Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:1028

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-01-2020
Datum publicatie
11-02-2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 4181
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

X houdt 100% van de aandelen in B.V.

B.V. heeft een rekening-courantvordering op X. In het onderhavige jaar is de schuld van X aan B.V. opgelopen.

De inspecteur stelt dat sprake is van een winstuitdeling van 50% van de toename van de rekening-courantschuld en heeft een navorderingsaanslag aan X opgelegd.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat X er niet op kon vertrouwen dat zijn belastingschuld met de definitieve aanslag was vastgesteld.

De inspecteur heeft ten tijde van de uitreiking van het aanslagbiljet immers aan X kenbaar gemaakt dat de daarin opgenomen aanslag ten gevolge van een door hem gemaakte fout onjuist was vastgesteld.

Ook heeft hij X gemeld dat de aanslag in zoverre niet als definitieve vaststelling van de belastingschuld kon gelden maar dat een navordering op dit punt zou volgen.

De inspecteur heeft aannemelijk heeft gemaakt dat de toename van de rekening-courantvordering gedeeltelijk niet kan of zal worden afgelost, omdat X en zijn echtgenote niet over voldoende vermogen en inkomsten beschikten om uit andere middelen dan het aandelenbezit in B.V. de aflossing van dit gedeelte van de lening te voldoen.

Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 11-02-2020
V-N Vandaag 2020/333
FutD 2020-0461
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 19/4181

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2020 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.C.J.G. van Vugt),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2014 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd en belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 17 mei 2018 de navorderingsaanslag verminderd en de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft op 18 november 2018 nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2019.

Namens eiser is gemachtigde verschenen.

Namens verweerder zijn verschenen [A] , [B] ,

[C] en [D] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser houdt 90% van de aandelen in [B.V.] (B.V.) en zijn echtgenote houdt de overige 10% van de aandelen. De aandeelhouders zijn sinds 17 februari 2006 tevens bestuurders van B.V. B.V. houdt zich bezig met het beheren van (pensioen)vermogen.

2. B.V. heeft eiser in de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005 in totaal een bedrag van € 624.966 geleend voor de verbouwing van zijn eigen woning. Op

11 september 2006 heeft eiser in verband hiermee een schuldbekentenis ten behoeve van B.V. ondertekend. Het saldo van de lening bedraagt op 31 december 2014 € 658.248. Op de eigen woning is ook een recht van hypotheek gevestigd in verband met een door de Rabobank aan eiser verstrekte lening van € 500.000.

3. B.V. heeft een rekening-courantvordering op eiser naar de volgende saldi op

31 december van elk jaar:

2010: € 325.049

2011: € 387.106

2012: € 452.108

2013: € 523.313

2014: € 637.292

Samen met de lening voor de eigen woning heeft B.V. per 31 december 2014 in totaal
€ 1.295.540 te vorderen van eiser. De winstreserve van B.V. bedroeg volgens de jaarrekening per 31 december 2014 € 1.215.406.

4. In 2014 is de rekening-courant schuld van eiser aan B.V. met € 113.979 opgelopen. Uit de jaarrekening van B.V. blijkt het volgende verloop van de rekening-courant in 2014:

Privé-stortingen:

IB/PVV 2013 [eiser] € 21.754

IB/PVV [echtgenote eiser] € 237

WZT 2014 € 586

WZT 2012 € 911

Middeling IB/PVV 2009-2010 [eiser] € 663

Netto pensioenuitkering [eiser] € 26.415

Netto pensioenuitkering [echtgenote eiser] € 9.174

Zakelijke kosten privé betaald € 7.579

€ 67.319

Privé-opnames:

Rente rekening-courant € 22.757

Buitengewone lasten € 4.149

Energie etc. € 2.265

Vaste lasten € 1.534

Rente hypotheek Rabobank € 12.250

Rente lening eiseres (eigen woning schuld) € 32.912

Naar privérekening € 47.763

Aankoop grond [plaats] € 45.830

Overige privé-opnames € 11.841

€ 181.298

5. Eiser heeft op 17 juli 2015 aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2014 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van

€ 1 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil.

6. Verweerder heeft op 31 maart 2016 een onderzoek verricht naar de aanvaardbaarheid van de aangifte IB/PVV van eiser over het jaar 2014 en de aangifte vennootschapsbelasting 2014 van B.V. Naar aanleiding van dat onderzoek heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de toename van de rekening-courantschuld in 2014 een netto- dividenduitdeling aan de aandeelhouders betreft.

7.1

Bij brief van 1 maart 2017 heeft verweerder aan gemachtigde geschreven:

“(…)Alleen de onttrekking in 2014 wordt als een uitdeling aangemerkt conform het gestelde in het rapport. (…)”.

7.2

Bij brief van 28 maart 2017 heeft verweerder aan eiser geschreven:

“Binnenkort ontvangt u de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 2014. Het verzamelinkomen in deze aanslag is onterecht op € 1 vastgesteld. (…) De aanslag is ten onrechte vastgesteld op een verzamelinkomen van € 1, omdat volgens het controlerapport van 21 december 2016 het inkomen uit aanmerkelijk belang (Box 2) op

€ 134.092 moet worden vastgesteld. De door [B.V.] af te dragen dividendbelasting ad

€ 20.113 wordt als voorheffing in mindering gebracht. Daarom leg ik u een navorderingsaanslag 2014 met een verzamelinkomen van € 134.093 op.”

8. Met dagtekening 22 april 2017 heeft verweerder aan eiser een aanslag IB/PVV voor het jaar 2014 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil. Met dagtekening 30 mei 2017 heeft verweerder aan eiser een navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2014 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 134.092. Tegelijkertijd is aan eiser € 577 belastingrente in rekening gebracht.

9. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder 50% van de gestelde dividenduitkering aan de echtgenote van eiser toegerekend. Het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van eiser is daarbij verminderd tot € 67.046. De belastingrente is verminderd tot € 202.

Geschil
10. In geschil is of verweerder bevoegd was een navorderingsaanslag aan eiser op te leggen en zo ja, of 50% van de toename van de rekening-courantschuld in 2014 als winstuitdeling aan eiser moet worden aangemerkt. Voorts is het bedrag van de in rekening gebrachte belastingrente in geschil.

11. Eiser stelt dat het voor navordering vereiste nieuwe feit ontbreekt. Eiser stelt daarnaast dat geen sprake is van een (definitieve) onttrekking aan het vermogen van B.V. van het bedrag van € 113.979, omdat dit bedrag vrijwel direct door eiser kan worden terugbetaald (onder meer door herfinanciering bij een professionele geldverstrekker). Ook is niet voldaan aan het dubbele bewustheidsvereiste en is er geen uitkeerbare winstreserve. De in 4 vermelde grond had eiser in 2014 nog in bezit, had minstens een waarde van € 45.000 en kon aan de B.V. worden overgedragen. Indien sprake is van een uitdeling dan is het bedrag van de uitdeling slechts € 18.979 (€ 113.979 -/- € 50.000 herfinanciering woning -/- € 45.000 terugverkoop grond). Eiser stelt voorts dat verweerder te lang heeft gewacht met het opleggen van de navorderingsaanslag. Daardoor is de belastingrente onredelijk hoog opgelopen. De in rekening te brengen belastingrente dient beperkt te blijven tot 21 oktober 2016 (de aankondiging van de afwijking van de aangifte).

12. Verweerder stelt dat sprake is van een winstuitdeling van 50% van € 113.979 in 2014 omdat eiser, gelet op zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn leeftijd, dat bedrag nimmer meer kan terugbetalen. De winstuitdeling wordt gedekt door de aanwezige winstreserves. Als alle beschikbare middelen worden vrijgemaakt en worden aangewend voor het aflossen van de toename van € 113.979, dan brengt B.V. zich in de positie dat zij afziet van aflossing van een gelijk deel van de hoofdsom en dan is voor dat bedrag sprake van een uitdeling van winst. Gelet hierop, en gelet op de inhoud van de in 7.2 vermelde brief, is de navorderingsaanslag terecht aan eiser opgelegd. De belastingrente is volgens de wet berekend en verweerder ziet geen aanleiding de belastingrente te verminderen.

Beoordeling van het geschil

Bevoegdheid tot navordering

13. Uit het arrest van de Hoge Raad van 17 oktober 1990 (ECLI:NL:HR:1990:ZC4417, BNB 1991/118) volgt dat artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) is gebaseerd op het uitgangspunt dat als een belastingplichtige een aanslag ontvangt, hij daaraan gewoonlijk het vertrouwen mag ontlenen dat zijn belastingschuld daarmee definitief is vastgesteld. Hierop kan geen beroep worden gedaan als de belastingplichtige op het moment van ontvangst van de aanslag al is geïnformeerd over de onjuistheid van die aanslag door een door de inspecteur nader aangeduide misslag van feitelijke of rechtskundige aard. Nu verweerder ten tijde van de uitreiking van het aanslagbiljet reeds aan eiser kenbaar had gemaakt dat de daarin opgenomen aanslag ten gevolge van een door hem gemaakte fout onjuist was vastgesteld en in zoverre niet als definitieve vaststelling van de belastingschuld kon gelden maar dat een navordering op dit punt zou volgen, kon eiser er niet op vertrouwen dat zijn belastingschuld met die definitieve aanslag was vastgesteld. Gelet hierop was verweerder bevoegd de navorderingsaanslag op te leggen.

Is sprake van een voordeel uit aanmerkelijk belang?

14. Indien een aandeelhouder voor persoonlijke doeleinden gelden uit de kas van de vennootschap opneemt, kan daarin een winstuitdeling zijn gelegen als het daarbij niet de bedoeling is geweest dat de aandeelhouder het opgenomen bedrag aan de vennootschap zal schuldig worden dan wel het reeds aanstonds duidelijk moet zijn geweest dat de opgenomen gelden niet zouden kunnen worden terugbetaald of verrekend (HR 24 juni 1964, nr. 15 225, BNB 1964/196). Indien een vennootschap aan haar aandeelhouder een lening verstrekt waarvan aannemelijk is dat deze niet kan of zal worden afgelost, moet deze lening worden aangemerkt als een uitdeling. Het bedrag van de lening heeft dan immers het vermogen van de vennootschap definitief verlaten. Dit wordt niet anders indien het bedrag van de lening kan worden verrekend met een toekomstige dividenduitkering (vgl. HR 29 oktober 2004, nr. 40296, ECLI:NL:HR:2004:AR4761). Voor het in aanmerking nemen van een uitdeling, zal de inspecteur feiten (en omstandigheden) aannemelijk moeten maken waaruit volgt dat deze lening niet kan of zal worden afgelost en de vennootschap en aandeelhouder zich daarvan bewust waren of hadden moeten zijn (HR 20 maart 2015, nr. 13/05470, ECLI:NL:HR:2015:645).

15. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat van de rekening- courantschuld € 113.979 niet kan worden terugbetaald gewezen op de vermogenspositie van de aandeelhouders gezamenlijk. Deze vermogenspositie heeft verweerder, zonder daarbij de waarde van de aandelen in B.V. te betrekken, berekend op € 740.377 negatief per
31 december 2014. Eiser heeft hiertegen ingebracht dat de waarde van de aandelen (volgens eiser € 1.238.563) moet worden meegerekend zodat geen sprake is van een negatieve vermogenspositie van hem. Deze opvatting volgt de rechtbank niet. Het gaat om de vraag of eiser in 2014 door middel van de rekening-courant geld uit B.V. heeft opgenomen waarvan aannemelijk is dat niet kan en zal worden afgelost anders dan door over de winstreserves van B.V. te beschikken. Dit wordt niet anders als het bedrag van de lening kan worden verrekend met een toekomstige dividenduitkering (vgl. HR 29 oktober 2004, nr. 40.296, ECLI:NL:HR:2004:AR4761) of kan worden terugbetaald uit de opbrengst van de verkoop van aandelen (vgl. r.o. 4.14 van Hof Arnhem 3 juli 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:6154). Verweerder heeft voorts gewezen op de bruto-inkomsten uit vroegere dienstbetrekking van de aandeelhouders in het jaar 2014 van € 58.976 en op het feit dat die inkomsten al onvoldoende zijn om de rentelast aan de Rabobank van € 21.000 en de rentelast aan B.V. van € 55.669 te voldoen. Wat betreft de bewustheid wijst verweerder erop dat B.V. op de hoogte was van de bestaande verplichtingen van eiser en het privévermogen en -inkomen van eiser en zijn echtgenote en dat de winstreserve van B.V. per 31 december 2014 € 1.215.406 bedroeg. Ook zijn er geen zekerheden gesteld of aflossingsverplichtingen overeengekomen.

16. Met hetgeen verweerder heeft aangevoerd, heeft hij aannemelijk gemaakt dat de toename van de rekening-courantvordering voor € 68.979 (€ 113.979 /-/ € 45.000) niet volledig kan of zal worden afgelost, omdat eiser en zijn echtgenote niet over voldoende vermogen en inkomsten beschikten om uit andere middelen dan het aandelenbezit in B.V. de aflossing van dit gedeelte van de lening te voldoen. Een uitzondering geldt voor het bedrag van € 45.000 dat staat tegenover de grond. Eiser heeft gesteld dat de grond ultimo 2014 nog in zijn bezit was zodat dit deel van de schuld gedekt was en dat bovendien de latere verkoopopbrengst daadwerkelijk is aangewend voor aflossing van de rekening courant. Voor dit bedrag acht de rechtbank dan ook niet aannemelijk gemaakt dat het in 2014 definitief het vermogen van B.V. heeft verlaten. Verweerders stelling dat dan een uitdeling van € 45.000 ligt besloten in een ander deel van de rekening-courantvordering volgt de rechtbank niet. In geschil is immers enkel de toename van de rekening-courantvordering in 2014. De stelling van eiser dat hij een lening bij een bank zou kunnen krijgen om de toename van de rekening-courantschuld (deels) terug te betalen, volgt de rechtbank ook niet. Eiser heeft deze mogelijkheid immers niet benut zodat deze situatie zich hier niet voordoet.

17. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met hetgeen hij heeft aangevoerd ook aannemelijk gemaakt dat zowel eiser als B.V. zich ervan bewust moeten zijn geweest dat (50% van) € 68.979 niet kon en zou worden afgelost en dat eiser daardoor werd bevoordeeld. Dat eiser in 2014 en eerdere jaren ook bedragen heeft teruggestort en dat een hoger rentepercentage gold dan op een andere vordering, maakt het oordeel niet anders nu B.V. en eiser zich ervan bewust moeten zijn geweest dat eiser (al jarenlang) per saldo een aanzienlijke schuld aan B.V. overhield.

18. Verweerder heeft gelet op de winstreserve van B.V. ook aannemelijk gemaakt dat de uitdeling wordt gedekt door aanwezige winst. Indien de pensioenverplichting zo hoog is als eiser stelt dan nog blijft er een aanzienlijk bedrag aan winstreserves over (€ 789.204). Eiser heeft daartegenover niet aannemelijk gemaakt dat de winstreserves, zoals hij stelt, met € 1.215.406 verminderd dienen te worden, omdat hij de bedragen waaruit de rekening-courantschuld vóór 2014 bestond al definitief aan het vermogen van B.V. had onttrokken en omdat de daadwerkelijke waarde van de vorderingen tot dat nominale bedrag een waarde van nihil hebben.

19. Gelet op dat wat hiervoor is overwogen, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren. De rechtbank zal de door verweerder vastgestelde correctie van het inkomen uit aanmerkelijk belang verminderen tot € 40.575 (50% van (€ 68.979 x 100/85).

Belastingrente

20. Niet in geschil is de belastingrente volgens de geldende wettelijke bepaling, artikel 30fc van de Awr, is berekend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt op grond waarvan de belastingrente verminderd dient te worden. Wel dient de belastingrente, gelet op hetgeen in 19 is overwogen, evenredig te worden verminderd.

Proceskosten

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten.

De rechtbank merkt de onderhavige zaak van eiser en de zaak met nummer 19/4184 van B.V., die in bezwaar en beroep gezamenlijk zijn behandeld en waarbij de werkzaamheden van gemachtigde in elk van die zaken nagenoeg identiek waren aan als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Nu de rechtbank de kostenvergoeding reeds in de zaak 19/4184 heeft toegekend, zal de rechtbank in deze zaak geen vergoeding toekennen.

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep gegrond;

 vernietigt de uitspraak op bezwaar;

 vermindert het in de navorderingsaanslag begrepen belastbare inkomen uit aanmerkelijk belang tot € 40.575;

 vermindert de belastingrente dienovereenkomstig;

 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

 draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, voorzitter, en mr. E.E. Schotte en

mr. A.D. van Riel, leden, in aanwezigheid van mr. S.R.M. Dekker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2020.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,

2500 EH Den Haag.