Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:10455

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
27-10-2020
Zaaknummer
NL19.27186
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

siel - verlengde asielprocedure - buitenechtelijke relatie - Iran - probleem met tolk - Sorani - Fars

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.27186


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. T. Neijzen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. van Nijnatten).


Procesverloop
Bij besluit van 15 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen K. Soltani. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Iraanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 1991.

2. In het voornemen heeft verweerder het asielrelaas van eiser als volgt samengevat. Eiser heeft in Iran een relatie gehad met een getrouwde vrouw. Als gevolg van deze relatie zou eiser problemen hebben gekregen met de familie van deze vrouw, zijn eigen familie en de Iraanse autoriteiten.

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- buitenechtelijke relatie en de problemen als gevolg daarvan.

Verweerder heeft het eerste element geloofwaardig geacht, maar heeft de gestelde buitenechtelijke relatie en de daaruit volgende problemen ongeloofwaardig geacht. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

4. Eiser kan zich niet verenigen met het besluit en voert hiertoe aan dat verweerder zijn asielrelaas ten onrechte ongeloofwaardig acht. Volgens eiser heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld door een verkeerde tolk in te zetten tijdens het nader gehoor. Voorts heeft verweerder ten onrechte gesteld dat het risicovolle gedrag van eiser zijn relaas ongeloofwaardig maakt, omdat juist verliefde mensen risicovol gedrag vertonen waarbij het verstand niet leidend is. Hiervoor verwijst eiser naar een lezing van professor dr. Jan-Hindrik Ravesloot en naar een Wikipediapagina over verliefdheid. Verweerder neemt zonder nadere onderbouwing aan dat mensen uit streng Islamitische landen geen risico zouden nemen, zoals het plegen van overspel. Eiser had zijn telefoon altijd bij zich en stond deze nooit aan iemand anders af, zodat het geen risico opleverde dat hij bij zijn geliefde hartjes in zijn telefoon had staan. Verder heeft verweerder ten onrechte gesteld dat eiser tegenstrijdig dan wel bevreemdend heeft verklaard over de nazorg van zijn neusoperatie, het gebruik van de Telegram app, de ontmoetingen met zijn vriendin en het contact met zijn ouders. Tot slot stelt eiser dat de dagvaarding ten onrechte niet is betrokken bij het besluit en dat hij nooit in het bezit is geweest van de originele versie van zijn dagvaarding. Eiser heeft al het mogelijke gedaan om zijn veroordeling als gevolg van de relatie te onderbouwen.

5. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in samenhang met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1.

Ter zitting heeft eiser gesteld dat het nader gehoor onzorgvuldig is afgenomen nu niet de juiste tolk is ingeschakeld. De rechtbank stelt vast dat bij het nader gehoor een tolk Koerdisch (Sorani) door verweerder is ingeschakeld. Bij aanvang van het nader gehoor is aan eiser gevraagd of hij de tolk goed kon verstaan en begrijpen, dit heeft eiser bevestigd. Voorts is vermeld dat verweerder heeft gezien dat eiser ook Turks, Farsi en Kaki spreekt en heeft gevraagd welke taal de voorkeur van eiser heeft om het gesprek in te voeren. Eiser heeft hierop geantwoord: “Mijn moedertaal, Koerdisch Sorani”. Voorts is in het nader gehoor op pagina 13 het volgende vermeld:

Opmerking rapporteur: Er is een probleem in de vertaling. De tolk heeft het woord “Dazgiran” vertaald als “verloofd”. Dit is zo in Irak, aldus de tolk. In de streek waar betrokkene vandaan komt in Iran is de vertaling “geliefde”. Dit is een groot verschil. Het gehoor verliep verder goed en betrokkene was tevreden. De tolk heeft soms een verduidelijking gevraagd als betrokkene een woord Farsi gebruikte tussen het Sorani door. Dit was ook al het geval tijdens het eerste gehoor. De huidige tolk spreekt geen Farsi.

Ik heb het gehoor uit voorzorg gestaakt omdat het noodzakelijk is voor betrokkene dat alles goed en duidelijk op papier komt. Het gehoor zal maandag 2 oktober 2017 worden voortgezet. Allereerst zal het relaas dan met een nieuwe tolk worden doorgenomen. Als alles correct blijkt te zijn volgens betrokkene, zal het gehoor verder worden afgemaakt.”

De rechtbank stelt vast dat het nader gehoor vervolgens op 27 oktober 2017 is voortgezet met wederom met een tolk Koerdisch (Sorani). Met eiser is de rechtbank van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat het kennelijk de bedoeling is geweest van verweerder om een tolk in te schakelen die (ook) het Farsi beheerst en dat dit kennelijk niet is gebeurd.

Vervolgens rijst de vraag of verweerder, gelet op deze handelwijze, niet langer de tegengeworpen tegenstrijdigheden kan handhaven zoals eiser heeft gesteld. Eiser stelt dat de geconstateerde tegenstrijdigheden of bevreemdende verklaringen aan een verkeerde vertaling door de tolk zijn te wijten dan wel dat dit niet kan worden uitgesloten.

De rechtbank stelt voorop dat eiser zelf heeft gesteld dat zijn moedertaal het Koerdisch (Sorani) betreft en dat hij deze taal goed beheerst. Dat eiser en de tolk Koerdisch (Sorani) elkaar niet goed zouden begrijpen, is niet uit het gehoor af te leiden. Wel is uit het gehoor af te leiden dat verwarring bestond over bepaalde termen/woorden zoals de juiste vertaling voor het woord dazgiran. Dat sprake is van dusdanige vertaalproblemen dat daarmee in zijn geheel niet kan worden uitgegaan van de inhoud van het nader gehoor, is naar het oordeel van de rechtbank echter niet gebleken. De onduidelijkheden die door de verkeerde vertaling zijn ontstaan, heeft eiser bij de correcties en aanvullingen kunnen verduidelijken of corrigeren. Eiser heeft ook van deze gelegenheid gebruik gemaakt en heeft in de correcties en aanvullingen en in de zienswijze concreet aangegeven welke onderdelen uit het gehoor volgens hem verkeerd zijn vertaald en wat hij heeft willen verklaren. Dat niet kan worden uitgegaan van de overige inhoud van het gehoor, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.

6.2.

Ten aanzien van eisers gestelde buitenechtelijke relatie en de problemen als gevolg van deze relatie overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft niet ten onrechte van eiser mogen verwachten dat hij een afweging maakt tussen zijn gedrag en de risico’s die dat gedrag met zich meebrengen en dat hij deze afweging kenbaar kan maken aan verweerder. Eiser heeft onder meer verklaard dat hij zijn gestelde vriendin bezocht bij haar thuis met het risico dat hij betrapt zou worden. Verweerder heeft het bevreemdingwekkend mogen achten dat eiser dergelijk risicovol gedrag heeft vertoond, omdat hij is opgegroeid in een zeer religieus gezin en wist dat mannen in Iran de doodstraf kunnen krijgen voor overspel. De enkele stelling dat eiser verliefd is en daarom zoveel risico nam, heeft verweerder onvoldoende mogen achten. Dat juist verliefde mensen risicovol gedrag zouden vertonen maakt niet dat verweerder een afweging met betrekking tot de risico’s niet van eiser mag verwachten, nu dit risico bij overspel in Iran groot is. Eisers verwijzing naar een lezing van professor dr. Jan-Hindrik Ravesloot en een Wikipediapagina maakt het voorgaande niet anders. De rechtbank acht hierbij ook van belang dat de lezing en de webpagina algemene bronnen betreffen die niet ingaan op de specifieke situatie (van eiser) in Iran. Gelet op het voorgaande heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat niet is gebleken van een afweging van eiser tussen zijn gedrag en het risico dat daaruit volgt.

6.3.

De rechtbank is verder van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat eiser de risico’s heeft geprobeerd te vermijden, zoals hij betoogt. Zo valt niet in te zien dat eiser de naam van zijn gestelde vriendin als contact in zijn telefoon omringde met hartjes en deze telefoon tegelijkertijd achterliet bij zijn zeer conservatieve oom in de auto.

6.4.

Verweerder heeft voorts terecht gesteld dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de nazorg van zijn neusoperatie. Hiertoe is van belang dat eiser enerzijds heeft verklaard dat het niet gebruikelijk is dat patiënten zelf pleisters op hun neus plaatsen na een operatie zoals hij die heeft ondergaan, terwijl hij anderzijds verklaart instructies te hebben gekregen om de pleisters zelf te plaatsen. Ook heeft eiser verklaard dat specialisten niet beschikbaar waren voor de nazorg en dat een normale arts of verpleegkundige hiervoor niet voldoet. Dat eiser zich uiteindelijk tot een aangetrouwd vrouwelijk familielid heeft gewend voor de nazorg, terwijl zij geen medische professie heeft, heeft verweerder daarom bevreemdingwekkend mogen achten. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de verklaringen over de neusoperatie en de nazorg daarvan niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht.

6.5.

Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder eisers verklaringen over het gebruik van de Telegram-app niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Verweerder heeft bevreemdend mogen achten dat een getrouwde vrouw op een app die in Iran veel wordt gebruikt publiekelijk uitingen zou doen over haar liefdesleven via haar profielfoto. Dat eiser en zijn gestelde vriendin de enigen waren die in hun omgeving de Telegram-app gebruikten en het risico daarom minder groot was, heeft verweerder niet ten onrechte niet gevolgd. Eiser heeft namelijk zelf verklaard dat het gedrag van zijn gestelde vriendin op Telegram risico’s met zich meebracht, omdat dit voor iedereen zichtbaar is.

6.6.

Over de momenten dat eiser en zijn gestelde vriendin elkaar hebben ontmoet, heeft eiser voorts wisselend verklaard. Zo verklaart eiser op enig moment dat hij woensdagen en donderdagen bij zijn gestelde vriendin thuis doorbracht en verklaart hij daarnaast dat deze bezoeken op donderdagen en vrijdagen plaatsvonden. Verweerder heeft deze wisselende verklaringen niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht.

6.7.

Dat verweerder de dagvaarding niet heeft betrokken bij zijn besluit volgt de rechtbank evenmin. Wel is aan deze dagvaarding niet de waarde gehecht die eiser eraan gehecht wenst te zien. Verweerder heeft hiertoe niet ten onrechte van belang geacht dat eiser slechts een kopie van de dagvaarding heeft overgelegd, waardoor deze niet op echtheid kan worden gecontroleerd. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd waarom het in zijn geval onmogelijk is het origineel over te leggen, nu verweerder heeft verwezen naar informatie uit een objectieve bron waaruit blijkt dat een originele dagvaarding in Iran wordt uitgereikt aan de betreffende persoon.

Dat eiser andere woorden gebruikt voor rechtszaken en dergelijke, zoals ter zitting is gesteld, doet aan het voorgaande niet af. Het betreft hier geen verwijzing naar een verklaring van eiser in zijn asielrelaas, maar het door eiser ingenomen standpunt dat hij niet de beschikking heeft over de dagvaarding terwijl uit openbare bronnen blijkt dat hij hier wel de beschikking over zou moeten hebben.

6.8.

Tot slot heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verklaringen over eisers vriend Ismael afbreuk doen aan het relaas van eiser. Zo heeft eiser onder meer verklaard dat Ismael zijn reisagent was, dat via Ismael het contact tussen eiser en zijn ouders verliep en Ismael tegelijkertijd ook een belangrijke rol speelt in het contact van eiser met zijn vriendin terwijl eiser geen rechtstreeks contact met zijn vriendin heeft. Verweerder heeft niet ten onrechte opgemerkt dat er een hoge mate van toevalligheid is ten aanzien van deze verschillende rollen van Ismael.

6.9.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank de gestelde relatie tussen eiser en zijn vriendin en de daaruit volgende problemen niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. De door eiser als onjuist vertaalde onderdelen van zijn asielrelaas, zijn hierbij niet betrokken. Verweerder heeft de asielaanvraag dan ook op goede gronden afgewezen.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.