Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:10655

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-08-2020
Datum publicatie
02-11-2020
Zaaknummer
NL19.24493
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vw, verzoek opheffen inreisverbod afgewezen, openbare orde aspecten, geen uitzetting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.24493


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).

Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser het tegen hem geldende inreisverbod op te heffen, afgewezen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Solomon. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1983 en heeft de Eritrese nationaliteit. Eiser was in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw), geldend van 1 mei 2015 tot 1 mei 2020.

Bij besluit van 3 mei 2018 is deze vergunning, met terugwerkende kracht tot 11 juni 2017, op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw ingetrokken, omdat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde de of nationale veiligheid. Voorts heeft verweerder aan eiser een inreisverbod van tien jaar opgelegd. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eiser op 19 december 2017 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Den Haag is veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, voor poging tot zware mishandeling.

Eiser heeft op 22 mei 2019 een aanvraag ingediend om opheffing van het inreisverbod. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor opheffing van het inreisverbod, zoals bepaald in artikel 6.5b van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb). Voorts doen zich geen bijzondere feiten en omstandigheden voor die tot opheffing van het inreisverbod nopen, aldus verweerder.

3. Eiser betoogt dat hij in het kader van zijn verzoek om opheffing van het inreisverbod ten onrechte niet door verweerder is gehoord.

Verder betoogt eiser dat hij geen gevaar is voor de openbare orde. Hij voert daartoe aan dat hij is veroordeeld voor een éénmalig incident en dat er geen sprake is van recidive.

Voorts betoogt eiser dat de weigering het inreisverbod op te heffen in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Hij voert daartoe aan dat uit verscheidene arresten van het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) volgt dat openbare orde aspecten dan wel criminele antecedenten niet onder alle omstandigheden in de weg staan aan bescherming van het privéleven van de vreemdeling als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Ook is het bestreden besluit volgens eiser in strijd met artikel 3 van het EVRM. Hij kan niet worden uitgezet naar Eritrea en heeft geen vestigingsalternatief in een derde land. Hij heeft in Nederland geen enkel recht meer en zal daardoor veelal op straat moeten slapen, aldus eiser.

4. Volgens hoofdstuk A4/2.5.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc) gaat verweerder over tot opheffing van het inreisverbod indien dringende individuele omstandigheden daar aanleiding toe geven. De paragrafen A4/3.5 en A4/3.6 Vc zijn van overeenkomstige toepassing. Verweerder gaat niet over tot opheffing van het inreisverbod op grond van omstandigheden die reeds bij het opleggen van het inreisverbod zijn betrokken of betrokken hadden kunnen worden. Overeenkomstig artikel 6.5, vierde lid, Vb heft verweerder het inreisverbod – in afwijking van artikel 6.5, tweede en derde lid, Vb – niet op als de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.

Volgens hoofdstuk A4/3.6 van de Vc neemt verweerder uitsluitend in de volgende drie situaties aan dat er sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die leiden tot de inwilliging van de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring (lees: het inreisverbod):

a. strijdigheid met artikel 8 EVRM;

b. strijdigheid met artikel 3 EVRM is duurzaam en het handhaven van de ongewenstverklaring is disproportioneel;

c. artikel 3.105c of artikel 3.105e Vb is van toepassing.

Ad a.

Verweerder beoordeelt bij de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring uitsluitend of er sinds de ongewenstverklaring een wijziging in de situatie van de vreemdeling met betrekking tot de feiten en omstandigheden die zijn genoemd in paragraaf B7/3.8 Vc, is opgetreden.

In het geval van gewijzigde feiten en omstandigheden, beoordeelt verweerder of deze feiten en omstandigheden bijzonder zijn. Hiervan is sprake als aan het belang van de ongewenstverklaarde vreemdeling bij familie- en gezinsleven in Nederland meer gewicht moet worden toegekend dan aan het algemeen belang van de Nederlandse Staat. Bij deze beoordeling zet verweerder altijd de duur van het verblijf van de vreemdeling buiten Nederland af tegen de tijd die sinds het besluit tot ongewenstverklaring is verstreken.

Ad b.

Als een ongewenst verklaarde vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat zijn terugkeer naar het land van herkomst in strijd is met artikel 3 EVRM, beoordeelt verweerder bij het nemen van een besluit op de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring in deze situatie:

• of artikel 3 EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting van de vreemdeling naar het land van herkomst; en zo ja

• of de gevolgen van het handhaven van de ongewenstverklaring voor de vreemdeling disproportioneel zijn, afgewogen tegen het belang van de Nederlandse Staat.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Eiser heeft erop gewezen dat hij in de besluitvormingsprocedure met betrekking tot de intrekking van zijn verblijfsvergunning asiel niet is gehoord. Dit betekent evenwel niet, zoals verweerder ook terecht heeft gesteld, dat verweerder daarom gehouden was eiser in onderhavige procedure wel te horen.

5.2

Niet in geschil is dat eiser niet voldoet aan het bepaalde in artikel 6.5b van het Vb. In geschil is of sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die verweerder aanleiding hadden moeten geven het inreisverbod op te heffen.

5.3

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het betoog van eiser dat hij geen gevaar is voor de openbare orde een letterlijke herhaling is van wat eiser daarover in zijn verzoek heeft aangevoerd. Verweerder is daar reeds in het bestreden besluit op ingegaan. Verweerder heeft in het bestreden besluit onderbouwd dat eiser gelet op de aard van het gepleegde delict wordt beschouwd als een ernstige bedreiging voor de openbare orde. Eiser heeft niet gemotiveerd waarom verweerder op dat punt tot een onjuist oordeel is gekomen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding hier niet van uit te gaan.

5.4

Eiser wordt gevolgd in zijn standpunt dat openbare orde aspecten dan wel criminele antecedenten niet onder alle omstandigheden in de weg staan aan bescherming van het familie- of privéleven van de vreemdeling als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft er evenwel terecht op gewezen dat eiser niet heeft aangevoerd waarom de weigering het inreisverbod op te heffen in zijn geval in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft er daarbij op gewezen dat eiser geen gezins- en familieleven in Nederland uitoefent. Eiser heeft voorts niet betoogd waarom zijn belang bij het uitoefenen van zijn recht op privéleven zwaarder dient te wegen dan het algemeen belang tot bescherming van de openbare orde.

5.5

Voorts is niet in geschil dat eiser momenteel niet kan worden uitgezet naar zijn land van herkomst, omdat hij daar nog steeds een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat echter niet is gebleken dat artikel 3 van het EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting. Dit is door eiser in beroep niet betwist. De rechtbank ziet in de omstandigheid dat eiser niet kan worden uitgezet dan ook geen reden voor het oordeel dat verweerder het inreisverbod had moeten opheffen. In hetgeen eiser verder heeft aangevoerd heeft verweerder ook in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien het inreisverbod op te heffen.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak nu niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Dat zal op een later moment alsnog gebeuren. Deze uitspraak wordt zo snel mogelijk gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is gedaan op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.