Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:10305

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-10-2020
Datum publicatie
26-10-2020
Zaaknummer
8598342/20-50368
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Berekening transitievergoeding over gehele duur dienstverband of voor vergoeding uitgaan van dag waarop werknemer 104 weken arbeidsongeschikt is? Recht op overurentoeslag cao na wijziging omvang dienstverband? Geen aftrek proceduretijd o.g.v. cao?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1273
JAR 2020/276
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Den Haag

nv/c

Rep.nr.: 8598342 RP VERZ 20-50368

Datum: 12 oktober 2020

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

gemachtigde: mr. O.J. Praamstra,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CSU Personeel B.V.,

gevestigd te Uden,

verweerster,

gemachtigde: mr. R.M. Kerkhof.

Partijen worden aangeduid als “ [verzoekster] ” en “CSU”.

1 Het procesverloop

1.1.

[verzoekster] heeft bij verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 22 juni 2020, onder meer verzocht CSU te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding, alsmede een vergoeding wegens het niet in acht nemen van de opzegtermijn.

CSU heeft een verweerschrift ingediend.

1.2.

Bij brief van 4 september 2020 heeft [verzoekster] medegedeeld dat zij in het kader van de verzochte transitievergoeding inmiddels een bedrag van € 12.037,78 bruto heeft ontvangen van CSU en dat dit bedrag in mindering strekt op de verzochte transitievergoeding.

1.3.

Op 14 september 2020 heeft een zitting plaatsgevonden. Bij deze gelegenheid zijn verschenen [verzoekster] , bijgestaan door mr. Praamstra voornoemd, alsmede mevrouw [betrokkene] , HR-manager, namens CSU, bijgestaan door mr. Kerkhof voornoemd.

De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

2 De feiten

2.1.

[verzoekster] is op 15 mei 2006 als schoonmaakster in dienst getreden bij ISS Nederland. De cao Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf (hierna: de cao) is op de arbeidsovereenkomst van toepassing verklaard.

2.2.

Op 14 september 2017 is [verzoekster] uitgevallen wegens ziekte.

2.3.

Op grond van overgang van onderneming is [verzoekster] per 18 november 2018 in dienst getreden bij CSU.

2.4.

Op 12 september 2019 – na 104 weken arbeidsongeschiktheid – is aan [verzoekster] een WIA-uitkering toegekend.

2.5.

[verzoekster] heeft CSU bij brief van 9 december 2019 voorgesteld om het dienstverband per 15 december 2019 met wederzijds goedvinden te beëindigen. In de brief schrijft (de gemachtigde van) [verzoekster] onder meer:

“(…) Op basis van het (medio 2018) in opdracht van ISS Nederland B.V. verrichte onderzoek (…) kan geconcludeerd worden dat er geen reïntegratiemogelijkheden meer zijn voor cliënte binnen de onderneming van ISS Nederland B.V. (en er is – gezien de aard van de bedrijfsactiviteiten – geen reden om aan te nemen dat die mogelijkheden er wel zijn binnen de CSU-groep). Er is dan ook sprake van een zgn. ‘slapend dienstverband’.

Met betrekking tot dergelijke slapende dienstverbanden heeft de Hoge Raad vrijdag 8 november jl. een prejudiciële beslissing gegeven (Hoge Raad 8 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1734), waarin de Hoge Raad op de gestelde vragen (voor zover i.c. van belang) het navolgende heeft geantwoord:

‘Als is voldaan aan de vereisten van artikel 7:669 lid 1 en lid 3, aanhef en onder b, BW voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, geldt als uitgangspunt dat een werkgever op grond van goed werkgeverschap in de zin van art. 7:611 BW, gehouden is in te stemmen met een voorstel van de werknemer tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, onder toekenning van een vergoeding aan de werknemer ter hoogte van de wettelijke transitievergoeding. Daarbij geldt dat die vergoeding niet meer behoeft te bedragen dan hetgeen aan transitievergoeding verschuldigd zou zijn bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst op de dag na die waarop de werkgever wegens arbeidsongeschiktheid van de werknemer de arbeidsovereenkomst zou kunnen (doen) beëindigen.’

Vertaald naar de situatie van cliënte betekent dit dat u op grond van goed werkgeverschap gehouden bent om in te stemmen met een voorstel van cliënte tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden, onder toekenning van een vergoeding aan cliënte die gelijk is aan de wettelijke transitievergoeding zoals die verschuldigd zou zijn geweest bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 12 september 2019. (…)”

2.6.

Partijen zijn hierop in gesprek gegaan over de voorwaarden voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst, maar hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over de hoogte van de toe te kennen transitievergoeding.

2.7.

Op 30 december 2019 heeft CSU het UWV toestemming verzocht om de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] op te zeggen. Deze toestemming is door het UWV bij beslissing van 25 februari 2020 verleend.

2.8.

Bij brief van 17 maart 2020 heeft CSU de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] opgezegd per 1 mei 2020. Ten aanzien van laatstgenoemde datum schrijft CSU:

“(…) Wij nemen hierbij de opzegtermijn niet in acht. De reden daarvan is dat er geen verplichting meer is om loon aan u door te betalen. U bent niet meer in staat om (aangepaste) arbeid bij ons te verrichten. Een langere voortzetting van de arbeidsovereenkomst dient daarom geen doel.”

2.9.

CSU heeft bij haar brief van 17 maart 2020 tevens een berekening van de transitievergoeding gevoegd. CSU heeft deze berekend op € 12.037,78.

2.10.

[verzoekster] heeft bij brief van 5 juni 2020 bezwaar gemaakt tegen de door CSU gehanteerde uitgangspunten bij de berekening van de transitievergoeding. Ook verzoekt [verzoekster] toekenning van een vergoeding wegens het niet in acht nemen van de opzegtermijn en afrekening van de resterende vakantiedagen.

2.11.

[verzoekster] en CSU hebben over de hiervoor genoemde punten overleg gevoerd, maar geen overeenstemming kunnen bereiken.

3 Het verzoek

3.1.

[verzoekster] verzoekt – na vermindering van eis – bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, CSU te veroordelen tot betaling van:

  1. een bedrag van € 3.868,38 bruto ter zake de transitievergoeding;

  2. een bedrag van € 5.262,54 als vergoeding op grond van 7:672 lid 11 BW;

  3. een bedrag van € 7.247,09 bruto als vergoeding voor niet genoten vakantiedagen;

  4. de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen, voor het sub 1 verzochte bedrag te rekenen vanaf 1 juni 2020 en voor het sub 2 en 3 verzochte bedrag te rekenen vanaf 1 mei 2020;

  5. een bedrag van € 1.281,58 ter zake buitengerechtelijke kosten;

  6. de kosten van dit geding.

3.2.

Aan haar verzoek legt [verzoekster] kort samengevat het navolgende ten grondslag.

CSU heeft de aan [verzoekster] toe te kennen vergoeding berekend per 12 september 2019. Dit is niet juist. Aan [verzoekster] dient een transitievergoeding te worden toegekend, berekend over de gehele duur van het dienstverband, derhalve tot 1 mei 2020. Voor zowel de hoogte van het uurloon als het percentage van de eindejaarsuitkering moet worden aangesloten bij de arbeidsvoorwaarden die gelden per 1 januari 2020. Het voorgaande leidt tot toekenning van een transitievergoeding van € 15.906,16, waarvan al een deel is voldaan (zie 1.2.).

Voor wat betreft de opzegtermijn verwijst [verzoekster] naar artikel 10 van de cao. Uit de tekst van dit artikel blijkt dat wordt afgeweken van de wettelijke regeling (7:672 lid 2 sub c BW) in die zin, dat geen aftrek plaatsvindt van de proceduretijd. CSU heeft deze proceduretijd echter geheel ten onrechte wel in aftrek gebracht op de opzegtermijn. Indien de opzegtermijn juist was toegepast had CSU niet eerder kunnen opzeggen dan 20 juni 2020. Gelet hierop is CSU een vergoeding van € 5.262,54 verschuldigd.

Aan het einde van het dienstverband bedroeg het resterende verlofsaldo 410,6 uren. Wegens ziekte heeft [verzoekster] deze redelijkerwijs niet kunnen opnemen. CSU dient voor deze resterende verlofuren nog een bedrag aan [verzoekster] te voldoen van € 7.247,09 bruto.

Tot slot is CSU de buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd, alsmede de proceskosten.

4 Het verweer

4.1.

CSU verweert zich tegen het verzoek.

4.2.

Allereerst voert CSU aan dat voor de toe te kennen vergoeding uit moet worden gegaan van de transitievergoeding zoals deze berekend zou worden op de dag waarop [verzoekster] 104 weken arbeidsongeschikt was, een en ander zoals door de Hoge Raad overwogen in haar arrest van 8 november 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1734, hierna: het Xella-arrest). De transitievergoeding bedraagt in dat geval € 14.365,49 bruto. Dit betekent dat CSU in dit verband (na aftrek van het reeds betaalde bedrag) nog een bedrag van € 2.327,71 bruto aan [verzoekster] dient te voldoen.

Ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor het niet in acht nemen van de opzegtermijn voert CSU aan dat deze vordering in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, c.q. misbruik van recht oplevert. Immers heeft [verzoekster] zelf op 9 december 2019 verzocht de arbeidsovereenkomst per 15 december 2019 te beëindigen. Het misbruik van recht is erin gelegen dat [verzoekster] nu wil profiteren van de situatie die is ontstaan doordat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen over de hoogte van de toe te kennen vergoeding. Indien de kantonrechter van oordeel is dat [verzoekster] terecht stelt dat onregelmatig is opgezegd, dient de vergoeding te worden gesteld op nihil, aangezien er geen loondoorbetalingsverplichting was. Bovendien mag, anders dan [verzoekster] stelt, de proceduretijd (40 dagen) wel van de opzegtermijn worden afgetrokken. Dit volgt ook uit de beslissing van het UWV. De opzegtermijn is 21 maart 2020 aangevangen, zodat de arbeidsovereenkomst in ieder geval per 11 mei 2020 kon worden beëindigd. Met inachtneming van het laatste uurloon inclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering zou CSU dan nog een bedrag van € 822,96 bruto verschuldigd zijn.

Voorts betwist CSU dat een zieke werknemer geen verlofuren kan opnemen. In totaal heeft [verzoekster] zes weken verlof genoten. De registratie hiervan blijkt uit de loonstroken en hierover heeft [verzoekster] nimmer geklaagd. Bij het einde van het dienstverband had [verzoekster] 69,8 verlofuren over en dit correspondeert met een bedrag € 1.063,75 bruto. Gebleken is dat hiervan nog een bedrag van € 139,23 bruto dient te worden voldaan. CSU zal zo spoedig overgaan tot uitbetaling.

De vordering ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten dient te worden afgewezen; deze zijn berekend over een te hoog bedrag en ook heeft CSU geprobeerd overeenstemming te bereiken. De meeste werkzaamheden zijn bovendien pas verricht na indiening van het verzoekschrift.

5 De beoordeling

Transitievergoeding

5.1.

Partijen verschillen allereerst van mening over de wijze van berekening van de aan [verzoekster] toe te kennen (transitie)vergoeding. [verzoekster] stelt zich op het standpunt dat deze op grond van 7:673 BW moet worden berekend over de gehele duur van het dienstverband, derhalve tot 1 mei 2020, met inachtneming van het op dat moment geldende loon. CSU heeft dit betwist en onder verwijzing naar het Xella-arrest aangevoerd dat uit moet worden gegaan van het bedrag van de transitievergoeding, zoals deze berekend moet worden op de dag waarop [verzoekster] 104 weken arbeidsongeschikt is, met inachtneming van het laatst verdiende loon.

5.2.

Vast staat dat [verzoekster] op 12 september 2019 104 weken arbeidsongeschikt was en dat zij op 9 december 2019 onder verwijzing naar het Xella-arrest heeft verzocht de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden te beëindigen per 15 december 2019. In een dergelijk geval, zo oordeelt de Hoge Raad, geldt dat die vergoeding niet meer behoeft te bedragen dan hetgeen aan transitievergoeding verschuldigd zou zijn bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst op de dag na die waarop de werkgever wegens arbeidsongeschiktheid van de werknemer de arbeidsovereenkomst zou kunnen (doen) beëindigen. Op grond van deze maatstaf zou voor de berekening van de vergoeding dus moeten worden uitgegaan van een einddatum van 12 september 2019. Partijen zijn het in het kader van deze onderhandelingen evenwel niet eens geworden over de hoogte van de toe te kennen vergoeding, waarna de arbeidsovereenkomst uiteindelijk na toestemming van het UWV is beëindigd per 1 mei 2020.

5.3.

Juist is, zoals [verzoekster] stelt, dat het in het Xella-arrest ging om de beëindiging van een arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden. Naar het oordeel van de kantonrechter maakt dit echter niet, dat in het onderhavige geval moet worden afgeweken van de in het Xella-arrest genoemde maatstaf voor het berekenen van de vergoeding. Hiertoe wordt allereerst verwezen naar de ook in het Xella-arrest genoemde (achtergrond van de) Wet compensatie transitievergoeding, die ziet op compensatie van de transitievergoeding indien de arbeidsovereenkomst met een werknemer die langer dan twee jaar ziek is, wordt beëindigd. Met voormelde wet is beoogd een einde te maken aan het verschijnsel ‘slapende dienstverbanden’. In het kader van het goed werkgeverschap geldt gelet op het voorgaande de norm dat een dergelijk dienstverband in beginsel behoort te worden beëindigd als de werknemer dat wenst en de werkgever geen redelijk belang heeft bij voortduring hiervan. Een dergelijke situatie is hier aan de orde: [verzoekster] wenst beëindiging van de arbeidsovereenkomst en CSU heeft geen redelijk belang bij voortduring hiervan. Immers is [verzoekster] al langer dan twee jaar arbeidsongeschikt en is tussen partijen niet in geschil dat er geen mogelijkheden tot re-integratie zijn.

Dat partijen desondanks niet tot overeenstemming zijn gekomen, heeft te maken met het feit dat bij de berekening van de toe te kennen (transitie)vergoeding een geschil ontstond over de omvang van het dienstverband. [verzoekster] ging uit van een 45-urige werkweek, terwijl CSU uit ging van een 38-urige werkweek met 7 structurele overuren. CSU heeft in dit verband onweersproken aangevoerd dat zij gelet op deze discussie genoodzaakt was een UWV-procedure op te starten, enerzijds omdat [verzoekster] (nog steeds) de wens had de arbeidsovereenkomst te beëindigen en anderzijds omdat CSU anders niet in aanmerking zou komen voor toepassing van de compensatieregeling. Naar het oordeel van de kantonrechter is het onder deze omstandigheden niet redelijk om de transitievergoeding te berekenen tot de einddatum van 1 mei 2020. Toewijzing van het verzoek op dit punt zou immers impliceren dat een werknemer, na zelf een verzoek tot beëindiging te hebben gedaan vanwege een ‘slapend dienstverband’, de onderhandelingen bewust kan frustreren teneinde de bewerkstelligen dat de transitievergoeding over een langere termijn wordt berekend. Daarnaast acht de kantonrechter het redelijk en in lijn met het Xella-arrest om aan te sluiten bij het laatst verdiende loon, dat dus gelijk is aan het loon op de dag waarop [verzoekster] 104 weken arbeidsongeschikt was (12 september 2019). Op dat moment is immers ook de loonbetalingsplicht van CSU geëindigd. Het is ook logisch om daarbij aan te sluiten, omdat het thans door [verzoekster] gevorderde loon door haar nimmer feitelijk is ontvangen.

5.4.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van [verzoekster] op dit punt dient te worden afgewezen en dat voor de aan haar toe te kennen vergoeding wordt uitgegaan van de transitievergoeding zoals deze berekend zou moeten worden op 12 september 2019. Hierna zullen de uitgangspunten voor deze berekening worden vastgesteld.

5.5.

Zoals hiervoor al kort is aangestipt hebben partijen een verschil van mening gehad over de omvang van het dienstverband. CSU heeft aangevoerd dat zij in de UWV procedure uiteindelijk akkoord is gegaan met de door [verzoekster] gestelde 45-urige werkweek. In dit kader heeft CSU aangevoerd dat dit gevolgen heeft voor het loon en de verlofopbouw (zie hierna onder 5.11. e.v.). Voorheen kreeg [verzoekster] namelijk op grond van de cao overurentoeslag over de 7 overuren die zij maakte bovenop het 38-urige dienstverband. Nu zij echter zelf stelt een 45-urig dienstverband te hebben, kan niet worden volgehouden dat hierbij desondanks nog steeds moet worden uitgegaan van 7 overuren, aldus CSU.

[verzoekster] stelt zich onder verwijzing naar artikel 20 van de cao op het standpunt dat alle uren die in een periode van 4 weken het aantal van 152 overstijgen, dienen te worden aangemerkt als overwerk, zodat zij nog steeds recht heeft op een overurentoeslag.

5.6.

Met CSU is de kantonrechter van oordeel dat [verzoekster] niet in deze uitleg kan worden gevolgd. De tekst van artikel 20 van de cao luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

“ARTIKEL 20 TOESLAG OVERWERK

1. Van overwerk is sprake:

- na het 9e uur per dienst of dag, of:

- per loonperiode volgens onderstaand schema:

Loonperiode Overwerk vanaf:

Betaling per 4 weken Het 152e uur per periode van 4 weken (…)”

Zoals hiervoor al is overwogen staat tussen partijen vast dat [verzoekster] een dienstverband van 45 uren per week heeft gehad. Deze uren zijn, zo stelt [verzoekster] zelf, verdeeld over 5 dagen van 9 uur. Op grond van de tekst van de cao is van overwerk pas sprake na het 9e uur per dienst of dag. Op basis van deze definitie is dus geen sprake van overwerk.

Weliswaar is aanvankelijk aan [verzoekster] een overurentoeslag uitbetaald, maar op dat moment ging men uit van een 38-urige werkweek en 7 structurele overuren per week. Hierop ziet de regeling onder het tweede gedachtestreepje (overwerk vanaf het 152e uur per periode van 4 weken). [verzoekster] heeft onvoldoende toegelicht, waarom deze regeling nog van toepassing zou zijn nadat partijen het dienstverband hebben vastgesteld op 45 vaste uren per week. Los daarvan is het tegenstrijdig om enerzijds te stellen dat de arbeidsomvang 45 vaste uren per week betreft en anderzijds het standpunt in te nemen dat hiervan 7 uren dienen te worden aangemerkt als overuren, waarover een toeslag moet worden voldaan. Deze uitleg is niet logisch en evenmin in lijn met artikel 20 van de cao. [verzoekster] wordt dan ook niet gevolgd in deze stelling.

5.7.

CSU heeft erkend dat zij nog een vergoeding (gelijk aan de transitievergoeding) van € 2.327,71 bruto aan [verzoekster] verschuldigd is, als wordt uitgegaan van een dienstverband van 45 uur per week. De hoogte van dit bedrag is voor het overige niet betwist door [verzoekster] , zodat de kantonrechter dit bedrag zal toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente als gevorderd.

Onregelmatige opzegging

5.8.

[verzoekster] stelt zich onder verwijzing naar artikel 10 van de cao op het standpunt dat de daarin vermelde opzegtermijnen in acht dienen te worden genomen, zonder aftrek van de proceduretijd. Dit blijkt met name uit de zinsnede dat de opzegtermijn ‘na toestemming van het UWV’ in acht moet worden genomen. CSU heeft deze uitleg betwist.

5.9.

Waar partijen het wel over eens zijn, is dat een cao zoveel mogelijk naar de letter moet worden geïnterpreteerd. [verzoekster] stelt daarnaast dat de naar objectieve maatstaven kenbare bedoeling van de cao-partijen ook meeweegt en dat deze kenbare bedoeling in dit geval volgt uit de opzet van artikel 10 van de cao, waarin op geen enkele wijze wordt verwezen naar 7:672 BW (de verkorting van de opzegtermijn met de proceduretijd). De kantonrechter volgt [verzoekster] niet in deze uitleg. Dat een wetsartikel niet expliciet is genoemd in een cao-bepaling, wil niet zeggen dat deze geheel buiten toepassing is verklaard en dat bedoeld is hiervan af te wijken. Ook de beslissing van het UWV staat wat dat betreft haaks op de uitleg van [verzoekster] : hierin staat immers letterlijk: “Werkgever mag de opzegtermijn verkorten met de duur van de procedure. Er moet wel altijd een termijn van ten minste een maand overblijven. De proceduretijd start op de dag waarop wij de ontslagaanvraag hebben ontvangen en eindigt op de datum van deze beslissing. De procedure van deze aanvraag heeft 40 dagen geduurd.” Gelet hierop wordt het standpunt van [verzoekster] ten aanzien van de proceduretijd verworpen.

5.10.

CSU heeft erkend dat zij met inachtneming van de opzegtermijn en de aftrek van de proceduretijd had moeten opzeggen per 11 mei 2020, in plaats van 1 mei 2020. Op grond van artikel 7:672 BW is de werkgever in een dergelijk geval een vergoeding verschuldigd, gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. In dit geval zou een vergoeding dus nihil zijn, omdat er geen loonbetalingsplicht meer bestond. [verzoekster] heeft in dit kader evenwel verwezen naar een uitspraak van de Hoge Raad van 21 oktober 1983 (NJ 1984, 255), waaruit volgt dat niet van belang is of de werkgever daadwerkelijk tot loonbetaling gehouden was. Wat daar van zij, onder de gegeven omstandigheden, die hiervoor al uitvoerig aan de orde zijn gekomen, is voor toekenning van enige vergoeding naar het oordeel van de kantonrechter geen plaats. Het traject om de arbeidsovereenkomst te beëindigen is immers gestart op initiatief van [verzoekster] , die de arbeidsovereenkomst, nota bene onder verwijzing naar het Xella-arrest, op korte termijn wenste te beëindigen. Waarom een en ander uiteindelijk langer heeft geduurd is hiervoor al aan de orde gekomen. Het hanteren van een langere opzegtermijn dient bovendien geen enkel doel, nu [verzoekster] al gedurende langere tijd arbeidsongeschikt is en zij ook niet heeft gesteld dat zij verwacht op korte termijn weer aan het werk te kunnen. De kantonrechter zal het verzoek op dit punt dan ook afwijzen.

Vakantiedagen

5.11.

Partijen verschillen tot slot nog van mening over het aantal verlofuren van [verzoekster] en de vraag of zij verlof heeft opgenomen. Wel zijn zij het erover eens dat een 45-urige werkweek leidt tot opbouw van 18 verlofuren per week en dat dus per verlofdag 9 uur moet worden opgenomen. In die zin is het verlofsaldo dan ook aangepast, ook omdat aanvankelijk de verlofuren zijn berekend op basis van een 38-urige werkweek met 7 overuren en over de overuren geen verlof wordt opgebouwd.

5.12.

Ter zitting heeft CSU ter toelichting van haar verweer, dat [verzoekster] zes weken verlof heeft opgenomen, verwezen naar de registratie hiervan die is terug te vinden op de loonstroken. In periode 5, 6, 7 en 8 van het jaar 2019 is verlof opgenomen, aldus CSU. [verzoekster] heeft de juistheid van deze registraties niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken. Bovendien heeft [verzoekster] ter zitting erkend dat zij in genoemde periodes vakantie heeft genomen.

Wel heeft [verzoekster] nog aangevoerd dat zij gelet op het bepaalde in artikel 7:637 lid 1 en 2 BW alsmede artikel 7:638 BW lid 8 BW hoogstens 54 vakantie-uren had kunnen opnemen in 2019. Dit standpunt slaagt niet. Allereerst niet, omdat [verzoekster] zelf vakantieverlof heeft gevraagd en gekregen. Uit de eerste zin van 7:638 lid 8 BW volgt dat hiermee dus sprake is van vakantie (ook al is [verzoekster] ziek). Weliswaar staat in het vervolg van het artikellid dat men kan overeenkomen dat ten hoogste de bovenwettelijke uren moeten worden opgenomen als men ziek is tijdens een vastgestelde vakantie, maar gesteld nog gebleken is dat van een dergelijke overeenkomst sprake is. Ook uit artikel 7:637 lid 1 BW volgt dat de dagen waarop de werknemer niet werkt wegens ziekte kunnen worden aangemerkt als vakantie, indien de werknemer hiermee instemt. Gesteld noch gebleken is dat hierover bij schriftelijke overeenkomst andere afspraken zijn gemaakt (artikel 7:637 lid 2 BW).

[verzoekster] heeft tot slot nog verwezen naar artikel 7:635 lid 1 sub d BW ter onderbouwing van haar standpunt dat zij ook na 12 september 2019 nog vakantiedagen heeft opgebouwd. Dit wetsartikel is in de onderhavige situatie evenwel niet van toepassing. Uit de toelichting op dit artikellid blijkt dat het gaat om bijvoorbeeld situaties van vrijwillige werkloosheid bij een nul-urenvergunning of een werkwillige werknemer bij een stakingsactie. Voor het overige heeft zij geen feiten en omstandigheden gesteld ter onderbouwing van haar stelling dat zij na 12 september 2019 nog verlof heeft opgebouwd.

5.13.

Het voorgaande leidt ertoe dat de kantonrechter in rechte uitgaat van het door CSU gestelde verlofsaldo van 69,80 uren. CSU heeft onweersproken aangevoerd dat dit verlofsaldo overeenkomt met een bedrag van € 1.063,75 bruto en dat hiervan al een bedrag van € 924,52 is uitbetaald. Dit betekent dat wordt toegewezen een bedrag van € 139,23 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente als gevorderd.

Buitengerechtelijke incassokosten

5.14.

[verzoekster] vordert een bedrag van € 1.281,58 wegens buitengerechtelijke incassokosten. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verzoekster] voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. CSU voert evenwel terecht aan dat [verzoekster] de buitengerechtelijke incassokosten over een te hoog bedrag heeft berekend. Niet alleen omdat een groot deel van de transitievergoeding al uit eigen beweging door CSU is voldaan, maar ook omdat de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten moet worden berekend over het toegewezen bedrag (€ 2.327,71 bruto + € 139,23 bruto). Op grond van het in het Besluit bepaalde tarief is dan ook toewijsbaar een bedrag van € 447,75.

Proceskosten

5.15.

Gelet op de uitkomst van de zaak is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen.

6 De beslissing

De kantonrechter:

6.1.

veroordeelt CSU tot betaling van een bedrag van € 2.327,71 bruto ter zake de (transitie)vergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 1 juni 2020 tot de dag der algehele voldoening;

6.2.

veroordeelt CSU tot betaling van € 139,23 bruto ter zake de vergoeding voor niet genoten vakantiedagen, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 1 mei 2020 tot de dag der algehele voldoening;

6.3.

veroordeelt CSU tot betaling van een bedrag van € 447,75 wegens buitengerechtelijke incassokosten;

6.4.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

6.5.

verklaart deze beschikking ten aanzien van de veroordelingen onder 6.1. tot en met 6.3. uitvoerbaar bij voorraad;

6.6.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. I.F. Dam en uitgesproken ter openbare zitting van 12 oktober 2020.