Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:10521

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-08-2020
Datum publicatie
21-10-2020
Zaaknummer
NL20.12668
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin, Oostenrijk, beroep op Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel slaagt niet, uitleg artikel 17 Dvo, geen sprake van verkeerd toetsmoment, artikel 27 Dvo, geen sprake van onevenredige vertraging, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.12668

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. A. Berends),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).

Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.12669, plaatsgevonden op 4 augustus 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M.O. Salim. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Eiser stelt dat hij de Afghaanse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [1998] .

  2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Oostenrijk een verzoek om terugname gedaan. Oostenrijk heeft dit verzoek aanvaard.

  3. Eiser voert aan dat er geen zorgvuldige toets aan het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft bij de beoordeling alleen

zeer bijzondere individuele omstandigheden betrokken, maar niet de coronapandemie met als reden dat dit (meer) algemene omstandigheden zijn.

Eiser voert verder aan dat Nederland het asielverzoek op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich moet trekken, omdat er concrete aanknopingspunten zijn dat Oostenrijk de internationale verlichtingen niet nakomt. Eiser heeft in Oostenrijk geen eerlijke asielprocedure gehad en zijn asielrelaas is daar onzorgvuldig en ondeugdelijk beoordeeld. Verder is nog maar de vraag of eiser bij terugkeer opvang en voorzieningen zal krijgen. Eiser wijst ter onderbouwing van deze stelling naar het Country Report: Austria – update 2019 van het Asylum Information Database van maart 2020 (AIDA-rapport).

Eiser stelt zich verder op het standpunt dat vanwege het coronavirus onvoldoende duidelijk is of het overdrachtsbesluit geëffectueerd kan worden. Dat er sprake zou zijn van een tijdelijke belemmering neemt niet weg dat deze belemmeringen inmiddels al ruim drie maanden duren en dat onduidelijk is wanneer overdrachten naar Oostenrijk weer zullen worden hervat. Eiser wijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 3 november 2017.1 Dat de omstandigheden in die zaak anders waren dan in het geval van eiser is niet relevant, omdat het toetsmoment van artikel 27 van de Dublinverordening daar niet anders van wordt. Eiser betoogt dat het in de huidige situatie, gelet op de gezondheidsrisico’s, in strijd is met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel om hem over te dragen, dat nú het toetsmoment is en dat het bestreden besluit uitgaat van een verkeerd toetsmoment. Eiser doet een beroep op de Richtsnoeren van de Europese Commissie2 (de Richtsnoeren), waarin een aanmoediging staat om vanwege het coronavirus toepassing te geven aan de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van de Dublinverordening. Dat er onduidelijkheid bestaat over de ontwikkelingen in Oostenrijk omtrent het coronavirus en hoe dat tijdens het verstrijken van de overdrachtstermijn zal zijn, is reden te meer om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Door dit niet te doen, loopt eisers asielprocedure onnodige vertraging op, hetgeen in strijd is met de doelstellingen van de Dublinverordening.

4. Eiser stelt zich kort samengevat op het standpunt dat het door verweerder gehanteerde beleid van paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), waarmee verweerder uitvoering geeft aan artikel 17 van de Dublinverordening, niet kan worden gehandhaafd. De rechtbank onderschrijft deze beroepsgrond niet. Artikel 17 van de Dublinverordening is een discretionaire bevoegdheid waarvoor de Dublinverordening geen regels geeft over de toepassing en invulling van die bevoegdheid. Dit blijkt ook uit het arrest

M.A.3 Het is dus ter beoordeling aan de lidstaten of en hoe zij toepassing en invulling willen geven aan de hen toebedeelde discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van de Dublinverordening. Verweerder heeft ter uitvoering van dat artikel het beleid gemaakt, zoals dat is neergelegd in paragraaf C2/5 van de Vc. Dit beleid is niet strijdig met artikel 17 van de Dublinverordening. De beroepsgrond dat verweerder een verkeerde invulling zou geven aan artikel 17 van de Dublinverordening kan, gelet op de vrijheid die de Dublinverordening aan de lidstaten heeft gegeven, niet slagen.

5. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, voor zover thans van belang, kan in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Dublinverordening, een lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan

1. ECLI:NL:RVS:2017:2980

2 COVID-19: Richtsnoeren betreffende de uitvoering van de relevante EU-bepalingen op het gebied van de asiel- en terugkeerprocedures en betreffende hervestiging, 2020/C 126/02

3 Hof van Justitie van de EU, 23 januari 2019, ECLI:NL:EU:C:2019:53

van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

6. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Oostenrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in dit geval niet kan. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Er zijn geen stukken overgelegd die eisers stelling onderbouwen dat de Oostenrijkse autoriteiten zijn asielrelaas onzorgvuldig en ondeugdelijk hebben beoordeeld. Hierbij is verder van belang dat de Oostenrijkse autoriteiten met het claimakkoord hebben gegarandeerd dat zij eisers asielverzoek in behandeling zullen nemen. Daarmee hebben zij zich eveneens gebonden aan de internationale verplichtingen die gelden met betrekking tot onder meer opvang. De Opvangrichtlijn, Kwalificatierichtlijn en Procedurerichtlijn gelden immers ook ten aanzien van de asielprocedure in Oostenrijk. Met de verwijzing naar het AIDA-rapport heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer geen opvang zal krijgen. Uit het AIDA- rapport volgt dat eiser bij terugkeer een opvolgende asielaanvraag zal moeten indienen.4 Verder blijkt uit het AIDA-rapport dat alle asielzoekers na het indienen van een asielaanvraag toegang hebben tot Basic Care5, in ieder geval tot over de ontvankelijkheid hiervan is beslist.6 Bij voorkomende problemen met betrekking tot het krijgen van opvang dient eiser zich te wenden tot de Oostenrijkse autoriteiten. Niet is gebleken dat zij eiser niet kunnen of willen helpen. Deze beroepsgronden slagen daarom niet.

7. Eiser heeft in het kader van de toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening een beroep heeft gedaan op de Richtsnoeren. De rechtbank overweegt daarover als volgt. In de Richtsnoeren staat dat de Europese Commissie de lidstaten aanmoedigt om overdrachten zo vlug als praktisch mogelijk in de veranderende omstandigheden te hervatten. Eiser voert in dit kader verder aan dat de Europese Commissie zegt dat er een ruimere toepassing moet worden gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. De passage uit de Richtsnoeren waarop eiser zich beroept heeft echter uitsluitend betrekking op artikel 17, tweede lid, van de Dublinverordening en ziet daarmee dus de mogelijkheid om vanwege familierelaties ruimer toepassing te geven aan de bevoegdheid van dat artikellid. In het geval van eiser is echter geen sprake van familierelaties die van belang zijn bij de verantwoordelijkheidsbepaling, zodat het beroep op die passage voor hem niet opgaat.

8. Over de beroepsgrond van eiser dat verweerder in het bestreden besluit een verkeerd toetsmoment hanteert, overweegt de rechtbank als volgt. Het coronavirus zorgt voor een tijdelijk, feitelijk overdrachtsbeletsel.7 Dit doet niet af aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit over vaststelling van de voor de behandeling van de asielaanvraag verantwoordelijke lidstaat. In de onderhavige procedure verstrijkt de uiterste overdrachtsdatum op 7 november 2020. Er is dus nog een periode waarin eiser zou kunnen worden overgedragen aan Duitsland en het is niet op voorhand duidelijk dat die termijn niet gehaald gaat worden. Immers, verweerder heeft op de zitting verklaard dat het overdragen van Dublinclaimanten vanaf 1 juli 2020 langzaamaan weer wordt opgestart. Er zijn verder geen eiser betreffende individuele omstandigheden aangevoerd die maken dat eiser niet zou mogen worden overgedragen aan Duitsland. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de situatie in Duitsland zodanig is dat zijn overdracht aan Duitsland binnen de voor hem

4 Pagina 67

5 Pagina 75

6 Pagina 67

7 uitspraak van de ABRvS van 8 april, ECLI:NL:RVS:2020:1032

geldende overdrachtstermijn tot schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest zal leiden, dan wel dat overdracht aan Duitsland leidt tot een onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand. Dit laatste was wel het geval in de uitspraak van de ABRvS van 3 november 2017, waar eiser een beroep op doet. Gelet hierop gaat eisers beroep op die uitspraak niet op. De rechtbank ziet in de Dublinverordening geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder onder dergelijke omstandigheden niet de gehele overdrachtstermijn van zes maanden mag gebruiken om eiser over te dragen. Dat door deze wijze van toetsen sprake zou zijn van schending van artikel 27 van de Dublinverordening onderschrijft de rechtbank niet. Immers, alle omstandigheden die eiser aanvoert, worden door de rechtbank bij beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit betrokken en als de uiterste overdrachtsdatum onverhoopt niet wordt gehaald, zal eiser worden opgenomen in de nationale asielprocedure. Niet valt in te zien dat eiser hiermee een effectief rechtsmiddel wordt ontnomen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

9. Ten slotte overweegt de rechtbank dat het beroep op het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel niet slaagt. Gelet op de omschrijving van de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van de Dublinverordening, zoals uitgelegd in het arrest M.A., en de omstandigheid dat de Dublinverordening fatale termijnen geeft waarbinnen de lidstaten moeten blijven en waarbij het belang van de vreemdeling om snel duidelijkheid te krijgen over de verantwoordelijke lidstaat uitgangspunt is geweest, en verweerders besluit binnen die kaders blijft, is daarmee voldaan aan het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Van een onevenredige vertraging van de asielprocedure is dan ook geen sprake.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. K.S. Smits, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:

06 augustus 2020

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.