkelijke kans is dat zijn contract niet zal worden verlengd dan wel vroegtijdig zal worden opgezegd.

3.3.

De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

In deze procedure moet beoordeeld worden of de Staat gehouden is geprivilegieerd telefonisch contact tussen [eiser 2] en de kroongetuige via een ten behoeve van [eiser 2] geregistreerd geheimhoudersnummer te faciliteren.

4.2.

De vordering van Schouten en [eiser 2] dient te worden beoordeeld in het licht van de toepasselijke wet- en regelgeving. Op een advocaat rust op grond van artikel 11a, eerste lid, Advocatenwet een verplichting tot geheimhouding ten aanzien van al hetgeen waarvan hij uit hoofde van zijn beroepsuitoefening kennis neemt. Dezelfde verplichting geldt eveneens voor medewerkers en personeel van de advocaat en andere personen die betrokken zijn bij de beroepsuitoefening. Lid 2 van artikel 11a vermeldt dat bedoelde geheimhoudingsplicht blijft voortbestaan na beëindiging van de beroepsuitoefening of de betrekking waarin de werkzaamheden zijn verricht. Blijkens de Verordening is een geheimhouder een advocaat of een persoon met een van de advocaat afgeleide geheimhoudingsplicht en een van hem afgeleid verschoningsrecht. Een geheimhoudersnummer is blijkens artikel 1.1 van de Verordening een telefoon- of faxnummer dat doorgaans wordt gebruikt door geheimhouders voor vertrouwelijke communicatie. Artikel 6.11 van de Verordening bepaalt dat een advocaat gebruik maakt van een geheimhoudersnummer voor vertrouwelijke communicatie. Een advocaat dient er op grond van deze bepaling voor zorg te dragen dat een persoon met een van hem afgeleid verschoningsrecht hiervan eveneens gebruik maakt. Bij de NOVA aangemelde geheimhoudersnummers worden door de Orde langs geautomatiseerde weg ten behoeve van nummerherkenning aangemeld bij de betreffende eenheid van het Korps landelijke politiediensten. De Orde kan namens een advocaat behoudens diens eigen nummer aanvullend ook het doorkiesnummer van personen met een van hem afgeleid verschoningsrecht opgeven, te weten paralegals, studentstagiaires en medewerkers van de financiële administratie.

4.3.

Naar de voorzieningenrechter begrijpt betoogt de Staat ten verwere in de eerste plaats dat Schouten en [eiser 2] in hun vordering niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat het geschil feitelijk gaat om de wens van de kroongetuige tot onbelemmerd (al dan niet telefonisch) contact met [eiser 2] en de kroongetuige daartoe zelf rechtsmiddelen kan aanwenden. De Staat heeft er daarbij op gewezen dat namens de kroongetuige reeds een klaagschrift is ingediend bij de beroepscommissie van de RSJ tegen de weigering van de PI-directeur om [eiser 2] (in zijn hoedanigheid van vertrouwenspersoon) toegang tot de PI te verlenen. Volgens de Staat moet ook ter voorkoming van tegenstrijdige beslissingen de uitkomst van die procedure bij de RSJ worden afgewacht. In dat betoog kan de Staat niet worden gevolgd. Zoals Schouten en [eiser 2] met juistheid hebben opgemerkt, gaat het in deze procedure niet om de thans bij de RSJ aan de orde gestelde toegang van [eiser 2] tot de PI in zijn hoedanigheid van vertrouwenspersoon, maar om het gebruik door [eiser 2] van een geheimhouderstelefoon in zijn hoedanigheid van medewerker van het advocatenkantoor van Schouten.

4.4.

De voorzieningenrechter gaat er bij de verdere beoordeling van uit dat Schouten en [eiser 2] , zoals zij ter zitting hebben verklaard, persoonlijk contact gehad hebben met de deken van de Orde van advocaten in Zeeland West-Brabant en de deken voor het gebruik van een geheimhouderstelefoon door [eiser 2] geen beletselen zag. Aan de blote betwisting daarvan door de Staat wordt voorbijgegaan, te meer daar een advocaat in beginsel op zijn woord wordt geloofd. Het contact met de deken heeft tot gevolg gehad dat via de NOVA ten behoeve van [eiser 2] een op naam van Schouten staand geheimhoudersnummer is aangemeld. Nog daargelaten dat het niet de directeur van een PI maar het OM is dat uiteindelijk over het toestaan van het gebruik van een geheimhoudersnummer beslist, hebben Schouten als werkgever en [eiser 2] als werknemer een zelfstandig belang bij een beslissing over het door hen voorgestane gebruik door [eiser 2] van het desbetreffende geheimhoudersnummer. Een beslissing hieromtrent kan niet via het namens de kroongetuige ingediende klaagschrift bij de RSJ worden verkregen en in zoverre gaat het in deze kortgedingprocedure dus niet om de uitoefening door de kroongetuige van diens rechten onder de Penitentiaire beginselenwet (Pbw). Schouten en [eiser 2] kunnen dus in deze kortgedingprocedure in hun vordering worden ontvangen.

4.5.

Vooropgesteld wordt dat het gebruik van een geheimhoudersnummer op grond van de hiervoor geschetste wet- en regelgeving is voorbehouden aan geheimhouders, te weten advocaten en personen met een van een advocaat afgeleide geheimhoudingsplicht en een van een advocaat afgeleid verschoningsrecht. Partijen twisten over de vraag of op [eiser 2] als werknemer van het advocatenkantoor van Schouten een afgeleide geheimhoudingsplicht rust en of [eiser 2] zich derhalve op een afgeleid verschoningsrecht kan beroepen. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag voorshands bevestigend en overweegt daartoe als volgt. Hoewel juist is dat [eiser 2] aanvankelijk rechtstreeks door de kroongetuige is benaderd met het verzoek om als zijn vertrouwenspersoon op te treden en voor een dergelijke functie niet een (afgeleide) geheimhoudingsplicht of (afgeleid) verschoningsrecht geldt, is die situatie inmiddels achterhaald. [eiser 2] heeft in dat verband toegelicht dat de kroongetuige waarschijnlijk vanwege de voormalige functie van [eiser 2] als directeur van een advocatenkantoor in de veronderstelling verkeerde dat hij door [eiser 2] kon worden vertegenwoordigd. Volgens [eiser 2] was het van meet af aan zijn bedoeling om de kroongetuige tezamen met een advocaat bij te staan. Inmiddels is een arbeidsovereenkomst tussen [eiser 2] en het advocatenkantoor van Schouten gesloten uit hoofde waarvan [eiser 2] in het kader van de [X]-strafzaak de functie van adviseur/woordvoerder zal vervullen. Door Schouten en [eiser 2] is onweersproken gesteld dat [eiser 2] al zijn werkzaamheden uit hoofde van de met hem gesloten arbeidsovereenkomst in samenspraak met en onder verantwoordelijkheid van Schouten zal uitvoeren. Anders dan de Staat heeft betoogd, vormen deze werkzaamheden naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter wel degelijk een onderdeel van de door Schouten in het kader van de [X]-strafzaak aan de kroongetuige te verstrekken juridische dienstverlening. De Staat heeft betoogd dat onder deze dienstverlening uitsluitend het geven van juridisch advies en het vertegenwoordigen van de kroongetuige in juridische procedures moet worden verstaan, maar daarmee hanteert de Staat een te strikte interpretatie van wat in een extreem complexe en mediagevoelige strafzaak als de [X]-strafzaak onder juridische dienstverlening moet worden verstaan. De [X]-strafzaak is immers een voor Nederlandse begrippen uitzonderlijk omvangrijk strafproces, waarin de media een grote rol spelen. Dit blijkt onder meer uit het feit dat de kroongetuige reeds meermaals door de advocaten van de medeverdachten op een negatieve wijze in de media is neergezet. Met Schouten en [eiser 2] is de voorzieningenrechter van oordeel dat in een dergelijke uitzonderlijke mediagevoelige strafzaak het uitdenken en uitvoeren van een mediastrategie (inclusief mediawoordvoering) deel uitmaken van de door een advocaat te bepalen juridische processtrategie. Bedoelde werkzaamheden behoren dan ook, naast de feitenvergaring in het kader van het strafrechtelijk vooronderzoek, tot de werkzaamheden die Schouten en mr. De Jong als advocaten ten behoeve van de kroongetuige dienen te verrichten. In het kader van die werkzaamheden moet tussen de beide advocaten en de kroongetuige rechtstreeks contact via een geheimhoudersnummer kunnen plaatsvinden. Aan Schouten komt de bevoegdheid toe een deel van deze taken te delegeren aan [eiser 2] , die vanwege zijn ruime ervaring met woordvoering en de rol van media in grote strafzaken specifiek met het oog op die ervaring door het advocatenkantoor van Schouten als adviseur/woordvoerder is aangenomen. Op [eiser 2] rust in verband met die werkzaamheden als werknemer dan ook een van Schouten afgeleide geheimhoudingsplicht en een van Schouten afgeleid verschoningsrecht.

4.6.

De Staat heeft nog betoogd dat [eiser 2] , ook ingeval op hem een afgeleide geheimhoudingsplicht rust en hij zich kan beroepen op een afgeleid verschoningsrecht, toch geen aanspraak kan maken op het gebruik van een geheimhoudersnummer in verband met de limitatieve opsomming van hulppersonen waarvoor een nummerregistratie kan plaatsvinden. Ook in dat betoog kan de Staat echter niet worden gevolgd. Het ligt immers voor de hand dat [eiser 2] zich voor het verrichten van de hem opgedragen werkzaamheden rechtstreeks telefonisch met de kroongetuige zal moeten verstaan. Eveneens is voorshands voldoende aannemelijk dat daarbij sprake zal zijn van vertrouwelijke communicatie. Op grond van artikel 6.11 van de Verordening rust op Schouten de verplichting om er zorg voor te dragen dat die communicatie tussen [eiser 2] en de kroongetuige via een op de gebruikelijke wijze aangemeld geheimhoudersnummer plaatsvindt. Schouten heeft zonder meer aannemelijk gemaakt dat hij inmiddels in overleg met de deken via de NOVA een op zijn naam staand geheimhoudersnummer ten behoeve van [eiser 2] heeft aangemeld. Anders dan de Staat betoogt, kan voor die aanmelding in de toepasselijke regelgeving geen belemmering worden gevonden, nu de door [eiser 2] uit te voeren werkzaamheden minst genomen zijn gelijk te stellen aan die van een (super-) paralegal en de regeling op de advocatuur Geheimhoudernummers onder artikel 29, conform artikel 4 a van het door de Staat genoemde Besluit en de daarbij behorende Bijlage, voor wat betreft een dergelijke functie wel degelijk in een aanmeldmogelijkheid voorziet.

4.7.

De weigering van de Staat om medewerking te verlenen aan het tot stand brengen van contact tussen [eiser 2] en de kroongetuige via het desbetreffende geheimhoudersnummer is bij gebreke van enige aanwijzing dat [eiser 2] zich niet aan zijn geheimhoudingsplicht zal houden, aan te merken als een onrechtmatige inmenging in de bedrijfsvoering van Schouten. Schouten is immers vrij om zijn kantoororganisatie binnen de grenzen van de toepasselijke wet- en regelgeving in te richten op een wijze die hem goeddunkt. Ook jegens [eiser 2] handelt de Staat onrechtmatig, nu bedoelde weigering het [eiser 2] immers onmogelijk maakt om zijn taken uit hoofde van de arbeidsovereenkomst naar behoren uit te voeren.

4.8.

Uit het voorgaande volgt dat de Staat gehouden is om hangende het dienstverband tussen [eiser 2] en Schouten op de ter zake gebruikelijke wijze telefonisch contact tussen [eiser 2] en de kroongetuige te faciliteren via het inmiddels ten behoeve van [eiser 2] aangemelde geheimhoudersnummer. Schouten en [eiser 2] hebben ter zitting desgevraagd bevestigd dat zij – anders dan de Staat ten verwere heeft betoogd – met hun vordering niet een inperking beogen op de bevoegdheden die het OM onder omstandigheden ook jegens geheimhouders heeft. Een daartoe strekkende vordering zou overigens in dit kort geding ook niet toewijsbaar zijn aangezien het aan de strafrechter is om te oordelen over de rechtmatigheid van de eventuele toepassing van die bevoegdheden door het OM. Op die beoordeling zou vanzelfsprekend in deze kortgedingprocedure geen voorschot kunnen worden genomen. De door de Staat gestelde angst voor ongebreidelde precedentwerking bij het toestaan van geprivilegieerd contact tussen de kroongetuige en [eiser 2] via een geheimhoudersnummer kan niet tot een ander oordeel leiden. Het toestaan van dergelijk contact wordt in dit geval immers enerzijds gerechtvaardigd door de gekozen constructie, waarbij de eindverantwoordelijkheid bij Schouten als werkgever/advocaat berust en anderzijds in het zeer bijzondere karakter van de [X]-strafzaak, waarin het bepalen van een mediastrategie noodzakelijkerwijs deel uitmaakt van de door de advocaat te bepalen juridische processtrategie. Deze zeer uitzonderlijke omstandigheden rechtvaardigen niet de vrees van de Staat voor ongebreidelde precedentwerking in andere reguliere strafzaken.

4.9.

De vordering van Schouten en [eiser 2] zal op onderstaande wijze worden toegewezen. De Staat zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de door Schouten en [eiser 2] gemaakte proceskosten. Voor zover Schouten en [eiser 2] tevens een veroordeling in de nakosten vorderen, bestaat hiervoor geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

gebiedt de Staat om hangende het dienstverband tussen [eiser 2] en Schouten op de ter zake gebruikelijke wijze geprivilegieerd telefonisch contact tussen [eiser 2] en de kroongetuige te faciliteren via het ten behoeve van [eiser 2] aangemelde geheimhoudersnummer, zulks met dien verstande dat daarbij geen afbreuk wordt gedaan aan de bevoegdheden die het OM onder omstandigheden na daartoe verkregen verlof van de strafrechter ook jegens geheimhouders kan inzetten;

5.2.

veroordeelt de Staat om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan Schouten en [eiser 2] te betalen, tot dusverre zowel aan de zijde van Schouten als [eiser 2] telkens begroot op € 1.194,--, waarvan € 890,-- aan salaris advocaat en € 304,-- aan griffierecht;

5.3.

bepaalt dat de Staat bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2020.

mw