Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:10551

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-10-2020
Datum publicatie
30-10-2020
Zaaknummer
8514220 CV EXPL 20-1423
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Overeenkomst ingebruikneming gemeentegrond achter woning. Revindicatie naar aanleiding van snippergroenproject gemeente. Geen verkrijging door verjaring door rechtsopvolgers woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Leiden

MKl

Rolnr.: 8514220 \ CV EXPL 20-1423

Datum: 21 oktober 2020

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eiser]

zetelend te [plaats] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in (voorwaardelijke) reconventie,

gemachtigde: mr. W. Lever,

tegen

1 [gedaagde] ,

2. [gedaagde 2] ,

beiden wonende te [plaats] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in (voorwaardelijke) reconventie,

gemachtigde: mr. A. M . Zoete-van der Zwart.

Partijen worden aangeduid als “ [eiser] ” en “ [gedaagde c.s.] ”.

1 Procedure

1.1.

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    de dagvaarding van 6 mei 2020 met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in (voorwaardelijke) reconventie met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie.

1.2.

Na conclusie van antwoord is een mondelinge behandeling gelast. De mondelinge behandeling is gehouden op 15 september 2020; van het verhandelde is aantekening gehouden.

1.3.

Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

2 Feiten in conventie en in reconventie

Op grond van de onweersproken inhoud van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de kantonrechter van het volgende uit.

2.1.

[gedaagde c.s.] is sinds 2 september 1991 gezamenlijk eigenaar van het woonhuis met ondergrond, erf, tuin en verdere aanhorigheden staande en gelegen aan de [perceel] 105 te [plaats] , kadastraal bekend als gemeente [gemeente] , sectie [sectie] , nummer [X] en groot 130 m2 (hierna te noemen: het perceel [perceel] 105 ).

2.2.

[eiser] is eigenaar van het perceel grond, grenzend aan de achterzijde van het perceel [perceel] 105 , kadastraal bekend als gemeente [gemeente] , sectie [sectie] , nummer [Y] .

2.3.

De rechtsvoorgangers van [gedaagde c.s.] hebben op 17 mei 1983 ingestemd met het aanbod van [eiser] tot ingebruikneming van een deel van de gemeentegrond met het kadastrale nummer [Y] aan de achterzijde en in het verlengde van het perceel [perceel] 105 tot een meter voor de achterliggende sloot (hierna te noemen: de strook grond).

2.4.

Bij brief van 29 augustus 1983 heeft [eiser] de rechtsvoorgangers van [gedaagde c.s.] bericht dat alle bewoners van de woningen [percelen] 43 tot en met 123 oneven (hierna: de bewoners aan de [percelen] ) hebben ingestemd met het aanbod tot ingebruikname van een deel van de gemeentegrond achter hun percelen en dat [eiser] heeft besloten tot ingebruikgeving om niet tot 1 september 1988. In de brief staan de voorwaarden van de ingebruikgeving vermeld:

“1. De erfscheidingen mogen verlengd worden tot op één meter uit de sloot, zodat de tuinen, zij het beperkt, toch aan de achterzijde bereikbaar blijven;

2. de verlenging van de erfscheiding moet uitneembaar zijn, zodat bij buitengewone omstandigheden de belemmering op eenvoudige wijze is te verwijderen; ook de beplanting moet hierop zijn aangepast;

3. opstallen, in welke vorm dan ook, zijn niet toegestaan.”

2.5.

De betreffende strook grond achter het perceel [perceel] 105 is 12m2 groot en is deels gelegen op een talud dat afloopt naar de achterliggende sloot.

2.6.

De rechtsvoorgangers van [gedaagde c.s.] hebben de strook grond omheind en aan de achterzijde van de strook grond een laag hekje als afscheiding geplaatst. Bij de overdracht van de woning aan [gedaagde c.s.] was sprake van een klein hoogteverschil met de achterliggende groenstrook tussen de strook grond en de sloot.

2.7.

Gedurende de jaren heeft [gedaagde c.s.] de inrichting van de tuin van het perceel [perceel] 105 inclusief de strook grond en de afscheiding met de groenstrook gewijzigd en de grond opgehoogd, waardoor een steeds groter hoogteverschil is ontstaan met de achterliggende groenstrook gelegen tussen de strook grond en de sloot. Hiervoor zijn damwanden geplaatst. In 1992 en 2000 is de grond steeds met circa 30 centimeter opgehoogd. In 2012 is de grond voor het laatst opgehoogd en is door [gedaagde c.s.] (deels) op de strook grond een veranda geplaatst.

2.8.

[eiser] is in 2016 gestart met het project “Snippergroen” met het doel het gebruik van gemeentegrond te regelen. Bij brief van 19 december 2017 heeft [eiser] aan [gedaagde c.s.] het volgende bericht:

Uw situatie

Op basis van bijgevoegde luchtfoto en kadastrale gegevens is gebleken dat u een strook gemeentegrond in gebruik heeft als tuin. Het gaat om circa 16 m2 achter uw woning aan de [perceel] 105 te [plaats] . (…)

In het verleden is de strook gemeentegrond aan de achterzijde van uw woning aan de vorige bewoners van de [perceel] 105 in gebruik gegeven. Deze bruikleenovereenkomst was alleen van toepassing voor de bewoner waarmee de afspraak was gemaakt. in het gemeentelijk archief zijn geen schriftelijke afspraken met u teruggevonden over het gebruik van de gemeentegrond. Als u van mening bent dat er wel in het verleden met u afspraken zijn gemaakt, dan hoort de gemeente dat graag van u.

(…)”

2.9.

[gedaagde c.s.] heeft op 28 maart 2018 het “Antwoordformulier Project snippergroen” aan [eiser] retour gezonden en daarbij een beroep op verjaring gedaan ten aanzien van de strook grond.

2.10.

Op 20 juni 2018 heeft [eiser] een informatieavond gehouden over het Project Snippergroen voor de bewoners aan de [percelen] en op 8 oktober 2018 heeft een gesprek op het gemeentehuis met de burgemeester plaatsgevonden. Naar aanleiding hiervan heeft [eiser] bij brief van 15 februari 2019 aan de bewoners aan de [percelen] onder meer het volgende bericht:

“Geen verjaring

We kunnen niet anders dan constateren dat er geen mogelijkheden zijn om uw geval onder verjaring te laten vallen. In 1983 is de grond namelijk op verzoek van de bewoners door de [eiser] om niet in gebruik gegeven. Over dit gebruik zijn afspraken gemaakt tussen de gemeente en de bewoners.

Doordat er toen afspraken zijn gemaakt over de grond, bent u als bewoner houder geworden van de strook gemeentegrond. U bent daardoor wettelijk gezien geen bezitter. Dit houderschap werkt ook door naar de bewoners die na 1983 aan de [percelen] zijn komen wonen. Om deze reden slaagt een beroep op verjaring niet. We kunnen u daarom drie mogelijkheden bieden: de grond teruggeven, kopen of huren.

Mogelijkheden binnen de bestaande opties

De [eiser] is in verband met de rechtsgelijkheid gebonden aan de bestaande mogelijkheden van koop, huur of het teruggeven van de grond. (…)”

2.11.

In een persoonlijke brief aan [gedaagde c.s.] van eveneens 15 februari 2019 heeft de [eiser] het volgende bericht met het verzoek om voor 1 april 2019 te laten weten voor welke mogelijkheid [gedaagde c.s.] kiest:

“(…)

Wat kunt u doen?

1. U koopt de strook gemeentegrond

(…) De strook gemeentegrond die u in gebruik heeft, is circa 11 m2 groot. De vastgestelde prijs van de grond is € 210,- per m2, kosten koper. (…) In verband met de ophoging van de strook gemeentegrond geven we u een tegemoetkoming in de gemaakte kosten van € 75,- op de koopprijs. Deze tegemoetkoming geldt voor de breedte van uw perceel x twee meter in de diepte.

Uw perceel is 5 meter breed. Dat betekent dat u voor deze strook gemeentegrond van 10m2

€ 135,- per m2 (€ 210 - € 75) betaalt. Voor het overige oppervlakte van 1m2 betaalt u de vastgestelde koopprijs van € 210,- per m2. In uw geval betekent dit dat de koopprijs uitkomt op € 1.560,- (…) kosten koper.

(…)

2. U huurt de strook gemeentegrond

(…) De jaarlijkse huurprijs van de grond is € 10,50 per m2 (…)

3. U geeft de strook gemeentegrond terug aan de gemeente

(…)”

2.12.

De reactietermijn is vervolgens verlengd tot 1 oktober 2019. (De gemachtigde van) [gedaagde c.s.] heeft bij brief van 1 november 2019 [eiser] bericht zich te beroepen op artikel 3:99 jo. 3:118 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en zich op het standpunt gesteld dat [gedaagde c.s.] het eigendomsrecht op de strook grond heeft verkregen en geen juridische grondslag ziet voor het verzoek van [eiser] om de strook grond te kopen, te huren dan wel te ontruimen.

2.13.

Tussen (de gemachtigden van) partijen heeft vervolgens een correspondentiewisseling plaatsgevonden. Bij e-mailbericht van 19 februari 2020 heeft [eiser] [gedaagde c.s.] in de gelegenheid gesteld om alsnog voor 1 maart 2020 in te stemmen met koop, huur of ontruiming van de strook grond. [gedaagde c.s.] heeft hiermee niet ingestemd.

3 Vordering en verweer in conventie en in reconventie

3.1.

[eiser] vordert bij inleidende dagvaarding om [gedaagde c.s.] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het vonnis het gebruik van de strook grond te staken en gestaakt te houden alsmede om de strook grond te ontruimen en deze ter vrije beschikking te stellen aan [eiser] door de erfafscheiding alsmede de door [gedaagde c.s.] aangebrachte bebouwing, verharding en beplanting te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- per dag met een maximum van

€ 50.000,00. [eiser] vordert daarnaast om [gedaagde c.s.] hoofdelijk te veroordelen in de (na)kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.

3.2.

[eiser] legt aan de vordering – kort samengevat – ten grondslag dat [eiser] eigenaar is van de strook grond en dat [gedaagde c.s.] de strook grond zonder dat daaraan enig recht of titel ten grondslag ligt in gebruik heeft als tuin. [gedaagde c.s.] is niet bereid de strook grond te kopen, te huren of weer toe te voegen aan het openbaar gebied, zodat [eiser] een vordering tot revindicatie heeft ingesteld.

3.3.

[gedaagde c.s.] voert verweer en voert daartoe samengevat het volgende aan.

Bij de eigendomsoverdracht in 1991 is het perceel [perceel] 105 in haar huidige omvang te goeder trouw ex artikel 3:99 BW door [gedaagde c.s.] in bezit genomen. [gedaagde c.s.] heeft zich de afgelopen 28 jaar als rechthebbende en eigenaar van de strook grond gedragen en heeft de inrichting van de tuin diverse malen gewijzigd. Nu ook de termijn van 20 jaar ex artikel 3:105 BW is verstreken, is de vordering tot opheffing van een onrechtmatige toestand onder verwijzing naar artikel 3:314 lid 2 jo. 3:306 BW verjaard en is [gedaagde c.s.] eigenaar geworden van de strook grond. [gedaagde c.s.] concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring of afwijzing van de vordering van [eiser] met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure.

3.4.

[gedaagde c.s.] vordert in reconventie om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor recht te verklaren dat de strook grond door verjaring eigendom is geworden van [gedaagde c.s.] en veroordeling van [eiser] tot het verlenen van haar medewerking aan de kadastrale inschrijving van de verjaring. Dit alles met veroordeling van [eiser] in de (na)kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten.

3.5.

[gedaagde c.s.] vordert voorts in voorwaardelijke reconventie, voor het geval de conventionele vorderingen worden toegewezen, om [eiser] te veroordelen om de strook grond aan [gedaagde c.s.] te koop aan te bieden voor een bedrag van € 1.560,-.

3.6.

[eiser] voert verweer in (voorwaardelijke) reconventie. Op dit verweer en op de verdere stellingen en weren van partijen wordt hierna bij de beoordeling, zij het in samengevatte vorm en slechts voor zover van belang voor de uitkomst van de procedure, teruggekomen.

4 Beoordeling

in conventie

4.1.

[gedaagde c.s.] heeft als verweer tegen de vordering van [eiser] aangevoerd door verjaring ex artikel 3:99 BW dan wel artikel 3:105 BW eigenaar te zijn geworden van de strook grond. De gebruiksovereenkomst zoals deze met de rechtsvoorgangers van [gedaagde c.s.] is gesloten, was hen niet bekend bij de koop en levering van het perceel [perceel] 105 en [eiser] heeft nooit met [gedaagde c.s.] een gebruiksovereenkomst gesloten. [gedaagde c.s.] heeft het perceel [perceel] 105 in de huidige omvang en inclusief de strook grond bij de eigendomsoverdracht te goeder trouw in bezit genomen. [gedaagde c.s.] is niet aangevangen krachtens een rechtsverhouding voor een ander te houden, is nooit houder van de strook grond geweest en heeft zich dan ook in die hoedanigheid niet wezenlijk anders kunnen gedragen. Inmiddels is 28 jaar verstreken, zodat de [eiser] de strook grond niet meer kan terugvorderen, aldus [gedaagde c.s.]

4.2.

Op grond van artikel 3:99 lid 1 BW worden rechten op registergoederen zoals de onderhavige strook grond door een bezitter te goeder trouw verkregen door een onafgebroken bezit van tien jaren. Ook bezit niet te goeder trouw kan tot verkrijging door verjaring leiden. In dat geval geldt ingevolge artikel 3:105 jo. artikel 3:306 BW een verjaringstermijn van 20 jaar. De verjaringstermijn begint te lopen met de aanvang van de dag, volgende op die waarop een niet-rechthebbende bezitter is geworden van de strook grond.

4.3.

De vraag of sprake is van bezit moet worden beantwoord aan de hand van de maatstaven van artikel 3:107 BW e.v. Bezit is ingevolge artikel 3:107 BW het houden van een goed voor zichzelf, waaronder moet worden verstaan het -direct of indirect- uitoefenen van de feitelijke macht over dat goed met de pretentie eigenaar te zijn.

4.4.

Of iemand een onroerende zaak voor zichzelf houdt of voor een ander wordt conform artikel 3:108 BW beoordeeld naar de verkeersopvattingen met inachtneming van wettelijke regels en op grond van uiterlijke feiten. Het gaat daarbij om een objectieve maatstaf waarbij het primair aankomt op uiterlijke omstandigheden waaruit naar verkeersopvattingen een wilsuiting kan worden afgeleid om als rechthebbende op te treden. Daarnaast moeten alle omstandigheden van het geval, de aard en de bestemming van het goed waarom het gaat en de wijze waarop de bijzondere betrekking is ontstaan tegen elkaar worden afgewogen. Voor een onroerende zaak komt daar ingevolge artikel 3:113 lid 2 BW nog de verzwaarde eis bij dat de machtsuitoefening van de inbezitnemer die van de oorspronkelijke bezitter geheel teniet moet doen en dat enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen voor inbezitneming onvoldoende zijn. Dit geldt bij publieke gronden des te meer.

4.5.

Voor een geslaagd beroep op verjaring is gelet op het voorgaande dus vereist dat [gedaagde c.s.] gedurende een onafgebroken periode van 10, danwel 20 jaar feitelijk de macht over de strook grond heeft gehad met de pretentie om voor zichzelf te houden en rechthebbende te zijn, op zodanige wijze dat [eiser] daaruit niet anders heeft kunnen afleiden dan dat [gedaagde c.s.] pretenderen eigenaar van de strook grond te zijn. [eiser] dient als eigenaar immers tijdig maatregelen te kunnen nemen om de inbreuk op haar recht te beëindigen en alleen als [eiser] die gelegenheid gedurende lange tijd voorbij heeft laten gaan, kan [eiser] uiteindelijk verjaring worden tegengeworpen. Op [gedaagde c.s.] rust, als degene die zich heeft beroepen op verkrijging door verjaring, de stelplicht en bewijslast van het bezit gedurende de verjaringstermijn in de hiervoor bedoelde zin.

4.6.

Aan het gebruik van de strook grond door de rechtsvoorgangers van [gedaagde c.s.] lag een gebruiksovereenkomst met [eiser] ten grondslag. De rechtsvoorgangers van [gedaagde c.s.] waren daarom bij de eigendomsoverdracht van perceel [perceel] 105 aan [gedaagde c.s.] geen bezitter van de strook grond, maar houder. Het gaat er vervolgens om of [gedaagde c.s.] zich tegenover [eiser] dusdanig anders is gaan gedragen dan hun rechtsvoorgangers dat aangenomen moet worden dat [eiser] haar bezit heeft verloren.

4.7.

[gedaagde c.s.] heeft in dat verband aangevoerd dat het perceel [perceel] 105 en de strook grond meerdere keren zijn opgehoogd en dat de erfafscheiding en de inrichting van de tuin zijn gewijzigd. De kantonrechter acht deze wijzigingen in de gegeven context niet doorslaggevend, omdat het onderhoud van de tuin door [gedaagde c.s.] past in de situatie waarin [eiser] het gebruik om niet aan de rechtsvoorgangers van [gedaagde c.s.] heeft toegestaan en, gelet op het hoogteverschil, ook door de andere bewoners aan de [percelen] is toegepast en door [eiser] is gedoogd. Uit de ophoging van het perceel en de strook grond, het aanleggen van een damwand en het omheinen van de tuin volgt in de gegeven omstandigheden niet dat [eiser] er rekening mee moest houden dat [gedaagde c.s.] op enig moment de strook grond voor zichzelf is gaan houden, omdat dit wijzigingen zijn die ook door een bruiklener aangebracht zouden kunnen worden. Dit kan anders liggen ten aanzien van de door [gedaagde c.s.] op de strook grond gebouwde opstal (veranda), omdat het aanbrengen van opstallen bij de ingebruikgeving door [eiser] niet was toegestaan. Vast staat echter dat de opstal pas in 2012 is geplaatst, zodat de verjaringstermijn, voor zover sprake is van inbezitneming te goeder trouw, nog niet is verstreken. Concrete andere relevante gedragingen zijn door [gedaagde c.s.] niet aangevoerd of onderbouwd.

4.8.

Het voorgaande betekent dat van inbezitneming van de strook grond vóór 2012 geen sprake is. Voor zover [gedaagde c.s.] in 2012 de strook grond wel in bezit heeft genomen, is die verjaringstermijn nog niet verlopen en is [gedaagde c.s.] evenmin door verjaring eigenaar van de strook grond geworden.

4.9.

De vordering van [eiser] zal worden toegewezen, met dien verstande dat de gevorderde dwangsom zal worden gematigd tot een bedrag van € 250,00 per dag met een maximum van € 5.000,-.

4.10.

[gedaagde c.s.] zal als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van deze procedure in conventie. De nakosten zijn daarbij inbegrepen voor zover deze kosten daadwerkelijk worden gemaakt. De nakosten worden begroot op een halve salarispunt met een maximum van € 120,00. De wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar ingaande de vijftiende dag na de datum van betekening en bevel van dit vonnis.

in (voorwaardelijke) reconventie

4.11.

Hiervoor is reeds geoordeeld dat de strook grond niet door verjaring eigendom is geworden van [gedaagde c.s.] , zodat de vorderingen van [gedaagde c.s.] in reconventie dienen te worden afgewezen.

4.12.

[gedaagde c.s.] vordert voorts, voor het geval de conventionele vorderingen worden toegewezen, om [eiser] te veroordelen om de strook grond aan [gedaagde c.s.] te koop aan te bieden voor een bedrag van € 1.560,-. [gedaagde c.s.] legt aan deze vordering ten grondslag dat het op de weg van [eiser] als behoorlijk bestuurder ligt om [gedaagde c.s.] alsnog de grond voor het genoemde bedrag te koop aan te bieden, omdat [eiser] geen enkel belang heeft bij de strook grond. [eiser] maakt volgens [gedaagde c.s.] ex artikel 3:13 BW misbruik van haar bevoegdheid en de vorderingen van [eiser] zijn in strijd met de redelijkheid en billijkheid vanwege de evidente goede trouw van [gedaagde c.s.]

4.13.

[eiser] betwist dat sprake is van misbruik van bevoegdheid. [gedaagde c.s.] heeft geen gebruik gemaakt van de aangeboden opties en was ermee bekend dat in dat geval een gerechtelijke procedure tot revindicatie zou worden gestart.

4.14.

Op grond van artikel 3:13 BW kan degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet inroepen voor zover hij haar misbruikt. Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Daarbij dienen alle relevante omstandigheden in aanmerking te worden genomen.

4.15.

Van misbruik van [eiser] van haar eigendomsrecht of van haar bevoegdheid dit recht in te roepen is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake. [eiser] en [gedaagde c.s.] hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over de koop, huur of ontruiming van de strook grond. Nu [gedaagde c.s.] de strook grond in gebruik heeft en niet bereid is het gebruik vrijwillig te staken, kan [eiser] niet anders dan die staking in rechte vorderen. Doet zij dat niet, dan loopt [eiser] het risico dat [gedaagde c.s.] op termijn – zonder betaling van enige prijs – eigenaar van de strook grond wordt door verjaring. [eiser] misbruikt (de bevoegdheid) haar eigendomsrecht (in te roepen) niet door staking van het gebruik van de strook grond te vorderen teneinde te voorkomen dat [gedaagde c.s.] daarvan om niet eigenaar wordt. Het belang van [gedaagde c.s.] bij voortzetting van het gebruik van de strook grond – tot welk gebruik [gedaagde c.s.] niet gerechtigd is – weegt daar niet tegenop, temeer nu [eiser] bereid is geweest tegemoet te komen in de kosten die [gedaagde c.s.] voor het onderhouden (ophogen) van de strook grond heeft moeten maken. De kantonrechter neemt daarbij in aanmerking dat door [eiser] in de processtukken en ook ter zitting is opgemerkt de verkoop van de strook grond aan [gedaagde c.s.] niet uit te sluiten.

4.16.

De vorderingen van [gedaagde c.s.] in (voorwaardelijke) reconventie zullen worden afgewezen en [gedaagde c.s.] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in reconventie. De wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar ingaande de vijftiende dag na de datum van betekening en bevel van dit vonnis.

5 Beslissing

De kantonrechter:

in conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagde c.s.] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis:

  • -

    het gebruik van de strook grond, kadastraal bekend als [eiser] , sectie [sectie] , nummer [Y] (gedeeltelijk) ter grootte van 12m2 zoals aangegeven op de tekening die als productie 23 bij inleidende dagvaarding is overgelegd, te staken en gestaakt te houden;

  • -

    alsmede om deze strook grond te ontruimen en deze ter vrije beschikking te stellen aan [eiser] door de erfafscheiding alsmede de door [gedaagde c.s.] aangebrachte bebouwing, verharding en beplanting te verwijderen en verwijderd te houden;

zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag dat [gedaagde c.s.] niet aan het voorgaande zal voldoen, met een maximum van € 5.000,-;

5.2.

veroordeelt [gedaagde c.s.] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 570,00, waaronder begrepen € 360,00 voor gemachtigdensalaris, onverminderd de eventueel over deze kosten verschuldigde btw, en vermeerderd met de wettelijke rente, ingaande de vijftiende dag na de datum van betekening en bevel van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

5.3.

veroordeelt [gedaagde c.s.] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling van € 90,00 aan nasalaris, voor zover [eiser] daadwerkelijk nakosten zal maken, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de dag der algehele voldoening;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde;

in (voorwaardelijke) reconventie

5.6.

wijst de vorderingen van [gedaagde c.s.] af;

5.7.

veroordeelt [gedaagde c.s.] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 180,00 aan gemachtigdensalaris, en vermeerderd met de wettelijke rente, ingaande de vijftiende dag na de datum van betekening en bevel van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

5.8.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. S. M . de Bruijn en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 oktober 2020.