Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:10157

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-08-2020
Datum publicatie
12-10-2020
Zaaknummer
NL19.23730
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

vk; AA; opvolgende asielaanvraag; individueel ambtsbericht; 8:29; art. 10 en 23 Procedurerichtlijn; equality of arms; REK-check; homoseksuele gerichtheid; LGBT Asylum Support; iMMO-rapport; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.23730


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer] ,

(gemachtigde: mr. W.C. Boelens),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Söylemez).

Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de opvolgende aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e en g, van de Vreemdelingenwet 2000.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij brief van 16 oktober 2019 heeft de rechtbank bij de minister van Buitenlandse Zaken de stukken opgevraagd die ten grondslag liggen aan het bij de besluitvorming betrokken individuele ambtsbericht van 4 april 2019 (kenmerk: [kenmerknummer] ). De minister van Buitenlandse Zaken heeft bij brief van 8 november 2019 de onderliggende stukken bij het individuele ambtsbericht overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) meegedeeld dat alleen de rechtbank kennis mag nemen van deze versie van het onderzoeksverslag, waarin geen delen onleesbaar zijn gemaakt, vanwege bescherming van de geraadpleegde bronnen en de gebruikte onderzoeksmethoden.

Bij beslissing van 14 september 2019 heeft de rechter-commissaris van deze rechtbank en zittingsplaats bepaald dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Partijen hebben de rechtbank de in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb bedoelde toestemming verleend om mede op de grondslag van de hiervoor bedoelde stukken uitspraak te doen.

Eiser heeft aanvullende gronden ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft op 28 juli 2020 een verklaring van LGBT Asylum Support ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de [naam nationaliteit] nationaliteit. Bij besluit van 3 mei 2011 is zijn eerste asielaanvraag afgewezen. Daaraan had hij, kort gezegd, ten grondslag gelegd dat op 27 december 2009 een incident heeft plaatsgevonden op het vliegveld [naam vliegveld] , waar hij toen als douaneambtenaar werkzaam was. Hij vulde volgens de regels de documenten in van een binnenkomende vlucht met luxegoederen, bestemd voor de broer van de (toenmalige) president van [naam land] , omdat voor die goederen invoerrechten betaald moesten worden. Zijn leidinggevende en de regiobaas wilden het transport zonder formaliteiten doorlaten en hebben de documenten niet ondertekend. De houding van zijn leidinggevende was sindsdien vijandig, wat erger werd nadat bij een overheidscontrole, eind maart, bleek dat eiser de ingevulde documenten in zijn kluisje had bewaard. Nadien werd hij bedreigd en ervan beschuldigd geld achterover te hebben gedrukt voor de oppositiepartij [naam oppositiepartij] , waarvan hij lid was. Daarnaast werd hij van terroristische activiteiten beschuldigd en strafrechtelijk vervolgd. Zijn woning werd in brand gestoken en hij is meerdere malen aangehouden, waarbij hij mishandeld werd. Verder werd hij ervan beschuldigd te hebben deelgenomen aan een demonstratie tegen de autoriteiten. Nadat eiser begin augustus 2010 opnieuw was mishandeld, heeft hij met zijn gezin [naam land] verlaten. Het beroep dat eiser tegen het besluit van 3 mei 2011 had ingesteld, is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 21 augustus 2012 ( [zaaknummer] ) ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft die rechtbankuitspraak op 26 februari 2013 bevestigd. Daarmee staat het besluit van 3 mei 2011 in rechte vast en ook het daarin vervatte oordeel over de geloofwaardigheid van de door eiser gestelde problemen.

1.2.

Op 17 januari 2017 heeft eiser een kennisgeving opvolgende asielaanvraag ingediend met als bijlage een rapport van het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (iMMO) van 21 december 2015 (het iMMO-rapport). Nieuw ten opzichte van de eerste asielprocedure is dat eiser tegenover het iMMO heeft verklaard dat hij in augustus 2010, toen hij met zijn gezin op weg was naar [naam plaats 1] , bij een wegcontrole is aangehouden en door politieagenten is meegenomen. Nadat hij had geweigerd te verklaren dat hij geld had aangenomen en aan vrienden van zijn partij had gegeven, werd hij mishandeld, vastgebonden en verkracht, terwijl die verkrachting ook werd gefilmd, en heeft hij het bewustzijn verloren. Hij is er zeker van dat ook zijn vrouw is verkracht. Sindsdien voelt hij zich seksueel aangetrokken tot uitsluitend mannen van 45 jaar en ouder, wat hij voor iedereen geheim houdt, uit vrees dat dit bekend zal worden binnen de [naam gemeenschap] . Hij vreest ook dat de filmopnames van de verkrachting publiek zullen worden gemaakt. In het iMMO-rapport is onder meer geconcludeerd dat de fysieke klachten van eiser (duizeligheid, ruistoon in de oren) consistent zijn met wat hij heeft verklaard over de klappen op zijn hoofd en bewustzijnsverlies. Verder is geconcludeerd dat zijn psychische klachten typerend zijn voor wat hij stelt te hebben meegemaakt. Ook vermeldt het iMMO-rapport dat de psychische problemen van eiser zeker interfereren met het compleet, coherent en consistent kunnen verklaren over het asielrelaas op dit moment en zeer waarschijnlijk tijdens de eerdere asielprocedure.

1.3.

Om eiser in zijn bewijslast tegemoet te komen heeft verweerder de minister van Buitenlandse Zaken verzocht in [naam land] een onderzoek naar het asielrelaas van eiser en zijn gezinsleden in te stellen. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het individuele ambtsbericht. Hierin is onder meer te lezen dat uit het onderzoek naar voren is gekomen dat eiser en zijn gezin van 1983 tot ongeveer 2000 in [naam plaats 1] hebben gewoond en vervolgens naar [naam plaats 2] zijn vertrokken; dat eiser geen actief lid was van de [naam oppositiepartij] , in die zin dat hij geen specifieke functie vervulde en geen specifieke taken voor de partij uitvoerde; dat hij van 1991 tot 2001 bij de [naam nationaliteit] douanedienst werkzaam is geweest (en niet tot 2010, zoals hij stelt) en dat zijn dienstverband als gevolg van een reorganisatie is beëindigd; dat op 16 april 2010 op het adres [adres] in [naam plaats 1] brand is ontstaan als gevolg van hoogspanningskabels die op het huis zijn gevallen; dat er geen strafrechtelijk onderzoek naar eiser gaande is of gaande is geweest, dat eiser niet staat vermeld op de lijst van gezochte personen in [naam land] en dat er geen gerechtelijke procedures tegen hem lopen.

Uit het onderzoek is ook naar voren gekomen dat de kopieën van het door eiser overgelegde document van de [naam nationaliteit] douanedienst, gedateerd 27 juli 2010, nummer 461 de verklaring van de brandweer van [naam plaats 1] , gedateerd 5 mei 2010, en diverse stukken over strafrechtelijk vervolging van eiser geen kopieën van echte documenten zijn.

2. Omdat uit het individuele ambtsbericht blijkt dat het dienstverband van eiser bij de [naam nationaliteit] douane al op 8 oktober 2001 vanwege een reorganisatie is beëindigd, acht verweerder de door eiser gestelde problemen niet geloofwaardig. Die problemen, waaronder de gestelde verkrachting van eiser, vloeien immers allemaal voort uit het incident dat zich op 27 december 2009 op de luchthaven van [naam vliegveld] op zou hebben voorgedaan, terwijl uit het individuele ambtsbericht blijkt dat eiser toen al jaren niet meer bij de [naam nationaliteit] douane werkzaam was en daarom niet betrokken geweest had kunnen zijn bij dat incident. Omdat verweerder de gestelde problemen van eiser niet geloofwaardig acht, acht hij de verkrachting van eiser evenmin geloofwaardig. Nu eiser die verkrachting heeft genoemd als de enige oorzaak van zijn voordien nooit aanwezige homoseksuele gerichtheid op oudere mannen, heeft verweerder – na eiser overeenkomstig WI 2018/9 te hebben gehoord over dit deel van zijn asielrelaas – de gestelde homoseksuele gerichtheid niet geloofwaardig geacht. Verweerder acht wel geloofwaardig dat eiser seksuele handelingen met oudere mannen (heeft) verricht, maar dat maakt volgens verweerder nog niet dat eiser als homoseksueel moet worden aangemerkt en leidt ook niet tot de conclusie dat eiser vanwege deze door hem uitsluitend in het geheim verricht seksuele handelingen bij terugkeer naar [naam land] zal worden vervolgd dan wel een reëel risico op ernstige schade zal lopen.

3. Eiser betwist de geloofwaardigheidsbeoordeling van zijn relaas. Samengevat voert hij aan dat verweerder ten onrechte het individuele ambtsbericht aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Grote delen van het daaraan ten grondslag liggende onderzoeksverslag zijn onleesbaar gemaakt, waardoor eiser niet adequaat op de informatie uit het individuele ambtsbericht kan reageren. Dat acht hij strijdig met de vereisten van equality of arms en het uitgangspunt van artikel 23, eerste lid, van de Procedurerichtlijn (PB 2013 L 180) (hierna: de Pri), wat maakt dat zijn procespositie zwak is.

Verder heeft verweerder volgens eiser niet voldaan aan het in artikel 10, derde lid, van de Pri bepaalde, omdat het individuele ambtsbericht niet is getoetst door de beslismedewerker die zijn aanvraag (en die van zijn vrouw en dochters) beoordeeld heeft, maar door een medewerker van het Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT). Volgens eiser is daarom geen sprake van een deugdelijk onderzoek en is het verdedigingsbeginsel geschonden. Verweerder heeft daarom onzorgvuldig gehandeld door het bestreden besluit te baseren op informatie uit het individuele ambtsbericht.

Verder voert eiser aan dat verweerder zijn gestelde homoseksuele gerichtheid niet overeenkomstig werkinstructie 2018/9 (WI 2018/9) heeft beoordeeld, door ook op dat punt uit te gaan van het individuele ambtsbericht. Omdat eiser niet zelf een onafhankelijk onderzoek ter plaatse kan laten verrichten en daarom stelt dat hij in bewijsnood verkeert, verzoekt hij de rechtbank een deskundige te benoemen.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is een ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over de situatie in een land een deskundigenadvies aan verweerder voor de uitoefening van diens bevoegdheden. Indien het op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie verschaft, voor zover verantwoord onder aanduiding van de bronnen waaraan deze informatie is ontleend, mag verweerder bij de besluitvorming van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan die juistheid. Over individuele ambtsberichten heeft de Afdeling eerder overwogen (uitspraak van 16 januari 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO4075) dat, indien een individueel ambtsbericht het asielrelaas waarop het ziet, op essentiële punten weerspreekt, het aan de desbetreffende vreemdeling is om het ambtsbericht te weerleggen (vergelijk onder meer de uitspraak van de Afdeling van 29 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2171).

4.2.

In het kader van de voorbereiding van een besluit dient verweerder, voor zover mogelijk, te onderzoeken of een ambtsbericht aan voormelde eisen voldoet. Daartoe dient hij te onderzoeken op welke wijze het ambtsbericht tot stand is gekomen en zich ervan te vergewissen of de feitenvergaring voldoende zorgvuldig heeft plaatsgevonden en of de concrete feiten die aan de informatie in het ambtsbericht ten grondslag liggen de daarop gebaseerde feitenvaststelling en conclusies kunnen dragen. Pas wanneer verweerder aan deze vergewisplicht heeft voldaan, mag verweerder de informatie uit het ambtsbericht bij de beoordeling gebruiken.

4.2.1.

Bij brief van 4 april 2019 heeft [naam persoon] als senior landenspecialist werkzaam bij TOELT, namens verweerder verklaard dat inzage in de onderliggende stukken van het individuele ambtsbericht, zoals bedoeld in de uitspraken van de toenmalige Rechtseenheidskamer (REK) van 16 april 1998 (de zogenaamde REK-check), tot de conclusie heeft geleid dat het individuele ambtsbericht qua inhoud en procedure zorgvuldig tot stand is gekomen en inhoudelijk inzichtelijk is. Het is aan eiser om de bevindingen zoals weergegeven in het ambtsbericht te weerleggen.

4.2.2.

Eiser heeft evenwel geen concrete feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming of de juistheid van de inhoud van het individuele ambtsbericht. Van de bevindingen in het individuele ambtsbericht heeft hij kennis kunnen nemen. De omstandigheid dat delen van het onderzoeksrapport bij het individuele ambtsbericht onleesbaar zijn gemaakt, betekent niet dat eiser geen enkel aanknopingspunt heeft kunnen aanvoeren, bijvoorbeeld door een contra-expertise te laten verrichten naar de onderzochte documenten om zo de bevindingen over die documenten in het individuele ambtsbericht te betwisten. Daartoe is eiser al vanaf 25 april 2019, de datum waarop hem het individuele ambtsbericht is toegezonden, in de gelegenheid geweest. Dat de onderzochte documenten slechts een ondergeschikte rol spelen, zoals eiser stelt, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft meerdere documenten ingebracht ter staving van zijn asielrelaas, waaronder een verklaring van de [naam nationaliteit] douane van 21 juli 2010, nummer 461, ter onderbouwing van zijn stelling dat hij nog werkzaam was bij de [naam nationaliteit] douane toen zich het incident zou hebben voorgedaan dat de aanleiding was tot de gestelde problemen. Die stelling raakt aan de kern van het asielrelaas. Dat eiser en zijn gemachtigde niet zouden weten wie zij voor een contra-expertise zouden kunnen benaderen, acht de rechtbank onaannemelijk, nu eiser immers zelf gegevens heeft overgelegd van Vluchtelingenwerk Nederland, met daarin de naam van een deskundige die documentonderzoek verricht naar de echtheid van (onder meer) [naam nationaliteit] documenten. Dat eiser de mogelijkheid tot het laten verrichten van een contra-expertise onbenut heeft gelaten, dient dan ook voor zijn rekening en risico te blijven.

4.2.3.

De rechtbank heeft met toestemming van partijen kennis genomen van de aan het individuele ambtsbericht ten grondslag gelegde stukken. Het individuele ambtsbericht verschaft naar het oordeel van de rechtbank op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie, onder aanduiding – voor zover mogelijk en verantwoord – van de bronnen, waaraan deze is ontleend. Na kennisneming van de aan het individuele ambtsbericht ten grondslag liggende stukken is de rechtbank niet gebleken van concrete aanknopingspunten voor twijfel aan het individuele ambtsbericht.

4.2.4.

Artikel 10, derde lid, van de Pri houdt in dat de lidstaten erop toezien dat beslissingen van de beslissingsautoriteit over verzoeken om internationale bescherming zijn gebaseerd op een deugdelijk onderzoek. De omstandigheid dat de REK-check in opdracht van verweerder is uitgevoerd door een andere persoon dan de beslismedewerker leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit tot stand is gekomen in strijd met deze bepaling. Het onder letter d van dit artikellid bepaalde houdt in dat ‘het personeel dat de verzoeken behandelt en daarover beslist, de mogelijkheid heeft om, telkens wanneer dat nodig is, advies te vragen van deskundigen over specifieke kwesties (…)’, zoals verweerder in dit geval heeft gedaan door het aanvragen van het individuele ambtsbericht. Die bepaling vereist niet dat de toetsing of het deskundigenadvies qua inhoud en procedure zorgvuldig tot stand is gekomen en inhoudelijk inzichtelijk is, alleen wordt verricht door het personeel dat de verzoeken behandelt en daarover beslist (lees: de beslismedewerker). Van strijd met artikel 10, derde lid, van de Pri is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

4.3.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de omstandigheid dat zijn gemachtigde geen kennis heeft kunnen nemen van de weggelakte passages in de onderliggende stukken van het individuele ambtsbericht strijd oplevert met het vereiste van artikel 23, eerste lid, van de Pri, dat daarom sprake is van een fundamenteel ongelijke procespositie en dat beperkte kennisneming van de stukken door de rechtbank niet betekent dat het beginsel van equality of arms voldoende is gewaarborgd. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

4.3.1.

Het recht op een eerlijk proces, waaruit de vereisten van equality of arms voortvloeien, is onder meer neergelegd in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Ook los van deze verdragsbepalingen geldt dit recht in de nationale rechtsorde (zie de uitspraak van de Afdeling van 1 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3547) en omvat het onder meer het recht op gelijke proceskansen. Daaruit vloeit voort dat partijen in een procedure in beginsel recht hebben op kennisneming van alle stukken uit het dossier.

Dat neemt niet weg dat op dit recht uitzonderingen mogelijk zijn (vergelijk onder meer het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 20 oktober 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:1020REP002890195 (Rowe and Davis/Verenigd Koninkrijk) en het arrest van het Hof van Justitie van 14 februari 2008, ECLI:EU:C:2008:91, Varec/België). Artikel 6 van het EVRM bevat minimumnormen voor een eerlijke procesvoering, maar die zijn niet absoluut. De nationale wetgever mag met het oog op een goede procesorde of ter bescherming van het publieke belang of van de belangen van derden, bepaalde procedurevoorschriften en beperkingen stellen, mits het eerlijke karakter van de procesvoering daarmee niet in zijn essentie wordt aangetast (vergelijk ook de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven, van 21 juli 2015, ECLI:NL:CBB:2015:260).

Artikel 8:29 van de Awb geeft een regeling voor het geheel of gedeeltelijk geheimhouden van stukken in procedures bij de bestuursrechter. Het eerste lid houdt een beperking in van het recht op gelijke proceskansen. Deze beperking is slechts bij ‘gewichtige redenen’ mogelijk. Acht de bestuursrechter de beperking gerechtvaardigd, dan is het ingevolge het vijfde lid aan de andere partij overgelaten te beslissen of de rechter mede op de grondslag van de achtergehouden of geheimgehouden inlichtingen of stukken uitspraak kan doen. De Afdeling is van oordeel dat de beperkingsmogelijkheid bij toepassing van deze regeling met zodanige waarborgen is omkleed, dat het recht op een eerlijk proces daarmee niet in zijn essentie wordt beperkt (vergelijk onder meer de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1109). Van strijd met het beginsel van equality of arms is daarom naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

4.3.2.

Artikel 23, eerste lid, van de Pri houdt in dat de lidstaten ervoor zorgen dat een juridische adviseur of andere raadsman die door het nationale recht als zodanig is erkend of toegelaten en die de verzoeker overeenkomstig de bepalingen van het nationale recht bijstaat of vertegenwoordigt, toegang heeft tot de informatie in het dossier van de verzoeker op grond waarvan een beslissing is of zal worden genomen.

De lidstaten kunnen een uitzondering maken wanneer de openbaarmaking van informatie of bronnen de nationale veiligheid, de veiligheid van de organisaties of personen die de informatie hebben verstrekt dan wel de veiligheid van de perso(o)n(en) op wie de informatie betrekking heeft, in gevaar zou brengen, of wanneer het belang van het onderzoek in verband met de behandeling van verzoeken om internationale bescherming door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten of de internationale betrekkingen van de lidstaten zouden worden geschaad. In dergelijke gevallen moeten de lidstaten:

  1. die informatie of bronnen beschikbaar stellen aan de in hoofdstuk V bedoelde autoriteiten; en

  2. in het nationale recht procedures vaststellen die waarborgen dat het recht van verweer van de verzoeker geëerbiedigd wordt.

De rechter-commissaris heeft in de hiervoor vermelde beslissing van 14 september 2019 op grond van artikel 8:29 van de Awb overwogen dat het belang van verstrekking van de gevraagde informatie niet opweegt tegen de noodzaak tot bescherming van, onder meer, de geraadpleegde bronnen. Daarmee is in elk geval voldaan aan één van de voorwaarden voor het maken van een uitzondering als hiervoor bedoeld, namelijk wanneer de openbaarmaking van bronnen de veiligheid van de organisaties of personen die de informatie hebben verstrekt, in gevaar zou brengen. Gelet op wat hiervoor is overwogen over de beperkte kennisneming van de onderliggende stukken door de rechtbank en de toepassing van de in artikel 8:29 van de Awb vervatte regeling is ook aan de hiervoor onder a en b bedoelde vereisten voldaan. Van strijd met artikel 23, eerste lid, van de Pri is daarom evenmin sprake.

4.4.

Dat het beginsel van equality of arms de rechtbank ertoe verplicht om in deze zaak een onafhankelijke deskundige te benoemen vanwege eisers procespositie en gestelde bewijsnood, volg de rechtbank evenmin. Anders dan het geval was in het door eiser in dit verband aangehaalde arrest van het EHRM in de zaak Korošec tegen Slovenië van 8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212; het Korošec-arrest), kan immers niet worden geoordeeld dat eiser niet de gelegenheid heeft gehad om het individuele ambtsbericht te weerspreken. De rechtbank verwijst in dit verband naar wat hiervoor is overwogen over de door eiser onbenut gelaten mogelijkheid om een contra-expertise te laten verrichten.

4.5.

Voor het benoemen van een deskundige op grond artikel 8:47, eerste lid, van Awb ziet de rechtbank evenmin aanleiding. Daartoe zou aanleiding kunnen bestaan als de inhoud van het individuele ambtsbericht geheel of gedeeltelijk wordt weersproken door een contra-expertise of stukken waaruit concrete aanknopingspunten blijken voor twijfel aan de juistheid van de onderzoeksresultaten. Dergelijke concrete aanknopingspunten heeft eiser echter niet naar voren gebracht. De motivering van het individuele ambtsbericht en de kennisneming van de onderliggende stukken geven naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om aan de daarin vervatte conclusies te twijfelen.

4.6.

Verweerder heeft eisers asielrelaas niet ten onrechte ongeloofwaardig bevonden, nu uit het individuele ambtsbericht blijkt dat eiser al in 2001 is ontslagen door de [naam nationaliteit] douane en hij daar niet meer in dienst was toen zich in 2009 op de luchthaven van [naam vliegveld] het incident voordeed waarmee volgens eiser de door hem gestelde problemen zijn begonnen. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat dit betekent dat de gestelde problemen van eiser die zijn ontstaan als gevolg van een incident op zijn werk bij de [naam nationaliteit] douane in 2009 niet gevolgd kunnen worden. Dit wordt ondersteund door de bevinding in het individuele ambtsbericht dat de door eiser overgelegde kopie van de verklaring van de [naam nationaliteit] Douanedienst van 27 juli 2010, nummer 461, geen kopie is van een echt document.

4.7.

Voor zover er, gelet op de conclusies uit het iMMO-rapport, al van zou moeten worden uitgegaan dat eisers psychische problemen interfereren met het compleet, coherent en consistent verklaren, dat eiser zich heeft vergist in de jaartallen en het incident op zijn werk zich al voor 2001 heeft afgespeeld, wordt overwogen dat eiser nog altijd niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van dit incident nog altijd wordt gezocht en derhalve te vrezen heeft voor vervolging. Verweerder heeft in dit verband niet ten onrechte van belang geacht dat uit het individuele ambtsbericht ook blijkt dat er nooit strafrechtelijk onderzoek naar eiser is gedaan. Evenmin heeft eiser een verklaring gegeven voor het feit dat uit het individuele ambtsbericht naar voren is gekomen dat hij vanwege een reorganisatie is ontslagen, en niet, zoals eiser stelt, als gevolg van het incident.

4.8.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat eiser stelt te vrezen voor mensen uit de omgeving van de broer van de (voormalige) president van [naam land] , terwijl uit het individuele ambtsbericht blijkt dat er een eind is gekomen aan diens heerschappij en de machtspositie van zijn familieleden. Gelet hierop is, wat er ook zij van de door eiser gestelde problemen, niet aannemelijk dat hij bij terugkeer naar [naam land] nog steeds te vrezen heeft voor vervolging dan wel een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

4.9.

Over de geloofwaardigheidsbeoordeling van eisers gestelde homoseksuele gerichtheid overweegt de rechtbank als volgt.

4.9.1.

Tijdens het aanvullend gehoor heeft eiser verklaard: “Ik zie mezelf als homoseksueel.” Verweerder heeft eiser tijdens het aanvullend gehoor onder meer gevraagd wanneer hij zich bewust werd van zijn homoseksuele gevoelens, of er een specifieke aanleiding is geweest voor het ontstaan daarvan, wat het met hem deed toen hij merkte dat hij gevoelens had voor mannen, wat hij zelf dacht over homoseksualiteit toen hij zich realiseerde dat hij homoseksuele gevoelens had, sinds wanneer hij zichzelf als homoseksueel beschouwt, en wat hij daar zelf van vindt. Verder heeft verweerder eiser vragen gesteld over de thema’s ‘privéleven, familie, vrienden en religie’, ‘huidige en voorgaande relaties, homoseksuele contacten in het land van herkomst en contact met of kennis van homoseksuele organisaties’, ‘contact met homoseksuelen in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie’ en ook over ‘discriminatie, repressie en vervolging in land van herkomst.’ Die werkwijze stemt overeen met wat in WI 2018/9 onder 2.1 staat beschreven over de thema’s die verweerder in ieder geval betrekt bij het horen en de daaropvolgende beoordeling.

4.9.2.

WI 2018/9 vermeldt in paragraaf 3 dat het bepalen welk gewicht toekomt aan de antwoorden op de vragen die zijn gesteld over iemands seksuele gerichtheid, sterk afhankelijk is van de individuele zaak. In deze individuele zaak heeft verweerder doorslaggevend gewicht toegekend aan de omstandigheid dat eiser zijn verklaring voor het ontstaan van zijn homoseksuele gevoelens volledig plaatst in de gestelde verkrachting. Verweerder heeft die verkrachting ongeloofwaardig geacht, omdat ook het door eiser gestelde incident dat uiteindelijk (mede) daartoe aanleiding zou hebben gegeven, ongeloofwaardig is geacht. De rechtbank heeft in het voorgaande al geoordeeld dat dit niet ten onrechte is. Dat de beoordeling van de door eiser gestelde homoseksuele gerichtheid door verweerder niet in overeenstemming is met WI 2018/9 volgt hieruit niet.

4.9.3.

De door eiser ingebrachte verklaring van LGBT Asylum Support van 28 juli 2020 biedt geen grond voor een ander oordeel. Verklaringen van derden kunnen weliswaar dienen als ondersteuning van een gestelde seksuele gerichtheid, maar dat dit onverlet laat dat een vreemdeling (ook) zelf tegenover verweerder aan de hand van zijn verklaringen zijn seksuele gerichtheid aannemelijk moet maken (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 19 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3080). Verweerder heeft niet ten onrechte geoordeeld dat eiser hierin niet is geslaagd.

4.10.

De verwijzing van eiser in dit verband naar het iMMO-rapport biedt geen grond voor een ander oordeel. Aan een iMMO-rapport kan immers slechts waarde toekomen indien dat rapport betrekking heeft op een geloofwaardig geacht deel van het asielrelaas, dan wel op een deel van dat relaas dat de vreemdeling overigens heeft gestaafd (onder meer rechtsoverweging 1.3 van de uitspraak van de Afdeling van 15 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3010). Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling vormt een iMMO-rapport geen sterke aanwijzing in de zin van het arrest van het EHRM van 9 maart 2010, inzake R.C. tegen Zweden (ECLI:CE:ECHR:2010:0309JUDO04182707), indien de kern van het asielrelaas, waaronder de gestelde aanleiding voor de gestelde problemen, ongeloofwaardig is (vergelijk onder meer de uitspraak van de Afdeling van 10 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:362).

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.