Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:10197

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-09-2020
Datum publicatie
15-10-2020
Zaaknummer
09/837496-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen toepassing jeugdstrafrecht. Vrijspraak medeplegen poging tot doodslag. Veroordeling openlijk geweld in vereniging met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. Gevangenisstraf. Bijzondere voorwaarden. Vordering benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Parketnummer 09/837496-19

Datum uitspraak 10 september 2020

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer strafzaken

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ),

geboren te [geboorteplaats] op [geboorteplaats] 1998,

[adres] ,

advocaat: mr. A.M.D. Naarden, te Den Haag.

1 Het onderzoek op de zitting

Het onderzoek is gehouden op de zitting van 27 augustus 2020.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 14 december 2019 te 's-Gravenzande ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [benadeelde] van het leven te beroven, met dat opzet met geschoeide voet die [benadeelde] meermalen tegen het hoofd en/of in het gezicht heeft geschopt (terwijl die [benadeelde] op de grond lag), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 14 december 2019 te ’s-Gravenzande openlijk, te weten, de Langestraat en/of de Zuidwind, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,

in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon [benadeelde] door die [benadeelde] met geschoeide voet meermalen in het gezicht en/of tegen het hoofd te schoppen en/of door [benadeelde] te duwen (waardoor die [benadeelde] op de grond viel) en/of door die [benadeelde] te slaan en/of te stompen tegen het lichaam en/of het gezicht, waardoor die [benadeelde] (zwaar lichamelijk) letsel heeft opgelopen (een subduraal hematoom met bloeding bij de hersenen en/of letsel aan beide ogen).

3. Bewijsoverwegingen 1

3.1

Inleiding

De volgende feiten kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

Op 14 december 2019 ontstond net na middernacht in ’s-Gravenzande een worsteling tussen de [verdachte] en [benadeelde] (hierna: de aangever). Vervolgens vonden kort na elkaar in twee fasen geweldshandelingen plaats op de Langestraat en/of Zuidwind, waardoor de aangever letsel heeft opgelopen.2

De rechtbank moet kort gezegd ten eerste de vraag beantwoorden wie welke geweldshandelingen heeft gepleegd en ten tweede de vraag of deze geweldshandelingen gekwalificeerd moeten worden als een poging doodslag dan wel als openlijke geweldpleging. In het laatste geval moet ook door de rechtbank worden beslist of het letsel van de aangever kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie, mr. D.M. Kortekaas, heeft bewezenverklaring gevorderd van het onder 1 primair tenlastegelegde feit, te weten het medeplegen van een poging tot doodslag.

Zij heeft gewezen op de verklaringen van de [benadeelde] in samenhang met de verklaringen van de [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] , het filmpje dat door [getuige 3] is gemaakt en de foto’s en de medische informatie betreffende het letsel van de aangever. De [verdachte] en [medeverdachte] hebben welbewust en doelgericht meermalen heel hard tegen het hoofd en lichaam van het slachtoffer geslagen en geschopt, terwijl het slachtoffer op de grond lag en zich slecht kon verweren, aldus de officier van justitie. Het meermalen heel hard slaan en schoppen tegen het hoofd doet naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op de dood ontstaan. De verdachten hebben met hun gedragingen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zou komen te overlijden en het opzet is op zijn minst in voorwaardelijke zin daarop gericht geweest. Dit levert een poging tot doodslag op. Doordat de verdachten zowel gelijktijdig als gelijkwaardig geweld hebben uitgeoefend is er sprake van medeplegen.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De advocaat stelt zich op het standpunt dat de verdachte geheel moet worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. De verdachte heeft weliswaar geweldshandelingen gepleegd, maar die handelingen, alsmede het in de tweede fase worstelen om los te komen, zijn niet te kwalificeren als handelingen die zijn gericht op de dood.

Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte de aangever heeft geschopt en dat dit tegen het hoofd of in het gezicht van de aangever zou zijn geweest. De verdachte ontkent dit ook ten stelligste. Voorts is er geen sprake van medeplegen, omdat er geen nauwe en bewuste samenwerking bestond tussen de verdachte en de medeverdachte. De verdachte heeft het schoppen door de medeverdachte ook niet gewild of voorzien. Bovendien leidt het schoppen tegen het hoofd of het gezicht met een gymschoen van zachte stof eventueel wel tot zwaar lichamelijk letsel, maar dit levert niet zonder meer voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer op.

De advocaat stelt zich verder op het standpunt dat de verdachte bij bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde openlijke geweld, moet worden vrijgesproken van het strafverhogende zwaar lichamelijke letsel. Immers, dit kan uitsluitend betrekking hebben op de dader van wie komt vast te staan dat het door hem gepleegde geweld de omschreven gevolgen heeft gehad. De verdachte heeft niet geschopt of de aangever met zijn handelingen zodanig geraakt dat daardoor zwaar lichamelijk letsel kon ontstaan en ook is ontstaan.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging.

De feiten en omstandigheden

Ten aanzien van de vraag wie welke geweldshandelingen jegens de aangever heeft gepleegd overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank acht het volgende redengevend ten aanzien van de eerste fase.

De aangever3 heeft verklaard dat bij de eerste fase “persoon 1” hem een duw of klap gaf. Het was een blanke jongen met blond haar, rond de 20-22 jaar met een lange zwarte jas. De aangever viel daardoor net niet van zijn fiets af. Hij nam afstand en trok zijn fiets omhoog om zijn aanvaller af te weren. Toen kwamen ze in een worsteling. Persoon 1 dook om zijn fiets heen. Ze kwamen op de grond terecht, maar hij weet niet hoe. De worsteling ging op de grond verder. De aangever heeft verder verklaard dat een persoon, die niet persoon 1 was want die had hij vast, hem een trap of duw in zijn zij gaf, waardoor hij van persoon 1 afviel. De aangever deed meteen zijn armen voor zijn gezicht, voelde een trap tegen zijn armen en daarna een trap tegen zijn gezicht, waarbij hij de schoenzool voelde. Deze persoon heeft zeker twee keer geprobeerd om met de voet op zijn hoofd te stampen, terwijl hij op de grond lag. Hierna is de aangever geschopt tegen zijn hoofd.

[getuige 1] 4 heeft over de eerste fase verklaard dat hij een groepje zag van twee jongens en twee meisjes die bij elkaar hoorden. De twee jongens van dat groepje waren aan het vechten met een andere jongen. [getuige 1] zag dat de andere jongen op de grond werd gegooid. Hij weet niet precies welke van de twee jongens hem op de grond gooide. Hij zag dat “jongen 2” (zwart kort haar, zwarte jas met capuchon) meerdere keren een andere jongen die op de grond lag in zijn gezicht schopte. “Jongen 1” (blond stekelig haar, bruine jas zonder capuchon, witte versleten gymschoenen) was vervolgens heel even bij het slachtoffer weg en legde iets weg op een auto. Gelijk werd hij weer heel boos en dook weer op het slachtoffer.

[getuige 4] 5 heeft over de eerste fase verklaard dat zij die nacht samen was met [verdachte] , [medeverdachte] en [naam 1] . Op een gegeven moment zag zij dat [verdachte] met een onbekende aan het vechten was. Zij ging met [naam 1] en [medeverdachte] naar [verdachte] om te kijken wat er loos was.

[verbalisant] 6 heeft tijdens de insluitingsfouillering van [medeverdachte] gezien dat hij een zwarte jas droeg en een broek die lichter van kleur was. Als bijlage7 bij het proces-verbaal is een foto van [medeverdachte] gevoegd, gemaakt na zijn aanhouding. Daarop is te zien dat hij kort zwart haar heeft en een zwarte jas met capuchon draagt.

[verdachte] 8 heeft bij de politie over de eerste fase verklaard dat hij de aangever heeft geduwd en geslagen, maar dat hij niet precies weet waar hij hem heeft geraakt.

De rechtbank acht het volgende redengevend ten aanzien van de tweede fase.

[getuige 1] 9 heeft over de tweede fase verklaard dat “jongen 2” het slachtoffer meerdere keren in zijn gezicht schopte en dat een buurman later “jongen 1” vast wist te pakken om hem hier te houden, waarbij jongen 1 echt heel wild was.

De aangever10 heeft over de tweede fase verklaard dat de persoon die hem tegen zijn hoofd trapte, niet “persoon 1” was.

Blijkens een proces-verbaal van bevindingen11 is door de [getuige 3] een filmpje gemaakt dat de gehele tweede fase bestrijkt en waarop het volgende is te zien: vier personen staan op de openbare weg, waarvan twee dames. De verbalisant herkent de [verdachte] en “het slachtoffer”. Na 6 seconden verdwijnen de dames en [verdachte] . Het slachtoffer houdt een mobiele telefoon tegen zijn oor. Na ongeveer 9 seconden hoort de verbalisant hard geschreeuw en een damesstem die hard roept: “ [medeverdachte] !”. Aan de rechterzijde van het beeld kwam een man (“verdachte 2” met signalement: Zwarte gewatteerde jas - Grijze spijkerbroek - Donkere schoenen), aanrennen die het slachtoffer een harde duw gaf waardoor het slachtoffer op de grond viel. De verdachte 2 schopt het slachtoffer vervolgens met kracht tegen het hoofd. Op het moment dat verdachte 2 het hoofd van het slachtoffer raakt is een harde knal te horen. Het slachtoffer grijpt vervolgens direct naar zijn hoofd en duikt ineen. Hierna loopt een dame met blond haar naar verdachte 2 toe en pakt hem vast en zegt tegelijkertijd: “ [medeverdachte] doe normaal!” Hierna rent verdachte 2 aan de rechterzijde van het beeld weg. Tegelijk komt vanaf de rechterzijde [verdachte] aanrennen. [verdachte] bleef ter hoogte van het hoofd van het slachtoffer staan en geeft meerdere vuistslagen tegen het hoofd van het slachtoffer.

Aan [getuige 4] is het filmpje getoond. Zij12 heeft daarop verklaard dat zij zichzelf hoort schreeuwen “ [medeverdachte] doe normaal!” en dat zij daar met [medeverdachte] , [verdachte] en [naam 1] was. Zij ziet op het filmpje op omstreeks seconde 0:14 [medeverdachte] en [verdachte] staan. Zij staat ertussenin en probeert ze in eerste instantie uit elkaar te houden. Zij ziet [verdachte] op de grond vallen met het slachtoffer en wild met zijn benen schoppen. Ook ziet zij [naam 1] wegrennen achter [medeverdachte] aan.

[getuige 5] 13 heeft over de tweede fase verklaard dat hij zag dat “het slachtoffer” en “een dader” op de grond lagen en het slachtoffer die dader bij zijn been vast had. Met het andere been schopte/trapte de dader een paar keer met de onderkant van zijn voet tussen de schouderbladen/nek van het slachtoffer. Dat was voor hem duidelijk te zien.

Letsel aangever

Uit de geneeskundige verklaring14 blijkt dat bij de aangever sprake was van een zeer forse zwelling van beide ogen, meerdere schaafwonden over het gehele lichaam, gering bloedverlies, vermoeden van niet uitwendig waarneembaar letsel, en een subduraal hematoom links frontaal (bloeding bij hersenen).

Conclusie

Op grond van de verklaring van de aangever – die naar het oordeel van de rechtbank blijkens in zijn verklaring goed weet te differentiëren tussen de verschillende personen en incidenten – in combinatie met de overige aangehaalde bewijsmiddelen is de rechtbank allereerst van oordeel dat “persoon 1” en “de dader” steeds [verdachte] is en dat “persoon 2” en “verdachte 2” steeds [medeverdachte] is.

Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank eveneens vast komen te staan dat [medeverdachte] zowel bij de eerste fase als bij de tweede fase aanwezig was. Ook volgt uit voornoemde bewijsmiddelen dat de aangever in de eerste fase, terwijl hij op de grond lag, tegen het hoofd en in het gezicht is geschopt door [medeverdachte] . Uit voornoemde bewijsmiddelen volgt verder dat [medeverdachte] de aangever in de tweede fase eerst op de grond heeft geduwd en vervolgens vanuit staande positie met geschoeide voet tegen het hoofd van de aangever heeft geschopt.

De rechtbank kan niet vaststellen dat [verdachte] op enig moment gedurende de eerste of tweede fase tegen het hoofd of gezicht van de aangever heeft geschopt, omdat de verschillende verklaringen daarover in het dossier in onderlinge samenhang bezien naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende duidelijkheid bieden. Wel kan de rechtbank vaststellen dat het [verdachte] is geweest die de confrontatie met het slachtoffer heeft opgezocht en daarbij, in die eerste fase, geweld niet heeft geschuwd, ook niet nadat het slachtoffer tegen het hoofd was geschopt. Over de geweldshandelingen van [verdachte] in de tweede fase kan de rechtbank vaststellen dat hij de aangever, nadat deze nogmaals door [medeverdachte] tegen het hoofd was geschopt, meerdere vuistslagen tegen het hoofd heeft gegeven en dat hij later, terwijl hij met de aangever op de grond lag, een paar keer met de onderkant van zijn voet tussen de schouderbladen/nek van de aangever heeft getrapt.

Medeplegen poging tot doodslag

De rechtbank is van oordeel dat de vraag of de handelingen van de [medeverdachte] kunnen worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag bevestigend kan worden beantwoord. Daartoe overweegt de rechtbank ten eerste dat door de wijze waarop hij meermalen hard met geschoeide voet gericht tegen het hoofd en/of in het gezicht heeft geschopt, de kans dat de aangever zodanig letsel op zou lopen dat hij hieraan zouden komen te overlijden naar algemene ervaringsregels als aanmerkelijk is te beschouwen. Het hoofd is een kwetsbaar lichaamsdeel met daarin vitale onderdelen. Ook kunnen de gedragingen van de [medeverdachte] naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer op de dood gericht te zijn, dat naar het oordeel van de rechtbank het niet anders kan zijn geweest dan dat hij zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Er is de rechtbank verder niet gebleken van aanwijzingen voor het tegendeel.

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de [verdachte] kan worden aangemerkt als medepleger van deze poging tot doodslag.

Op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden ten aanzien van de door de verdachte gepleegde geweldshandelingen oordeelt de rechtbank dat onvoldoende sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte voor wat betreft het op de dood gerichte schoppen tegen het hoofd, zoals dat bij het primaire feit ten laste is gelegd. Er is dus geen sprake van medeplegen van de poging tot doodslag. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het primair tenlastegelegde feit.

Openlijke geweldpleging

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] zich daaraan schuldig heeft gemaakt. Hij is de vechtpartij begonnen en heeft, nadat [medeverdachte] daarbij betrokken was geraakt, het geweld jegens het slachtoffer niet gestaakt noch zich van het door hem gepleegde geweld gedistantieerd. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte daarmee een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het totaal van de gepleegde geweldshandelingen en daarvoor dus medeverantwoordelijk is.

Zwaar lichamelijk letsel

Bij de beantwoording van de vraag of het letsel van de aangever als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, kijkt de rechtbank naar de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel. De rechtbank overweegt dat, hetgeen haar uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, er sprake is van lichamelijk letsel bij het slachtoffer. Met name gelet op het subduraal hematoom met bloeding bij de hersenen (onder andere leidend tot duizeligheid, concentratieproblemen en vergeetachtigheid) en het letsel aan beide ogen, als gevolg waarvan de aangever tot op heden niet zijn normale dagelijkse bezigheden zoals zijn werk heeft kunnen hervatten en er bovendien (nog) geen uitzicht is op (volledig) herstel, kan het letsel van de aangever naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Dat letsel is naar het oordeel van de rechtbank toegebracht door de gedragingen van de verdachte in combinatie met de geweldshandelingen van de medeverdachte. Vaststaat immers dat de verdachte het slachtoffer, nadat deze door [medeverdachte] tegen het hoofd was geschopt en op de grond lag, meerdere vuistslagen tegen het hoofd heeft gegeven. Daardoor is in voldoende mate komen vast te staan dat het door de verdachte gepleegde geweld mede debet is geweest aan de omschreven gevolgen waardoor hij daarvoor (mede)verantwoordelijk is te houden.

Het verweer van de advocaat slaagt, gelet op het bovenstaande, derhalve niet.

4. De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte wettig en overtuigend bewezen dat

hij op 14 december 2019 te ’s-Gravenzande openlijk, te weten, de Langestraat en/of de Zuidwind, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde] door die [benadeelde] met geschoeide voet meermalen in het gezicht en/of tegen het hoofd te schoppen en/of door die [benadeelde] te duwen (waardoor die [benadeelde] op de grond viel) en/of door die [benadeelde] te slaan en/of te stompen tegen het lichaam en/of het gezicht, waardoor die [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen (een subduraal hematoom met bloeding bij de hersenen en/of letsel aan beide ogen).

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

De feiten zijn strafbaar. De verdachte is ook strafbaar.

6 De straf en/of maatregel

6.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat de verdachte voor het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft gevorderd om hierbij aan de verdachte de voorwaarden op te leggen, die door de reclassering zijn geadviseerd.

De officier van justitie heeft bij haar eis rekening gehouden met de ernst van het feit, de Richtlijnen van het Openbaar Ministerie in combinatie met strafeisen in soortgelijke zaken, de ernstige gevolgen voor het slachtoffer, de beperkte mate waarin de verdachte verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen, de justitiële documentatie van de verdachte, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte alsmede de over de persoon van de verdachte uitgebrachte rapportages waaruit (onder meer) blijkt dat het feit in verminderde mate aan de verdachte is toe te rekenen en dat er een noodzaak bestaat voor een behandeling van de verdachte, alsmede voor reclasseringstoezicht en -begeleiding.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De advocaat heeft bepleit om het jeugdstrafrecht toe te passen, gelet op de persoon van de verdachte en de omstandigheden van het geval. Daartoe is aangevoerd dat gekeken moet worden naar de leeftijd van de jongeren met wie hij omgaat, het gegeven dat hij nog bij zijn ouders woont en dat het in deze zaak gaat om een vechtpartij op straat, wat vaak voorkomt onder minderjarigen tussen de 15 en 18 jaar oud en wat kan worden geschaard onder puberaal gedrag, waarbij eerst wordt gehandeld voordat er wordt nagedacht.

De advocaat heeft bepleit dat bij de strafmaat rekening moet worden gehouden met het feit dat de verdachte het betreurt dat er letsel is ontstaan bij het slachtoffer, waarvoor hij op de zitting persoonlijk zijn excuses heeft aangeboden en wat hij eerder al uit eigen beweging via een hersteltraject heeft geprobeerd. Ook moet rekening worden gehouden met de omstandigheid dat de verdachte nog niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Daarnaast is er blijkens de rapportages over de persoon van de verdachte sprake van een laag respectievelijk gemiddeld recidiverisico, wat bovendien voldoende kan worden ondervangen met de geadviseerde voorwaarden.

Tevens dient rekening te worden gehouden met de periode die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht en de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) waarin voor openlijke geweldpleging met zwaar lichamelijk letsel een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden als uitgangspunt staat vermeld. Op basis daarvan, gegeven zijn rol bij het feit ten opzichte van de medeverdachte en het feit dat de medeverdachte reeds sinds half juli 2020 op vrije voeten is, dient volgens de advocaat tot slot de voorlopige hechtenis van de verdachte te worden opgeheven en dient hij in vrijheid te worden gesteld. Daarmee wordt de verdachte bovendien in de gelegenheid gesteld om het een en ander op orde te brengen, voordat zijn behandeling aanstaande oktober gaat starten.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

6.3.1

De ernst van het feit

De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Dit betreft een zeer ernstig geweldsfeit.

Het incident begon nadat het slachtoffer de verdachte op straat aansprak op asociaal gedrag, te weten het schoppen tegen een fiets. De verdachte was hier duidelijk niet van gediend. Binnen korte tijd escaleerde de situatie en ontstond een worsteling met het slachtoffer, waarbij de verdachte, zonder dat daarvoor van enige noodzaak is gebleken, forse geweldshandelingen heeft gebruikt tegen de het slachtoffer. Al snel kwam daar de bijdrage van zijn medeverdachte bij. Hoewel de medeverdachte nog ernstigere geweldshandelingen heeft gepleegd door het slachtoffer, terwijl deze op de grond lag, meermalen tegen zijn hoofd en/of in zijn gezicht te schoppen, is de bijdrage die verdachte heeft geleverd substantieel en ernstig te noemen en is het letsel van het slachtoffer wat de rechtbank betreft evenzeer aan hem toe te rekenen. De verdachte kan worden gezien als de aanstichter van het geweld door daarmee te beginnen en op meerdere momenten herhalend geweld te initiëren, in de wetenschap dat bovendien ook sprake was van geweldshandelingen gepleegd door de medeverdachte, en dat alles ondanks het feit dat de verdachte op allerlei momenten had kunnen stoppen en daartoe ook door zowel zijn vrienden als omwonenden woordelijk en fysiek is aangespoord.

Door zijn handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Daarbij heeft hij er kennelijk ook niet bij stilgestaan dat slachtoffers van een dergelijk delict in de regel nog geruime tijd ernstig kunnen lijden onder de lichamelijke en psychische gevolgen van wat hen is aangedaan. Uit de slachtofferverklaring en de vordering benadeelde partij blijkt dat het slachtoffer tot op de dag van vandaag last heeft van pijn en letsel en van angsten, en dat het incident en de gevolgen daarvan nog steeds een grote impact hebben op het dagelijks functioneren van het slachtoffer en zijn gezin.

Daarnaast heeft het geweld zich in het openbaar op straat afgespeeld. In de regel veroorzaakt dit angst bij ooggetuigen. In dit geval vrienden van de verdachte en omwonenden. Ook vormt een dergelijk feit een ernstige inbreuk op de rechtsorde en veroorzaakt het algemene gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Bovendien is het feit gepleegd terwijl de verdachte ernstig onder invloed van alcohol was.

De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

6.3.2

De persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Justitiële documentatie

Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij al eerder is veroordeeld, maar niet voor soortgelijke feiten.

Pro Justitia rapportage

De rechtbank heeft kennis genomen van de Pro Justitia rapportage, opgemaakt op 7 mei 2020 door [vertegenwoordiger van de stichting] , psycholoog. De psycholoog heeft vastgesteld dat bij de verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van ADHD en een lichte stoornis in cannabis- en alcoholgebruik. Voorts is er sprake van gebrekkige coping mogelijkheden, welke passen binnen het beeld van een persoonlijkheid met narcistische trekken. De stoornis lijkt volgens de psycholoog tijdens het tenlastegelegde feit, het gedrag van de verdachte en zijn keuzes te hebben beïnvloed.

De verdachte moet verstandelijk in staat worden geacht om de wederrechtelijkheid van het tenlastegelegde in te kunnen zien. Hij kan echter als gevolg van de geconstateerde psychische problematiek niet goed in staat worden geacht om zijn wil overeenkomstig bovengenoemd inzicht geheel in vrijheid te bepalen. Geadviseerd wordt daarom om het tenlastegelegde – indien bewezen – in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.

De verdachte valt statistisch gezien binnen de groep met een lage kans op herhaling van gewelddadig gedrag. Meer afgestemd op de persoon van de verdachte is de kans op escalatie vooral aanwezig op momenten dat de verdachte onder invloed is van alcohol en gekrenkt wordt.

Om te bepalen of het strafrecht voor minderjarigen van toepassing is, heeft de psycholoog gebruik gemaakt van de “Wegingslijst Adolescentenstrafrecht”. Wat betreft de “handelingsvaardigheden” komt naar voren dat de verdachte op beneden gemiddeld niveau functioneert. Hij is echter in staat om zijn eigen gedrag te organiseren. Er is door zijn ADHD sprake van verhoogde impulsiviteit, maar dit leidt in zijn algemeenheid niet tot forse problemen. Hij komt niet duidelijk jonger over dan zijn kalenderleeftijd. Wat betreft de “pedagogische beïnvloeding” komt het volgende naar voren. Hij is nog wel verbonden met het gezin van herkomst, maar hij neemt hierin geen duidelijke kindrol meer aan en functioneert op jong volwassen niveau, waarbij hij een intieme relatie heeft en werkt.

De verdachte is momenteel een pedagogische aanpak ontgroeid. Hij trekt zijn eigen plan en neemt meer een volwassen houding aan. Hij lijkt hierin al wat uitgerijpt en zich te gedragen volgens zijn kalenderleeftijd. Het geheel overziend acht onderzoeker onvoldoende argumenten aanwezig voor toepassing van het strafrecht voor minderjarigen en wordt geadviseerd om het strafrecht voor volwassenen toe te passen.

Ten aanzien van de geconstateerde psychische problematiek is vanuit forensisch oogpunt behandeling geïndiceerd. Deze behandeling dient gericht te zijn op zijn beperkte copingvaardigheden, waarbij hij vanuit een narcistische dynamiek een escalerende houding kan innemen. De ADHD waar hij aan lijdt brengt nog een verhoogde impulsiviteit met zich mee en de stoornis in alcoholgebruik brengt nog een verhoogde gedragsontremming met zich mee. Aandacht dient dan ook tevens uit te gaan naar zijn middelengebruik. Tijdens de behandeling dient beoordeeld te worden in hoeverre de verdachte voor de ADHD waar hij aan lijdt medicatie voorgeschreven dient te krijgen. Onderzoeker acht een behandeling bij een forensisch psychiatrische polikliniek toereikend.

Geadviseerd wordt om voornoemde behandeling, teneinde de verdachte optimaal te motiveren, als bijzondere voorwaarde bij een (deels)voorwaardelijk strafdeel op te leggen. De reclassering zou de verdachte kunnen begeleiden en zou tevens toe kunnen zien op het handhaven van de voorwaarden.

Reclassering

Reclasseringsinstantie GGZ Emergis Middelburg heeft op 19 mei 2020 een (advies)rapport opgesteld.

De reclassering schat de kans op recidive in als gemiddeld. De ADHD waar de verdachte aan lijdt brengt een verhoogde impulsiviteit met zich mee en de stoornis in het alcoholgebruik brengt nog een verhoogde gedragsontremming met zich mee. Daarnaast speelt met name het leefgebied “houding” een rol in de delictpleging, gelet op de eerder (veelvuldig) gepleegde delicten, zoals rijden onder invloed waarin betrokkene bewust de afweging maakt om te rijden onder invloed.

De reclassering sluit zich aan bij het advies van de psycholoog om het volwassenstrafrecht toe te passen. De reclassering acht het daarnaast net als de psycholoog van belang dat de verdachte een ambulante behandeling krijgt. Dit dient gericht te zijn op de geestelijke problematiek en het middelengebruik van de verdachte. Het innemen van medicijnen kan daarvan onderdeel zijn. Daarbij dient hij zich te houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Ook is van belang dat hij onder toezicht wordt gesteld van de verslavingsreclassering. Zijn houding, middelengebruik en copingvaardigheden dienen bij beide instanties onderwerp van gesprek te zijn. Verder is nog opgemerkt dat het volgens de reclassering zinvol is dat de verdachte na zijn detentie opnieuw aan het werk gaat. Het niet hebben van een rijbewijs kan hierin een belemmerende factor zijn, daar hij zijn rijbewijs is kwijtgeraakt na meerdere aanhoudingen aangaande de Wegenverkeerwet.

De reclassering adviseert al met al bij een bewezenverklaring aan de verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij GGZ Reclassering Den Haag en een verplichte ambulante behandeling bij Ambulant Centrum Haaglanden of een soortgelijke instelling. De opdracht om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden dient te worden neergelegd bij GGZ Reclassering Den Haag.

6.3.3.

Toepassing jeugdstrafrecht?

De verdachte was ten tijde van het bewezenverklaarde 21 jaar oud. In tegenstelling tot de advocaat, is de rechtbank met de officier van justitie, de psycholoog en de reclassering van oordeel dat er op basis van het “Wegingskader Adolescentenstrafrecht” in de persoon van de verdachte en/of in de omstandigheden waaronder het feit is begaan onvoldoende indicaties zijn voor toepassing van het jeugdstrafrecht. De rechtbank verwijst hierbij kortheidshalve naar het onderbouwde advies van de psycholoog, hetgeen zij onderschrijft.

6.3.4

De straf / maatregel

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat naast het voorgaande ook gekeken naar de straffen die in soortgelijke zaken gewoonlijk worden opgelegd, zoals neergelegd in de door het LOVS vastgestelde oriëntatiepunten voor de straftoemeting.

Onder andere vanwege het verschil in bewezenverklaring, komt de rechtbank tot een soortgelijke, maar lagere straf dan door de officier van justitie is geëist.

Alles afwegend zal de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 10 maanden met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarbij zullen de bijzondere voorwaarden en het toezicht worden opgelegd, zoals door de psycholoog en de reclassering zijn geadviseerd en waartoe de verdachte zich bereid heeft verklaard om daar aan mee te werken. De rechtbank ziet aanleiding om als bijzondere voorwaarde ook een contactverbod met het slachtoffer en de medeverdachte op te nemen.

Aangezien de rechtbank na sluiting van het onderzoek bij de beraadslaging in raadkamer al ernstig rekening hield met de mogelijkheid dat de verdachte bij veroordeling geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou worden opgelegd die langer is dan de periode die hij in verzekering en voorlopige hechtenis had doorgebracht, heeft de rechtbank eerder bij afzonderlijk geminuteerde beslissing van 28 augustus 2020 de voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven.

7 De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 13.087,29. De vordering bestaat uit materiële schade voor een bedrag van € 1.687,29 (bestaande uit € 60,00 ziekenhuisdaggeldvergoeding, € 750,00 eigen risico zorgverzekering, € 24,36 medicatie, € 200,00 kledingschade, € 105,00 horlogeschade, € 145,45 fietsschade, € 75,00 sportschoolabonnement, € 56,50 concertticket, € 270,98 extra gereden kilometers), studiekosten voor een bedrag van € 3.750,00 en immateriële schade voor een bedrag van € 7.650,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering is ter zitting uitvoerig nader toegelicht door advocaat mr. A.J. Korff, te Honselersdijk. Zij stelt zich op het standpunt dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen, omdat deze voldoende is onderbouwd en kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij voornoemde schade rechtstreeks heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit.

7.1.

De vordering van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende vast komen te staan dat de benadeelde partij de gevorderde schade rechtstreeks heeft geleden dan wel nog zal lijden als gevolg van het bewezenverklaarde feit. De vordering is verder voldoende onderbouwd.

De schadevergoedingsmaatregel

De officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om ook de schadevergoedingsmaatregel ter hoogte van € 13.087,29 op te leggen.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De vordering van de benadeelde partij

De advocaat stelt zich primair op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, vanwege een onevenredige belasting van het strafgeding. Subsidiair heeft de advocaat ten eerste wat betreft de materiële schade het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van het eigen risico van de zorgverzekering kunnen slechts de reeds gemaakte kosten worden toegewezen, omdat onvoldoende vaststaat dat de andere gevorderde kosten in het jaar 2020 en het jaar 2021 nog zullen worden gemaakt. Deze post moet voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Wat betreft de schade aan de fiets, de ziekenhuisdaggeldvergoeding en de schade aan het horloge kan niet worden vastgesteld dat de benadeelde partij deze schade rechtstreeks heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit, dan wel is de vordering onvoldoende onderbouwd. Deze drie posten moeten niet-ontvankelijk worden verklaard. Ten aanzien van het sportschoolabonnement is primair niet-ontvankelijkheid bepleit, omdat de kosten onvoldoende zijn onderbouwd. Subsidiair is aangevoerd dat de schade beperkt had kunnen worden door het abonnement tijdig te stoppen of onderbreken, waardoor het de verdachte niet kan worden aangerekend. Wat betreft de schade aan de kleding en het concertticket refereert de advocaat zich aan het oordeel van de rechtbank. Wat betreft de extra gereden kilometers is niet-ontvankelijkheid bepleit, omdat de kosten onvoldoende zijn onderbouwd.

De studiekosten dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat dit een onzekere factor in de toekomst is en niet in dit strafgeding past.

De advocaat heeft ten aanzien van de immateriële schade bepleit dit bedrag te aanzienlijk te matigen, omdat het gevorderde bedrag veel te hoog is in verhouding tot de geleden schade.

De schadevergoedingsmaatregel

De advocaat heeft verzocht om geen schadevergoedingsmaatregel op te leggen, omdat de verdachte geen inkomen heeft en hij dan sowieso in gijzeling zal worden genomen. Hierdoor ontstaat extra leedtoevoeging bij de verdachte, waarvoor de vordering van de benadeelde partij niet is bedoeld.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De vordering van de benadeelde partij

De posten ziekenhuisdaggeldvergoeding, medicatie, schade aan de kleding, schade aan het horloge, sportschoolabonnement, concertticket en extra gereden kilometers zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd en ook is vast komen te staan dat de benadeelde partij voornoemde schade rechtstreeks heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit, ter hoogte van het gevorderde bedrag van € 791,84. De rechtbank zal dit deel van de vordering toewijzen. Het voorgaande geldt ook voor wat betreft het eigen risico van de zorgverzekering in het jaar 2020, waarvoor de rechtbank een bedrag van € 375,00 zal toewijzen. De gevorderde kosten voor het jaar 2021 zijn wat de rechtbank betreft echter onvoldoende vast komen te staan. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij voor dit deel niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan dit eventueel bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Onvoldoende is vast komen te staan dat dat de benadeelde partij de gevorderde schade aan de fiets ter hoogte van € 145,45 rechtstreeks heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit. Dit deel van de vordering zal worden afgewezen.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de gevorderde studiekosten. Het is op dit moment onvoldoende vast komen te staan dat de benadeelde partij deze schade rechtstreeks als gevolg van het bewezenverklaarde feit heeft geleden. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de immateriële schade zal de rechtbank een bedrag van € 3.000,00 toewijzen. De rechtbank overweegt daartoe dat uit de aard en ernst van het gepleegde feit genoegzaam volgt dat psychische en lichamelijke schade is ontstaan. De rechtbank zal tevens de wettelijke rente toekennen. Voor het overige is de vordering onvoldoende onderbouwd, terwijl nader onderzoek daarnaar een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Dat deel van de vordering zal niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 4.166,84, bestaande uit € 1.166,84 aan materiële schade en € 3.000,00 aan immateriële schade.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 14 december 2019, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot nu toe begroot op € 0,00, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De rechtbank acht de verdachte en de medeverdachte ieder hoofdelijk aansprakelijk voor de schade, op basis van hun beider aandeel in het geweld tegen de benadeelde partij. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de medeverdachte een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

De schadevergoedingsmaatregel

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 4.166,84, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 14 december 2019 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde] .

De rechtbank zal bepalen dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de duur van de gijzeling op nihil te bepalen, zoals door de raadsvrouw verzocht. De rechtbank zal bij het bepalen van de maximale duur van de gijzeling uitgaan van de helft van het schadebedrag nu de verdachte samen met zijn medeverdachte hoofdelijk wordt veroordeeld. De rechtbank zal daarom de maximale duur van de gijzeling, als de verdachte niet voldoet aan zijn betalingsverplichting, bepalen op

25 dagen.

10 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 36f, 141 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze artikelen zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het plegen van het strafbare feit.

11 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Dat is volgens de wet:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen wat meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot

een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke en voorwaardelijke gedeelte van deze gevangenisstraf wordt afgetrokken, tenzij dat al bij een andere straf is gedaan;

bepaalt dat een gedeelte van die gevangenisstraf, te weten 2 maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd als de verdachte zich tot het einde van de proeftijd, die wordt gesteld op

2 jarenhoudt aan de volgende voorwaarden dat hij:

1. zich niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

2. zich binnen 5 dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij GGZ Reclassering Den Haag, Johanna Westerdijkplein 40, 2521 EN te Den Haag, en zich blijft melden op afspraken met de reclassering, op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

3. zich zolang de reclassering dat nodig vindt onder behandeling – al dan niet met medicatie zal stellen van het Ambulant Centrum Den Haag of een soortgelijke instelling op de tijden en plaatsen waarop die zorginstelling dat wil. Daarbij houdt hij zich aan de huisregels en aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling;

4. op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met T [medeverdachte] , geboren op 26 juni 2002, zo lang de reclassering dat nodig vindt;

5. op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde] , geboren op 1 september 1993, zo lang de reclassering dat nodig vindt;

de rechtbank geeft de opdracht aan GGZ Reclassering Den Haag om erop toe te zien dat de verdachte zich zal houden aan de voorwaarden en om hem daarbij te begeleiden;

wijst de verdachte op de overige geldende voorwaarden dat hij:

6. ter vaststelling van zijn identiteit zal meewerken aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht zal laten inzien;

7. zal meewerken aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering daaronder begrepen;

wijst de vordering van de [benadeelde] , gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 4.166,84, bestaande uit materiële schade en immateriële schade, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 14 december 2019 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, met veroordeling van de verdachte in de kosten van de benadeelde partij gemaakt – tot nu toe begroot op € 0,00 – en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ten aanzien van de schade aan de fiets ter hoogte van € 145,45 af.

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader aan de benadeelde partij, niet hoeft te betalen tot de hoogte van dat betaalde bedrag;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij ter verdediging tegen de vordering gemaakt, welke kosten tot nu toe begroot op € 0,00;

legt aan de verdachte op de verplichting om € 4.166,84 aan de Staat te betalen, hoofdelijk en vermeerderd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf 14 december 2019 tot de dag waarop de vordering is betaald, ten behoeve van [benadeelde] ;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 25 dagen;

bepaalt dat door betaling aan de Staat, de verplichting om aan de benadeelde partij te betalen vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.C.M. Bouman, (kinder)rechter, voorzitter,

mr. J.J. Peters, (kinder)rechter,

en mr. R.J. Wortelboer, (kinder)rechter-plv.,

in tegenwoordigheid van mr. R. Westerhof, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank van 10 september 2020.

1 De hierna genoemde pagina’s zijn te vinden in het dossier met het nummer PL1500-2019350015.

2 Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] , p. 97, het proces-verbaal van verhoor [getuige 1] , p. 49-50, een geneeskundige verklaring d.d. 14 december 2019, p. 103 en het proces-verbaal van bevindingen, p. 134.

3 Het proces-verbaal van aangifte van T [benadeelde] , p. 96-97.

4 Het proces-verbaal van verhoor [getuige 1] , p. 49-50.

5 Het proces-verbaal van verhoor [getuige 4] , p. 54-55

6 Het proces-verbaal van bevindingen van [naam 2] , p. 44.

7 Het proces-verbaal van bevindingen van [naam 2] , p. 47.

8 Het proces-verbaal van verhoor [verdachte] , p. 74.

9 Het proces-verbaal van verhoor [getuige 1] , p. 49-50.

10 Het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] , p. 97

11 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 117-118

12 Het proces-verbaal van verhoor [getuige 4] , p. 91-92.

13 Het proces-verbaal van verhoor [getuige 5] , p. 130-131.

14 Geneeskundige verklaring d.d. 14 december 2019, p. 103.