Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:10138

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-08-2020
Datum publicatie
09-10-2020
Zaaknummer
C/09/597198 / KG RK 20-987
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Afwijzing wrakingsverzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer

wrakingnummer 2020/46

zaak- /rekestnummer: C/09/597198/ KG RK 20-987

Beslissing van 31 augustus 2020

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

Techrabota.bg LTD h.o.d.n. XADAT.NL ICT Opleiding,

gevestigd te Sofia (Bulgarije),

hierna te noemen: verzoeker,

gemachtigde: [gemachtigde] , wonende te [woonplaats] ,

strekkende tot de wraking van

mr. D.E. Alink,

kantonrechter in deze rechtbank,

hierna te noemen: de rechter.

Belanghebbenden in deze procedure zijn:

1. Gerechtsdeurwaarder mr. E.J.M. van Hal,

gevestigd te Den Haag,

2. Zelfstandig Bestuursorgaan (ZBO) Kamer van Koophandel,

gevestigd te Utrecht,

3. WW Metropool B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gemachtigden: mr. M.H.R.N.Y. Cordewener en mr. H. Roeleveld.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het schriftelijke wrakingsverzoek, met bijlagen, van 4 augustus 2020;

- de schriftelijke reactie van de rechter van 10 augustus 2020;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 29 juli 2020;

- de e-mail van verzoeker gericht aan de wrakingskamer van 7 augustus 2020;

- de e-mail van verzoeker, met bijlagen, gericht aan o.a. de wrakingskamer van 10 augustus 2020 9.45 uur;

- de e-mail van verzoeker, met bijlagen, gericht aan o.a. de wrakingskamer van 10 augustus 2020 10:13 uur;

- de e-mail van verzoeker, met bijlage, gericht aan de wrakingskamer van 10 augustus 2020 14.27 uur;

- de e-mail van verzoeker, met bijlagen, gericht aan o.a. de wrakingskamer van 13 augustus 2020.

1.2.

Bij de mondelinge behandeling op 17 augustus 2020 is verschenen:

- verzoeker, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde [gemachtigde] .

De rechter en de belanghebbenden zijn niet ter terechtzitting verschenen.

Verzoeker heeft ter zitting een pleitnotitie overgelegd en aanvullende stukken

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer 8559801 RL EXPL 20-9805 tussen verzoeker en de belanghebbenden.

2.2.

Verzoeker heeft blijkens het schriftelijke verzoek, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling, het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd.

  1. De rechter wijkt af van de oordelen van eerdere rechter(s) in dezelfde zaak.

  2. De rechter heeft het beginsel van hoor en wederhoor geschonden, onder meer door: - de behandeling van de zaak te starten terwijl verzoeker nog niet aanwezig was.
    - de rechter heeft 24 minuten gesproken met procespartij Metropool B.V.
    - de rechter heeft niet tegelijkertijd gecommuniceerd met de Kamer van Koophandel die niet was komen opdagen.
    - de rechter heeft verzoeker geen gelegenheid gegeven om zijn pleitnotitie van 12 pagina’s voor te dragen en verzoeker heeft slechts vier minuten kunnen spreken, waardoor hij niet heeft kunnen reageren op de conclusie van de Kamer van Koophandel.
    - de rechter is voorbijgegaan aan het behandelen van de 83 producties die verzoeker heeft overgelegd.

  3. Ter terechtzitting heeft verzoeker aangevuld dat wrakingsgrond C een samenvatting is van alles wat in het wrakingsverzoek is aangevoerd en dat de rechter daarmee de horizontale sociale clausule, opgenomen in artikel 9 van het VWEU (Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie), heeft geschonden.

  4. Ongelijke behandeling door de rechter ten opzichte van de tegenpartij.

 D1: De rechter heeft de politie ingeschakeld voor hem als ‘ongewapende’ verzoeker, zonder toelichting. De rechter heeft – zonder uitleg te geven – twee politieagenten vlak achter verzoeker geplaatst, terwijl verzoeker rustig op zijn stoel zat. Verzoeker meent dat sprake is van etnisch profileren en de rechter heeft hiermee de schijn van partijdigheid gewekt. Dit terwijl de broer van verzoeker op 14 maart 2020 is omgekomen door politiegeweld.

 D2: de vorderingen ten aanzien van de Kamer van Koophandel werden in behandeling genomen zonder dat deze partij ter zitting aanwezig was.

De rechter heeft een aantal procesbeslissingen genomen waarbij verzoeken van verzoeker zijn genegeerd zonder nadere motivering.

Uit opmerkingen en gedragingen van de rechter leidde verzoeker af dat de rechter partijdig is:

 F1: Door te zeggen: “je hebt nog vier minuten”.

 F2: Door op de noodknop te drukken en zo de politie in te schakelen.

 F3: Door een ‘onbevoegde’ advocaat het woord te geven als vertegenwoordiger van WW Metropool B.V.

2.3.

De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3 De beoordeling

3.1.

Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem of haar bekend zijn geworden.

3.2.

Het verzoek moet worden gedaan zodra de omstandigheden die daarvoor aanleiding hebben gegeven zich hebben voorgedaan. Na indiening van het verzoek wordt de procedure direct geschorst. Zo wordt voorkomen dat de rechter proceshandelingen verricht gedurende een periode waarvan later wordt vastgesteld dat hij toen niet over de vereiste onpartijdigheid beschikte. Ook is beoogd onnodige vertraging van de rechtspleging te voorkomen.

3.3.

De door verzoeker aangevoerde omstandigheden zijn aan hem bekend geworden tijdens de zitting van 29 juli 2020 en het wrakingsverzoek is gedaan op 4 augustus 2020. Uit de verklaring van verzoeker ter terechtzitting van de wrakingskamer is gebleken dat verzoeker niet in staat was om het wrakingsverzoek eerder in te dienen. Daarbij speelt naar het oordeel van de wrakingskamer mee dat verzoeker in persoon procedeert en dat hij naar eigen zeggen overrompeld was door de aanwezigheid van parketpolitie in de zittingszaal, kennelijk door wat zijn broer eerder dit jaar is overkomen. Zijn broer is omgekomen door politiegeweld. Bovendien zit er een weekend tussen de zittingsdatum en het moment waarop verzoeker het wrakingsverzoek heeft ingediend. De wrakingskamer acht het verzoek om die reden tijdig ingediend en acht verzoeker ontvankelijk in zijn verzoek.

3.4.

Als wrakingsgrond A heeft verzoeker aangevoerd dat de rechter vooringenomen is omdat deze is afgeweken van de oordelen van eerdere rechters in dezelfde zaak. Onbetwist is echter dat de rechter in de onderhavige bodemprocedure nog geen (voorlopig) oordeel heeft gegeven. Deze wrakingsgrond mist dan ook feitelijke grondslag en faalt daarom.

3.5.

Als wrakingsgrond B heeft verzoeker aangevoerd dat de rechter het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden, onder meer omdat verzoeker maar vier minuten het woord heeft mogen voeren op de zitting en niet de gelegenheid heeft gekregen om zijn pleitnota voor te dragen. Uit de opmerking van de rechter dat verzoeker nog vier minuten de tijd had leidde verzoeker af dat de rechter partijdig is (zie wrakingsgrond F1).

3.6.

Uit de door de rechter in zijn schriftelijke reactie geschetste gang van zaken, die ook door verzoeker wordt bevestigd, kan afgeleid worden dat verzoeker niet aanwezig was op het aanvangstijdstip van de zitting en dat de rechter geen bericht heeft gekregen dat verzoeker alsnog zou verschijnen. De rechter is vervolgens, vijftien minuten later dan gepland, begonnen met de behandeling van de zaak. Hij heeft daarbij de wel aanwezige partijen aan het woord gelaten en toen verzoeker toch – ruim te laat – verscheen, heeft verzoeker desalniettemin de gelegenheid gekregen om zijn vordering toe te lichten. Verzoeker wenste een pleitnota over te leggen maar hij was een tijd bezig de losse pagina’s bij elkaar te zoeken en de pleitnota was niet compleet. De rechter heeft daarop zelf het voortouw genomen en de vragen aan verzoeker gesteld die hij graag beantwoord wilde zien. Verzoeker heeft die vragen ook beantwoord. De rechter geeft in zijn schriftelijke reactie (onbestreden) aan dat op deze manier de mondelinge behandeling, nadat verzoeker op de zitting is verschenen, nog ongeveer twintig minuten heeft geduurd. De wrakingskamer kan niet vaststellen dat de rechter aan verzoeker heeft gezegd dat hij vier minuten de tijd had om zijn vordering toe te lichten, omdat de rechter daarover een andere lezing heeft gegeven. Bij het einde van de mondelinge behandeling heeft verzoeker in elk geval niet aangegeven dat hij onvoldoende tijd had gehad om zijn standpunt toe te lichten, dat hij zijn pleitnotitie niet voldoende had kunnen voordragen of dat hij de producties nog wilde toelichten. Dat verzoeker was dichtgeklapt door de voor hem onverwachte aanwezigheid van de parketpolitie was niet kenbaar voor de rechter nu verzoeker dat niet tegen de rechter heeft gezegd. Hiermee kon de rechter dus geen rekening houden. Onder deze omstandigheden is van schending van het beginsel van hoor en wederhoor door de rechter geen sprake en evenmin ziet de wrakingskamer hierin een omstandigheid waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden of heeft geleden.

3.7.

Als wrakingsgrond D heeft verzoeker aangevoerd dat sprake is van ongelijke behandeling door de rechter ten opzichte van de wederpartij. Dit omdat (D1) de rechter zonder toelichting twee politieagenten vlak achter verzoeker in de zittingszaal aanwezig heeft laten zijn, terwijl verzoeker rustig en ongewapend was. Verder leidde verzoeker uit de omstandigheid dat de rechter op de noodknop heeft gedrukt en zo de politie heeft ingeschakeld af dat hij partijdig is (zie wrakingsgrond F2).

3.8.

Uit de schriftelijke reactie van de rechter blijkt dat hij niet op de noodknop heeft gedrukt, maar dat parketpolitie in de zaal aanwezig was op verzoek van één van de procespartijen in verband met bedreiging door verzoeker/ [gemachtigde] . Dit vindt bevestiging in het onderliggende dossier. Hieromtrent geldt verder dat de parketpolitie in het algemeen wordt ingeschakeld als de rechtbank dat nodig acht om de veiligheid van alle procesdeelnemers te garanderen. Dit is een procedurele beslissing, die in beginsel geen grond kan vormen voor wraking. Dit is alleen anders indien (de motivering van) die beslissing, in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen –, niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. Hiervan is, gezien de reden waarom de parketpolitie is ingeschakeld, geen sprake.

Ook deze wrakingsgronden falen.

3.9.

De wrakingsgrond (D2) dat de rechter de vorderingen ten aanzien van de Kamer van Koophandel op de zitting heeft behandeld zonder diens aanwezigheid, leidt evenmin tot het oordeel dat de rechter jegens verzoeker vooringenomen was of dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Ook dit betreft immers een procedurele beslissing die slechts in zeer uitzonderlijke gevallen tot wraking kan leiden (zie de vorige overweging). Het is bovendien voor partijen in een civiele procedure bij de rechtbank doorgaans niet verplicht om ter terechtzitting te verschijnen. Indien een procespartij niet aanwezig is en diens aanwezigheid wordt niet noodzakelijk geacht, kan de rechter de zaak buiten diens aanwezigheid behandelen.

3.10.

Als wrakingsgrond E heeft verzoeker aangevoerd dat de rechter een aantal procesbeslissingen heeft genomen waarbij verzoeken van verzoeker zijn genegeerd zonder nadere motivering. De wrakingkamer begrijpt dat dit ziet op de vraag of mr. Cordewener mocht optreden als gemachtigde van WW Metropool B.V. Verzoeker heeft hiertegen voorafgaand aan de zitting per e-mail bezwaar tegen gemaakt en aan de rechter verzocht om hierop een beslissing te nemen. Uit het proces-verbaal is niet gebleken dat de rechter hierop al een beslissing heeft genomen en in zijn schriftelijke reactie stelt de rechter ook dat hij nog geen (proces)beslissingen heeft genomen. Deze wrakingsgrond mist feitelijke grondslag en faalt daarom.

3.11.

Als wrakingsgrond F heeft verzoeker aangevoerd dat hij uit opmerkingen en gedragingen van de rechter afleidde dat de rechter partijdig is. De gronden F1 en F2 zijn hiervoor al besproken. De wrakingsgrond dat de rechter een ‘onbevoegde’ advocaat/partij het woord heeft laten voeren (F3) bouwt voort op de stelling dat de rechter een incidentele vordering met betrekking tot de gemachtigde van Metropool B.V. zou hebben afgewezen, wat volgens de rechter niet zo is, zoals hiervoor overwogen bij wrakingsgrond E.

3.12.

Als wrakingsgrond C heeft verzoeker ten slotte - ter zitting bij de wrakingskamer - aangevoerd dat uit alles wat in voornoemde wrakingsgronden is aangevoerd volgt dat de rechter de horizontale sociale clausule, opgenomen in artikel 9 van het VWEU, heeft geschonden.

3.13.

Zoals de wrakingskamer hiervoor per wrakingsgrond heeft overwogen, kan uit de afzonderlijke wrakingsgronden geen vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor worden afgeleid. Deze overwegingen kunnen als hier ingelast en herhaald worden beschouwd. Het beroep van verzoeker op artikel 9 VWEU kan hem niet baten. Artikel 9 VWEU houdt in dat de Unie, bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden, rekening houdt met de eisen in verband met de bevordering van een hoog niveau van werkgelegenheid, de waarborging van een adequate sociale bescherming, de bestrijding van sociale uitsluiting alsmede een hoog niveau van onderwijs, opleiding en bescherming van de menselijke gezondheid. Nog daargelaten de vraag of het VWEU direct toepasbaar is op individuen en het gewraakte handelen van de rechter, is uit hetgeen verzoeker voorts nog heeft gesteld niet gebleken dat de rechter met de belangen van verzoeker geen rekening heeft gehouden. Ook deze grond kan niet tot wraking leiden.

3.14.

Nu de wrakingsgronden afzonderlijk en in samenhang bezien geen zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid, zal het verzoek worden afgewezen.

4 De beslissing

De wrakingskamer

4.1.

wijst het verzoek tot wraking af;

4.2.

bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

4.3.

beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:

• de verzoeker p/a zijn gemachtigde;

• de belanghebbenden;

• de kantonrechter

Deze beslissing is gegeven door de mrs. M.J. Alt-van Endt, E.F. Brinkman en J.C. Sluymer, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.M.N. van Limpt-Schrover en in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2020.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.