Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:10533

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-09-2020
Datum publicatie
29-10-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 6989
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenrecht regulier, Verblijfsrichtlijn, EU-onderdaan, overlast, onredelijke belasting op het sociale stelsel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/6989

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A.G.P. de Boon),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verweerder

(gemachtigde: mr. M. Demoed).

Procesverloop

Op 7 mei 2019 is eiser gehoord door de politie over het eindigen van zijn rechtmatig verblijf. Op 8 mei 2019 heeft de politie aan de IND voorgesteld om vast te stellen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft.

Bij besluit van 24 mei 2019 heeft verweerder vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht. Eiser heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Op 20 augustus 2019 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 13 september 2019 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden via een Skype-verbinding op 14 september 2020. Eiser is niet verschenen en werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1991 en heeft de Poolse nationaliteit. Hij verblijft als vreemdeling in Nederland. Op 5 april 2017 heeft de politie eiser geïdentificeerd en geregistreerd als vreemdeling. Eiser staat in de Basisregistratie personen (Brp) geregistreerd als niet-ingezetene per 10 april 2017. De politie, eenheid Den Haag, heeft eiser op 7 mei 2019 gehoord over het eindigen van zijn rechtmatig verblijf. Op 8 mei 2019 heeft de politie de IND voorgesteld om vast te stellen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. In het besluit van 24 mei 2019 is vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van Unierecht.

Standpunt van verweerder

2. In het bestreden besluit heeft verweerder in aanmerking genomen dat eiser meermalen in Nederland met de politie in aanraking is gekomen. Hij heeft diefstallen gepleegd en hij is aangehouden voor overlast, waaruit de twijfel is ontstaan of eiser wel in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien. De politie heeft daarom aanleiding gezien om de situatie van eiser te onderzoeken. Gebleken is dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 7 van de Richtlijn 2004/38/EG (hierna: Verblijfsrichtlijn). Het verblijfsrecht van een Unieburger kan worden beperkt en ook kan er een verwijderingsmaatregel worden genomen indien hij niet meer aan de voorwaarden van dat verblijfsrecht voldoet. Bij een dergelijke verwijderingsmaatregel dient een belangenafweging plaats te vinden met inachtneming van de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling. Eiser beschikt niet over voldoende middelen van bestaan om in zijn onderhoud te voorzien. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij werk heeft of heeft gehad. Gedurende het tweejarig verblijf van eiser in Nederland is er door hem geen arbeidsverleden opgebouwd en tevens is niet gebleken dat eiser op zoek naar werk is dan wel dat hij een reële kans op werk heeft. Om die redenen is verweerder van mening dat terecht is vast komen te staan dat eiser in Nederland geen verblijfsrecht heeft als gemeenschapsonderdaan. Verweerder heeft verder in de belangenafweging meegenomen dat eiser overlast heeft veroorzaakt en regelmatig met justitie in aanraking is gekomen wegens de door hem gepleegde overtredingen en vermogensdelicten. De veroorzaakte overlast en het regelmatig in aanraking zijn met justitie zijn het gevolg van het feit dat eiser niet in zijn eigen onderhoud kan voorzien, waardoor eisers verblijf in Nederland een onredelijke belasting vormt voor de publieke middelen. Dat eiser niet daadwerkelijk een beroep heeft gedaan op het sociale bijstandsstelsel, betekent niet dat de belangenafweging in zijn voordeel dient uit te vallen. Niet gebleken is dat eiser enig belang in Nederland heeft, niet is gebleken van bijzondere omstandigheden en evenmin is gebleken van in Nederland verblijvende gezins- en familieleden. Nu eiser voor het overige ook niet voldoet aan de vereisten voor verblijf van een gemeenschapsonderdaan stelt verweerder zich op het standpunt dat de verwijderingsmaatregel terecht is opgelegd.

Standpunt van eiser

3. Eiser voert in beroep aan dat er geen enkel beleid is opgesteld in welke gevallen er een onderzoek mag worden ingesteld op basis van overlast. De gestelde overlast was in dit geval voor verweerder wel de aanleiding om een onderzoek te starten. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom er in onderhavige zaak wel een individueel geval onderzocht mocht worden, terwijl geen gegrond vermoeden voor misbruik bestaat. De enkele stelling dat er veel overlast wordt veroorzaakt door het plegen van overtredingen en vermogensdelicten is onvoldoende voor het maken van een belangenafweging. In elk geval kan deze belangenafweging niet worden gemaakt zonder dat daar een beleid voor is opgesteld waaraan getoetst dient te worden. Eiser verwijst naar de Richtsnoeren van de Verblijfsrichtlijn en daaruit blijkt dat een EU-onderdaan mag worden verwijderd wanneer diegene een onredelijke belasting vormt voor het sociale bijstandsstelsel. Om dit te beoordelen is alleen van belang of iemand een bijstandsuitkering ontvangt. Dit is bij eiser niet het geval. Eiser is van mening dat het besluit niet zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd.

Juridisch kader

4. Artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 luidt:

1. De vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, heeft langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland, indien hij:

a. in Nederland werknemer of zelfstandige is dan wel Nederland is ingereisd om werk te zoeken en kan bewijzen dat hij werk zoekt en een reële kans op werk heeft;

b. voor zichzelf en zijn familieleden beschikt over voldoende middelen van bestaan en over een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt;

5. Artikel 8.16 van het Vb 2000 luidt:

1. Onverminderd de artikelen 8.22 en 8.23 eindigt het rechtmatig verblijf niet zolang de vreemdeling aan de in de artikelen 8.12 tot en met 8.15 genoemde voorwaarden voldoet. In specifieke gevallen van redelijke twijfel kan Onze Minister onderzoeken of aan de voorwaarden wordt voldaan. Het onderzoek geschiedt niet stelselmatig. Een beroep op de algemene middelen leidt niet zonder meer tot beëindiging van het rechtmatig verblijf.

2. Onverminderd de artikelen 8.22 en 8.23, eindigt het rechtmatig verblijf niet zolang de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid:

a. werknemer of zelfstandige is; of

b. naar Nederland is gekomen om werk te zoeken en hij kan bewijzen dat hij nog steeds werk zoekt en een reële kans op werk heeft.

Beoordeling van de rechtbank

6. Het standpunt van eiser dat er in dit geval geen onderzoek had mogen worden ingesteld, volgt de rechtbank niet. De rechtbank stelt vast dat in de Nota van Toelichting bij de wijziging van het Vb (besluit van 8 juli 2014, Staatsblad 2014, nr. 268) staat dat onder andere crimineel gedrag en overlast indicaties zijn die kunnen leiden tot een toets of aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf wordt voldaan. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser meermalen in Nederland met de politie in aanraking is geweest, onder andere wegens gepleegde diefstallen en het plegen van overlast. Hierdoor is de twijfel ontstaan of eiser in zijn eigen onderhoud kan voorzien, waardoor de politie aanleiding heeft gezien om de situatie van eiser te onderzoeken.

7. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) leidt de rechtbank af dat indien een burger van de Unie geen verblijfsrecht kan ontlenen aan de Verblijfsrichtlijn, deze persoon in beginsel kan worden onderworpen aan een verwijderingsmaatregel, ook als deze persoon geen beroep heeft gedaan op het sociale bijstandsstelsel (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3585). Nu eiser niet voldoet aan de in de artikelen 8.12 tot en met 8.15 van het Vb genoemde voorwaarden en daarmee geen verblijfsrecht kan ontlenen aan de Verblijfsrichtlijn, belemmert de omstandigheid dat hij geen beroep heeft gedaan op het sociale bijstandsstelsel niet dat hij kan worden onderworpen aan een verwijderingsmaatregel. Deze beroepsgrond faalt.

8. De rechtbank constateert verder dat verweerder in zijn besluitvorming een belangenafweging heeft verricht door het belang van eiser om in Nederland te mogen verblijven af te wegen tegen het belang van de Nederlandse staat. Naar de rechtbank begrijpt, bestaat dit laatstgenoemde belang erin dat de door eiser gepleegde strafbare feiten en veroorzaakte maatschappelijke overlast, die mede het gevolg zijn van het feit dat eiser niet in zijn eigen onderhoud kan voorzien en die maken dat het verblijf van eiser in Nederland een belasting vormt voor de publieke middelen, moeten worden voorkomen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:326) volgt dat de Verblijfsrichtlijn geen beperking stelt aan wat verweerder, naast de in punt 16 van de considerans vermelde omstandigheden, verder nog in zijn belangenafweging kan meenemen. In hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd, ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het voornoemde belang van verweerder niet bij de belangenafweging mocht worden betrokken. Uit laatstgenoemde uitspraak van de Afdeling volgt voorts dat verweerder niet verplicht is om specifiek beleid op te nemen over het verwijderen van burgers van de Unie wanneer deze geen beroep doen op het sociale bijstandsstelsel. Van een onzorgvuldige besluitvorming of motiveringsgebrek is volgens de rechtbank dan ook geen sprake.

9.
Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. S.S.J. van Kooij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 september 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.