Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:10578

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
29-10-2020
Zaaknummer
NL19.13235
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

opvolgende asielaanvraag, geen nieuwe feiten en omstandigheden, geen grond voor herziening van het eerste asielbesluit waarin artikel 1F VLV op eiser van toepassing is geacht, geen 3 EVRM risico, verweerder heeft inreisverbod van 10 jaar kunnen opleggen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.13235


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A.W. Eikelboom),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigden: mr. W. Vrooman en mr. S. Oba).


Procesverloop
Bij besluit van 23 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) niet-ontvankelijk verklaard. Tevens heeft verweerder het verzoek om herziening van het besluit van 15 mei 2008 afgewezen en een inreisverbod voor de duur van 10 jaar opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.13236, plaatsgevonden op 2 juli 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Vrooman. Tevens is M. Masshoor als tolk ter zitting verschenen.

Ter zitting is het onderzoek geschorst en de behandeling van het beroep aangehouden.

Een nader onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Oba. Tevens is M. Masshoor als tolk ter zitting verschenen.

Op 28 november 2019 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder de gelegenheid gegeven een nader standpunt in te nemen over de na de zitting door eiser ingebrachte vertaling van een ter zitting besproken verklaring.

Bij brief van 5 december 2019 heeft verweerder een reactie ingebracht. Eiser heeft hierop, bij bericht van 18 december 2019, gereageerd.

Nu eiser en verweerder niet aan de rechtbank hebben bericht een nadere zitting te wensen, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt geboren te zijn op [geboortedag] 1965 en de Afghaanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 4 januari 2018 de onderhavige (opvolgende) asielaanvraag ingediend.

Eiser heeft eerder, op 21 december 1999, een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 3 december 2002 afgewezen. Dit besluit is vernietigd na gegrondverklaring van het daartegen ingestelde beroep bij uitspraak van 27 april 2006 door deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle (Awb 03/234). Bij besluit van 15 mei 2008 heeft verweerder eisers asielaanvraag (wederom) afgewezen. Dat besluit is bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 juni 2011 onherroepelijk geworden.

Eiser heeft vervolgens op 17 november 2011 een herhaalde aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 25 november 2011 is deze aanvraag afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb). Dit besluit is in rechte vast komen te staan bij uitspraak van de Afdeling van 30 augustus 2012.

2. Eiser heeft – samengevat weergegeven – aan zijn huidige aanvraag ten grondslag gelegd dat hij tijdens zijn eerste asielaanvraag niet de waarheid heeft verteld en dat hij nooit in dienst is geweest bij de KhaD/WAD. Eiser heeft van 1982 tot juni 1986 de middelbare school en de specialisatie elektrotechniek gedaan in Voronezh, in Rusland. In 1986 is eiser teruggekeerd naar Afghanistan en heeft daar in de maanden juli en augustus als medewerker in een broodfabriek gewerkt. Van 30 augustus 1986 tot en met 16 september 1988 heeft eiser zijn militaire dienstplicht vervuld bij de eenheid 190, waarna hij zijn werk bij de broodfabriek als deskundig medewerker bij de afdeling elektra en telefonie heeft opgepakt. In september 1989 is eiser opnieuw voor studie vertrokken naar Rusland. Eiser heeft eerst een jaar een opleiding voor buitenlanders aan de Staatsacademie voor Technologie van Voronezh gevolgd en heeft vervolgens tot 1998 Russische taal en cultuur aan de Voronezh State University gestudeerd. Na 1989 is eiser niet meer teruggekeerd naar Afghanistan. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag de volgende documenten overgelegd:

  1. Verklaring van het Afghaanse Ministerie van Landbouw van 13 augustus 2017

  2. Verklaring van het Departement van Onderwijs, Wetenschap en Jeugdbeleid in Voronezhskaya Oblast van 6 maart 2012 over het in Rusland gevolgde middelbare schoolonderwijs

  3. Afghaans identiteitsboekje afgegeven op 15 mei 1988

  4. Militair boekje

  5. Het werkpasje bij de broodfabriek

  6. Verklaring van de Staatsacademie voor Technologie van Voronezh van 20 juni 2011

  7. Verklaring van de Federale Gouvernementele Budgettaire Onderwijsinstelling voor het Hoger onderwijs, Voronezh Staatsuniversiteit voor Ingenieurstechnologieën van 11 juli 2018

  8. Verklaring van de Federale door de overheid gefinancierde staatsonderwijsinstelling voor hoger onderwijs, de staatsuniversiteit van Voronezh, van 25 juli 2018

  9. Contactgegevens van medewerkers van het secretariaat van de universiteit in Rusland

  10. Jeugdfoto’s van studenten en docenten op schoolreis en van de school, klassenfoto en foto’s van zijn studentenhuis (met adresgegevens)

  11. Foto’s uit de periode van 1988 tot 1992, waaronder foto’s van zijn diensttijd in Jalalabad

  12. Foto uit de periode van 1992 tot 1998

3. Verweerder heeft de aanvraag op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser geen nieuwe elementen of bevindingen aan zijn opvolgende aanvraag ten grondslag heeft gelegd, en het verzoek om heroverweging van het besluit van 15 mei 2008 afgewezen. Eiser had de in de huidige procedure ingebrachte verklaringen en documenten immers tijdens zijn eerste asielprocedure kunnen inbrengen. Bovendien zijn de documenten deels vals, sluiten deels niet op elkaar aan en laten deels in het midden of eiser in de periode van 1986 tot 1992 bij de KhaD/Wad heeft gewerkt. Om die reden kunnen de overgelegde documenten in de huidige procedure niet afdoen aan de in de eerste asielprocedure bereikte conclusies.

4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft hiertoe – samengevat weergegeven – aangevoerd dat hij met de door hem overgelegde documenten en foto’s voldoende heeft aangetoond dat hij in de gewraakte periode in Rusland was, zodat hij niet in Afghanistan kan hebben gewerkt voor de KhaD/Wad. Eiser stelt zich op het standpunt dat van zijn opgegeven identiteit en geboortedatum dient te worden uitgegaan. Als gevolg van een ongelukkig misverstand is er geen contra-expertise naar de Taskera verricht door de Afghaanse ambassade, maar de ambassade heeft wel een nieuwe Taskera voor eiser aangevraagd. Bovendien heeft eiser aan het loket van verweerder een echt paspoort verstrekt. Voorts voert eiser aan dat ten onrechte in zijn militaire boekje staat vermeld dat hij destijds gehuwd was en dat dit een administratieve misslag is. Ter verduidelijking van de chronologie van de gebeurtenissen geeft eiser in zijn gronden zijn relaas weer. In beroep overlegt eiser nog de volgende documenten en afbeeldingen:

13) Twee verklaringen van de Afghaanse ambassade

13) Afschrift van de nieuwe Taskera

13) Foto van zijn huwelijksfeest, schermafbeelding van het gebouw dat op de achtergrond te zien is op Google Street View, afbeelding van het gebouw op Google maps en schermafbeelding van de bruiloftsvideo van het moment van het nemen van de foto

13) Schermafbeelding van de bruidsauto op de bruiloftsvideo, schermafbeelding van het gebouw op de achtergrond van de bruidsauto op Google Street view

13) Foto van eiser met medestudenten voor de universiteit in Voronezh, schermafbeelding van het gebouw dat op de achtergrond te zien is op Google Street View en afbeelding van het gebouw op Google maps

13) Archiefverklaring van het Department van Onderwijs, Wetenschap en Jeugdbeleid van de Provincie Voronezh van 12 oktober 2018

13) Vertaling van de onder 7) genoemde verklaring

13) Vertaling van de onder 8) genoemde verklaring

13) Russisch diploma met cijferlijst

13) Boekje met rode omslag van de universiteit met twee groepsfoto’s en een individuele foto van eiser

Eiser voert aan dat de besluitvorming onzorgvuldig is geweest, nu verweerder niet, althans onvoldoende, op de door hem ingebrachte documenten en argumenten is ingegaan en deze onvoldoende in samenhang bezien heeft beoordeeld. Verweerder had eiser bovendien de gelegenheid moeten geven om te reageren op de argumenten in het bestreden besluit aangaande het militaire boekje, de huwelijksakte en het paspoort en had dit in een aanvullend voornemen moeten opnemen. Het bestreden besluit is volgens eiser tevens onzorgvuldig gemotiveerd en onzorgvuldig voorbereid, nu verweerder in de zaak die ten grondslag lag aan de tussenuitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 juni 2019 aangaf meer tijd nodig te hebben om de gevolgen (beleidsconsequenties) van het nieuwe Algemeen Ambtsbericht Afghanistan van maart 2019 te communiceren aan de Tweede Kamer. Eiser brengt naar voren dat, indien verweerder eraan vasthoudt dat hij bij de KhaD/WAD heeft gewerkt, hij op grond hiervan een persoon is die wordt geassocieerd met de Afghaanse overheid en om die reden valt binnen een risicogroep inzake het geldende beleid van verweerder over Afghanistan. Tot slot voert eiser aan dat het inreisverbod ten onrechte is opgelegd, nu de tegenwerping van artikel 1F van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) (Vluchtelingenverdrag) niet langer kan standhouden, en dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser een actueel, werkelijk en voldoende ernstig gevaar vormt voor de openbare orde evenals dat de evenredigheid niet is beoordeeld.

5. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1.

Ingevolge artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 niet-ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling een opvolgende aanvraag heeft ingediend waaraan door de vreemdeling geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag zijn gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag.

Onder nieuwe feiten en bevindingen moet worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd.

In paragraaf Cl/4.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is, onder meer, het volgende vermeld: “Als de IND de eerdere aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor

bepaalde tijd heeft afgewezen op grond van de ongeloofwaardigheid van de verklaringen van de vreemdeling, moeten de elementen of bevindingen die de vreemdeling in het kader van een opvolgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

inbrengt, de ongeloofwaardigheid van de verklaringen wegnemen om te worden aangemerkt als elementen of bevindingen als is bedoeld in artikel 30a, eerste lid onder d, van de Vw.”

6.2.

Nu verweerder de opvolgende asielaanvraag met toepassing van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 niet-ontvankelijk heeft verklaard, zal de rechtbank in het navolgende toetsen of verweerder dat in het licht van zijn beleid niet ten onrechte heeft gedaan.

6.3.

De rechtbank stelt voorop dat in de eerste asielprocedure van eiser in rechte vast is komen te staan dat eiser in de periode van 1987 tot 1992 in dienst is geweest als officier bij de KhaD/WAD. Hij heeft allereerst zes maanden als derde luitenant bij de afdeling Kader en Personeel gewerkt. Vervolgens is hij overgeplaatst naar regiment 190 en is hij rond maart 1989 bevorderd tot tweede luitenant. Vanwege zijn positie bij de KhaD/WAD is artikel 1F, aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing verklaard en is zijn eerste asielaanvraag afgewezen.

6.4.

In de huidige procedure heeft eiser verklaard dat hij in de genoemde periode niet als officier voor de KhaD/WAD heeft gewerkt en ter onderbouwing van zijn relaas een groot aantal documenten evenals foto’s overgelegd. Een aantal van deze documenten heeft eiser bij zijn herhaalde asielaanvraag van 17 november 2011 reeds overgelegd. Bij de afwijzing van die aanvraag zijn de betreffende documenten niet inhoudelijk betrokken, omdat werd geoordeeld dat deze documenten eerder overgelegd hadden kunnen en moeten worden en dat zij daarom geen nieuwe feiten of omstandigheden vormen. Bij de onderhavige aanvraag heeft eiser een beroep gedaan op de eerdere overgelegde documenten. Daarnaast heeft eiser nieuwe documenten overgelegd.

In het navolgende zal de rechtbank op de door eiser tijdens deze procedure overgelegde documenten ingaan. Verweerder is in deze procedure, zoals blijkt uit pagina 2 en 3 van het bestreden besluit, nagegaan of de door eiser ingebrachte stukken de geloofwaardigheid van eisers verklaringen tijdens de eerste asielprocedure kunnen wegnemen. Met deze wijze van toetsing heeft verweerder een inhoudelijk oordeel gegeven over de door eiser aangedragen elementen en bevindingen. Om die reden volgt de rechtbank verweerder niet in zijn ter zitting op 15 november 2019 primair ingenomen standpunt dat de omstandigheid dat eiser deze documenten niet eerder heeft overlegd, terwijl hij dit wel eerder had kunnen doen, reeds maakt dat eisers opvolgende asielaanvraag niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Dit zou immers betekenen dat het indienen van een opvolgende asielaanvraag voor eiser bij voorbaat zinledig is, omdat het inbrengen van nieuwe stukken nimmer kan afdoen aan de vaststellingen in een eerdere procedure waarin eisers asielrelaas geloofwaardig is bevonden.

6.5.

Verweerder heeft een aantal ingebrachte documenten door Bureau Documenten op echtheid en authenticiteit laten onderzoeken. De bevindingen hierover zijn neergelegd in de verkorte verklaring van onderzoek van 9 januari 2018 en in de verklaring van onderzoek van 7 maart 2018.

Uit de verklaring van onderzoek van 9 januari 2018 blijkt dat de onder 1) genoemde verklaring een kopie is, waardoor het niet te beoordelen is. Verder heeft verweerder het, zoals naar voren is gebracht op de zitting van 2 juli 2019, niet ten onrechte bevreemdend gevonden dat op deze verklaring staat dat eiser van 9 juli 1986 tot 3 januari 1990 in de Kabul Silo (hierna: broodfabriek) heeft gewerkt. Volgens de verklaringen van eiser afgelegd tijdens het gehoor opvolgende aanvraag alsook in beroep, was hij op laatstgenoemde datum immers al in Rusland voor studie. Eisers verklaring in het gehoor opvolgende aanvraag (pagina 7 van het rapport) dat hij tot 1990 ingeschreven stond in het systeem van Kabul Silo, terwijl hij daar sinds augustus 1989 niet meer werkzaam was, acht de rechtbank bij gebrek aan onderbouwing onvoldoende voor een ander oordeel. Uit de onder 1) genoemde verklaring blijkt voorts niet dat eiser in militaire dienst heeft gezeten. Dit heeft verweerder tevens niet ten onrechte bevreemdend gevonden, zoals toegelicht tijdens de zitting van 2 juli 2019. Naar eiser in de huidige procedure heeft verklaard, hetgeen ook terugkomt in het door eiser overgelegde militaire boekje (het onder 4) genoemde document) heeft hij immers van 30 augustus 1986 tot en met 16 september 1988 zijn militaire dienstplicht vervuld bij de eenheid 190. Volgens eiser wordt het vervullen van de militaire dienst niet gezien als een beëindiging van het dienstverband bij de broodfabriek maar als een tijdelijke onderbreking. Deze verklaring, wat daar ook van zij, doet er niet aan af dat eiser pas voor het eerst in deze procedure heeft gemeld dat hij zijn militaire dienstplicht heeft vervuld. In het gehoor van 21 november 2011 betreffende zijn eerste opvolgende aanvraag heeft eiser immers verklaard van 1986 tot augustus 1989 in de broodfabriek te hebben gewerkt. Verweerder heeft niet ten onrechte bevreemdend gevonden dat eiser toen niet meteen heeft verklaard dat hij in deze periode ook zijn dienstplicht heeft vervuld. Dat de gestelde vragen zagen op zijn werk en eiser daarom niet heeft verklaard over de militaire dienst, doet er niet aan af dat van eiser verwacht mag worden dat hij zo volledig mogelijk verklaart over hetgeen hij in deze periode voor werkzaamheden heeft gedaan. Temeer aangezien eiser zich tijdens de eerste opvolgende aanvraag reeds op het standpunt stelde dat hij eerder niet de waarheid had gesproken en hij thans openheid van zaken wenste te geven.

Over het werkpasje (het onder 5) genoemde document) heeft Bureau Documenten in de verklaring van 7 maart 2018 geconcludeerd dat het document met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet in deze gewijzigde staat bevoegd is opgemaakt en afgegeven en dat niet kan worden vastgesteld of het document inhoudelijk juist is. Niet in geschil is dat eiser geen contra-expertise heeft laten verrichten naar de echtheid en authenticiteit van het document, zodat verweerder in beginsel van dit deskundigenadvies mag uitgaan. Eiser heeft hierover aangevoerd dat hij geen reden heeft om over zijn werkzaamheden te liegen, dat hij niet met het document heeft gerommeld omdat het op zijn eigen naam staat en dat men in Afghanistan mogelijk anders omgaat met documenten. In hetgeen eiser heeft aangevoerd heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs geen aanleiding hoeven zien om nader invulling te geven aan zijn vergewisplicht als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb.

Het militair boekje dat eiser heeft overgelegd (het onder 4) genoemde document) is door Bureau Documenten in de verklaring van 7 maart 2018 met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid echt bevonden. Bureau Documenten kan echter niet vaststellen of het door een daartoe bevoegde instantie is opgemaakt en afgegeven en ook niet of het document inhoudelijk juist is. Uit de overgelegde vertaling van het militair boekje blijkt dat dit is afgegeven op 16 september 1988, de dag van ontslag uit militaire dienst, en dat eiser op dat moment getrouwd is. Eiser erkent dat dit verkeerd in het boekje is opgenomen (in het gehoor opvolgende aanvraag van 21 november 2011 verklaarde eiser dat hij zijn echtgenote in 1992 in Rusland heeft leren kennen en in 1995 met haar trouwde) en dat sprake is van een ambtelijke fout, aangezien hij op dat moment ongehuwd was. Gelet hierop heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat ook getwijfeld kan worden aan de overige inhoud van dit document, en gelet hierop heeft eiser met het overleggen van dit document dan ook niet aangetoond dat hij als dienstplichtige (zonder de officiersrang) in het Afghaanse leger heeft gezeten. Daarbij heeft verweerder van belang kunnen achten dat eiser heeft verklaard zijn dienstplicht te hebben vervuld bij de eenheid 190. Dit is dezelfde eenheid als waarbij eiser volgens zijn verklaringen afgelegd tijdens zijn eerste asielprocedure als officier voor de KhaD/WAD heeft gewerkt en waar hij potentiële deserteurs moest overreden in het leger te blijven. Verweerder heeft niet ten onrechte kunnen concluderen dat eisers huidige verklaring dat hij als dienstplichtige bij deze eenheid gediend heeft, niet in tegenspraak is met zijn eerdere verklaringen, omdat de genoemde werkzaamheden onopvallend verricht moeten worden, willen zij zin hebben. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat uit eisers verklaringen afgelegd bij het gehoor opvolgende aanvraag in de huidige procedure blijkt dat KhaD/WAD officieren dezelfde uniformen droegen als gewone dienstplichtige militairen en uiterlijk niet van gewone militairen te onderscheiden waren.

Over de door eiser overgelegde onder 6) genoemde verklaring kan Bureau Documenten, zoals blijkt uit de verklaring van onderzoek van 7 maart 2018, gelet op het ontbreken van voldoende, betrouwbaar vergelijkingsmateriaal voor dit specifieke document, geen oordeel geven over de echtheid. Tevens kan niet worden vastgesteld of het document door een daartoe bevoegde instantie is opgemaakt en afgegeven en of het document inhoudelijk juist is. Om deze reden kan niet zomaar van de juistheid van de inhoud van dit document worden uitgegaan, en heeft eiser hiermee dan ook niet aangetoond dat hij van 1989 tot 1990 aan de faculteit opleiding van buitenlanders van de Hogeschool voor Technologie van Voronezh (later genaamd: Staatsacademie voor Technologie van Voronezh) heeft gestudeerd.

Ten aanzien van zijn studieperiode in Rusland na zijn vertrek uit Afghanistan heeft eiser de onder 7) en 8) genoemde verklaringen ingebracht, waarvan hij de vertalingen in beroep heeft overgelegd. Verweerder werpt eiser in dit verband tegen dat de verklaringen kopieën betreffen. In reactie hierop geeft eiser aan in het bezit te zijn van de originele documenten. Verder brengt verweerder naar voren dat de stukken qua opmaak van elkaar verschillen, wat vreemd is aangezien de verklaringen kort na elkaar zijn opgemaakt. Ter zitting op 15 november 2019 is door eiser gesteld dat er een fout is gemaakt in de vertaling van de onder 8) genoemde verklaring met betrekking tot de naam van de instelling die de verklaring heeft afgegeven. Dit heeft eiser doen besluiten om na sluiting van het onderzoek een nieuwe vertaling van deze verklaring op te laten maken. Hij heeft deze vertaling op 19 november 2019 in het digitale beroepsdossier geüpload. De rechtbank heeft hierop het onderzoek op 28 november 2019 heropend om partijen in de gelegenheid te stellen zich over deze nieuwe vertaling uit te laten en bij verweerder te informeren of deze nieuwe vertaling aanleiding geeft de beide verklaringen alsnog door Bureau Documenten te laten onderzoeken. De rechtbank kan het standpunt van verweerder in de brief van 5 december 2019 dat hij geen aanleiding ziet om de verklaringen te laten onderzoeken, volgen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat, indien uit documentonderzoek zou blijken dat de verklaringen echt zijn, dit nog niet betekent dat ook van de juistheid van de inhoud van de verklaringen kan worden uitgegaan. Uit de onder 8) genoemde verklaring komt naar voren dat eiser vanaf 1990 tot en met 1998 een studie op de faculteit Filologie volgde, terwijl uit eisers eigen verklaringen volgt dat hij deze studie in september 1991 is gestart. Dat hij reeds in december 1990 zou zijn overgestapt naar de faculteit Filologie, zoals ter zitting op 15 november 2019 door eiser is verklaard, verklaart nog niet waarom in de verklaring staat dat hij daar vanaf 1990 een studie volgde. Bovendien blijkt uit deze verklaring voor het eerst, zoals verweerder in de brief van 5 december 2019 terecht heeft opgemerkt, dat eiser in de periode 1990-1998 twee academische verloven van één jaar per verlof heeft gehad. Voor het verlof van twee jaar heeft eiser geen goede verklaring gegeven, waardoor niet valt uit te sluiten dat hij gedurende (periodes van) de voornoemde periode in Afghanistan was. Aan de verklaring van eiser op de zitting van 19 november 2019 dat hij ergens in het midden van zijn studie Russische literatuur tot twee keer toe verlof heeft genomen van een jaar vanwege ziekte (maagklachten) en hij opgenomen is geweest in het ziekenhuis, kent de rechtbank bij gebrek aan enige onderbouwing geen waarde toe. Voorts heeft verweerder niet ten onrechte bevreemdend gevonden dat de vervolgstudie Filologie niet aansluit op eisers eerdere schoolopleiding techniek en de door hem verrichte technische werkzaamheden bij de broodfabriek. Eiser geeft hiervoor geen afdoende verklaring anders dan dat de technische studie aan de universiteit te moeilijk voor hem was en dat hij beter is in talen.

Tot slot heeft verweerder relevant kunnen achten dat uit een door eiser bij een eerdere aanvraag om een artikel 9 Vw-document overgelegde huwelijksakte blijkt dat eiser en zijn vrouw in 1994 zijn getrouwd in Afghanistan en dat zij op dat moment in Kabul woonden. Dat dit foutief in de akte zou staan, omdat eiser en zijn vrouw in het kader van hun huwelijk gedurende twee weken in Kabul zouden zijn geweest, zoals eiser in beroep stelt, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft er in dat verband terecht op gewezen dat eiser bij diverse gelegenheden in 2011 (onder meer in de brief van 30 maart 2011) heeft verklaard sinds 1989 niet meer terug te zijn geweest naar Afghanistan. Gelet hierop heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat aan de documenten waaruit zou moeten blijken dat eiser vanaf 1989 tot 1998 in Rusland is geweest, niet de waarde kan worden gehecht die eiser daaraan gehecht wenst te zien. Gelet op het voorgaande doen ook deze verklaringen als zodanig niet af aan de eerdere 1F vaststelling.

De overige door eiser in de huidige procedure overgelegde documenten (de onder 2) en 18) genoemde documenten) hebben betrekking op de periode van vóór 1987. Hoewel deze stukken iets kunnen zeggen over waar en in welk land eiser zich op dat moment bevond, zeggen de stukken niets over de gewraakte periode zelf, en kunnen reeds daarom niet afdoen aan de eerdere 1F-vaststelling.

Voorts overweegt de rechtbank dat ook de overgelegde foto’s, schermafbeeldingen van Google streetview en Google maps (de onder 10), 11), 12), 15), 16) en 17) genoemde documenten) niet kunnen afdoen aan de eerdere 1F-vaststelling, nu de foto’s ongedateerd zijn dan wel betrekking hebben op een andere periode dan de periode waarin eiser naar hij in de eerste asielprocedure heeft verklaard bij de KhaD/WAD heeft gezeten.

Het chronologische relaas dat eiser in zijn gronden van beroep schetst en de brief die eiser op zitting heeft voorgelezen, maken hetgeen hiervoor is overwogen niet anders. Deze feiten heeft eiser immers al reeds ten tijde van zijn gehoor dan wel bij monde van zijn gemachtigde naar voren gebracht.

6.6.

Samengevat is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet geloofwaardig heeft gemaakt dat aan zijn huidige verklaringen meer waarde moet worden toegekend dan aan zijn verklaringen tijdens de eerste asielprocedure. Daarbij heeft verweerder van belang kunnen achten dat eiser gedurende de eerste asielprocedure, die duurde tot 1 juni 2011, vijf maal is gehoord (waarvan twee keer na het voornemen van 21 oktober 2002, zie hierna), hij gedetailleerd heeft verklaard over zijn periode bij de KhAD/WAD en zijn echtgenote, moeder en zus ook hebben verklaard dat eiser in dienst is geweest van de KhAD/WAD. Dat eiser, zoals hij zowel in zijn brief van 30 maart 2011 als ter zitting heeft verklaard, zijn verklaringen in de eerste asielprocedure heeft afgelegd op advies van de reisagent om zo eerder in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning, acht de rechtbank onvoldoende voor een ander oordeel. Niet valt immers in te zien waarom eiser aan zijn eerdere verklaringen heeft vastgehouden toen hem bij voornemen van 21 oktober 2002 te kennen was gegeven dat aan hem vanwege zijn werkzaamheden voor de KhAD/WAD artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag zou worden tegengeworpen. Dat eiser bang was met zijn gezin te worden teruggestuurd naar Afghanistan, zoals hij op de zitting van 15 november 2019 heeft verklaard, acht de rechtbank een onvoldoende redengevende verklaring. Immers, ook de afwijzing van eisers asielverzoek vanwege de 1F-tegenwerping had tot gevolg dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland had en op hem de plicht rustte om Nederland te verlaten. Gelet op het voorgaande kan de rechtbank de conclusie van verweerder dat de overgelegde documenten in de huidige procedure niet afdoen aan de in de eerste asielprocedure bereikte conclusies, volgen en (dus) ook de onderhavige niet-ontvankelijkverklaring conform het bepaalde in artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.

6.7.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser voorts niet aannemelijk gemaakt dat de veiligheidssituatie in Afghanistan dermate slecht is dat thans sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2011/95/EU. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de Afdeling in de uitspraken van 18 december 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:4200 en ECLI:NL:RVS:2019:4202) heeft geoordeeld dat de veiligheidssituatie in Afghanistan niet zodanig is dat een Afghaanse burger enkel door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft niet verwezen naar rapporten waaruit zou blijken dat hij een dergelijk risico wel loopt bij terugkeer naar Afghanistan.

6.8.

De rechtbank overweegt dat ingevolge het landgebonden beleid ten aanzien van Afghanistan, zoals neergelegd in paragraaf C7/2.3.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000, burgers die geassocieerd worden met – of die beschouwd worden als ondersteunend aan – de Afghaanse regering worden aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep. Deze categorie is naar aanleiding van het nieuwe Algemeen Ambtsbericht van 6 maart 2019 in het beleid opgenomen, zoals blijkt uit de door verweerder in het dossier geüploade brief van 1 juli 2019 van verweerder aan de voorzitter van de Tweede Kamer. De rechtbank ziet geen aanleiding om eiser te volgen in zijn stelling dat hij tot deze specifieke risicogroep behoort. Nu eiser eind 1999 voor de eerste keer in Nederland asiel aangevraagd, is hij in ieder geval al ruim 20 jaar geleden dan wel langer indien eisers eigen verklaringen in de huidige procedure zouden worden gevolgd, uit Afghanistan vertrokken. Onduidelijk is waarom eiser bij terugkeer geassocieerd zou worden met de Afghaanse regering, waarbij van belang is dat eiser nimmer voor de huidige Afghaanse regering heeft gewerkt. Nu eiser niet nader motiveert waarom hij wel als een aan de Afghaanse regering gelinkte burger wordt aangemerkt bij terugkeer, anders dan dat verweerder hem tegenwerpt dat hij in een vroegere periode voor de KhaD/WAD heeft gewerkt, volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog.

6.9.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in het arrest van 2 mei 2018 in de gevoegde zaken C-331/16 en C-366/16, K. tegen Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en H.F. tegen Belgische Staat, geoordeeld dat wanneer ten aanzien van een persoon in het verleden een besluit tot uitsluiting van de vluchtelingenstatus krachtens artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is gegeven, op grond daarvan niet automatisch kan worden geconstateerd dat de loutere aanwezigheid van die persoon op het grondgebied een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Het bestaan van een dergelijke bedreiging moet worden vastgesteld op basis van een beoordeling door de bevoegde instanties van het gastland van het persoonlijke gedrag van de betrokken persoon, waarbij rekening moet worden gehouden met de vaststellingen in het besluit tot uitsluiting van de vluchtelingenstatus en met de daaraan ten grondslag liggende aspecten, inzonderheid de aard en de ernst van de aan de betrokkene verweten misdrijven of gedragingen, de mate waarin hij persoonlijk betrokken was bij die misdrijven of gedragingen, het eventuele bestaan van gronden voor uitsluiting van zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid en het al dan niet bestaan van een strafrechtelijke veroordeling. Bij die globale beoordeling moet ook in aanmerking worden genomen hoeveel tijd verstreken is sinds het vermoede plegen van de misdrijven of handelingen en hoe de betrokkene zich nadien heeft gedragen, met name om uit te maken of uit dat gedrag blijkt dat de betrokkene nog steeds een houding aanneemt die de in de artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie bedoelde fundamentele waarden aantast en dat daardoor de gemoedsrust en de fysieke veiligheid van de bevolking zouden kunnen worden verstoord. De enkele omstandigheid dat het vroegere gedrag van die betrokken persoon zich heeft voorgedaan in de specifieke historische en maatschappelijke context van zijn land van herkomst, die zich niet opnieuw zal voordoen in het gastland, staat aan die vaststelling niet in de weg. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel moeten de bevoegde instanties van het gastland voorts de bescherming van het betrokken fundamentele belang van de samenleving afwegen tegen het belang van de betrokken persoon met betrekking tot de uitoefening van zijn recht op eerbiediging van het privéleven en het familie‑ en gezinsleven.

6.10.

Uit het bestreden besluit volgt dat verweerder de in de vorige rechtsoverweging genoemde omstandigheden in zijn beoordeling heeft betrokken en het persoonlijke gedrag van eiser heeft betrokken in de beoordeling van de vraag of eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. In tegenstelling tot hetgeen eiser in beroep betoogt, heeft verweerder zich niet enkel op basis van de omstandigheid dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is op het standpunt gesteld dat eiser een actueel gevaar vormt. Verweerder heeft overwogen dat eiser in het besluit van 15 mei 2008, dat in rechte vaststaat, in verband is gebracht met ernstige misdrijven, namelijk martelingen en buitengerechtelijke executies. Deze misdrijven heeft verweerder als zeer ernstig gekwalificeerd. Dat eiser voor deze misdrijven in Nederland nimmer strafrechtelijk is vervolgd, maakt op zichzelf niet dat eiser geen gevaar voor de openbare orde kan vormen, nu strafrechtelijke veroordeling hiervoor geen noodzakelijke voorwaarde is. Wat betreft het actueel gevaar dat van eiser uitgaat, heeft verweerder overwogen dat het gaat om zware misdrijven waarvan heel lang een bedreiging uitgaat. Bovendien heeft verweerder van belang geacht dat eiser tijdens het gehoor van 2 augustus 2007 in de eerste asielprocedure heeft verklaard dat zijn werkzaamheden heel gewoon waren, dat hij een correct persoon is, zich onschuldig voelt en zich altijd correct heeft gedragen. Uit eisers houding volgt op geen enkele wijze dat hij spijt heeft van zijn handelen en de verantwoordelijkheid neemt voor hetgeen hij heeft gedaan. Om die reden heeft verweerder eiser kunnen tegenwerpen dat niet valt uit te sluiten dat hij opnieuw zware misdrijven zal plegen. De enkele omstandigheid dat eiser vanaf mei 2011 ontkent deze handelingen te hebben gepleegd, maakt het voorgaande niet anders. Immers, de 1F vaststelling staat in rechte vast en tot op heden heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij nooit voor de KhaD/WAD heeft gewerkt als officier. Eiser voert aan dat in zijn geval niet gekeken is naar gronden voor strafrechtelijke uitsluiting, maar zoals verweerder terecht naar voren heeft gebracht op de zitting van 2 juli 2019, heeft eiser dergelijke gronden niet naar voren gebracht, zodat niet ingezien wordt dat een strafrechtelijke uitsluitingsgrond op hem van toepassing moet worden geacht. Hoewel sprake is van een tijdsverloop van 27 jaar maakt het enkele tijdsverloop nog niet dat de bedreiging die van eiser uitgaat niet langer actueel is. Verweerder heeft daarbij de ontkennende en bagatelliserende houding van eiser en de aard van de misdrijven kunnen betrekken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser blijkens zijn persoonlijke gedrag nog steeds een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.

6.11.

In het bestreden besluit heeft verweerder ook de evenredigheid van het opgelegde inreisverbod beoordeeld. Verweerder heeft overwogen dat eiser in Nederland familie- en gezinsleven uitoefent met zijn echtgenote en zijn inmiddels meerderjarige kinderen en is in de belangenafweging ingegaan op de door eiser in zijn beroepsgronden aangedragen omstandigheden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht niet aangenomen dat er een objectieve belemmering voor eiser is om zijn gezinsleven in Afghanistan uit te oefenen. Niet is gebleken dat eiser of zijn familieleden in Afghanistan een reëel risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM lopen. Verweerder heeft hierbij nog betrokken dat de kinderen van eiser inmiddels volwassen zijn en de keuze hebben om eiser te volgen naar Afghanistan maar er ook voor kunnen kiezen in Nederland te blijven en het familieleven met eiser op afstand uit te oefenen. Zoals verweerder op de zitting van 2 juli 2019 terecht heeft opgemerkt, rust op eiser zelf een vertrekplicht. Hij weet al sinds 2011 dat hij Nederland moet verlaten. De omstandigheid dat verweerder niet actief heeft gewerkt aan het vertrek van eiser uit Nederland doet aan deze plicht van eiser niet af. Verweerder heeft bovendien naar voren gebracht dat niet eerder door eiser is gesteld dat hij mantelzorger voor zijn moeder is en dat in de reguliere verblijfsrechtelijke procedure door eiser naar voren is gebracht dat zijn echtgenote de mantelzorger van zijn moeder is. De rechtbank ziet geen reden aan dit laatste te twijfelen, nu eiser dit in beroep niet heeft betwist. Gelet op een en ander is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat, hoewel sprake is van inmenging in het familie- of gezinsleven tussen eiser en zijn echtgenote en kinderen, deze inmenging gerechtvaardigd is in het belang van de openbare orde.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L.E. Bakels, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C. de Grauw, griffier.

griffier

rechter

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.