Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:10437

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-10-2020
Datum publicatie
19-10-2020
Zaaknummer
NL20.15181, NL20.15183, NL20.15188 en NL20.15194
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bulgarije Statushouders – verweerder moet zich nader vergewissen bij de Bulgaarse autoriteiten - einduitspraak om aanstonds en uitdrukkelijk hoger beroep mogelijk te maken.

Eisers, een vrouw met vier (inmiddels) meerderjarige kinderen, hebben een vluchtelingenstatus in Bulgarije. Onder verwijzing naar hun eigen relazen en actuele landeninformatie betogen zij dat zij in Bulgarije geen identiteitsdocument kunnen verkrijgen omdat ze geen woonruimte hebben en geen woonruimte kunnen krijgen omdat ze geen identiteitsbewijs kunnen krijgen. Bulgarije heeft bovendien (ook) in strijd met de Kwalificatierichtlijn al zeven opvolgende jaren geen enkele integratievoorziening voor statushouders aldus eisers.

Verweerder heeft zijn bestreden besluiten en reactie op de beroepsgronden enkel gemotiveerd door te verwijzen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel en uitspraken van de Afdeling van 28 augustus 2019 en 30 mei 2018. Deze wijze van motiveren volstaat niet. Verweerder moet zelf een zorgvuldige beoordeling maken van de vraag of in de onderhavige procedure ten aanzien van eisers kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en moet daarbij inhoudelijk ingaan op de argumenten en onderbouwing van eisers. Verweerder kan zich niet beperken tot de vaststelling dat de Afdeling nog nooit heeft overwogen dat niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel als het om vreemdelingen gaat aan wie Bulgarije een status heeft verleend.

De rechtbank betrekt alle gepubliceerde uitspraken van de Afdeling ten aanzien van statushouders uit Bulgarije bij haar uitspraak, alsmede de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2020 ten aanzien van bijzonder kwetsbare statushouders uit Hongarije.

De rechtbank concludeert dat de besluiten ontoereikend zijn gemotiveerd en dat gelet op alle beschikbare actuele informatie over de juridische en feitelijke positie van statushouders, waaruit gedurende geruime tijd steevast hetzelfde beeld naar voren komt, verweerder zijn besluiten alleen nader kan motiveren door zich te vergewissen bij de Bulgaarse autoriteiten.

De rechtbank doet een einduitspraak in plaats van een tussenuitspraak om zodoende verweerder uitdrukkelijk in de gelegenheid te stellen hoger beroep in te stellen omdat verweerder zich uitsluitend heeft gebaseerd op de jurisprudentie van de Afdeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: NL20.15181; NL20.15183; NL20.15188 en NL20.15194


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser] , geboren op [geboortedag] 1988, eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,

[eiseres 1] , geboren op [geboortedag] 1963, eiseres (1),

V-nummer: [V-nummer] ,

[eiseres 2] , geboren op [geboortedag] 2000, eiseres (2),

V-nummer: [V-nummer] , en

[eiseres 3] , geboren op [geboortedag] 2000, eiseres (3),

V-nummer: [V-nummer] ,

allen van Syrische nationaliteit, gezamenlijk te noemen: eisers,

(gemachtigde: mr. M.C.W. van der Zanden),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Peeters).

Procesverloop
Bij afzonderlijke besluiten van 6 augustus 2020 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene asielprocedure niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten op 7 augustus 2020 beroep ingesteld en tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen zodat eisers in ieder geval niet worden uitgezet voordat hun beroepen zijn behandeld door de rechtbank. Deze verzoeken zijn geregistreerd onder zaaknummers NL20.15182; NL20.15184; NL20.151889 en NL20.15195.

Op 7 september 2020 hebben eisers verzocht ordemaatregelen te treffen om te voorkomen dat hen de toegang tot opvang en verstrekkingen zou worden ontzegd en daarbij aangegeven dat dit verzoek is gedaan tegen het Coa AZC Budel omdat hen te verstaan was gegeven dat zij de opvang dienden te verlaten.

Bij uitspraak van 7 september 2020 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, in de verzoeken met bovengenoemde zaaknummers bij wijze van ordemaatregel bepaald dat het verweerder verboden is verzoekers uit te zetten totdat op hun verzoek om een voorlopige voorziening is beslist. In deze uitspraak is, hoewel dit niet is bepaald in het dictum terwijl het verzoek om een ordemaatregel uitsluitend zag op de mogelijke beëindiging van de opvang, expliciet overwogen dat het recht op verstrekkingen, waaronder opvang, tevens op grond van artikel 5 van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 blijft bestaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2020. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eisers zijn afkomstig uit Kobani in Syrië en hebben in 2013, 2014 of 2015 hun land van herkomst verlaten. Uit onderzoek in Eurodac (Europese Dactyloscopie) in samenhang bezien met een schrijven van de Bulgaarse autoriteten blijkt dat zij in Bulgarije op 10 mei 2017 verzoeken om internationale bescherming hebben ingediend en dat aan eisers door Bulgarije op 11 augustus 2017 internationale bescherming is verleend. Uit dit onderzoek is voorts gebleken dat eisers op 27 september 2017 verzoeken om internationale bescherming in Duitsland hebben ingediend, dat de Duitse autoriteiten deze asielverzoeken op 10 november 2017 niet-ontvankelijk hebben verklaard omdat zij reeds in Bulgarije internationale bescherming genieten en dat de betreffende beschikkingen op 29 mei 2019 rechtsgeldig zijn geworden. In april 2020 zijn eisers door Duitsland uitgezet naar Bulgarije. Op 26 juni 2020 zijn eisers Nederland binnengekomen. Op 27 juni 2020 hebben eisers aanvragen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de asielaanvragen van eisers niet‑ontvankelijk verklaard omdat aan hen door de Bulgaarse autoriteiten internationale bescherming is verleend in de zin van artikel 2, onder a, van de Richtlijn 2011/95/EU (de Kwalificatierichtlijn).

Standpunten partijen

2. Verweerder heeft aan de bestreden besluiten ten grondslag gelegd dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen of eisers (nog) internationale bescherming genieten in Bulgarije. Immers, uit de reacties van de Bulgaarse autoriteiten blijkt dat aan eisers een vluchtelingenstatus is toegekend in Bulgarije. De omstandigheid dat dit ten aanzien van eiseres (1) niet in Eurodac is geregistreerd doet hier naar de mening van verweerder niet aan af vanwege het feit dat de Bulgaarse autoriteiten hebben bevestigd dat ook haar de vluchtelingenstatus is toegekend. Ook heeft verweerder in aanmerking genomen dat uit de Eurodacregistratie niet blijkt dat de door Bulgarije aan eisers verleende internationale bescherming is ingetrokken. Evenmin hebben eisers volgens verweerder concrete informatie overgelegd op basis waarvan het aannemelijk moet worden geacht dat de beschermingsstatus van eisers is geëindigd en dat zij niet langer internationale bescherming genieten in Bulgarije. Voor zover eisers stellen dat de verblijfsvergunningen op 20 augustus 2020 zouden zijn verlopen, betekent dit naar de mening van verweerder niet dat daarmee ook de aan hen verstrekte internationale beschermingsstatus is geëindigd en is het aan eisers om na het verlopen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunningen in Bulgarije de verlenging hiervan aan te vragen.

Verder meent verweerder dat de stelling dat er geen daadwerkelijk band met Bulgarije is en niet kan worden gevergd dat eisers terugkeren naar Bulgarije onderbouwing mist en dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder meer de uitspraken van 6 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2621, 9 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1253, 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1795) met louter de verlening van internationale bescherming reeds is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.106a, tweede lid, Vb 2000.

Daarnaast wijst verweerder wat betreft de stelling dat er aanwijzingen zijn dat Bulgarije internationale verplichtingen niet nakomt en in het voornemen ten onrechte is uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel op de uitspraken van de Afdeling van 30 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1793) en 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2961), waarin is geoordeeld dat statushouders kunnen terugkeren naar Bulgarije nu de situatie aldaar voor statushouders moeilijk is, maar niet zodanig slecht is dat een statushouder bij terugkeer naar Bulgarije in een situatie strijdig met artikel 3 EVRM terecht zal komen.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de verklaringen van eisers blijkt dat zij onvoldoende inspanningen hebben geleverd en dat meer van hen mag worden verwacht om hun rechten te effectueren. Volgens verweerder hebben statushouders, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van Bulgarije, toegang tot werk, onderwijs, zorg, huisvesting, en hebben zij de mogelijkheid om te integreren. Het kan in de praktijk (onder meer door discriminatie en de taalbarrière) moeilijk zijn om deze toegang ook te krijgen, maar uit de verklaringen van eisers blijkt naar de mening van verweerder niet dat zij een (voldoende) inspanning hebben geleverd om hun rechten te effectueren of hun situatie te verbeteren. Door verweerder wordt niet gevolgd dat van eisers niet zou kunnen worden gevergd om bescherming of hulp te zoeken bij (andere of hogere) autoriteiten. Hoewel de gebeurtenissen en de situatie die door eisers worden geschetst vervelend zijn, meent verweerder dat geen sprake is geweest van een schending van artikel 3 EVRM. Daarnaast heeft verweerder overwogen dat bij eisers niet is gebleken van bijzonder kwetsbare personen, zodat ook om die reden van eisers kan worden verwacht dat zij een inspanning leveren om hun rechten te effectueren. Tot slot merkt verweerder nog op dat ook de Duitse autoriteiten geen aanleiding hebben gezien om de aanvragen van eisers in behandeling te nemen en deze niet-ontvankelijk hebben verklaard.

3. Eisers hebben in beroep aangevoerd dat verweerder op onjuiste gronden heeft besloten hun asielaanvragen niet ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000, althans dat de bestreden besluiten onzorgvuldig zijn voorbereid en/of onvoldoende zijn gemotiveerd. Allereerst stellen eisers dat zij geen of onvoldoende notie hebben van de status die zij in Bulgarije zouden hebben verkregen omdat zij in Duitsland als Dublinclaimanten werden behandeld. Daarnaast ontbreekt de Eurodac‑vermelding met betrekking tot internationale bescherming ten aanzien van eiseres (1). Bovendien is uit de brief van de Bulgaarse autoriteiten aan de Duitse autoriteiten van 6 november 2017, waarin de autoriteiten van Bulgarije laten weten dat op 11 augustus 2017 internationale bescherming aan eisers is verleend, op te maken dat de Bulgaarse autoriteiten moet worden verzocht om wedertoelating tot Bulgarije. Voor eisers staat onvoldoende vast dat zij thans nog daadwerkelijk internationale bescherming genieten van Bulgarije en of zij tot dat land worden toegelaten zonder dat hierover vooraf nog contact wordt gelegd door verweerder met de Bulgaarse autoriteiten. Eisers menen dat verweerder naar aanleiding van de zienswijze was gehouden tot nader onderzoek bij de Bulgaarse autoriteiten en dat de bestreden besluiten op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen doordat dit is nagelaten alvorens te besluiten. Ook heeft verweerder niet onderbouwd dat de Duitse autoriteiten de asielaanvragen van eisers niet ontvankelijk hebben verklaard.

Voorts hebben eisers aangevoerd dat zij hun Syrische nationaliteit en hun familierechtelijke betrekkingen tot elkaar hebben onderbouwd met een origineel uittreksel uit het familieregister van 13 februari 2020 (met vertaling in het Duits), dat zij Syrië zijn ontvlucht, dat zij in 2017 slachtoffer zijn geworden van een illegale push back door de Bulgaarse autoriteiten naar Turkije maar bij een tweede poging door de Bulgaarse autoriteiten gevangen zijn gezet en dat zij in vrijheid gesteld nadat eiseres (1) de door de Bulgaarse autoriteiten voorgelegde formulieren heeft ondertekend. Ook hebben eisers tijdens het Gehoor Bescherming EU van 3 augustus 2020 naar voren gebracht dat zij in Bulgarije in detentie zijn gehouden, zijn mishandeld en aangerand door de Bulgaarse autoriteiten. Tevens voeren eisers aan dat zij in Bulgarije niet zijn voorzien van juridische bijstand en dat hun angst voor de Bulgaarse autoriteiten en het risico om wederom in detentie te geraken hen heeft weerhouden zich over de behandeling in Bulgarije te beklagen bij de Bulgaarse autoriteiten. Daarbij komt volgens eisers hun relaas overeen met hetgeen bekend is over de situatie van vluchtelingen die in 2017 de grens over trachtten te steken vanuit Turkije en in Bulgarije terecht kwamen. Bovendien is hen door de Bulgaarse autoriteiten in 2017 duidelijk te verstaan gegeven dat zij na hun vrijlating moesten vertrekken, aldus eisers. Eisers hebben verklaard dat zij in Bulgarije geen enkele overheidssteun ontvingen en verstoken bleven van middelen om in hun primaire levensbehoeften (eten en woonruimte) te voorzien waarop zij naar Duitsland zijn gegaan, alwaar drie kinderen van eiseres (1), twee broers en een zuster van eiser en eiseres (2) en eiseres (3) internationale bescherming hadden verkregen, alsook dat zij eerst door de uitzetting in april 2020 hebben begrepen dat Bulgarije verantwoordelijk is en dat zij volgens verweerder allen internationale bescherming zouden genieten van Bulgarije. Nu er concrete aanwijzingen zijn dat Bulgarije de internationale verplichtingen niet nakomt, kan naar de mening van eisers niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan. Hierbij doen eisers een beroep op het arrest Ibrahim van Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJ-EU) van 19 maart 2019.

Tot slot hebben eisers aangevoerd dat terugkeer naar Bulgarije voor hen impliceert dat zij een ernstig risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). In dit verband stellen eisers dat zij reeds in Bulgarije in 2017 en in april 2020 een mensonterende behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) hebben ondergaan, waarbij zij zijn mishandeld en aangerand en na hun vrijlating feitelijk verstoken zijn gebleven van overheidssteun. Ook stellen eisers dat een daadwerkelijke mogelijkheid tot klagen er feitelijk niet was en nog steeds niet is. Zo is er geen juridische ondersteuning en menen eisers dat klagen bij de politie over aanranding en mishandeling door de politie, die tevens de macht heeft hen weer in detentie te plaatsen, in redelijkheid niet van hen kan worden gevergd, zeker niet wanneer zij zich in een situatie bevinden waarin zij verstoken zijn van primaire levensbehoeften. Bovendien zijn eisers van mening dat effectuering van de rechten voortvloeiende uit een in Bulgarije verkregen internationale beschermingsstatus voor hen in 2017 vrijwel volstrekt onmogelijk was en dat dit thans in 2020 niet anders is. Volgens eisers is namelijk sprake van een zogenaamde catch 22-situatie waarbij statushouders geen toegang hebben tot de sociale woningmarkt omdat hiervoor de Bulgaarse nationaliteit is vereist en dat voor toegang tot de particuliere woningmarkt een identiteitskaart nodig is of inschrijving bij de gemeente, wat enkel kan indien wordt beschikt over een woonruimte of inschrijfadres want een opvang- of detentieadres is niet toegestaan. Daarnaast betekent geen inschrijving ook geen overheidssteun, geen opvang en geen gezondheidszorg, aldus eisers. Hierbij hebben zij verwezen naar:

het AIDA (Asylum Information database) rapport update Bulgarije van 21 februari 2020 (pagina's 82 tot en met 84); en

het rapport ‘Veelgestelde vragen - Dublinterugkeerders en statushouders Bulgarije’ van april 2020 van Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) (pagina's 5 en 6).

Eisers menen dan ook dat verweerder niet kan volstaan met een verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2961) en 30 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1793), waarin geoordeeld is dat de situatie voor statushouders in Bulgarije moeilijk is, maar niet zodanig dat de statushouder bij terugkeer naar Bulgarije in een situatie strijdig met artikel 3 EVRM terecht zal komen. Immers, verweerder gaat voorbij aan de door eisers gestelde en onderbouwde catch 22-situatie en het gegeven dat in Bulgarije voor statushouders sinds 2014 geen ondersteuning is met betrekking tot integratie waardoor er in dat land al ruim 6 jaar sprake is van een 'zero‑integration situatie'. Naar de mening van eisers voldoet Bulgarije niet aan artikel 34 van de Kwalificatierichtlijn en geven de Bulgaarse autoriteiten hiermee het signaal af dat zij volstrekt onverschillig staan tegenover statushouders die van hen afhankelijk zijn. Hierdoor kunnen statushouders niet integreren en daarmee wordt de toegang tot de uitoefening van de rechten als statushouder in Bulgarije volstrekt onmogelijk gemaakt. Ten onrechte wordt dan ook door verweerder aan eisers tegengeworpen dat zij onvoldoende hebben ondernomen met betrekking tot de uitoefening van hun rechten als statushouder. Immers, statushouders hebben thans en hadden in 2017 geen daadwerkelijke toegang tot elementaire levensbehoeftes als huisvesting, en zij kunnen in Bulgarije ook niet hun recht hierop effectueren. In de praktijk hebben eisers verder naast de taalbarrière tevens te doen met de uitermate vijandige houding van de Bulgaarse politie jegens migranten (statushouders inbegrepen) en de discriminatoire houding van de Bulgaren jegens migranten (statushouders inbegrepen).

Beoordeling door de rechtbank

4. Ingevolge artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 niet‑ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Richtlijn 2013/32/EU (de Procedurerichtlijn), indien de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie (EU) internationale bescherming geniet.

Op grond van artikel 3.106a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 slechts niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a, b of c, Vw 2000 indien, naar het oordeel van verweerder, alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, de vreemdeling in het betrokken derde land overeenkomstig de volgende beginselen zal worden behandeld:

  • -

    het leven en de vrijheid worden niet bedreigd om redenen van ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, en

  • -

    er bestaat geen risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw 2000, en

  • -

    het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag wordt nageleefd, en

  • -

    het verbod op verwijdering in strijd met het recht op vrijwaring tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling, zoals neergelegd in het internationaal recht, wordt nageleefd, en

  • -

    de mogelijkheid bestaat om de vluchtelingenstatus te verzoeken en, indien hij als vluchteling wordt erkend, bescherming te ontvangen overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag.

In het tweede lid van artikel 3.106a Vb 2000 staat dat de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 slechts niet‑ontvankelijk wordt verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder a, b of c, Vw 2000 indien de vreemdeling een zodanige band heeft met het betrokken derde land dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan.

5. Verweerder heeft met stukken onderbouwd dat de Bulgaarse autoriteiten eisers op 11 augustus 2017 internationale bescherming hebben verleend. Uit de reacties van de Dublin Unit van de Bulgaarse autoriteiten blijkt dat in Bulgarije – ondanks dat dit ten aanzien van eiseres (1) niet in Eurodac is geregistreerd – aan eiseres een vluchtelingenstatus is toegekend. Daarnaast blijkt uit de reacties van de Dublin Unit van de Bulgaarse autoriteiten inzake eiser en eiseres (2) en eiseres (3) dat ook hen de vluchtelingenstatus is verleend en dat dus niet is gebleken van verlening van de subsidiaire beschermingsstatus die na drie jaar zou verlopen. Verder hebben de Bulgaarse autoriteiten op grond van artikel 18, derde lid, van de Eurodacverordening (Vo 603/2013) de verplichting om de markering in Eurodac dat de vreemdeling internationale bescherming geniet te verwijderen wanneer hun status is ingetrokken of beëindigd. Op 27 juni 2020 heeft verweerder Eurodac geraadpleegd en uit de informatie uit Eurodac is niet gebleken dat de aan eisers verleende vluchtelingstatus is ingetrokken of beëindigd. Voor zover de geldigheid van de Bulgaarse verblijfsvergunning op 20 augustus 2020 zou zijn verlopen, overweegt de rechtbank dat verweerder er in beginsel van uit mag gaan dat eisers nog steeds een vluchtelingenstatus hebben en dat het aan eisers is om aan te tonen dat dit niet langer zo is. Daarbij is van belang dat – zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling (vgl. de uitspraak van 9 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1253) – het verlenen van de internationale beschermingsstatus aan een onderdaan van een derde land of staatloze moet worden onderscheiden van het verstrekken van een verblijfstitel aan personen met een dergelijke status. Hoewel de geldigheid van een verblijfstitel kan worden beperkt, kan hieruit niet worden afgeleid dat met het verlopen van de geldigheidsduur van een aan een vreemdeling verstrekte verblijfstitel ook de aan een vreemdeling verstrekte beschermingsstatus eindigt. In dit geval hebben eisers evenwel geen concrete informatie ingebracht op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat zij niet langer internationale bescherming genieten in Bulgarije en dat hun vluchtelingenstatus is geëindigd. Gelet hierop heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat zij daardoor een zodanige band hebben met Bulgarije dat het voor hen redelijk zou zijn naar dat land te gaan. Immers, zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling (vgl. onder meer de uitspraken van 6 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2621, 9 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1253, 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1792-1795, en 12 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:442), is alleen al omdat een vreemdeling in een lidstaat van de EU erkend vluchteling is dan wel een subsidiaire beschermingsstatus heeft, voldaan aan het bepaalde in artikel 3.106a, tweede lid, Vb 2000. De beroepsgrond van eisers dat verweerder zich nader moet vergewissen of zij op dit moment nog steeds internationale bescherming genieten slaagt dus niet. De rechtbank stelt namelijk vast dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat hun status is ingetrokken of beëindigd en de bewijslast voor die stelling rust wel op eisers. Gelet op het toetsingskader en de vaste jurisprudentie van de Afdeling betekent dit ook dat hiermee de band van eisers met Bulgarije een gegeven is. De vraag of zij zelf een sterkere band met Nederland ervaren of willen opbouwen kan onbesproken kan blijven omdat dit niet relevant is voor de beoordeling van de onderhavige beroepen.

6. Statushouders, zoals eisers, kunnen aan hun internationale beschermingsstatus de rechten ontlenen die hen worden toegekend op grond van de Kwalificatierichtlijn. In hoofdstuk VII van de Kwalificatierichtlijn zijn normen vastgesteld voor de inhoud van de internationale bescherming die een lidstaat van de EU aan onderdanen van derde landen verleent en de verplichtingen die dit voor de statusverlenende lidstaat met zich brengt. Zo staat in dit hoofdstuk onder meer dat lidstaten onderdanen van derde landen die internationale bescherming genieten onder dezelfde voorwaarden die gelden voor de eigen onderdanen, onbeperkt toegang tot werk, onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting en sociale voorzieningen verlenen. Verder moeten de lidstaten onderdanen van derde landen die internationale bescherming genieten toegang bieden tot integratieprogramma's die zij passend achten om rekening te houden met hun specifieke behoeften of zorgen zij voor omstandigheden waaronder de toegang tot dergelijke programma's is gewaarborgd. Eisers moeten in Bulgarije dus op vergelijkbare wijze als Bulgaren toegang hebben tot werk, onderwijs, sociale voorzieningen, gezondheidszorg en huisvesting en bovendien moeten zij gebruik kunnen maken van integratievoorzieningen.

7. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er in beginsel van uitgaan dat alle lidstaten hun internationale verplichtingen, ook verplichtingen die voortvloeien uit hoofdstuk VII van de Kwalificatierichtlijn, nakomen. Het ligt op de weg van eisers om aannemelijk te maken dat Bulgarije dit jegens hen niet doet en zij bij terugkeer naar dat land een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM en hier bovendien niet over kunnen klagen in Bulgarije. Uitgangspunt volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (vgl. de uitspraken van 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1793 en 1795) is dat eisers de rechten die zij hebben zelf kunnen en moeten effectueren. Eisers zullen voor zover zij zich op het standpunt stellen dat van hen niet kan worden verwacht om terug te keren naar Bulgarije om daar hun rechten als statushouders te effectueren deze stelling aannemelijk moeten maken.

8. De Afdeling heeft dit in de uitspraken van 30 mei 2018 ook zo overwogen en hierbij benadrukt dat uit de rechtspraak van het EHRM – de arresten van het EHRM in de zaken N. Mohammed Hassan e.a. tegen Nederland en Italië van 27 augustus 2013 (ECLI:CE:ECHR:2013:0827DEC004052410, punt 179) en E.T. en N.T. tegen Zwitserland en Bulgarije van 30 mei 2017 (ECLI:CE:ECHR:2017:0530DEC007948013, punt 26) – volgt dat de situatie van asielzoekers, een kwetsbare groep die speciale bescherming behoeft, niet te vergelijken is met die van statushouders, die dezelfde rechten hebben als staatsburgers op het gebied van toegang tot werk, gezondheidszorg, sociale huisvesting, onderwijs en sociale voorzieningen. Het enkele feit dat een persoon terugkeert naar een lidstaat waar de economische positie slechter zal zijn dan in de lidstaat waar hij thans verblijft, is niet voldoende om te oordelen dat artikel 3 EVRM in dat geval zal worden geschonden. Artikel 3 EVRM verplicht in zijn algemeenheid de lidstaten ook niet te waarborgen dat eenieder binnen de jurisdictie van een lidstaat onderdak heeft of financiële ondersteuning ontvangt waarmee een bepaalde levensstandaard kan worden gewaarborgd. Dat neemt echter niet weg dat, zoals de Afdeling overweegt, uit punt 23 van het arrest E.T. en N.T. blijkt dat indien een persoon, die volledig afhankelijk is van steun van de staat, te maken heeft met “official indifference in a situation of serious deprivation or want incompatible with human dignity”, alsnog sprake is van schending van artikel 3 EVRM.

9. Het HvJ-EU heeft in de zaak Ibrahim e.a. tegen Duitsland bij arrest van 19 maart 2019 (ECLI:NL:EU:C:2019:219) overwogen dat lidstaten er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in het algemeen van mogen uitgaan dat de andere lidstaten asielzoekers en statushouders in overeenstemming met het Unierecht en de door dat recht erkende grondrechten behandelen. Als een vreemdeling met een door een andere lidstaat afgegeven asielstatus in Nederland asiel aanvraagt, mag Nederland dat asielverzoek daarom in principe zonder nader onderzoek niet-ontvankelijk verklaren en de vreemdeling naar die andere lidstaat sturen. Het HvJ-EU heeft overwogen dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel echter niet kan worden uitgegaan als er een ernstig risico bestaat op schending van het verbod op onmenselijke of vernederende behandeling zoals genoemd in artikel 4 van het Handvest. Hiervoor geldt wel een hoge drempel. Er is pas sprake van een schending van het verbod op onmenselijke of vernederende behandeling als de vreemdeling die volledig afhankelijk is van overheidssteun, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte, en dit negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid of hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid. Deze toestand moet bovendien zijn veroorzaakt door onverschilligheid van de autoriteiten van het land die de status heeft verleend en geheel buiten de schuld van de vreemdeling liggen. Die drempel wordt niet bereikt in situaties die, ook al worden zij gekenmerkt door een grote onzekerheid of een sterke verslechtering van de levensomstandigheden van de betrokken persoon, geen zeer verregaande materiële deprivatie meebrengen waardoor deze persoon in een situatie terechtkomt die zo ernstig is dat zijn toestand kan worden gelijkgesteld met een onmenselijke of vernederende behandeling. Uit het arrest Ibrahim volgt – kort gezegd – dat de drempel van zwaarwegendheid hoog is en dat de situatie van zeer verregaande materiële deprivatie moet zijn veroorzaakt door – uitsluitend – onverschilligheid van de autoriteiten.

10. De vraag in de onderhavige procedure is dan ook, gelet op de beroepsgronden, of de juridische en feitelijke positie van statushouders in Bulgarije in overeenstemming is met hoofdstuk VII van de Kwalificatierichtlijn en Bulgarije dus aan zijn verplichtingen ten aanzien van statushouders voldoet. Als op grond van Bulgaarse regelgeving blijkt, zoals door eisers betoogd, dat Bulgarije in strijd met zijn verplichtingen statushouders deze rechten (volledig) onthoudt, kan van eisers bezwaarlijk worden verwacht hierover te klagen in Bulgarije. Het is immers aannemelijk dat de Bulgaarse autoriteiten conform hun nationale regelgeving zullen handelen. Indien reëel en voorzienbaar is dat de Bulgaarse autoriteiten niet voldoen aan hun verplichtingen regardeert dit derhalve tevens het uitgangspunt dat eisers gehouden zijn hierover te kunnen en moeten klagen bij diezelfde Bulgaarse autoriteiten. Weliswaar zou in dat geval de gang naar de (hoogste) Bulgaarse nationale rechter open staan, maar primair staat in de onderhavige procedure ter toetsing of de autoriteiten aan hun verplichtingen voldoen en indien dat niet het geval is het klagen bij diezelfde autoriteiten mogelijk en ook niet bij voorbaat kansloos is. Volgens het hiervoor uiteengezette toetsingskader zoals dat volgt uit de jurisprudentie van het EHRM en uit het arrest Ibrahim van het HvJ-EU dient bij de beoordeling de houding van de autoriteiten te worden betrokken en niet de eventuele mogelijkheid om de Bulgaarse rechter een mogelijk onverschillig houding te laten corrigeren middels het doen van uitspraken in concrete zaken. Het EHRM heeft reeds vaker overwogen dat het Hof geen appèlinstantie is van de nationale hoogste rechter (zie bijvoorbeeld punt 88 van het arrest van het EHRM in de zaak Bykov tegen Rusland van 10 maart 2009, ECLI:CE:ECHR:2009:0310JUD000437802). Weliswaar staat voor een ieder na doorlopen van de nationale procedure de rechtsgang naar het EHRM open, maar dit brengt niet met zich mee dat de nationale rechter bij wie, zoals in de onderhavige procedure, de rechtsvraag voorligt of een andere, statusverlenende, lidstaat zich aan de Europese verplichtingen ten aanzien van statushouders voldoet kan volstaan met de verwijzing naar de mogelijkheid om te procederen bij het EHRM. Indien dit wel zo zou moeten worden uitgelegd had naar het oordeel van de rechtbank het HvJ-EU dit in Ibrahim zo uitgesproken en uitgelegd dat het in die zin niet relevant is dat eisers aannemelijk kunnen maken dat zij in een statusverlenende lidstaat in een situatie van verregaande materiele deprivatie terecht zullen komen na terugkeer naar die lidstaat omdat zij uiteindelijk altijd zouden kunnen klagen bij het EHRM over EVRM-schendingen.

11. Verweerder stelt zich – samengevat – op het standpunt dat hij op grond van jurisprudentie van de Afdeling mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije. Volgens verweerder hebben eisers dezelfde rechten als de Bulgaarse bevolking. Eisers moet deze rechten zelf effectueren en uit hun relazen blijkt volgens verweerder dat zij onvoldoende inspanningen hebben geleverd om dit te doen. Niet gesteld is dat dit van hen niet of in mindere mate verwacht kan worden. Voor zover zij feitelijke problemen in Bulgarije hebben ervaren levert dit geen strijd op met artikel 3 EVRM en komt dit volgens verweerder doordat zij te weinig inspanningen hebben geleverd om hun rechten te effectueren. Volgens verweerder kunnen eisers zich voor huisvesting te wenden tot niet-gouvernementele organisaties (NGO’s). Ook hebben eisers niet onderbouwd dat ze zich niet tot de Bulgaarse autoriteiten kunnen wenden voor zover ze vinden dat Bulgarije de verplichtingen jegens hen niet nakomt. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd erkend dat de mogelijkheden tot integratie in enige mate samenhangen met de mogelijkheid om zelfstandig rechten te effectueren maar er is geen sprake van dat het onmogelijk is om rechten te effectueren.

12. De rechtbank overweegt dat aan de vraag of eisers voldoende inspanningen hebben geleverd om hun rechten in Bulgarije te effecturen de vraag voorafgaat of dit feitelijk daadwerkelijk mogelijk is. Indien reëel voorzienbaar is dat eisers geen toegang zullen hebben tot elementaire voorzieningen, zoals bedoeld in het arrest Ibrahim en dit een gevolg is van een onverschillige houding van de Bulgaarse autoriteiten ten aanzien statushouders komt de rechtbank niet toe aan beantwoording van de vraag of de inspanningen die eisers hebben geleverd voldoende zijn geweest omdat in dat geval dan toereikend is om aan te voeren dat de feitelijke situatie in Bulgarije substantieel verschilt van hun juridische positie als statushouders.

13. Eisers hebben hun gronden onderbouwd met hun eigen verklaringen en actuele algemene informatie. Verweerder heeft op geen enkel moment in de besluitvorming verwezen naar algemene informatie over de positie van statushouders in Bulgarije. Evenmin heeft verweerder de door eisers overgelegde informatie betwist. Verweerder heeft de bestreden besluiten gemotiveerd met de algemene juridische kaders die gelden ten aanzien van de positie van statushouders en voor de toepassing hiervan ten aanzien van Bulgarije enkel verwezen naar de jurisprudentie van de Afdeling.

14. De rechtbank overweegt dat deze wijze van motiveren van de besluiten niet volstaat omdat verweerder zelf op een zorgvuldige wijze een juridische beoordeling dient te maken van de vraag of gelet op de relazen van eisers en de algemene informatie waar zij een beroep op doen in het concrete geval van eisers ten aanzien Bulgarije onverkort van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder ervan uitgaan dat de lidstaten van de EU, in dit geval Bulgarije, de verplichtingen uit hoofde van artikel 3 EVRM en artikel 4 van het Handvest naleven, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat Bulgarije, na terugkeer van eisers zijn internationale verplichtingen jegens hen niet zal nakomen. Echter, hoewel het op de weg van eisers ligt om aannemelijk te maken dat zich in hun zaak feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan de presumptie van eerbiediging door verdragspartijen van artikel 3 EVRM en artikel 4 van het Handvest wordt weerlegd, laat dit onverlet dat een zorgvuldige beoordeling door verweerder is geboden van de relazen van eisers en de algemene informatie waarmee zij hun beroep op artikel 3 EVRM staven. De rechtbank zal ingaan op de jurisprudentie van de Afdeling en de door eisers overgelegde informatie over de positie van statushouders in Bulgarije en daarna beoordelen of het enkele verwijzen door verweerder naar de jurisprudentie van de Afdeling volstaat als motivering van de niet‑ontvankelijk verklaring van de asielaanvragen van eisers.

15. Verweerder heeft in zijn besluitvorming verwezen naar de uitspraken van de Afdeling van 30 mei 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1793) en 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2961). De rechtbank overweegt dat de Afdeling op 28 augustus 2019 nog twee andere uitspraken heeft gedaan over statushouders in Bulgarije (ECLI:NL:RVS:2019:2959 en ECLI:NL:RVS:2020:2960). Ook op 30 mei 2018 heeft de Afdeling nog een andere uitspraak gedaan over statushouders in Bulgarije (ECLI:NL:RVS:2018:1792). De meest actuele gepubliceerde uitspraken van de Afdeling over statushouders in Bulgarije zijn de bovengenoemde uitspraken van 28 augustus 2019. De rechtbank is niet bekend of de Afdeling na 28 augustus 2019 uitspraken van andere zittingsplaatsen waarin is geoordeeld dat ten aanzien van Bulgarije kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel heeft bevestigd met een zogenaamde 91, tweede lid, Vw 2000 verkorte motivering omdat deze uitspraken niet worden gepubliceerd.

16. De Afdeling heeft in twee van de uitspraken van 28 augustus 2019 overwogen dat:

“De in de enige grief opgeworpen rechtsvraag over of de vreemdeling als statushouder bij terugkeer naar Bulgarije in een situatie strijdig met artikel 3 EVRM terecht zal komen, heeft de Afdeling bij uitspraak van 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1793, beantwoord. Uit die uitspraak volgt dat de situatie in Bulgarije voor statushouders niet zo slecht is dat sprake is van een met artikel 3 EVRM strijdige situatie. Die overwegingen zijn hier ook van toepassing, zodat de grief slaagt.

Het hoger beroep is kennelijk gegrond.”

17. In de derde uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019, waarbij een niet gepubliceerde uitspraak van deze zittingsplaats is vernietigd, is voorts overwogen dat de enige andere grief en het incidenteel hoger beroep niet tot vernietiging van de uitspraak leiden en dit niet verder hoeft te worden gemotiveerd omdat deze geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. De rechtbank is, omdat de Afdeling deze niet heeft weergegeven in zijn uitspraak, niet op de hoogte van de inhoud van die grief en ook niet van het incidenteel hoger beroep zodat de rechtbank dit niet kan betrekken bij de beoordeling in de onderhavige procedure.

In deze drie uitspraken is geen actuele informatie over de positie van statushouders in Bulgarije – kenbaar – betrokken bij het oordeel van de Afdeling. De onderliggende uitspraken van de rechtbanken dateren van 8 januari 2019, 17 december 2018 en 30 november 2018.

18. De Afdeling heeft in de uitspraken van 30 mei 2018 uiteengezet waarom de situatie voor statushouders in Bulgarije niet zo slecht is dat zij een reëel risico lopen op een met artikel 3 EVRM strijdige situatie.

In de uitspraak met kenmerk ECLI:NL:RVS:2018:1793 is – onder meer – het navolgende overwogen:

Verder heeft de staatssecretaris betoogd dat (…) het in de praktijk moeilijk is voor statushouders om hier daadwerkelijk toegang tot de krijgen. De Bulgaarse overheid heeft zich echter met de hulp van de Europese Commissie en diverse hulporganisaties ingespannen om de feitelijke positie van statushouders te verbeteren. (…). Uit de schriftelijke uiteenzetting van de staatssecretaris van 15 januari 2018, de stukken waarop partijen een beroep hebben gedaan en het persoonlijk relaas van de vreemdeling komt het beeld naar voren dat de feitelijke situatie in Bulgarije voor statushouders moeilijk is, vooral nadat zij de opvang hebben moeten verlaten. Zoals de staatssecretaris in zijn schriftelijke uiteenzetting van 15 januari 2018 heeft vermeld, is het voor statushouders moeilijk om betaald werk te vinden en bestaan wat betreft de toegang tot onderwijs en de gezondheidszorg barrières. Zoals uit vorenbedoelde stukken blijkt, en de staatssecretaris ter zitting heeft bevestigd, is voor toegang tot door de gemeenten verstrekte sociale huisvesting de Bulgaarse nationaliteit vereist, zodat statushouders hier feitelijk van zijn uitgesloten en na het verlaten van de opvang zijn aangewezen op hulporganisaties of de particuliere sector voor huisvesting. (…) Voor zover de vreemdeling zich beroept op de bepalingen in Hoofdstuk VII van de Kwalificatierichtlijn, is het in de eerste plaats aan de vreemdeling om zijn daaruit voortvloeiende rechten in Bulgarije te effectueren. Uit het persoonlijk relaas van de vreemdeling en de op de zaak betrekking hebbende stukken is niet gebleken dat hij daartoe voldoende inspanningen heeft verricht.”

19. In de uitspraak met kenmerk ECLI:NL:RVS:2018:1792 heeft de Afdeling naast bovenstaande overweging ook overwogen dat de Bulgaarse autoriteiten in 2017 een nieuwe integratieverordening hebben aangenomen en financiële middelen beschikbaar hebben gesteld om de toegang van statushouders tot integratievoorzieningen te waarborgen.

De Afdeling heeft in beide uitspraken geconcludeerd dat de positie voor statushouders moeilijk is maar dat in beide zaken de vreemdelingen onvoldoende inspanningen hebben geleverd om hun rechten te effecturen.

Uit bijlage 2 behorende bij deze uitspraken van 30 mei 2018 blijkt dat de meest actuele algemene informatie over Bulgarije die is betrokken een brief van VWN van 30 januari 2018 is.

20. De rechtbank stelt vast dat de Afdeling bij de uitspraken van 30 mei 2018 tevens heeft betrokken in hoeverre de vreemdelingen inspanningen hebben geleverd om zelf hun rechten als statushouders te effectueren. In de uitspraken van 28 augustus 2019 heeft de Afdeling geen enkele overweging gewijd aan de door de vreemdelingen geleverde inspanningen op dit punt, maar enkel verwezen naar de uitspraken van 30 mei 2018 voor de beoordeling van de rechtsvraag of kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank leidt hieruit af dat de Afdeling groot gewicht toekent aan de algemene landeninformatie. De rechtbank leidt overigens uit de uitspraken van de Afdeling van 30 mei 2018 af dat de Afdeling veel waarde heeft toegekend aan de integratieverordening waarvan is voorondersteld dat hieruit een nieuwe ontwikkeling bleek en aan het betoog dat de Bulgaarse autoriteiten zich met de hulp van de Europese Commissie en diverse hulporganisaties (zouden) hebben ingespannen om de feitelijke positie van statushouders te verbeteren.

21. Eisers hebben in de zienswijze een beroep gedaan op meerdere informatiebronnen. Uit de door eisers overgelegde informatie van AIDA en VWN blijkt dat om te kunnen huren in de particuliere sector een geldig identiteitsbewijs nodig is en dat het voor statushouders moeilijk is om identiteitsdocumenten te verkrijgen (zie het AIDA-rapport van 21 februari 2020, pagina’s 82 en 83 en het rapport van VWN, pagina's 5 en 6). Een officieel identiteitsdocument is een voorwaarde voor nagenoeg alle persoonlijke rechten met betrekking tot huisvesting, sociale voorzieningen, gezondheidszorg en –verzekeringen en toegang tot de arbeidsmarkt. Het is alleen mogelijk om een identiteitsdocument te krijgen als de statushouder ingeschreven staat bij de burgerlijke stand. Om bij de burgerlijke stand geregistreerd te worden, dient men een woonadres op te geven. Sinds 2016 wordt het door de State Agency for Refugees (SAR) niet meer toegestaan om een opvanglocatie of detentiecentrum als woonplaats op te geven. Dit heeft tot gevolg dat er eerst een woning gevonden moet worden. De maximale tijd dat een statushouder na verlening van de status in een opvangcentrum mag verblijven bedraagt zes maanden. Het tijdsverloop tussen de statusverlening aan eisers en het onderzoek ter zitting bedraagt ruimschoots drie jaar waardoor eisers na terugkeer naar Bulgarije geen recht hebben op verblijf in een opvanglocatie. Nu eisers bij terugkeer niet aanstonds over woonruimte beschikken kunnen zij gelet op de overgelegde en door verweerder niet weersproken informatie geen registratie bij de burgerlijke stand verkrijgen. Om toegang te krijgen tot de particuliere woningmarkt is een identiteitsbewijs nodig. Er wordt dan ook gesproken over een 'catch 22'-situatie. Schweizerische Flüchtlingshilfe (SFH) en de Europese Raad voor vluchtelingen en ballingen (ECRE), waarnaar in het VWN-rapport wordt verwezen, stellen eveneens dat statushouders tegen deze problematiek aan lopen (rapport van SFH van 30 augustus 2019, pagina’s 18-23) en dat het ontbreken van huisvesting een verhindering van de integratie is (ECRE-rapport ‘Housing out of reach?’ van 2019 over de huisvesting van asielzoekers en statushouders in Bulgarije, p.32-33).

22. Uit het Aida-rapport van 21 februari 2020 blijkt voorts, net zoals dat al in eerdere rapporten van bijvoorbeeld het Bulgaarse Helsinki Comité ook is vermeld, dat de “nieuwe integratieverordening van 2017” feitelijk geen nieuwe ontwikkeling was. De toenmalige integratieverordening is op 31 maart 2017 ingetrokken en op 19 juli 2017 vervangen door de verordening die de Afdeling in zijn uitspraak van 30 mei 2018 noemt. Uit het overgelegde rapport blijkt dat de inhoud en strekking van de twee verordeningen gelijkluidend zijn. Dit rapport vermeldt (ook) dat sinds de afkondiging van de “nieuwe” integratieverordening dertien statushouders steun hebben ontvangen maar dat dit allen statushouders betrof die waren overgeplaatst via het hervestigingsprogramma van de EU en op grond van bij dit EU‑programma behorende fondsen ondersteuning voor integratie hebben verkregen. Dit rapport vermeldt geen enkele registratie van statushouders die op eigen initiatief en op eigen kracht steun hebben weten te verkrijgen uit de fondsen die in theorie beschikbaar zijn op grond van de Bulgaarse integratieverordening van 19 juli 2017.

Blijkens dit AIDA-rapport heeft in april 2018 de Mensenrechtencommissaris van de Raad van Europa benadrukt dat de decentralisatie van verantwoordelijkheid voor integratie naar gemeenten op zichzelf positief is, maar dat het niet verplicht maar vrijwillig is voor gemeenten om daadwerkelijk initiatief te nemen en dit daardoor vragen opriep over de effectiviteit van de genoemde integratie-maatregelen in Bulgarije. Volgens deze Mensenrechtencommissaris is dit gebleken doordat geen enkele van de 265 gemeenten een zogenaamde integratie-overeenkomst heeft afgesloten met een statushouder.

In het jaarrapport van het US Department of State van 11 maart 2020 is vermeld dat burgermeesters de bevoegdheid hebben om integratie-overeenkomsten met statushouders aan te gaan. In de periode tussen het van kracht worden van de integratie-verordening tot en met oktober 2019 zijn volgens dit jaarrapport in Bulgarije in totaal met vier families dergelijke overeenkomsten gesloten.

De rechtbank overweegt dat uit de andere bronnen die VWN noemt en bespreekt een vergelijkbaar beeld blijkt ten aanzien van de positie van statushouders en de (on)mogelijkheid om hun rechten te effectueren. Partijen hebben geen enkele informatie overgelegd die afbreuk doet aan dit beeld. De rechtbank is ook ambtshalve niet bekend met andersluidende informatie over de positie van statushouders in Bulgarije.

23. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd erkend dat de mogelijkheid om te kunnen integreren in zekere zin samenhangt met de mogelijkheden voor eisers om zelf rechten te kunnen effectueren. Echter, verweerder heeft niet gemotiveerd waarom, bij volledige afwezigheid van integratievoorzieningen in Bulgarije zoals blijkt uit de door eisers overgelegde informatie, van hen mag worden verwacht dat zij zelf inspanningen verrichten om de uit de Kwalificatierichtlijn voortvloeiende rechten te effectueren. Verweerder heeft evenmin gemotiveerd waarom deze houding van de Bulgaarse autoriteiten niet “officially indifferent” is ten aanzien van de feitelijke positie van statushouders voor zover zij afhankelijk zijn van overheidssteun bij een primaire levensbehoefte zoals toegang tot huisvesting en voor het gebruik kunnen maken van integratievoorzieningen.

24. Het onderzoek ter zitting in deze zaak van eisers heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2020 en ook ten tijde van dit onderzoek is niet gebleken bleken dat de feitelijke situatie in Bulgarije is veranderd. Het jaar 2020 is daarmee het zevende achtereenvolgende jaar dat de Bulgaarse autoriteiten geen enkele doeltreffende inspanning hebben verricht op het gebied van integratievoorzieningen voor statushouders. Het resultaat van de integratieverordening(en) is dan ook dat de beschikbare gelden al jarenlang geen feitelijke integratievoorzieningen hebben opgeleverd. In voormelde uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2018, waarop verweerder nagenoeg de gehele bestreden besluiten heeft gebaseerd, wordt verwezen naar de uiteenzetting van verweerder waaruit blijkt dat nieuwe initiatieven in regelgeving en financiering en samenwerking van de Bulgaarse autoriteiten met de Europese Commissie de positie van statushouders hebben verbeterd. In de uitspraak van de Afdeling is niet concreet benoemd welke verbetering is bedoeld, maar van enige concrete verbetering van regelgeving is tot op het moment van sluiten van het onderzoek in de onderhavige zaak niet gebleken. De rechtbank overweegt dat de regelgeving met betrekking tot het verkrijgen van een identiteitsdocument lijkt uit te sluiten dat statushouders toegang hebben tot de particuliere woningmarkt, terwijl de Afdeling in de uitspraak van 30 mei 2018 reeds heeft vastgesteld dat statushouders voor toegang tot sociale huisvesting zijn uitgesloten. Artikel 34 van de Kwalificatierichtlijn gebiedt de lidstaten toegang tot integratieprogramma’s voor statushouders aan te bieden en te waarborgen. Uit de door eisers overgelegde en door verweerder niet betwiste informatie lijkt te volgen dat de Bulgaarse autoriteiten gedurende zeer geruime tijd niet voldoen aan deze verplichting terwijl in de financiering hiervoor met Europese gelden is voorzien en dus niet uit de nationale middelen hoeft te worden bekostigd. Van financiële onmacht om integratievoorzieningen te verschaffen kan dan ook geen sprake zijn, terwijl een mogelijk gebrek aan expertise geen rol kan spelen gelet op de door de Afdeling benoemde samenwerking met de Europese Commissie en hulporganisaties. Verweerder zal dus een (nader) standpunt moeten innemen en motiveren over waarom het gedurende meerdere jaren in strijd met artikel 34 van de Kwalificatierichtlijn niet voorzien in integratievoorzieningen niet betekent dat de houding van de Bulgaarse autoriteiten als “officially indifferent” valt te kwalificeren. Toegang tot integratieprogramma’s is naar het oordeel van de rechtbank nauw verweven met het zelf kunnen effectueren van rechten op basisvoorzieningen. Gelet hierop dient de afwezigheid van integratieprogramma’s gedurende meerdere opvolgende jaren en de onwelwillende houding van Bulgaarse autoriteiten die hieruit dus is op te maken bij de beoordeling te worden betrokken of in dit verband nog langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan ten aanzien van Bulgarije.

25. Verweerder heeft in het voornemen niet verwezen naar openbare bronnen met betrekking tot de positie van statushouders maar onder verwijzing naar het juridische toetsingskader overwogen dat uit het relaas van eisers niet blijkt dat de behandeling die zij hebben ondergaan in Bulgarije in strijd is met artikel 3 EVRM, dat zij overigens kunnen en moeten klagen bij de Bulgaarse autoriteiten en dat eisers onvoldoende inspanningen hebben geleverd om hun rechten te effectueren. In de bestreden besluiten heeft verweerder evenmin zijn standpunt gebaseerd op openbare bronnen. In reactie op de door eisers bij zienswijze overgelegde informatie heeft verweerder in de bestreden besluiten – uitsluitend – verwezen naar de uitspraken van de Afdeling van 28 augustus 2019 en 30 mei 2018 om te onderbouwen dat kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder is in het geheel niet ingegaan op de overgelegde informatie die dateert van ná de uitspraken van de Afdeling, waarnaar verweerder verwijst. Evenmin heeft verweerder gesteld dat uit de door eisers overgelegde informatie geen wezenlijk ander beeld volgt dan uit de informatie die de Afdeling heeft betrokken om tot de uitspraak van 30 mei 2018 te komen en heeft ook de overgelegde informatie niet betwist. De rechtbank concludeert dan ook dat verweerder in de bestreden besluiten de overlegde informatie feitelijk buiten beschouwing heeft gelaten en heeft volstaan met het standpunt dat – zakelijk weergegeven – de Afdeling nimmer heeft geoordeeld dat ten aanzien van Bulgarije niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Omdat verweerder niet is ingegaan op deze informatie en argumenten van eisers uit de zienswijze is reeds sprake van een motiveringsgebrek dat tot vernietiging van de bestreden besluiten moet leiden.

26. Verweerder heeft zich tijdens de behandeling ter zitting op 5 oktober 2020 op het standpunt gesteld dat de regelgeving waaruit volgt dat voor de registratie bij de burgerlijke stand de opvanglocatie of het detentiecentrum niet als domicilie mag worden opgegeven reeds in 2016 bestond en het er dus voor moet worden gehouden dat de Afdeling dit heeft betrokken bij de uitspraak van 30 mei 2018.

De rechtbank volgt dit niet. De Afdeling heeft namelijk enkel een overweging gewijd aan de vaststelling dat statushouders niet in aanmerking komen voor sociale huisvesting omdat daarvoor de Bulgaarse nationaliteit is vereist. Vervolgens heeft de Afdeling overwogen, zoals hiervoor weergegeven, dat statushouders dus voor woonruimte op de particuliere sector of hulporganisaties zijn aangewezen. Het komt de rechtbank voor dat indien de Afdeling de beschikking had gehad over bovengenoemde informatie, tevens zou zijn gemotiveerd waarom, ondanks deze informatie, is overwogen dat statushouders op de particuliere sector zijn aangewezen wat betreft huisvesting. De informatie waar eisers een beroep op doen is immers tegenstrijdig aan de overweging van de Afdeling dat statushouders zich op de particuliere woningmarkt kunnen begeven. De rechtbank stelt vast dat deze informatie niet – kenbaar – is betrokken bij de uitspraak van 30 mei 2018, de thans overgelegde informatie tegenstrijdig is aan de overweging van de Afdeling met betrekking tot het kunnen begeven op de particuliere woningmarkt en de rechtbank overigens de grieven en de schriftelijke uiteenzetting in reactie hierop niet tot haar beschikking heeft. Wat precies aan de orde is gesteld in het debat dat ter zitting bij de Afdeling heeft plaatsgevonden is derhalve onbekend. Gelet op deze omstandigheden leidt de rechtbank af dat partijen kennelijk geen beroep hebben gedaan op deze informatie en de Afdeling deze informatie ook niet ambtshalve bij haar beoordeling heeft betrokken. De stelling van verweerder dat verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling – zonder hierbij gemotiveerd in te gaan op de thans overlegde informatie – volstaat om onverkort van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te kunnen gaan faalt dan ook.

27. De Afdeling heeft voorts op 22 april 2020 uitspraak gedaan in een zaak waarin aan de orde was of een vrouw met twee minderjarige kinderen, door haar bijzondere kwetsbaarheid, bij terugkeer naar Hongarije een reëel risico zou lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM (ECLI:NL:RVS:2020:1087). De Afdeling heeft in deze uitspraak het hoger beroep van verweerder tegen de onderliggende uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 5 juni 2019 ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBDHA:2019:6095). Weliswaar heeft de Afdeling in deze uitspraak overwogen dat sprake was bijzonder kwetsbare vreemdelingen reeds omdat verweerder dat niet (tijdig) had bestreden. De Afdeling overweegt echter ten aanzien van Hongarije eveneens – onder meer – dat:

“Niet in geschil is dat de juridische positie van statushouders in Hongarije gelijk is aan die van Hongaarse staatsburgers. De rechtbank heeft echter terecht overwogen dat een zeer wezenlijk verschil bestaat tussen de juridische en de feitelijke situatie. Uit de door partijen aangehaalde rapporten volgt, zoals de staatssecretaris ter zitting heeft erkend, dat met name de feitelijke positie van statushouders in Hongarije moeilijk is. De opvang voor statushouders is beperkt tot dertig dagen. Uit de aangehaalde rapporten kan, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, worden afgeleid dat statushouders die uit opvangcentra komen in de praktijk extreme moeilijkheden ondervinden om toegang tot huisvesting te krijgen. De vreemdeling is hierbij volledig op zichzelf aangewezen. De rechtbank heeft daarnaast terecht bij haar oordeel betrokken dat er voor statushouders problemen zijn om toegang te krijgen tot sociale voorzieningen. Administratieve belemmeringen beperken de toegang hiertoe. Uit de rapporten volgt verder dat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, ook de toegang tot onderwijs voor de kinderen van statushouders, gelet op de groeiende xenofobie, moeizaam is en dat statushouders extreme moeilijkheden ondervinden bij het verkrijgen van toegang tot de gezondheidszorg in Hongarije. Tot slot heeft de rechtbank terecht overwogen dat de autoriteiten niet welwillend zijn gebleken statushouders te helpen. Er is, anders dan de staatssecretaris betoogt, niet alleen sprake van harde retoriek. Uit de rapporten volgt dat de Hongaarse autoriteiten statushouders actief tegenwerken. Verder kan betwijfeld worden of maatschappelijke organisaties door onder meer de "Stop Soros-wetten" in staat zijn statushouders daadwerkelijk te steunen. De staatssecretaris heeft deze twijfel niet weggenomen door zich, onder verwijzing naar het Country Report: Hungary, 2018 Update, van Asylum Information Database, op het standpunt te stellen dat er maatschappelijke organisaties zijn. Hieruit volgt dat een statushouder in Hongarije zich in de praktijk alleen met grote moeite zal kunnen staande houden en zijn rechten zal kunnen effectueren.”

28. De Afdeling heeft in deze uitspraak een motiveringsgebrek geconstateerd omdat “gelet op de hiervoor beschreven omstandigheden” niet voldoende was gemotiveerd dat de vreemdeling door haar bijzondere kwetsbaarheid, bij terugkeer naar Hongarije geen reëel risico zou lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. De rechtbank leidt uit deze uitspraak af dat de landeninformatie, zoals expliciet opgenomen in bovengenoemde uitspraak van Afdeling, een substantiële rol heeft gespeeld in het vaststellen van dit motiveringsgebrek.

De Afdeling overweegt ten aanzien van Hongarije dat de feitelijke positie “moeilijk” is, dat statushouders “extreme moeilijkheden ondervinden om toegang tot huisvesting te krijgen”, er “problemen” zijn om toegang te krijgen tot sociale voorzieningen en “administratieve belemmeringen de toegang hiertoe beperken”.

29. Waar de Afdeling komt tot bovenstaande conclusies ten aanzien van Hongarije, komt de rechtbank in de onderhavige zaak tot de conclusie dat in Bulgarije sprake is van administratieve belemmeringen en regelgeving die toegang tot basisvoorzieningen absoluut onmogelijk maakt. De Afdeling benoemt ten aanzien van Hongarije twijfel of maatschappelijk organisaties statushouders daadwerkelijk kunnen helpen, terwijl in die zaak niet in geschil was dat er maatschappelijke organisaties (NGO’s) zijn. Verweerder heeft in de onderhavige zaak uitsluitend naar de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2018 verwezen om te onderbouwen dat er hulporganisaties zijn in Bulgarije. De rechtbank stelt vast dat uit de door eisers overgelegde informatie echter niet blijkt van maatschappelijke organisaties die statushouders daadwerkelijk kunnen helpen als zij hun rechten op basisvoorzieningen en integratievoorzieningen willen effectueren. De Afdeling heeft in zijn uitspraak van 30 mei 2018 niet benoemd welke hulporganisaties werkzaam zijn in Bulgarije, dat zij daadwerkelijk statushouders kunnen ondersteunen en uit welke informatie dit zou blijken. In het door eisers overgelegde AIDA-rapport wordt benoemd welke NGO’s naast het United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR) werkzaam zijn in Bulgarije. De werkzaamheden van deze NGO’s bestaan echter uit het verschaffen van informatie over de asielprocedure en het verschaffen van rechtsbijstand gedurende de asielprocedure. Er is geen enkele vermelding van het aanwezig zijn van NGO’s in Bulgarije die statushouders kunnen ondersteunen bij het verkrijgen van huisvesting of een identiteitsdocument na inschrijving bij de gemeente. Verweerder heeft tijdens de behandeling ter zitting op 5 oktober 2020 aangegeven dat de Afdeling in de uitspraak van 30 mei 2018 heeft vastgesteld dat statushouders niet in aanmerking komen voor sociale huisvesting. De stelling dat de Afdeling op de hoogte moet zijn geweest van de (on)mogelijkheid om een identiteitsbewijs te verkrijgen en desondanks heeft geoordeeld dat statushouders toegang hebben tot particuliere huisvesting faalt. Verweerder heeft, evenmin als de Afdeling in de uitspraken van 30 mei 2018 en 28 augustus 2019, niet aangegeven dat er in Bulgarije NGO’s zijn die kunnen bemiddelen in het verkrijgen van identiteitsdocumenten of woonruimte, terwijl uit de door eisers overgelegde informatie van deze NGO’s in het geheel niet is gebleken.

30. De rechtbank overweegt hierbij bovendien dat hoofdstuk VII van de Kwalificatierichtlijn verplichtingen formuleert voor de statusverlenende lidstaat en niet voor NGO’s. Dit hoofdstuk heeft weliswaar als titel “kenmerken van de internationale bescherming”, maar beschrijft niet alleen de inhoud van de rechten maar vooral de verplichtingen die deze rechten voor de statusverlenende lidstaten met zich brengt. Verweerder kan zich, daargelaten dat hij in het geheel niet heeft onderbouwd welke NGO’s actief zijn in Bulgarije en dit ook niet volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 30 mei 2018 en 28 augustus 2019, gelet hierop niet zonder nadere motivering op het standpunt stellen dat Bulgarije aan zijn internationale verplichtingen voldoet door enkel aan te geven dat eisers zich tot NGO’s kunnen en moeten wenden. Allereerst is niet gebleken, noch gesteld of onderbouwd dat NGO’s door de Bulgaarse autoriteiten zijn gevraagd om statushouders te voorzien van onderdak of andere basale voorzieningen en daartoe ook in de gelegenheid worden gesteld. Dus, voor zover er daadwerkelijk NGO’s zouden zijn in Bulgarije die statushouders kunnen helpen bij het verkrijgen van een identiteitsdocument en woonruimte is dat in ieder geval geen verdienste van de Bulgaarse autoriteiten. De rechtbank ziet hierin veeleer een zeer sterke aanwijzing dat de Bulgaarse autoriteiten in grote mate tekortschieten in het voldoen aan hun verplichtingen en dat daarom inspanningen van NGO’s noodzakelijk zijn om te voorkomen dat statushouders niet zelf kunnen voorzien in hun basisvoorzieningen en dus hun rechten niet kunnen effectueren. Het bevreemdt dan ook dat verweerder in reactie op de beroepsgronden zijn standpunt dat hij van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan mede onderbouwt met het verwijzen naar de mogelijkheden voor eisers om zich tot NGO’s te wenden om in ieder geval woonruimte te kunnen verkrijgen. De mogelijkheid om zich te wenden tot NGO’s voor onderdak, voor zover die mogelijkheid zou bestaan, duidt er immers niet op dat de Bulgaarse autoriteiten zich in dit geval hebben ingespannen om aan hun internationale verplichtingen jegens statushouders te voldoen door hen te voorzien van (toegang tot) woonruimte (huisvesting).

31. De rechtbank concludeert in de onderhavige zaak ten aanzien van Bulgarije dat sprake is van een méér dan moeilijke situatie. Eisers hebben met actuele informatie, waaruit bovendien een bevestiging blijkt voor de relazen van eisers, onderbouwd dat reëel en voorzienbaar is dat zij geen identiteitsbewijs kunnen verkrijgen en daardoor toegang tot huisvesting en andere rechten juridisch en feitelijk absoluut onmogelijk zal zijn. Tevens blijkt uit de – door verweerder niet weersproken – informatie dat de Bulgaarse autoriteiten, hoewel de financiering hiervoor vanuit de Europese Commissie is gewaarborgd, gedurende zeven opvolgende jaren geen enkele inspanning leveren om te voorzien in integratievoorzieningen. Zonder nadere motivering van verweerder valt niet in te zien waarom hieruit niet blijkt dat de houding van de Bulgaarse autoriteiten niet als “officially indifferent”, zoals bedoeld in de jurisprudentie van het EHRM en het arrest Ibrahim, ten aanzien van de positie van statushouders moet worden gekwalificeerd. Ook blijkt uit de algemene informatie dat het moeten effectueren van rechten die een statushouder heeft voor iedere vreemdeling nagenoeg onmogelijk wordt gemaakt. Zoals de Afdeling in bovengenoemde zaak ten aanzien van bijzonder kwetsbare statushouders in Hongarije heeft overwogen, komt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat verweerder nader zal moeten motiveren of eisers, voor wie heeft te gelden dat zij niet zijn aan te merken als bijzonder kwetsbaar, in weerwil van de algemene informatie die aanzienlijk actueler is dan de informatie die is betrokken in jurisprudentie van de Afdeling, dat de vreemdeling door haar bijzondere kwetsbaarheid, bij terugkeer naar Bulgarije geen reëel risico zullen lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

32. Het argument van verweerder dat eisers niet geheel afhankelijk zijn van de Bulgaarse autoriteiten omdat zij een status hebben en zelf hun bestaan kunnen opbouwen faalt gelet op het bovenstaande. Eisers zijn gehouden te voldoen aan Bulgaarse regelgeving en in die zin afhankelijk van de welwillende houding van de autoriteiten om regelgeving aan te nemen die statushouders wél een mogelijkheid biedt om daadwerkelijk zelf te kunnen zorgdragen voor huisvesting en een inkomen en middels het gebruikmaken van integratievoorzieningen volwaardig deel uit te kunnen maken van de Bulgaarse samenleving. Het EHRM heeft bepaald dat artikel 3 EVRM niet zonder meer met zich brengt dat sprake is van schending als niet wordt voorzien in huisvesting. Uit de vaste rechtspraak van het EHRM (onder meer het arrest in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland van 21 januari 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609, is af te leiden dat uit artikel 3 EVRM geen algemene verplichting voor de staat voortvloeit om een rechtmatig verblijvende meerderjarige vreemdeling van huisvesting of financiële ondersteuning te voorzien. Het EHRM heeft echter niet uitgesloten dat artikel 3 EVRM toch een verantwoordelijkheid voor een staat kan meebrengen wanneer een vreemdeling die geheel van de staat afhankelijk is, zich in een situatie bevindt die wegens een gebrek aan ondersteuning onverenigbaar is met de menselijke waardigheid. Er kan dus een verantwoordelijkheid ontstaan voor Bulgarije tot het verstrekken van woonruimte wanneer de betreffende statushouder volledig afhankelijk is van de bijstand van Bulgarije en er een situatie ontstaat waarbij de menselijke waardigheid in het gedrang komt. Dit vraagt om een individuele beoordeling. Het HvJ-EU heeft in het arrest Ibrahim uitgelegd dat sprake kan zijn van verregaande materiële deprivatie en heeft hierbij onder meer het hebben van woonruimte als basaal aangemerkt. De rechtbank leidt hieruit af dat het HvJ-EU de hoge drempel van zwaarwegendheid aanwezig acht als statushouders na terugkeer naar de statusverlenende lidstaat van onderdak verstoken zullen blijven doordat Bulgaarse nationale wet- en regelgeving de toegang tot huisvesting feitelijk onmogelijk maakt. Immers, het HvJ-EU overweegt in punt 90 van het arrest Ibrahim dat de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid is bereikt wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten van een lidstaat tot gevolg zou hebben dat een persoon die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzes om, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte, en negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid of hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid.

33. De rechtbank overweegt dat, hoewel uit het feit dat aan eisers internationale bescherming is verleend mag worden afgeleid dat de Bulgaarse autoriteiten ten tijde van de verlening de intentie hebben gehad eisers te ondersteunen, uit de overgelegde informatie over de juridische en feitelijke positie van statushouders in Bulgarije een wezenlijk ander beeld van deze houding van de Bulgaarse autoriteiten ten aanzien van statushouders blijkt. Bulgarije kent zoals hiervoor overwogen een situatie waarin in meerdere opvolgende jaren geen enkel initiatief is ontwikkeld om integratievoorzieningen te verschaffen waardoor het voorzieningenniveau dus nihil is. Tevens volgt uit Bulgaarse regelgeving dat statushouders geen toegang hebben tot sociale huisvesting en statushouders in een zogenaamde catch 22-situatie terecht komen waarbij de juridische onmogelijkheid om identiteitsdocument te verkrijgen juridische en dus ook feitelijke toegang tot particuliere huisvesting en andere basisvoorzieningen onmogelijk maakt. Voor sociale huisvesting komen statushouders niet in aanmerking omdat hiervoor de Bulgaarse nationaliteit is vereist. Verweerder zal dus nader moeten motiveren waarom hij zich op het standpunt stelt dat de Bulgaarse autoriteiten aan hun verplichtingen om eisers in gelijke mate als eigen onderdanen voor huisvesting in aanmerking te laten komen voldoen als eisers zich niet tot de autoriteiten kunnen wenden voor deze rechten omdat regelgeving de toegang tot de sociale en particuliere woningmarkt voor statushouders uitsluit.

Conclusie

34. Verweerder zal de besluiten op meerdere punten nader moeten motiveren voor zover hij de aanvragen van eisers niet-ontvankelijk wil verklaren omdat Bulgarije hen een vluchtelingenstatus heeft verleend. Uit de door eisers overgelegde informatie, die een bevestiging vormt voor hun relazen, blijkt dat statushouders nagenoeg onoverkomelijke problemen ervaren bij het effectueren van rechten op het gebied van huisvesting en het verkrijgen van Bulgaarse identiteitsdocumenten. Tevens blijkt hieruit dat de Bulgaarse autoriteiten geen enkele integratievoorzieningen verschaffen. Verweerder heeft geen andersluidende algemene informatie aan zijn besluiten ten grondslag gelegd. De rechtbank overweegt dat ook uit andere, ambtshalve bekende, informatie zoals afkomstig van het Bulgaarse Helsinki Comité geen wezenlijk ander beeld naar voren komt dan zoals door eisers geschetst. Uit openbare informatie over de positie van statushouders komt steevast hetzelfde beeld naar voren. De rechtbank overweegt dat dit beeld niet geheel vergelijkbaar is met de informatie, zoals die op 30 mei 2018 – kenbaar – is beoordeeld door de Afdeling die in zijn uitspraken het interstatelijk vertrouwensbeginsel onverkort van toepassing achtte ten aanzien van Bulgarije. De Afdeling ging er immers van uit, zoals hiervoor overwogen, dat Bulgarije zich in samenwerking met de Europese Commissie reeds had inspannen om tot verbetering te komen, dat dit reeds bleek uit een nieuwe integratieverordening en dat statushouders zich voor huisvesting tot de particuliere woningmarkt en NGO’s konden en dienden te wenden.

35. Verweerder zal om de besluiten nader te kunnen motiveren, bij gebreke van actuele informatie over Bulgarije die het beeld dat eisers schetsen weerlegt, zich daartoe dienen te vergewissen bij de Bulgaarse autoriteiten om in ieder geval de navolgende vragen voor te leggen:

Komen eisers als statushouders na terugkeer in Bulgarije in aanmerking voor verkrijging van identiteitsdocumenten, in ogenschouw nemend dat zij thans niet beschikken over huisvesting in Bulgarije?

Komen eisers als statushouders na terugkeer in Bulgarije voor (toegang tot) huisvesting in aanmerking, in ogenschouw nemend dat zij thans niet over Bulgaarse identiteitspapieren beschikken?

Komen eisers als statushouders na terugkeer in Bulgarije in aanmerking voor (toegang tot) integratievoorzieningen? Zo ja, welke integratievoorzieningen zijn in Bulgarije feitelijk aanwezig voor statushouders, hoe en onder welke voorwaarden kunnen eisers hiervoor in aanmerking komen?

36. Indien uit de beantwoording van de vragen door de Bulgaarse autoriteiten valt af te leiden dat eisers na terugkeer in Bulgarije verstoken zullen blijven van de mogelijkheid om een identiteitsbewijs te verkrijgen en/of van toegang tot huisvesting en/of van toegang tot integratievoorzieningen zal verweerder dit moet betrekken bij zijn standpunt dat hij desondanks mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije. Indien uit de beantwoording blijkt dat voor eisers volledige toegang tot het verkrijgen van een identiteitsdocument, basis- en integratievoorzieningen is gewaarborgd, al dan niet omdat de Bulgaarse autoriteiten in reactie op de vragen hiervoor een (algemene of individuele) garantie afgeven, dienen de standpunten van partijen of eisers voor hun komst naar Nederland voldoende inspanningen hebben geleverd om deze rechten in Bulgarije te effecturen nader te worden beoordeeld.

37. Eisers hebben verwezen naar de uitspraak van 20 februari 2020 van deze rechtbank en zittingsplaats (ECLI:RBDHA:2020:1404). Zoals met partijen besproken ter zitting is de rechtbank ambtshalve enkel bekend met de omstandigheid dat verweerder tegen die uitspraak geen rechtsmiddel heeft aangewend. Gelet op de in die uitspraak geconstateerde motiveringsgebreken, waarbij het echter ging om opvolgende aanvragen van vreemdelingen die een door Bulgarije verleende status hebben, acht de rechtbank de keuze om niet in hoger beroep te gaan ingegeven door het uitgangspunt dat verweerder motiveringsgebreken kan en moet herstellen. Verweerder stelt zich ook in de onderhavige procedure op het standpunt dat als het gaat om statushouders ten aanzien van Bulgarije onverkort van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, zodat niet aannemelijk is dat verweerder in de andere procedure dit standpunt niet langer handhaaft. Omdat verweerder in deze procedure zich nagenoeg geheel baseert op de jurisprudentie van de Afdeling uit 2019 en 2018 om te onderbouwen dat eisers na terugkeer naar Bulgarije niet in een situatie terecht komen die strijdig is met artikel 3 EVRM en artikel 4 van het Handvest, zal de rechtbank in deze zaak geen tussenuitspraak doen. De rechtbank overweegt weliswaar dat verweerder de geconstateerde motiveringsgebreken enkel kan herstellen door zich nader te vergewissen bij de Bulgaarse autoriteiten. De rechtbank zal echter een einduitspraak in plaats van een tussenuitspraak doen om zodoende verweerder uitdrukkelijk in de gelegenheid te stellen om hoger beroep in te stellen tegen deze uitspraak.

38. Verweerder heeft ter zitting tot slot aangegeven dat indien de rechtbank zou oordelen dat van eisers niet kan worden gevergd terug te keren naar Bulgarije om hun rechten als statushouders te effectueren, dit zou betekenen dat geen enkele statushouder, ongeacht of sprake is van bijzondere kwetsbaarheid, hoeft te keren naar Bulgarije. De rechtbank begrijpt de strekking van deze opmerking en mogelijke gevolgen – voor zover de Afdeling bij een ingesteld hoger beroep deze uitspaak zou bevestigen – maar ziet hierin geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen. Aan de rechtbank is immers de rechtsvraag voorgelegd of verweerder de asielaanvragen van eisers niet-ontvankelijk heeft mogen verklaren omdat zij als statushouders in Bulgarije internationale bescherming genieten. De rechtbank dient deze vraag te beoordelen en beantwoorden op grond van het toetsingskader zoals uiteengezet en uitgelegd door het EHRM, het HvJ-EU en de Afdeling en de – overgelegde en ambtshalve bekende – algemene informatie over statushouders in Bulgarije. De mogelijke implicaties van een uitspraak voor eventuele vergelijkbare andere zaken spelen bij deze door de rechtbank te verrichten toetsing van de bestreden besluiten geen rol. Ook de overweging in de bestreden besluiten dat de Duitse autoriteiten zich in een eerder stadium ook op het standpunt hebben gesteld dat eisers naar Bulgarije dienen te gaan en eisers ook daadwerkelijk hebben uitgezet doet, daargelaten dat de rechtbank niet over deze stukken beschikt, niet af aan de verantwoordelijkheid en taak van de rechtbank in de onderhavige procedure om de bestreden besluiten aan de hand van de beroepsgronden te toetsen en hierbij tot een eigen beslissing te komen. Verweerder is in de besluiten niet ingegaan op de door eisers overgelegde informatie en de door eisers op grond hiervan ingenomen standpunten, maar heeft volstaan met het verwijzen naar uitspraken van de Afdeling van 28 augustus 2019 en 30 mei 2018 waarin de Afdeling – toen – heeft geoordeeld dat verweerder mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank is echter gehouden om – steeds – als een beroep tegen een besluit wordt voorgelegd zelfstandig een volledig en ex nunc onderzoek te verrichten en te beslissen of de besluiten de toets in rechte kunnen doorstaan. De rechtbank betrekt daarbij vanzelfsprekend de jurisprudentie van de hoogste nationale rechter, maar kan niet zoals verweerder volstaan met de enkele verwijzing hiernaar.

39. De rechtbank acht het thans niet opportuun om de stellingen van eisers met betrekking tot de gestelde ondergane mishandeling, aanranding en detentie bij illegale inreis te beoordelen. Dit betekent niet dat dit niet relevant is, maar enkel dat de rechtbank primair verweerder de opdracht wenst te geven om nader te motiveren of van eisers na terugkeer kan en mag worden verwacht dat zij trachten hun rechten als statushouders te effectueren. Indien verweerder niet nader kan motiveren dat het voor eisers niet bij voorbaat zinloos is om zelf zorg te dragen voor de verkrijging van een identiteitsdocument, toegang tot huisvesting en integratievoorzieningen kan, naar het oordeel van de rechtbank, niet langer worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije en is niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvragen van eisers vanwege de door de Bulgaarse autoriteiten verleende status niet aan de orde. Ten aanzien van de beroepsgrond dat ten onrechte is bepaald dat eisers onmiddellijk Nederland moeten verlaten overweegt de rechtbank eveneens dat het niet opportuun is dit thans te bespreken.

40. Dit betekent dat de beroepen gegrond zullen worden verklaard. De besluiten zullen worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en verweerder wordt opgedragen om, na zich te hebben vergewist bij de Bulgaarse autoriteiten van in ieder geval de door de rechtbank gestelde vragen, nieuwe besluiten op de asielaanvragen van eisers te nemen.

41. Verweerder zal worden veroordeeld in de proceskosten. Eisers hebben zich niet op het standpunt gesteld dat geen sprake is van samenhangende zaken zodat bij de proceskostenveroordeling zal worden uitgegaan van 1 punt voor alle procedures gezamenlijk. De rechtbank betrekt hierbij de nagenoeg identieke beroepsschriften en de gelijktijdige behandeling ter zitting. De rechtbank wijst hierbij op de ordemaatregel die deze rechtbank nevenzittingsplaats Den Haag heeft getroffen en waarin in die uitspraak is overwogen dat de proceskostenveroordeling in deze procedure aan de orde zal komen. De rechtbank zal zich over deze kosten uitlaten in de procedure waarin de verzoeken om voorlopige voorzieningen aan de orde zijn. De proceskosten in deze beroepsprocedure stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 525,00 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten;

  • -

    draagt verweerder op zich nader te vergwissen zoals overwogen in rechtsoverweging 35 en vervolgens nieuwe besluiten te nemen op de asielaanvragen van eisers met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. Groothedde, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.