Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:10147

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-09-2020
Datum publicatie
09-10-2020
Zaaknummer
C/09/598961 / KG RK 20-1111
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Het wrakingsverzoek ziet enerzijds op de procedurele beslissing van de rechter om T-Mobile als (derde) belanghebbende aan te merken in de beroepsprocedure. Het verzoek is op die grond alleen toewijsbaar als die beslissing zo onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid van de rechter is ingegeven. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt onmiskenbaar dat het om een uitzonderlijk geval moet gaan. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake.

Het wrakingsverzoek ziet verder op de manier waarop verzoeker door de rechter is bejegend tijdens de mondelinge behandeling op de zitting van 4 september 2020. Het gevoel dat kennelijk bij verzoeker is ontstaan, dat hij niet door de rechter is gehoord, blijkt niet uit de stukken. Uit het van de zitting opgemaakte proces-verbaal blijkt dat verzoeker meerdere malen het woord heeft gevoerd en dat hij daarbij herhaaldelijk door de rechter heen heeft gepraat. Nu concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat in het onderhavige geval in de bejegening door (de schijn van) partijdigheid van de rechter besloten ligt, zijn gesteld noch gebleken. Het verzoek wordt derhalve in zoverre eveneens afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer

wrakingnummer 2020/54

zaak- /rekestnummer: C/09/598961 / KG RK 20-1111

Beslissing van 24 september 2020

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: verzoeker,

strekkende tot de wraking van

mr. E.S.G. Jongeneel,

rechter in deze rechtbank,

hierna te noemen: de rechter.

Belanghebbende in deze procedure is:

De Autoriteit Persoonsgegevens (AP),

gemachtigden: mrs. [gemachtigde AP 1] en [gemachtigde AP 2] ,

als derde-partij heeft aan het geding in de hoofdzaak deelgenomen:

T-Mobile Netherlands B.V. (T-Mobile),

gemachtigden: [gemachtigde T-Mobile 1] en [gemachtigde T-Mobile 2] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van 4 september 2020 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;

- de schriftelijke reactie van de rechter van 8 september 2020.

1.2.

Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:

- verzoeker,

- namens T-Mobile: [gemachtigde T-Mobile 1] en [gemachtigde T-Mobile 2] .

Namens de AP is niemand verschenen. De rechter heeft laten weten niet te zullen verschijnen.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer SGR AWB 19/6877 tussen verzoeker als eisende partij en de AP. In die zaak heeft verzoeker een klacht ingediend bij de AP omdat T-Mobile hem geen volledige inzage in zijn dossier heeft gegeven en de functionaris voor gegevensbescherming niet aan verzoeker bekend heeft gemaakt. De AP heeft het door verzoeker ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Vervolgens heeft verzoeker bij de rechtbank beroep ingesteld tegen deze beslissing van de AP. Het beroep is op de zitting van 4 september 2020 vanwege corona maatregelen via een skype-verbinding behandeld.

2.2.

Verzoeker heeft blijkens het proces-verbaal van het mondelinge verzoek, zoals nader toegelicht bij de mondelinge behandeling van de wrakingkamer, een tweetal gronden voor zijn wrakingsverzoek. Ten eerste is volgens verzoeker geen sprake geweest van een eerlijk proces omdat zijn bezwaar tegen deelname van T-Mobile als derde belanghebbende niet is beoordeeld. De opmerking van de rechter ter zitting dat zij daarop al had beslist en dat het bezwaar van verzoeker dienaangaande in het proces-verbaal zou worden opgenomen, is onvoldoende, aldus de verzoeker.

Ten tweede is verzoeker van mening dat hij onheus bejegend is, omdat hij andere legitieme klachten had, waarop de rechter had moeten reageren, maar zij dat niet heeft gedaan. Zij wilde deze klachten slechts noteren. Zo is het recht van verzoeker op informatie, de equality of arms, geschonden nu hij geen volledige inzage heeft gehad in de correspondentie tussen de rechtbank en T-Mobile. Verzoeker heeft de rechtbank verzocht om een exacte kopie van het dossier, maar niet alles ontvangen. Als gevolg hiervan heeft hij zich niet goed kunnen beraden op zijn verdere proceshouding en heeft hij het risico gelopen dat de wettelijke (beroeps)termijnen zouden verstrijken. Ook was hij er niet van op de hoogte dat op de zitting van 4 september 2020 ook zijn beroep tegen de beslissing van de AP over verzoekers ingebrekestelling/dwangsomverzoek (niet tijdig beslissen) zou worden behandeld.

Op basis van het voorgaande concludeert verzoeker dat de rechter niet onpartijdig is geweest.

2.3.

De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3 De beoordeling

3.1.

Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem of haar bekend zijn geworden.

De procedurele beslissing met betrekking tot de (derde) belanghebbende

3.2.

De in de ogen van verzoeker onjuiste beslissing van de rechter om T-Mobile als (derde) belanghebbende aan te merken in de beroepsprocedure, is een procedurele beslissing. Het is de wrakingskamer duidelijk dat verzoeker het hiermee niet eens is. Het is echter niet aan de wrakingskamer die beslissing inhoudelijk te toetsen, nu een wrakingsverzoek niet is bedoeld als rechtsmiddel tegen de inhoud van zo'n beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter, die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel, belast is met de behandeling van de zaak.

3.3.

Een procedurele beslissing kan slechts leiden tot toewijzing van een wrakingsverzoek als hieruit blijkt van vooringenomenheid van de rechter die deze beslissing heeft genomen. Dit is alleen het geval indien de rechter een procedurele beslissing heeft genomen die zo onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid van de rechter is ingegeven. Hetzelfde geldt voor de motivering van een dergelijke beslissing. Er bestaat alleen dan een grond voor wraking indien deze motivering in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt onmiskenbaar dat het om een uitzonderlijk geval moet gaan.

3.4.

Van een dergelijk uitzonderlijk geval is hier naar het oordeel van de wrakingskamer geen sprake. De rechter heeft in deze procedure een partij als derde belanghebbende aangemerkt op grond van een wettelijke bepaling in de Algemene wet bestuursrecht. Daaruit kan niet worden afgeleid dat de rechter hiermee is vooruitgelopen op de inhoudelijke beoordeling van de zaak, noch heeft de rechter hiermee op enige wijze de schijn van partijdigheid, dan wel vooringenomenheid jegens verzoeker gewekt. Hieruit volgt dat het wrakingsverzoek, voor zover het is gebaseerd op deze beslissing, niet toewijsbaar is.

Bejegening door de rechter

3.5.

De klachten van verzoeker betreffen ook de manier waarop hij door de rechter is bejegend tijdens de mondelinge behandeling op de zitting van 4 september 2020. De rechter heeft in de ogen van verzoeker de door hem naar voren gebrachte klachten slechts aangehoord en in het proces-verbaal genoteerd, zonder daarop inhoudelijk te beslissen. Concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat in het onderhavige geval in deze bejegening (de schijn van) partijdigheid van de rechter besloten ligt, zijn gesteld noch gebleken. Daarbij heeft de wrakingskamer in aanmerking genomen dat bij verzoeker kennelijk het gevoel is ontstaan dat hij niet is gehoord, maar dat dit niet uit de stukken blijkt. Uit het van de zitting opgemaakte proces-verbaal blijkt dat verzoeker meerdere malen het woord heeft gevoerd en dat hij daarbij herhaaldelijk door de rechter heen heeft gepraat. De rechter heeft, zoals gebruikelijk, bij aanvang van de zitting de klachten van verzoeker genoteerd en was nog niet toegekomen aan een verdere bespreking daarvan. Het lukte haar echter ook niet om dat te doen, omdat verzoeker steeds het woord nam. Deze omstandigheden maken niet dat sprake is van een bejegening waardoor de schijn van partijdigheid zou zijn gewekt. Sterker nog, de rechter heeft in haar standpunt nog aangegeven dat zij verzoeker over zijn beroep tegen de beslissing op zijn ingebrekestelling nog een nader standpunt had willen laten voorbereiden en inbrengen. Daarom wordt het verzoek in zoverre eveneens afgewezen.

4 De beslissing

De wrakingskamer

4.1.

wijst het verzoek tot wraking af;

4.2.

bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

4.3.

beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, wordt toegezonden aan:

• de verzoeker;

• de Autoriteit Persoonsgegevens p/a de gemachtigden mrs. [gemachtigde AP 1] en [gemachtigde AP 2] ,

• T-Mobile Netherlands B.V. p/a de gemachtigden [gemachtigde T-Mobile 1] en [gemachtigde T-Mobile 2] ;

• de rechter.

Deze beslissing is gegeven door de mrs. T.A. de Hek, C.M. van der Kleijn en R.E. Perquin, in tegenwoordigheid van de griffier mr. E. Noorlander en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2020.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.