Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:10250

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
14-10-2020
Zaaknummer
C/09/597870 / JE RK 20-1933
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging machtiging uithuisplaatsing; afwijzing verzoek ex art. 1:262b BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht

Zaaksgegevens: (I) C/09/597134 / JE RK 20-1841, (II) C/09/597870 / JE RK 20-1933

Datum uitspraak: 29 september 2020

Beschikking van de kinderrechter

Verlenging machtiging uithuisplaatsing

Afwijzing verzoek ex artikel 1:262b BW

in de zaak naar aanleiding van de op (I) 30 juli 2020 en (II) 31 juli 2020 ingekomen verzoekschriften van:

I. [de vrouw]

hierna te noemen: de moeder,

wonend te [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. W.G. Nieman, gevestigd te Leiden,

II. Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

betreffende:

- [minderjarige 1]geboren op [geboortedag 1] 2015 te [geboorteplaats 1] ,

hierna te noemen: [minderjarige 1] ;

- [minderjarige 2]geboren op [geboortedag 2] te [geboorteplaats 2] ,

hierna te noemen: [minderjarige 2] ;

- [minderjarige 3]geboren op [geboortedag 3] 2018 te [geboorteplaats 2] ,

hierna te noemen: [minderjarige 3] ,

hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen.

De kinderrechter merkt in de verschillende verzoeken als belanghebbenden aan:

[de man]

hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats 2] ,

[de vrouw]

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. W.G. Nieman, gevestigd te Leiden,

Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Het procesverloop

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift van 30 juli 2020;

- het verzoekschrift van 31 juli 2020;

- de producties van de zijde van de advocaat van de moeder, ingekomen op 29 september 2020;

- de beschikking van het Hof van 19 augustus 2020.

Op 29 september 2020 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:

- de vader;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. W.G. Nieman;

- [vertegenwoordiger van de GI] namens de gecertificeerde instelling.

Feiten

– [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn erkend door de vader.

– De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.

– [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven feitelijk in een voorziening voor netwerkpleegzorg, te weten bij de grootouders vaderszijde.

– Bij beschikking d.d. 9 april 2020 van de kinderrechter in deze rechtbank zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld van 9 april 2020 tot 9 april 2021 en is een machtiging afgegeven om [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] uit huis te plaatsen in een voorziening voor netwerkpleegzorg (te weten: bij de grootouders vaderszijde) van respectievelijk 9 april 2020 ( [minderjarige 1] en [minderjarige 3] ) en 11 april 2020 ( [minderjarige 2] ) tot 1 oktober 2020. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden tot deze zitting.

Verzoek tot geschillenbeslechting (verzoek I)

De moeder heeft aan de kinderrechter een geschil voorgelegd met betrekking tot de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De moeder is het op twee punten niet eens met de uitvoering van de ondertoezichtstelling door de gecertificeerde instelling. Ten eerste mag zij de kinderen slechts twee uur per week onder begeleiding zien, bij de grootouders vaderszijde. De moeder vindt dit te weinig. Ten tweede is de moeder van mening dat er nog steeds geen onderzoek wordt gedaan naar het toekomstperspectief van de kinderen en als dat wel zo zou zijn, dan is dit geheel gericht op de vader. De gecertificeerde instelling benadrukt steeds dat de moeder nog niet (geheel) aan de eisen voldoet, terwijl de vader inmiddels wel onbegeleide omgang in het weekend heeft met de kinderen. De moeder heeft een goede ontwikkeling doorgemaakt en acht zichzelf in staat om de kinderen te verzorgen, zoals zij eerder ook jarenlang heeft gedaan. De moeder verzoekt de kinderrechter een zodanige beslissing te nemen als de kinderrechter in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt. Hierbij wordt de benoeming van een bijzonder curator, op basis van artikel 1:250 Burgerlijk Wetboek (BW), voorgesteld, zodat deze kan optreden als belangenbehartiger van de kinderen.

De gecertificeerde instelling heeft verweer gevoerd tegen het verzoek tot geschillenbeslechting en gesteld dat er aan de beide ouders voorwaarden zijn gesteld voor de uitbreiding van de omgang en een terugplaatsing van de kinderen. Deze voorwaarden zijn grotendeels gelijk, maar bij de moeder spelen aanvullend de zorgen omtrent haar psychische gezondheid en haar financiële problemen. De omgang is op gelijk niveau gestart, maar bij de vader waren er weinig zorgen over zijn opvoedvaardigheden. Bij de moeder hebben wel een paar incidenten plaatsgevonden tijdens de omgang, waarbij zij het overzicht over de kinderen verloor. Juist bij begeleide omgang kun je na afloop feedback geven, zodat de moeder ervan kan leren. Er is daarnaast met de vader duidelijk gecommuniceerd dat de stap om de kinderen (één keer in de twee weken) een weekend bij de vader te laten zijn, niet betekent dat ze bij hem geplaatst zullen worden. Er wordt momenteel ook gekeken naar uitbreiding van de omgang met de moeder, ook onbegeleid.

Verzoek tot verlenging machtiging uithuisplaatsing (verzoek II)

Het verzoek van de gecertificeerde instelling strekt tot verlenging van de machtiging om [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] uit huis te plaatsen in een voorziening voor netwerkpleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling (te weten: tot 9 april 2021). De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De kinderen verblijven sinds april 2020 bij de grootouders vaderszijde. Hoewel zij moesten wennen, gaat het inmiddels goed met ze en zij krijgen begeleiding en behandeling vanuit Prokino. De kinderen hebben in de thuissituatie een emotioneel en fysiek onveilige omgeving gekend, waardoor zij getraumatiseerd zijn. Hoewel de zorgen over de thuissituatie en de problematiek van de moeder nog steeds bestaan, is er ook een stijgende lijn zichtbaar. De moeder zet zich actief in en eind oktober zal haar GGZ-behandeling starten. Door de relatieproblemen tussen de ouders heeft de communicatie tussen hen lange tijd stilgelegen en het is nodig dat er voor hen hulp zal worden ingezet om een goede en constructieve communicatie in het belang van de kinderen mogelijk te maken. Voordat de kinderen kunnen terugkeren naar één of beide ouders is er echter nog tijd nodig om de prille positieve lijn voort te zetten en de juiste hulp in te zetten en te continueren.

De moeder heeft, mede bij monde van haar advocaat, verweer gevoerd tegen het verzoek om de machtiging uithuisplaatsing te verlengen. De moeder wil graag dat de kinderen zo snel mogelijk bij haar worden geplaatst. Haar behandeling zal snel starten, zij heeft inmiddels een bewindvoerder gevonden en de omgangsmomenten verlopen goed. Het is niet aan de moeder te wijten dat zij de doelen nog niet behaald heeft, nu dit buiten haar macht lag. De aanvaardbare termijn voor de kinderen loopt echter wel en alles staat op de rails. Een verlenging van zes maanden is daarom te lang. De moeder heeft hier zelf aan toegevoegd dat de kinderen regelmatig vragen wanneer zij de moeder weer mogen zien en dat vanuit de betrokken professionals de laatste tijd alleen maar positieve reacties over de omgang zijn geweest.

De vader heeft ingestemd met het verzoek, althans heeft zich niet tegen toewijzing daarvan verzet. De vader is van mening dat een verlenging van de uithuisplaatsing goed is om te onderzoeken waar de kinderen het best geplaatst kunnen worden. De vader heeft daarnaast onverkort zorgen over de situatie van de moeder.

Beoordeling

Verzoek tot geschillenbeslechting (verzoek I)

De kinderrechter heeft een vergelijk tussen de betrokkenen beproefd en stelt vast dat de betrokkenen overeenstemming hebben bereikt. Op basis van die overeenstemming acht de kinderrechter de volgende beslissing in het belang van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wenselijk. Ter zitting is duidelijk geworden dat er, in tegenstelling tot het gevoel dat de moeder had, door de gecertificeerde instelling niet uitsluitend wordt ingezet op een plaatsing bij de vader, maar dat er bij de beide ouders wordt gewerkt aan uitbreiding van de omgang en een thuisplaatsing, zodat de ouders in het meest optimale geval tot co-ouderschap kunnen komen. Nu de grondhouding van alle betrokken partijen positief is en de lucht geklaard is als het gaat om de uitbreiding van de omgang en een plaatsing bij één of beide ouders, stelt de kinderrechter vast dat er geen geschil meer bestaat dat beslecht dient te worden. De benoeming van een bijzondere curator is dan ook niet aan de orde en voorbarig. De kinderrechter geeft echter wel mee dat de moeder bijvoorbeeld op woensdagmiddag begeleide omgang kan hebben en dat zij in het weekend dat de kinderen niet bij de vader zijn een dagdeel onbegeleide omgang kan hebben. Het is daarnaast van belang dat de ouders hard gaan werken om de onderlinge communicatie tussen hen te verbeteren, aangezien zij door hun drie gemeenschappelijke kinderen nog jaren met elkaar in contact zullen staan.

Verzoek tot verlenging machtiging uithuisplaatsing (verzoek II)

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing nog aanwezig zijn. Daarbij overweegt de kinderrechter dat zich in het afgelopen half jaar weliswaar goede ontwikkelingen hebben voorgedaan en dat de beide ouders zich volop inzetten voor een verbetering van de situatie, maar dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de ouders een zeer onveilige en instabiele opvoedsituatie hebben gekend. Aan de ouders, en de moeder in het bijzonder, zijn duidelijke eisen gesteld voor een terugplaatsing. De eerste fase is hierbij voor de moeder gericht op de aanpak van haar psychische problematiek en de tweede fase is gericht op het ouderschap. Hoewel het niet aan de moeder te wijten is dat haar behandeling nog niet is opgestart, is het hierdoor wel nog onduidelijk in hoeverre de moeder belastbaar en leerbaar de moeder is. In combinatie met de bovengemiddelde opvoedingsvraag van de kinderen is het daarom op dit moment te vroeg om de uithuisplaatsing te beëindigen. De kinderrechter ziet echter ook de inzet en wil van de ouders en zal het verzoek daarom voor drie maanden toewijzen en voor het overige aanhouden, zodat de situatie en de (on)mogelijkheden van een eventuele thuisplaatsing over drie maanden opnieuw kunnen worden bekeken.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

verlengt de aan Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland verleende machtiging om [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor netwerkpleegzorg (te weten: de grootouders vaderszijde) van 1 oktober 2020 tot 1 januari 2021;

wijst af het verzoek tot geschillenbeslechting;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot de zitting van mr. M. van Loenhoud, die zal plaatsvinden op 15 december 2020 om 13.00 uur;

gelast de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:

- Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland;
- de vader;
- de moeder;

- de advocaat van de moeder, mr W.G. Nieman.

verzoekt de gecertificeerde instelling uiterlijk een week voorafgaand aan voornoemde zitting schriftelijk verslag aan de rechtbank en de overige belanghebbenden te overleggen over de stand van zaken.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 29 september 2020 door mr. M. van Loenhoud, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Boekema als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 13 oktober 2020.

Voor zover in deze beschikking eindbeslissingen staan, kan hoger beroep tegen deze beschikking worden ingesteld:

- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van

het gerechtshof Den Haag.