Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:10322

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-09-2020
Datum publicatie
16-10-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5489
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Pw. Terugvordering bijstand na eerdere intrekking. Afwijzing nieuwe aanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/5489 en SGR 20/834


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2020 in de zaak tussen

[eiseres] te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. B.F. van Es),

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder

(gemachtigde: M. Stokkel).

Procesverloop

In SGR 19/5489

Bij besluit van 4 april 2019 (primair besluit I) heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres over de periode van 28 september 2012 tot en met 31 januari 2019 herzien en een bedrag van € 100.111,11 aan te veel betaalde bijstand teruggevorderd.

Bij besluit van 12 juli 2019 (bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen bestreden besluit I beroep ingesteld.

Eiseres heeft een beroep op betalingsonmacht gedaan. Bij brief van 15 november 2019 heeft de rechtbank eiseres medegedeeld dat zij niet aan de criteria voor betalingsonmacht voldoet en dat haar beroep op betalingsonmacht wordt afgewezen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 6 juli 2020 heeft de rechtbank schriftelijk vragen gesteld aan verweerder, welke verweerder bij brief van 9 juli 2020 heeft beantwoord. Bij brief van 18 augustus 2020 heeft eiseres hierop gereageerd.

In SGR 20/834

Bij besluit van 23 mei 2019 (primair besluit II) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een bijstandstuitkering ingevolge de Pw afgewezen.

Bij besluit van 10 december 2019 (bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen bestreden besluit II beroep ingesteld.

Eiseres heeft een beroep op betalingsonmacht gedaan.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

In beide beroepen

Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

1.1.

Eiseres ontving sinds 13 juni 2008 een bijstandsuitkering, laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande ouder. Naar aanleiding van een melding van de ex-partner van eiseres heeft verweerder een rechtmatigheidsonderzoek ingesteld naar de aan eiseres verleende bijstand. Daartoe heeft verweerder administratief- en internetonderzoek verricht, een verklaring van de ex-partner afgenomen, inlichtingen gevorderd bij de Stadsbank van lening en hebben op 22 en 28 januari 2019 gesprekken met eiseres plaatsgevonden. Bij die gesprekken heeft eiseres bankafschriften overgelegd. Uit de door de Stadsbank van lening overgelegde gegevens blijkt dat in de periode van 28 september 2012 tot en met 21 januari 2019 op naam van eiseres goud is verpand. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in het Rapport Fraudeonderzoek van 4 februari 2019 en zijn voor verweerder aanleiding geweest om bij besluit van 28 maart 2019 de bijstandsuitkering van eiseres wegens schending van de inlichtingenverplichting per 28 september 2012 in te trekken en primair besluit I te nemen.

1.2.

Op 12 maart 2019 heeft eiseres een nieuwe bijstandsuitkering aangevraagd. Bij brieven van 11 en 30 april 2019 heeft verweerder om gegevens gevraagd en op 15 april 2019 heeft een gesprek plaatsgevonden. Omdat eiseres niet alle gevraagde gegevens heeft overgelegd en het recht op bijstand volgens verweerder daarom niet kan worden vastgesteld, heeft verweerder de aanvraag bij primair besluit II afgewezen. Naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 10 juli 2019 (SGR 19/3361) heeft verweerder hangende het bezwaar bij brief van 15 juli 2019 gevraagd om bankafschriften en gegevens met betrekking tot het op naam van eiseres verpande goud. Eiseres heeft als reactie hierop een verklaring van de Stadsbank van lening overgelegd.

2.

2.1.

Bestreden besluit I berust onder verwijzing naar het advies van de Regionale Commissie Bezwaarschriften op verweerders standpunt dat eiseres de inlichtingenverplichting heeft geschonden door verweerder niet te informeren over het op haar naam verpande goud, de van haar ex-partner ontvangen goederen en de bijschrijvingen en kasstortingen op haar bankrekening. Dat eiseres een laag IQ zou hebben, doet daar niet aan af. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij, indien zij wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, recht op bijstand zou hebben gehad. Verweerder heeft de bijstand daarom terecht teruggevorderd. Ten slotte heeft eiseres geen dringende redenen aangevoerd waarom van terugvordering moet worden afgezien.

2.2.

Bij bestreden besluit II heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de Regionale Commissie Bezwaarschriften en onder wijziging van de motivering, de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Volgens verweerder heeft eiseres nog steeds onvoldoende gegevens overgelegd om het recht op bijstand te kunnen vaststellen. Haar financiële situatie is nog steeds onduidelijk. Eiseres heeft geen eigendomsbewijzen van het goud overgelegd en er is geen inzicht gegeven in de geldstromen die hebben plaatsgevonden bij het verpanden en lossen van het goud.

3.

3.1.

Eiseres voert tegen bestreden besluit I aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat het recht op bijstand ondanks de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld. Eiseres heeft aannemelijk gemaakt dat het verpande goud aan haar zus toebehoort, zij daar dus niet vrijelijk over kan beschikken en het goud daarom niet tot haar vermogen behoort. Eiseres heeft de van haar ex-partner geleende bedragen contant terugbetaald en voor een deel van de gestelde ontvangen geldbedragen bevat het onderzoek onvoldoende steunbewijs. Van de goederen die eiseres van haar ex-partner heeft ontvangen kan de waarde niet worden vastgesteld en deze behoren tot het eigendom van de ex-partner. Wat betreft de bijschrijvingen en kasstortingen betoogt eiseres primair dat dit leningen van familie betreffen en subsidiair dat dit giften zijn die als vrijgesteld vermogen zijn aan te merken. Tevens staat volgens eiseres de terugvordering niet in verhouding tot het beweerdelijk genoten voordeel en komen de inkomsten en het vermogen voor vrijstelling in aanmerking. Subsidiair betoogt eiseres dat verweerder vanwege dringende redenen van terugvordering had moeten afzien.

3.2.

Eiseres betoogt wat betreft bestreden besluit II dat het goud van haar zus is. Het is haar zus die de panden heeft gelost door de beleensommen contant terug te betalen. Daarnaast heeft verweerder aan eiseres een onredelijk zware bewijslast opgelegd. De gevraagde bankafschriften heeft eiseres tijdig overgelegd. De totale beleensom overschrijdt volgens eiseres niet de van toepassing zijnde grens van het vrij te laten vermogen. Als laatst voert eiseres aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met haar persoonlijke omstandigheden.

4. De rechtbank komt in de beroepen tot de volgende beoordeling.

In SGR 19/5489

5. De rechtbank stelt in dit beroep voorop dat zij slechts een oordeel kan en zal geven over de terugvordering van de bijstandsuitkering. Daartoe overweegt de rechtbank dat de bijstandstuitkering van eiseres reeds bij het na bezwaar gehandhaafde besluit van 28 maart 2019 over de periode van 28 september 2012 tot en met 31 januari 2019 (de beoordelingsperiode) is ingetrokken. Voor zover de bijstandsuitkering van eiseres bij primair besluit I over de beoordelingsperiode is herzien, levert de herhaling daarvan geen nieuw besluit op. Het daarmee beoogde rechtsgevolg is reeds door het besluit van 28 maart 2019 teweeggebracht. Eiseres heeft tegen de in bezwaar gehandhaafde intrekking van de bijstand geen beroep ingesteld, zodat deze in rechte vaststaat.

5.1.

Ingevolge artikel 58, eerste lid, van de Pw vordert het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid. Op grond van het achtste lid van dit artikel kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

5.2.

Gegeven de in rechte vaststaande schending van de inlichtingenverplichting en intrekking van de bijstand, was verweerder ingevolge artikel 58, eerste lid, van de Pw gehouden de bijstand van eiseres terug te vorderen. Deze bepaling, die een verplichtend karakter heeft, staat er echter niet aan in de weg dat bij de vaststelling van de hoogte van het terug te vorderen bedrag rekening wordt gehouden met een eventueel aanvullend recht op bijstand, omdat het besluit tot terugvordering reparatoir van aard is. Het is in een dergelijke situatie aan de betrokkene, en dus niet zoals eiseres betoogt aan verweerder, om aannemelijk te maken dat indien de verplichting tot het geven van inlichtingen wel naar behoren zou zijn nagekomen (aanvullende) bijstand zou zijn verstrekt (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 5 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:433). Eiseres is hierin niet geslaagd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

5.2.1.

Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat het door haar verpande goud niet tot haar vermogen behoorde en zij hier redelijkerwijs niet over kon beschikken. Daarnaast heeft eiseres niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt door wie en met welke middelen het verpande goud is gelost. De door haar overgelegde verklaringen van haar zus dat het goud aan de zus toebehoort en dat eiseres van familie de middelen heeft ontvangen om het goud te lossen, zijn daarvoor onvoldoende. Deze verklaringen zijn zonder onderbouwing met nadere gegevens niet verifieerbaar. Voorts heeft eiseres niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat de van haar ex-partner ontvangen bedragen leningen betreffen die zij contant heeft terugbetaald en heeft zij de waarde van de van haar ex-partner ontvangen goederen niet onderbouwd. Dat de kasstortingen leningen, dan wel giften van vrienden betreffen, heeft eiseres evenmin met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt. Eiseres heeft haar stellingen omtrent het vermogen en de inkomsten niet aannemelijk heeft gemaakt, waardoor het recht op bijstand over de periode van 28 september 2012 tot en met 31 januari 2019 niet kan worden vastgesteld. Reeds gelet hierop heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij over (een gedeelte van) de periode van 28 september 2012 tot en met 31 januari 2019 wel recht op bijstand zou hebben gehad. Verweerder behoefde in het reparatoire karakter van het besluit tot terugvordering dan ook geen aanleiding te zien het terugvorderingsbedrag te verlagen.

5.3.

De rechtbank begrijpt het betoog van eiseres dat de terugvordering niet in verhouding staat tot het genoten voordeel, aldus dat eiseres daarmee een beroep op het evenredigheidsbeginsel doet. Een dergelijk betoog kan slechts slagen indien er een te grote mate van onevenwichtigheid bestaat tussen de periode waarover geen recht op bijstand bestond, indien de inlichtingenverplichting wel was nagekomen, en de periode waarover is teruggevorderd. Nu, gelet op het voorgaande, het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, slaagt dit betoog niet (zie eveneens de uitspraak van de CRvB van 5 februari 2019).

5.4.

De rechtbank ziet geen dringende redenen waarom verweerder van terugvordering had moeten afzien. Dringende redenen kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet gaan om incidentele gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden (zie de uitspraak van de CRvB van 20 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1058). Eiseres heeft dergelijke omstandigheden niet aannemelijk gemaakt. Dat eiseres niet langer in haar levensonderhoud kan voorzien en aan haar betalingsverplichtingen kan voldoen, is immers niet het gevolg van de terugvordering van de bijstand, maar dat van de intrekking van het recht op bijstand. Bovendien doen de financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering zich in het algemeen pas voor indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. In dat kader heeft eiseres als schuldenaar bescherming, of kan zij deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet zoals neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Rv. Voorts heeft eiseres niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat de terugvordering vanwege haar lage IQ tot onaanvaardbare sociale gevolgen leidt.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

In SGR 20/834

8. De te beoordelen periode loopt van 12 maart 2019, de datum van de aanvraag, tot en met 23 mei 2019, de datum waarop de aanvraag is afgewezen.

8.1.

Het gaat in dit geding om de afwijzing van een nieuwe aanvraag om bijstand nadat de bijstandsuitkering eerder is ingetrokken. Indien periodieke bijstand is beëindigd of ingetrokken en de betrokkene een aanvraag indient gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat hij of zij op dat latere tijdstip wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand (zie de uitspraak van de CRvB van 31 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:825).

8.2.

Eiseres is hierin niet geslaagd. Eiseres heeft aangetoond dat al het op haar naam verpande goud is gelost en dat zij geen actieve panden meer heeft uitstaan. Zij heeft echter niet met objectieve en verifieerbare gegevens aangetoond door wie en met welke middelen de panden zijn gelost en dat het goud niet tot haar eigendom behoort. De door eiseres overgelegde verklaringen zijn daarvoor onvoldoende. Deze verklaringen zijn zonder onderbouwing met nadere gegevens niet verifieerbaar. Hierdoor is haar financiële situatie onduidelijk gebleven, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Dat de gestelde waarde van het goud het vrij te laten vermogen niet overschrijdt – wat daar verder ook van zij – doet daar niet aan af.

8.3.

Van een onredelijke zware bewijslast voor eiseres is niet gebleken. Zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij de gevraagde bewijsstukken niet kan overleggen, dan wel dat dit in redelijkheid niet van haar kon worden verlangd.

8.4.

Voor zover eiseres met haar betoog dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met haar persoonlijke omstandigheden een beroep doet op artikel 16, eerste lid van de Pw, slaagt dit betoog evenmin. Artikel 16, eerste lid, van de Pw bevat de mogelijkheid om bijstand te verlenen aan personen die niet behoren tot de kring van rechthebbenden, indien daartoe zeer dringende redenen noodzaken. Eiseres is echter niet uitgesloten van deze kring van rechthebbenden en kan niet worden aangemerkt als een persoon die geen recht op bijstand heeft als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Pw, zodat die bepaling in haar situatie toepassing mist (zie de uitspraak van CRvB 10 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3465).

9. Eiseres heeft een beroep gedaan op betalingsonmacht ten aanzien van het betalen van het griffierecht. Gelet op de conclusie van het beroep dat de financiële situatie van eiseres onduidelijk is gebleven, is ook onduidelijk van welk vermogen van eiseres moet worden uitgegaan. Dit zo zijnde, kan niet worden vastgesteld dat eiseres niet in staat is om het verschuldigde griffierecht van € 48,- te voldoen. Het beroep op betalingsonmacht wordt daarom afgewezen. Nu het griffierecht ondanks het beroep op betalingsonmacht is voldaan, heeft dit geen gevolgen voor de ontvankelijkheid van het beroep.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.M. Kettenis-de Bruin, rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.A. van Weert, griffier. Deze uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 11 september 2020.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.