Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:10653

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-09-2020
Datum publicatie
30-10-2020
Zaaknummer
NL20.15765
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italie, uitgaan van interstatelijk vertrouwensbeginsel, medische problemen, niet aannemelijk gemaakt dat overdracht zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidssituatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: NL20.15765


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.L. van Leer),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Remerie).

Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en aanvullende stukken ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.15766, plaatsgevonden op 18 september 2020. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.J. Portegies, als waarnemer van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt geboren te zijn op [geboortedag] 1990 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 11 maart 2020 de onderhavige aanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft de aanvraag op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000 niet in behandeling genomen. In dit artikel is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen, indien op grond van de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd, waarmee de verantwoordelijkheid van Italië vaststaat.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft hiertoe – samengevat weergegeven – aangevoerd dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3 tweede lid, van de Dublinverordening, zodat hij niet kan worden overgedragen aan Italië. Eiser wijst erop dat hij ernstig ziek is, lijdt aan nierinsufficiëntie en hiervoor medische behandeling krijgt (om de dag nierdialyse gedurende 4 uur). Zonder medische behandeling, te weten nierdialyse in het ziekenhuis, komt hij te overlijden. Tijdens zijn asielprocedure in Italië heeft eiser opvang gehad en medische behandeling gekregen. Na het verkrijgen van een humanitaire verblijfsvergunning is zijn opvang beëindigd, is eiser op straat terecht gekomen en is ook zijn medische behandeling gestopt. In zijn zienswijze heeft eiser verwezen naar een rapport van SFH van januari 2020, waarin eenzelfde beeld over de opvangmogelijkheden voor statushouders in Italië en de moeilijke toegang tot de gezondheidszorg wordt geschetst. Italië is hard getroffen door het Coronavirus en daarom is het niet onaannemelijk dat Italië verdere bezuinigingen zal doorvoeren op de opvangvoorzieningen die sinds het wetsdecreet 113/2018 (het wetsdecreet) al zijn versoberd. Eiser vreest in Italië geen geschikte opvang en geen medische zorg te krijgen. Praktisch gezien bestaat voor hem de mogelijkheid om zich hierover bij de Italiaanse autoriteiten te beklagen niet, aangezien hij, gelet op de urgentie van zijn medische problematiek, geen tijd heeft om de uitkomst van een klacht af te wachten. Verder betoogt eiser dat hij dient te worden aangemerkt als bijzonder kwetsbaar, waardoor verweerder in zijn geval individuele garanties aan de Italiaanse autoriteiten had moeten vragen. Eiser voert aan dat hij de door het Bureau Medische Advisering (BMA) verzochte informatie over zijn medische problematiek heeft aangeleverd en dat, indien de informatie niet volledig was, hem de gelegenheid had moeten worden geboden om aanvullende informatie te verstrekken. Verweerder had het BMA moeten verzoeken advies uit te brengen, zodat beoordeeld kan worden of eisers gezondheidstoestand zodanig ernstig is dat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat zijn overdracht leidt tot schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). In beroep overlegt eiser een verklaring van de heer Nauta, internist-nefroloog, van
10 september 2020 en informatie van het RIVM. Eiser valt onder een risicogroep met betrekking tot het coronavirus en wordt geadviseerd om situaties te vermijden waarin het niet mogelijk is om voldoende afstand te houden en niet met het openbaar vervoer te reizen. In een vliegtuig is het niet mogelijk de gepaste afstand van 1,5 meter aan te houden, waardoor eiser reeds hierom een reëel risico loopt op schending van artikel 4 van het Handvest.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraak van 5 augustus 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1848) met inachtneming van een aantal (recente) rapporten en andere bronnen geoordeeld dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Italië nog immer kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder mag er dan ook van uitgaan dat de autoriteiten van Italië zich houden aan hun internationale verplichtingen. Bij dreigende schending geldt het uitgangspunt dat daarover geklaagd kan worden bij de Italiaanse autoriteiten. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Italië een reëel risico loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of artikel 4 van het Handvest.

5.2.

Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Eiser heeft niet verwezen naar rapporten van een latere datum dan voornoemde Afdelingsuitspraak waaruit blijkt dat de situatie thans anders is en dat Dublinclaimanten geen (passende) opvang krijgen in Italië. Met betrekking tot het wetsdecreet heeft de Afdeling in de uitspraak van 19 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4131) reeds geoordeeld dat dit wetsdecreet heeft geleid tot een aantal veranderingen in de opvang van vreemdelingen in Italië maar dat het er niet toe heeft geleid dat Dublinclaimanten geen opvang meer krijgen.

5.3.

Voor zover eiser van mening is dat Italië zich niet houdt aan Richtlijn 2013/33/EU, in die zin dat hij in Italië geen opvang zal verkrijgen, dient hij zich hierover te beklagen bij de Italiaanse autoriteiten dan wel geëigende instanties. Niet is gebleken dat de autoriteiten in Italië eiser bij voorbaat niet zouden kunnen of willen helpen. Hoewel het vanwege eisers aandoening en de behandeling daarvan praktisch gezien lastiger zal zijn voor eiser om, indien nodig, zijn beklag te doen, is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat klagen voor eiser niet mogelijk is vanwege zijn medische problematiek.

5.4.

De rechtbank stelt voorop dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de medische voorzieningen in de verantwoordelijke lidstaat vergelijkbaar zijn met die in andere lidstaten en ook ter beschikking staan aan Dublinclaimanten. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat dit uitgangspunt in zijn geval niet opgaat. Hierin is eiser niet geslaagd. Zo heeft eiser niet met stukken onderbouwd dat hij in Italië geen behandeling voor zijn nierproblemen kan verkrijgen of dat er geen dialyseapparaten beschikbaar zijn en ook niet dat Nederland het meest aangewezen land is om hem te behandelen. Uit eisers eigen verklaringen blijkt bovendien dat hij in het verleden in Italië gedurende zijn asielprocedure opvang heeft gehad en medische behandeling heeft verkregen. De rechtbank ziet niet in dat eiser deze voorzieningen bij terugkeer naar Italië niet opnieuw zal verkrijgen. Dat eiser bang is in Italië geen opvang en medische voorzieningen te krijgen nadat hij een status heeft gekregen, is een onzekere toekomstige omstandigheid die niet bij de beoordeling kan worden betrokken.

5.5.

Zoals de Afdeling onder meer heeft overwogen in de uitspraak van 29 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1802) is het in eerste instantie aan de vreemdeling om objectieve gegevens te overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand als gevolg van de overdracht, als bedoeld in punt 76 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017 in de zaak C.K. tegen Slovenië (ECLI:EU:C:2017:127),

aantonen.

Gelet op de door eiser verstrekte informatie over de ernst van zijn medische problematiek heeft verweerder aanleiding gezien het BMA om medisch advies te vragen. Bij brief
28 maart 2020 is aan eiser kenbaar gemaakt welke stukken het BMA nodig heeft om advies te kunnen uitbrengen. Op 11 juni 2020 heeft eiser de toestemmingsverklaring medische gegevens overgelegd en verzocht om uitstel voor het indienen van stukken van zijn behandelaar. Dit uitstel is verleend. Bij brief van 17 juni 2020 heeft eiser een ingevulde en ondertekende bijlage ‘bewijs omtrent medische situatie vreemdeling’ ingestuurd. Naar aanleiding van de ontvangen stukken heeft verweerder bij brief van 20 juli 2020 aan eiser kenbaar gemaakt welke stukken volgens het BMA nog ontbreken om advies te kunnen uitbrengen. Bij brief van 10 augustus 2020 heeft verweerder uitstel aan eiser verleend voor het indienen van de gevraagde stukken en op 14 augustus 2020 is nader uitgelegd dat het BMA geen specifiekere vragen voor de behandelaar heeft over de medische situatie van eiser en is uitstel verleend aan eiser om alsnog de stukken die zijn genoemd in de brief van 28 maart 2020 te overleggen. Eiser heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt en heeft tot op heden de gevraagde informatie niet verstrekt. Dit betekent dat het BMA geen medisch advies heeft kunnen uitbrengen.

Verweerder heeft terecht overwogen dat eiser er niet in is geslaagd om met medische stukken van zijn behandelaar te onderbouwen dat de overdracht in het kader van de Dublinverordening zal leiden tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidssituatie dan wel dat er een aanzienlijk risico daarop bestaat. Uit de medische verklaringen die eiser heeft overgelegd van de heer Nauta, internist-nefroloog, waaronder de in beroep overgelegde verklaring van 10 september 2020, blijkt dat eiser kampt met ernstig nierfalen, dat hij hiervoor drie keer per week hemodialyse ontvangt en dat dit een levensreddende behandeling is, maar daarin wordt niets gezegd over de gevolgen van een overdracht voor zijn gezondheidstoestand.

De rechtbank volgt, gelet op de hiervoor geschetste gang van zaken, dat verweerder voldoende deugdelijk heeft onderzocht of er bij overdracht naar Italië bij eiser sprake is van een situatie die strijdig is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest.

5.6.

Zoals verweerder in het verweerschrift heeft opgenomen, zal voorafgaand aan de overdracht van eiser een arts worden geraadpleegd die zal beoordelen of eiser fit-to-fly is. Indien blijkt dat eiser dat niet is, dan zal de geplande vlucht worden geannuleerd. Deze arts zal ook nagaan of eiser behoort tot een specifieke risicogroep in het kader van Covid-19 en of het noodzakelijk is om aanvullende maatregelen te nemen tijdens de overdracht van eiser. Deze maatregelen komen bovenop de maatregelen die luchtvaartmaatschappijen al hebben getroffen om de risico’s met betrekking tot Covid-19 in te perken. Verweerder heeft benadrukt dat de vlucht zal worden geannuleerd indien het niet mogelijk is voldoende maatregelen te treffen. Tot slot geeft verweerder aan dat eisers medische gegevens met de Italiaanse autoriteiten worden gedeeld op grond van artikel 31 of 32 van de Dublinverordening, afhankelijk van de vraag of eiser toestemming geeft meer dan zijn basale medische gegevens te delen. Indien blijkt dat de Italiaanse autoriteiten niet over de benodigde medische faciliteiten beschikken, zoals bijvoorbeeld een dialyseapparaat, zal de vlucht geannuleerd worden. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gewaarborgd dat, zoals de heer Nauta heeft opgemerkt in zijn brief van 10 september 2020, een dialyse voorziening op de plek aanwezig is waarnaar eiser uitgezet zal worden. Hiermee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat de overdracht van eiser naar Italië op zichzelf niet een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest met zich brengt.

5.7.

Voor zover eiser als kwetsbare vreemdeling in de zin van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 4 november 2014, met zaaknummer 29217/12, Tarakhel tegen Zwitserland dient te worden beschouwd, overweegt de rechtbank dat de Afdeling in de uitspraak van 8 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:986) heeft geoordeeld dat op dit moment niet aannemelijk is dat sprake is van zo’n structurele verslechtering in de opvangvoorzieningen en asielprocedure dat Dublinclaimanten, ook de bijzonder kwetsbare personen onder hen, in Italië een reëel risico lopen op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. De Afdeling is tot dit oordeel gekomen op basis van de antwoorden van de Italiaanse autoriteiten aan het EHRM, waaruit blijkt dat er bijzondere opvangvoorzieningen zijn voor kwetsbare personen, zoals mensen die lijden aan een ernstige lichamelijke aandoening. De Afdeling heeft dit oordeel bevestigd in de uitspraak van 5 augustus 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1848). Dit betekent dat verweerder ook bij kwetsbare vreemdelingen ten aanzien van Italië uit kan gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en individuele garanties van de Italiaanse autoriteiten niet nodig zijn.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C. de Grauw, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.