Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:10143

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-08-2020
Datum publicatie
09-10-2020
Zaaknummer
C/09/597487 / KG RK 20-1001
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Afwijzing wrakingsverzoek.

Het betreft een octrooizaak in het VRO-regime. Verzoeker vindt de rechters vooringenomen omdat zij de verzoeken om (1) de zaak uit het VRO-regime te verwijderen, (2) de pleittijd te verlengen en (3) de stukken van MSD te weigeren, (vooralsnog) hebben afgewezen.

Naar het oordeel van de wrakingskamer zijn al deze beslissingen procedurele beslissingen. Wat betreft de derde beslissing geldt dat ook de beslissing tot het niet nemen van een definitieve beslissing (ten aanzien van het al dan niet weigeren van de aktes met producties van MSD) is aan te merken als een procedurele beslissing.

Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Zelfs al zou de rechtbank de verzoeken ten onrechte hebben afgewezen, levert dat nog geen grond voor wraking op. Dit is uitsluitend anders, indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.

Hetgeen verzoeker in dit verband in zijn wrakingsverzoek heeft gesteld, levert geen aanwijzingen op die tot dat oordeel zouden moeten leiden. Uit de beslissing van 29 juli 2020 blijkt dat er afwegingen zijn gemaakt, die tot gemotiveerde beslissingen hebben geleid. Die motivering is niet onbegrijpelijk en dus ook niet zozeer onbegrijpelijk dat daaruit de vooringenomenheid van de rechters blijkt. Dit wordt niet anders in het licht van de eerdere rolbeslissing van 22 juni 2020.

Verzoeker heeft aangevoerd dat er in twee eerdere zaken is besloten de zaak wel uit het VRO-regime te halen, dan wel partijen in overweging is gegeven te komen tot een alternatieve oplossing. Het (enkele) feit dat er in twee eerdere octrooizaken waarop het VRO-regime van toepassing was, anders is beslist dan de rechters in deze zaak hebben gedaan, leidt niet tot de conclusie dat de motivering van de beslissingen van de rechters volgens het hiervoor verwoorde toetsingscriterium niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van deze rechters. De beslissingen van de rechters zijn in deze zaak, in de gegeven omstandigheden, genomen. De rechtbank heeft daarbij wat betreft de derde beslissing bovendien aangegeven pas definitieve beslissingen te zullen nemen na grondige kennisname van het dossier. Deze procedurele gang van zaken is overigens in VRO-procedures niet ongebruikelijk en daaruit blijkt geen vooringenomenheid.

Ook uit de overige door verzoeker naar voren gebrachte omstandigheden, die los staan van de motivering van de procedurele beslissingen, zoals het verzoek om het juiste dossiernummer te vermelden in correspondentie en voor e-mail gebruik te maken van Zivver, kan niet de (schijn) van vooringenomenheid van de rechters worden gezien.

Verzoeker heeft tot slot aangevoerd dat de woordkeuze ‘monopolist’ in plaats van octrooihouder in de reactie op het wrakingsverzoek de vooringenomenheid van de rechters bevestigt. Kennelijk heeft het woord monopolist voor verzoeker een negatieve lading. Dat neemt niet weg dat een octrooihouder feitelijk een monopolist is en alleen al hierom in die woordkeuze - die overigens niet in de beslissing stond die grond vormde voor wraking - geen bevestiging kan worden gelezen van de aangevoerde vooringenomenheid van de rechters.

De rechtbank is van oordeel dat uit de aangevoerde omstandigheden geen (schijn van) vooringenomenheid kan worden afgeleid. Het wrakingsverzoek wordt dan ook afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer

Wrakingsnummer 2020/48

zaak- / rolnummer: C/09/597487 / KG RK 20-1001

Beslissing van 31 augustus 2020

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van:

WYETH LLC,

hierna te noemen: verzoeker,

advocaat mr. S. Dack te Amsterdam,

strekkende tot de wraking van:

mrs. M.E. Kokke, C.T. Aalbers en C. Schüller,

rechters in deze rechtbank

hierna: de rechters.

Belanghebbende in deze procedure is:

Merck Sharp & Dohme Corp. (hierna: MSD), gemachtigde: mrs. L. Oosting en K.A.J. Bisschop.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het schriftelijke wrakingsverzoek van 4 augustus 2020;

- de schriftelijke reactie van de rechters van 25 augustus 2020;

- de schriftelijke reactie van verzoeker op de reactie van de rechters van 28 augustus 2020;

- de tweede schriftelijke reactie van de rechters van 31 augustus 2020.

1.2.

Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:

- de raadsman van verzoeker, mr. S. Dack;

- de raadsman van belanghebbende, mr. K.A.J. Bischop.

De rechters hebben laten weten niet te zullen verschijnen.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van de rechters in de zaak met nummer C/09/587447 HA ZA 20-116 tussen verzoeker en de belanghebbende.

In deze zaak vordert MSD vernietiging van het Nederlandse deel van een Europees octrooi van Wyeth. In de dagvaarding heeft MSD haar nietigheidsaanvallen op dat octrooi gericht. Wyeth heeft bij conclusie van antwoord het octrooi zoals verleend niet langer verdedigden haar octrooiconclusies gewijzigd en beperkt middels een nieuw hoofdverzoek en hulpverzoeken. Zij heeft geen vordering in reconventie ingesteld. MSD heeft bij akte van 3 juni 2020 haar argumenten naar voren gebracht tegen het nieuwe hoofd- en hulpverzoek. Zij heeft daarbij aanvullende producties in het geding gebracht. Deze datum was in de VRO-beschikking vastgesteld voor het nemen van een conclusie van antwoord in reconventie. Beide partijen hebben vervolgens gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot het nemen van een akte houdende overlegging nadere producties op 15 juli 2020 conform de VRO-beschikking. Wyeth heeft bij die akte ook een verklaring van haar octrooigemachtigde overgelegd.

Op 5 juni 2020 heeft Wyeth zich op het standpunt gesteld dat de akte van MSD van 3 juni 2020 in strijd met de goede procesorde in een VRO-procedure een verkapte conclusie van repliek is en heeft zij de rechtbank verzocht om de zaak uit het VRO-regime te verwijderen en een datum te bepalen voor het nemen van een conclusie van dupliek aan de kant van Wyeth. Op 22 juni 2020 is de rolbeslissing genomen om de zaak vooralsnog niet uit het VRO-regime te verwijderen. Wyeth heeft vervolgens verzocht om verlenging van de pleittijd bij pleidooi en op 20 juli 2020 is nogmaals verzocht de zaak uit het VRO-regime te halen. Op 29 juli 2020 hebben de rechters het hernieuwde verzoek van Wyeth om de zaak uit het VRO-regime te halen, afgewezen. Ook het verzoek om extra pleittijd is afgewezen. Daarnaast hebben de rechters aangegeven dat de rechtbank vooralsnog geen aanleiding ziet om de door MSD genomen akte van 3 juni 2020 en de akte van 15 juli 2020 te weigeren. Daarover kan pas worden beslist na grondige kennisname van het dossier.

2.2.

Verzoeker heeft blijkens het schriftelijke verzoek de beslissingen van de rechters van 29 juli 2020, zowel zelfstandig als in combinatie met de eerdere rolbeslissing van 22 juni 2020, aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd. De gronden van het verzoek, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling, richten zich (samengevat) tegen de volgende beslissingen van de rechters:

1. de afwijzing van het verzoek om de zaak uit het VRO-regime te verwijderen;

2. de afwijzing van het verzoek tot verlenging van de pleittijd tijdens het pleidooi;

3. dat de rechtbank vooralsnog geen aanleiding ziet om bezwaren tegen de door MSD overgelegde stukken te honoreren en die stukken te weigeren.

Wyeth stelt zich op het standpunt dat deze beslissingen objectief gezien erop wijzen dat sprake is van (de schijn) van rechterlijke partijdigheid. De beslissingen zijn onverenigbaar met het VRO-regime en met eerdere beslissingen van andere octrooirechters in materieel vergelijkbare omstandigheden in VRO-procedures.

2.3.

De rechters hebben laten weten niet in de wraking te berusten en hebben op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3 De beoordeling

3.1.

Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem of haar bekend zijn geworden.

3.2.

De wrakingskamer stelt voorop dat bij beschikking van 13 augustus 2020 het verzoek tot wraking van mr. Van Walderveen, de rolrechter die de beslissing van 22 juni 2020 heeft genomen, is afgewezen. Blijkens het wrakingsverzoek komt aan de rolbeslissing van 22 juni 2020 geen zelfstandige betekenis toe. De wrakingskamer neemt die rolbeslissing van 22 juni 2020, strekkende tot afwijzing van het eerste verzoek tot verwijdering uit het VRO-regime, in aanmerking bij haar beoordeling van het wrakingsverzoek tegen de beslissingen van de rechters van 29 juli 2020.

3.3.

Verzoeker vindt de rechters vooringenomen omdat zij de verzoeken om (1) de zaak uit het VRO-regime te verwijderen, (2) de pleittijd te verlengen en (3) de stukken van MSD te weigeren, (vooralsnog) hebben afgewezen.

3.4.

Naar het oordeel van de wrakingskamer zijn al deze beslissingen procedurele beslissingen. Wat betreft de derde beslissing geldt dat ook de beslissing tot het niet nemen van een definitieve beslissing (ten aanzien van het al dan niet weigeren van de aktes met producties van MSD) is aan te merken als een procedurele beslissing.

3.5.

Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Zelfs al zou de rechtbank de verzoeken ten onrechte hebben afgewezen, levert dat nog geen grond voor wraking op. Dit is uitsluitend anders, indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen - niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.

3.6.

Hetgeen verzoeker in dit verband in zijn wrakingsverzoek heeft gesteld, levert geen aanwijzingen op die tot dat oordeel zouden moeten leiden. Uit de beslissing van 29 juli 2020 blijkt dat er afwegingen zijn gemaakt, die tot gemotiveerde beslissingen hebben geleid. Die motivering is niet onbegrijpelijk en dus ook niet zozeer onbegrijpelijk dat daaruit de vooringenomenheid van de rechters blijkt. Dit wordt niet anders in het licht van de eerdere rolbeslissing van 22 juni 2020.

3.7.

Verzoeker heeft aangevoerd dat er in twee eerdere zaken is besloten de zaak wel uit het VRO-regime te halen, dan wel partijen in overweging is gegeven te komen tot een alternatieve oplossing. Het (enkele) feit dat er in twee eerdere octrooizaken waarop het VRO-regime van toepassing was, anders is beslist dan de rechters in deze zaak hebben gedaan, leidt niet tot de conclusie dat de motivering van de beslissingen van de rechters volgens het hiervoor verwoorde toetsingscriterium niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van deze rechters. De beslissingen van de rechters zijn in deze zaak, in de gegeven omstandigheden, genomen. De rechtbank heeft daarbij wat betreft de derde beslissing bovendien aangegeven pas definitieve beslissingen te zullen nemen na grondige kennisname van het dossier. Deze procedurele gang van zaken is overigens in VRO-procedures niet ongebruikelijk en daaruit blijkt geen vooringenomenheid.

3.8.

Ook uit de overige door verzoeker naar voren gebrachte omstandigheden, die los staan van de motivering van de procedurele beslissingen, zoals het verzoek om het juiste dossiernummer te vermelden in correspondentie en voor e-mail gebruik te maken van Zivver, kan niet de (schijn) van vooringenomenheid van de rechters worden gezien.

3.9.

Verzoeker heeft tot slot aangevoerd dat de woordkeuze ‘monopolist’ in plaats van octrooihouder in de reactie op het wrakingsverzoek de vooringenomenheid van de rechters bevestigt. Kennelijk heeft het woord monopolist voor verzoeker een negatieve lading. Dat neemt niet weg dat een octrooihouder feitelijk een monopolist is en alleen al hierom in die woordkeuze - die overigens niet in de beslissing stond die grond vormde voor wraking - geen bevestiging kan worden gelezen van de aangevoerde vooringenomenheid van de rechters.

3.10.

De rechtbank is van oordeel dat uit de aangevoerde omstandigheden geen (schijn van) vooringenomenheid kan worden afgeleid. Het wrakingsverzoek wordt dan ook afgewezen.

4 De beslissing

De wrakingskamer

4.1.

wijst het verzoek tot wraking af;

4.2.

bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het

zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

4.3.

beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde

bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:

• verzoeker;

• de verweerder in de hoofdzaken:;

• de rechter.

Deze beslissing is gegeven door de mrs. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, S.J. Hoekstra-van Vliet en M.P.M. Loos in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Haalem op 31 augustus 2020.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.