Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:10223

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
23-10-2020
Zaaknummer
8004255 RL EXPL 19-20022 en 8270891 RL EXPL 20-858
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Crematiekosten zijn aan te merken als kosten van lijkbezorging als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 sub b BW en zijn daarmee een schuld van de nalatenschap. Gedaagde is door deze kosten niet te voldoen verwijtbaar in ernstige mate tekortgeschoten in de vervulling van zijn verplichtingen als vereffenaar (artikel 4:184 lid 2 sub d BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2020/335
ERF-Updates.nl 2020-0262
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

sp(ib)/b

Vonnis van de kantonrechter van 4 augustus 2020

In de hoofdzaak met nummer 8004255 RL EXPL 19-20022 van

de besloten vennootschap Uitvaartverzorging J. Henning anno 1885 bv,
gevestigd te ‘s-Gravenhage,
eisende partij in de hoofdzaak,
gemachtigde: mr. H.H.M. Meijroos,

tegen

[gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
gemachtigde: mr. J.M. Krommendijk.

In de vrijwaringszaak met nummer 8270891 RL EXPL 20-858 van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in vrijwaring,
gemachtigde: mr. J.M. Krommendijk,

tegen

[gedaagde 2]

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij in vrijwaring,

gemachtigde: mr. I. Van Medenbach de Rooij.

Partijen worden hierna “Henning”, “ [gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] ” en “ [gedaagde in vrijwaring] ” genoemd.

1 Procedure

1.1.

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

In de hoofdzaak

  • -

    de dagvaarding van 22 augustus 2019;

  • -

    het bericht van de zijde van Henning van 2 september 2019;

  • -

    de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring, tevens conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in het incident tot oproeping in vrijwaring;

  • -

    het bericht van de zijde Henning van 6 juli 2020.

In de vrijwaringszaak

  • -

    de dagvaarding van 9 januari 2020 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties.

1.2.

Op 13 juli 2020 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden voor beide zaken. Daarbij is namens Henning verschenen de heer [betrokkene] , adjunct-directeur, bijgestaan door mr. Meijroos. [gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] is verschenen in persoon en zij werd bijgestaan door mr. Krommendijk. [gedaagde in vrijwaring] is eveneens in persoon verschenen en hij werd bijgestaan door mr. Van Medenbach de Rooij. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden. Vervolgens is de vonnisdatum voor zowel de hoofdzaak als de vrijwaringszaak bepaald op heden.

2 Feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten:

In de hoofdzaak

2.1.

[gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] is enig kind van [erflater 1] . [erflater 1] is op [datum overlijden] 2018 overleden.

2.2.

Eveneens op 10 november 2018 heeft de verzekeraar van [erflater 1] (Ardanta Uitkeringen) een overlijdensmelding van [x] , medewerkster in het verzorgingstehuis waar [erflater 1] verbleef, naar Henning verzonden. In dit bericht is onder meer het volgende vermeld:

Verzekerde gegevens:
Polisnummer: AUV20058900
- De kosten van de begrafenis of crematie zullen worden vergoed tot een bedrag van maximaal € 2.739,00

Polisnummer: LVA8165620X
De verzekerde waarde is € 4.965,43. De uitkering vindt plaats aan de begunstigde.

De definitieve uitkering wordt vastgesteld door Ardanta op het moment dat het uitkeringsverzoek volledig door Ardanta is ontvangen.

2.3.

[gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] heeft Henning op 12 november 2018 opdracht gegeven tot het verzorgen van de crematie. [gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] heeft daartoe een document ondertekend met de titel “Voorlopige kostenopgave en opdracht tot uitvoering”.

2.4.

In het document staan de kosten beschreven die gepaard gaan met de crematie. Bij elkaar opgeteld gaat dit om een bedrag van € 5.981,20. In het document is verder onder meer het volgende vermeld:

Uitkering uitvaartpolis(sen) -7.704,43*
Creditnota € -1723,23

(*) Deze bedragen zijn geschat en kunnen dus in werkelijkheid anders uitvallen.

De ondergetekende, de opdrachtgever van de uitvaart, verklaart zich aansprakelijk voor de betaling van de door Uitvaartverzorging J. Henning op te maken rekening.
Op deze overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden van de BGNU van toepassing, die samen met de begroting aan u worden overhandigd door de uitvaartverzorger. De opdrachtgever aanvaardt de toepasselijkheid van de Algemene voorwaarden.

2.5.

In de Algemene Voorwaarden van de Branchevereniging Gecertificeerde Nederlandse Uitvaartondernemingen (hierna: de algemene voorwaarden) is onder meer het volgende vermeld:

“8.3 De Uitvaartverzorger staat niet in voor betaling van enig bedrag door deze verzekeringsmaatschappij(en). Niet of niet volledige betaling door de verzekeringsmaatschappij(en) schort de betalingsverplichting van de Opdrachtgever jegens de Uitvaartverzorger niet op.

[…]

9.5

De betalingstermijn geldt als fatale termijn. De Uitvaartverzorger is gerechtigd over een vordering die niet tijdig is voldaan rente in rekening te brengen vanaf de dag volgende op die waarop de betalingstermijn verstrijkt. De verschuldigde rente bedraagt 1% per kalendermaand of gedeelte van de maand waarbij een gedeelte van de maand als gehele kalendermaand wordt berekend.”

2.6.

Op de dag dat [gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] de opdracht aan Henning heeft verstrekt, 12 november 2018, heeft Henning een verzoek naar Ardanta gestuurd tot uitbetaling van de polissen. In dit verzoek is onder meer het volgende vermeld:

Hierbij ontvangt u de polis(sen) en akte van overlijden van Dhr. [erflater 1]

Polisnummer Bedrag
AUV20058900 € 2.739,00 Originele polis ontbreekt

LVA8165620X € 4.965,43 • Originele polisontbreekt

2.7.

Voor de twee genoemde polissen heeft [gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] op 12 november 2018 een verklaring voor vrijwaring ondertekend. In de deze verklaringen is onder meer het volgende vermeld:

Verklaart dat bovenstaande polis niet in haar bezit is en dat haar niet bekend is waar deze polis zich bevindt. Ondergetekende verzoekt om uitbetaling zonder overlegging van de oorspronkelijke polis. Voorts verklaart ondergetekende, aansprakelijk te zijn voor alle schade voortvloeiende uit het feit, dat een derde, houder van de polis(sen), op wettige wijze rechten mocht geldend maken, terwijl ondergetekende zich verbindt om, zodra de oorspronkelijke polis(sen) alsnog in haar bezit mocht geraken, deze terstond toe te zenden aan de verzekeringsmaatschappij als hierboven genoemd.

2.8.

Op 26 november 2018 heeft Ardanta Uitkeringen een e-mailbericht verzonden naar Henning. In dit e-mailbericht is onder meer het volgende vermeld:

Helaas kunnen wij de waarde van polis LVA8165620X niet naar u uitkeren. Op de polis staat een eerst begunstigde beschreven, de heer [y] , geboren op [geboortedag] 1968.

In de vrijwaringszaak

2.9.

[erflater 1] was getrouwd met mevrouw [naam echtgenote] . [gedaagde in vrijwaring] is haar kleinzoon.

2.10.

[erflater 1] heeft [gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] onterfd en [gedaagde in vrijwaring] tot enig erfgenaam benoemd. [gedaagde in vrijwaring] heeft de erfenis beneficiair aanvaard.

2.11.

De begunstigde van de polis met nummer LVA8165620X (zie 2.6.) is de heer [y] , de vader van [gedaagde in vrijwaring] .

2.12.

Op 28 oktober 2001 heeft [erflater 1] een wilsbeschikking ondertekend. In deze wilsbeschikking is onder meer het volgende vermeld:

Hierdoor geeft ondergetekende [erflater 1] , geboren [geboortedag] 1937 te Scheveningen de wens te kennen dat, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 1 van de Wet op de Lijkbezorging, na zijn overlijden zijn stoffelijk overschot niet wordt begraven of verbrand, doch voor ontleding wordt bestemd en ter beschikking wordt gesteld van het Anatomisch Embryologisch Lab van de Rijksuniversiteit Leiden.

3 Het geschil

In de hoofdzaak

3.1.

Henning vordert in de hoofdzaak – samengevat weergegeven – veroordeling van [gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] om aan Henning te betalen de hoofdsom van € 3.471,56. Henning vordert – na vermindering van eis – eveneens 7% contractuele rente over de hoofdsom vanaf 1 september 2019 tot aan de dag van voldoening. Voor zover de contractuele rente niet voor toewijzing in aanmerking komt, vordert Henning de wettelijke rente. Daarnaast vordert Henning vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van € 472,17 inclusief BTW en proceskosten, alsmede de wettelijke rente over deze kosten.

3.2.

Henning legt aan deze vordering ten grondslag dat zij in opdracht van [gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] een uitvaart heeft verzorgd. Een deel van de overeengekomen prijs heeft [gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] volgens Henning nog niet betaald. De vordering van de contractuele rente heeft Henning gebaseerd op de algemene voorwaarden die zijn overeengekomen met [gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] .

3.3.

[gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop bij de beoordeling – voor zover van belang – zal worden ingegaan.

In de vrijwaringszaak

3.4.

[gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] vordert – verkort weergegeven – in de vrijwaringszaak veroordeling van [gedaagde in vrijwaring] tot betaling van het bedrag waartoe zij in de hoofdzaak (eventueel) wordt veroordeeld met inbegrip van de kostenveroordeling.

3.5.

[gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] legt aan deze vordering ten grondslag dat de door Henning gefactureerde kosten op grond van artikel 4:7 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) tot schuld van de nalatenschap moeten worden gerekend. Door deze kosten niet te voldoen wordt [gedaagde in vrijwaring] volgens [gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] als enig erfgenaam ongerechtvaardigd verrijkt. Daarnaast is [gedaagde in vrijwaring] volgens [gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] aansprakelijk omdat hij als erfgenaam de voldoening van de schuld uit de nalatenschap verhindert dan wel als vereffenaar ernstig en verwijtbaar tekortschiet in de vervulling van zijn verplichting tot vereffening.

3.6.

[gedaagde in vrijwaring] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop bij de beoordeling – voor zover van belang – zal worden ingegaan.

4 Beoordeling

In de hoofdzaak

Dwaling?

4.1.

Tussen Henning en [gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] is niet in geschil dat [gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] aan Henning een opdracht heeft gegeven tot het verzorgen van de uitvaart van [erflater 1] en dat Henning deze opdracht heeft uitgevoerd. [gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] heeft echter gesteld dat zij heeft gedwaald omtrent de kosten die de uitvaart voor haar met zich meebrengt.

4.2.

Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende onderbouwd dat [gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] heeft gedwaald ten aanzien van de kosten. [gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] heeft toegelicht dat zij er pas na de crematie achter kwam dat zij was onterfd en dat zij niet de begunstigde was van de verzekeringspolis waarmee de kosten van de uitvaart hadden kunnen worden gedekt. Ook is voldoende onderbouwd dat de kosten voor [gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] te hoog zijn waardoor zij de overeenkomst bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn aangegaan.

4.3.

Toch kan het bovenstaande niet leiden tot een geslaagd beroep op dwaling. In de opdrachtverlening en voorlopige kostenopgave die [gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] heeft ondertekend, is uitdrukkelijk vermeld dat er algemene voorwaarden van toepassing zijn. In deze algemene voorwaarden is onder meer bepaald dat de uitvaartverzorger er niet voor instaat wanneer een verzekeraar niet uitbetaalt. Voorts is in de prijsopgave vermeld dat de uitkering van de uitvaartpolis een geschat bedrag betreft dat in werkelijkheid anders uit kan vallen. Daar komt bij dat [gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] niet in het bezit was van de verzekeringspolissen en in verband daarmee verklaringen van vrijwaring heeft ondertekend waarin het risico dat een derde houder is van de polissen wordt benoemd. [gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] kan ook niet worden gevolgd in de stelling dat Henning haar verwijtbaar onjuist heeft ingelicht. Henning heeft onweersproken aangevoerd dat zij zich bij het opstellen van de prijsopgave heeft gebaseerd op de informatie die zij, mede dankzij [gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] , tot haar beschikking had. Op basis daarvan is een voorlopige prijsopgave gemaakt, die – zoals overwogen – met de nodige kanttekeningen aan [gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] is voorgelegd. De dwaling behoort gelet op het voorgaande voor rekening van [gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] te blijven.

Rente en kosten

4.4.

Henning heeft – na vermindering van eis – voorts een contractuele rente van 7% gevorderd. Deze vordering wordt afgewezen. In de algemene voorwaarden is opgenomen dat een rente van 1% per maand in rekening kan worden gebracht. Dit komt neer op een rente van 12% per jaar, hetgeen een groot verschil is met de rente van 2% per jaar die op grond van de wet in rekening mag worden gebracht. Aangezien er verder geen omstandigheden zijn aangevoerd die een dergelijk hoog rentepercentage kunnen rechtvaardigen en het gaat om een overeenkomst tussen een professionele partij en een consument, acht de kantonrechter dit beding onredelijk bezwarend. Het beding wordt nietig verklaard. Daardoor kan het beding ook voor een rente van 7% niet meer als grondslag dienen. Alleen de subsidiair gevorderde wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW wordt daarom toegewezen vanaf de datum dat het verzuim is ingetreden. Gelet op de termijn die is vermeld in de factuur van 7 december 2018 is het verzuim ingetreden op 21 december 2018.

4.5.

Redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte komen op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW voor vergoeding in aanmerking. Met het versturen van de brief van 25 juni 2019 aan [gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] heeft Henning verder voldaan aan de voorwaarden die zijn gesteld in artikel 6:96 lid 6 BW. Ook komt de hoogte van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten overeen met hetgeen is bepaald in artikel 2 van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Gelet op het voorgaande worden de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 472,16 toegewezen. Hetzelfde geldt voor de wettelijke rente over deze kosten. Op grond van artikel 6:83 sub b BW is [gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] reeds in verzuim met het betalen van buitengerechtelijke incassokosten vanaf het moment dat deze kosten, die als schade worden aangemerkt, door Henning zijn gemaakt. Aangezien door Henning niet is gesteld wanneer die schade is geleden, wordt de wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten toegewezen vanaf het moment van de dagvaarding.

4.6.

[gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van de hoofdzaak, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente hierover. De gevorderde € 1,63 voor leges bevolkingsregister wordt afgewezen omdat onder de explootkosten al een bedrag is opgenomen van € 1,69 in verband met raadpleging van de Basisregistratie personen. De proceskosten worden als volgt begroot:

Explootkosten: € 103,07

Griffierecht: € 499,-

Salaris gemachtigde: € 720,- (3 x € 240,-)

Totaal: € 1.322,07

In de vrijwaringszaak

Schuld van de nalatenschap?

4.7.

In de vrijwaringszaak gaat het in de eerste plaats om de vraag of de kosten van de crematie van [erflater 1] zijn aan te merken als kosten van lijkbezorging als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 sub b BW. Indien dat het geval is, zijn de kosten van de crematie een schuld van de nalatenschap.

4.8.

[gedaagde in vrijwaring] heeft betwist dat de crematiekosten zijn aan te merken als een schuld van de nalatenschap. Daartoe heeft [gedaagde in vrijwaring] aangevoerd dat [erflater 1] niet gecremeerd wilde worden. In plaats daarvan wilde [erflater 1] volgens [gedaagde in vrijwaring] zijn lichaam ter beschikking stellen aan de wetenschap. Dit blijkt volgens [gedaagde in vrijwaring] ook uit de wilsverklaring die [erflater 1] in 2001 heeft ondertekend (zie 2.11.).

4.9.

Dat [erflater 1] in 2001 heeft verklaard zijn lichaam ter beschikking te willen stellen aan de wetenschap is tussen partijen niet in geschil. [gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] was hier echter niet van op de hoogte en kwam hier pas achter nadat de uitvaart al had plaatsgevonden. Daar komt bij dat [gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] onweersproken heeft aangevoerd dat zij tot op het laatst contact heeft gehad met haar vader in het verzorgingstehuis waar hij verbleef en dat hij aan haar te kennen heeft gegeven dat hij gecremeerd wilde worden en dat hij wilde dat zijn as zou worden uitgestrooid.

4.10.

[gedaagde in vrijwaring] heeft in dit verband aangevoerd dat [erflater 1] in het verzorgingstehuis niet meer in staat was om dergelijke beslissingen te nemen. [gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] heeft hiertegen ingebracht dat [erflater 1] was getest op dementie en dat toen is gebleken dat hier geen sprake van was. [erflater 1] zat volgens [gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] in het verzorgingstehuis omdat hij leed aan prostaatkanker. [gedaagde in vrijwaring] heeft verder niet met concrete gegevens onderbouwd dat [erflater 1] niet meer in staat zou zijn geweest om een keuze te maken met betrekking tot zijn uitvaart. Daarom gaat de kantonrechter hieraan voorbij.

4.11.

Ten aanzien van de crematie is verder niet aangevoerd of gebleken dat de kosten hiervan buitensporig waren. Dit betekent dat de kosten van de crematie moeten worden aangemerkt als kosten van lijkbezorging als bedoeld in artikel 4:7 lid 1 sub b BW en daarmee een schuld van de nalatenschap zijn.

In ernstige mate verwijtbaar tekortgeschoten?

4.12.

Vervolgens is de vraag in hoeverre [gedaagde in vrijwaring] eigen vermogen kan worden aangesproken ter voldoening van deze kosten. [gedaagde in vrijwaring] is immers niet gedagvaard in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap. Om het eigen vermogen van [gedaagde in vrijwaring] aan te kunnen spreken, is op grond van artikel 4:184 lid 2 sub d BW vereist dat [gedaagde in vrijwaring] verwijtbaar en in ernstige mate tekort is geschoten in de vervulling van zijn verplichtingen als vereffenaar. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat het geval. Ter toelichting dient het volgende.

4.13.

Op [gedaagde in vrijwaring] rust als vereffenaar de plicht om schulden van de nalatenschap, zoals kosten van lijkbezorging, te voldoen. Voor kosten van lijkbezorging geldt daarbij dat deze kosten met voorrang boven andere schulden moeten worden voldaan. Voor zover de nalatenschap niet groot genoeg was, had hij de kosten van de crematie in mindering moeten brengen op de uitkering van de verzekeringspolis. De uitkering van een dergelijke polis moet op grond van artikel 4:126 lid 2 sub b BW namelijk worden aangemerkt als een legaat (zie HR 17 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3643) en de vereffenaar is op grond van artikel 4:120 lid 1 BW verplicht om schulden van de nalatenschap uit een legaat pas te voldoen indien alle andere schulden van de nalatenschap daaruit ten volle kunnen worden voldaan. Dat [gedaagde in vrijwaring] niet zelf de begunstigde was van de verzekeringspolis, maar zijn vader, maakt dit niet anders. De wet maakt immers geen onderscheid al naar gelang de begunstigde.

4.14.

Van de crematiekosten was [gedaagde in vrijwaring] op de hoogte en hij heeft ter zitting verklaard dat de omvang van de nalatenschap toereikend was om de crematiekosten van te betalen. [gedaagde in vrijwaring] heeft er echter bewust voor gekozen om deze niet te voldoen. Naar het oordeel van de kantonrechter is [gedaagde in vrijwaring] daarmee verwijtbaar in ernstige mate tekortgeschoten in de vervulling van zijn verplichtingen als vereffenaar.

Slotsom en kosten

4.15.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de vordering van [gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] in de vrijwaringszaak wordt toegewezen. [gedaagde in vrijwaring] wordt veroordeeld tot voldoening aan [gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] van hetgeen waartoe zij in de hoofdzaak is veroordeeld, met inbegrip van de kostenveroordeling.

4.16.

[gedaagde in vrijwaring] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van de vrijwaringszaak. De nakosten zullen worden toegewezen als vermeld in het dictum. De proceskosten worden begroot op:

Explootkosten: € 102,96

Griffierecht: € 236,-

Salaris gemachtigde: € 480,- (2 x € 240,-)

Totaal: € 818,96

5 Beslissing

In de hoofdzaak

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt [gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] om aan Henning te voldoen een bedrag van € 3.943,73, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 3.471,56 vanaf 21 december 2018 tot de dag van algehele voldoening en de wettelijke rente over een bedrag van € 472,17 vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt [gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] in de proceskosten van de hoofdzaak, tot op heden aan de zijde van Henning vastgesteld op € 1.322,07 waarvan € 720,- als het aan de gemachtigde van Henning toekomende salaris, vermeerderd met de wettelijke rente ingaande de 15e dag na de datum van betekening van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

In de vrijwaringszaak

De kantonrechter

5.5.

veroordeelt [gedaagde in vrijwaring] om aan [gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] te voldoen datgene waartoe [gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] in de hoofdzaak is veroordeeld, met inbegrip van de proceskostenveroordeling;

5.6.

veroordeelt [gedaagde in vrijwaring] in de proceskosten van de vrijwaringszaak, tot op heden aan de zijde van [gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] vastgesteld op € 818,96 waarvan € 480,- als het aan de gemachtigde van [gedaagde hoofdzaak/eiseres vrijwaring] toekomende salaris alsmede, voor zover deze kosten daadwerkelijk worden gemaakt, de nakosten van € 120,-. een en ander vermeerderd met de wettelijke rente ingaande de 15e dag na de datum van betekening van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening;

5.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. S. Pereth en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 augustus 2020.

De griffier buiten staat zijnde dit vonnis mede te ondertekenen.