Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:1013

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-02-2020
Datum publicatie
11-02-2020
Zaaknummer
C-09-585239-KG ZA 19-1221
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding over het gebruik van de e-screener bij de aanvraag van een jachtakte of wapenverlof.

Bij de aanvraag van een jachtakte of wapenverlof moet door de Staat met het oog op de veiligheid (onder meer) worden beoordeeld of er reden is om te vrezen dat de aanvrager misbruik zal maken van wapens of munitie. De Staat heeft daartoe het gebruik van een nieuw toetsinstrument ingevoerd, de e-screener. De e-screener is een gedigitaliseerde vragenlijst die er op is gericht om tien risicofactoren te meten, die gezamenlijk een beeld geven van de psychische gesteldheid van een aanvrager.

De Koninklijke Nederlandse Jagers Vereniging en de Koninklijke Nederlandse Schietsport Associatie vorderen in kort geding de Staat te verbieden nog langer gebruik te maken van de e-screener en de verkregen resultaten te vernietigen. Zij voeren daartoe aan dat de e-screener geen deugdelijk middel is.

De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af. De Staat heeft bij de invoering van de e-screener een zwaarwegend en rechtmatig belang en niet gebleken is dat de e-screener ondeugdelijk is.

De vordering tot het verstrekken van afschrift van bescheiden die betrekking hebben op de exacte inhoud en werking van de e-screener wordt eveneens afgewezen. De Staat heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat die stukken vertrouwelijk moeten blijven om te voorkomen dat de werking van de e-screener wordt ondermijnd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/585239 / KG ZA 19-1221

Vonnis in kort geding van 11 februari 2020

in de zaak van

1 Koninklijke Nederlandse Jagers Vereniging te Amersfoort,

2. Koninklijke Nederlandse Schietsport Associatie te Amersfoort,

3. [eisende partij sub 3] te [plaats 1] ,

4. [eisende partij sub 4] te [plaats 2] ,

5. [eisende partij sub 5] te [plaats 3] ,

eisers,

advocaten mrs. G.J. van Oosten, J.Ph. de Korte en G.J. Wilts te Amsterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden, meer in het bijzonder het ministerie van Justitie en Veiligheid te Den Haag,

gedaagde,

advocaten mrs. C.K. van Lavieren, M.M.C. van Graafeiland en M. Dijkstra te Den Haag.

Eisers worden hierna ieder afzonderlijk aangeduid als ‘de Jagersvereniging’, ‘de KNSA’, ‘ [eisende partij sub 3] ’, ‘ [eisende partij sub 4] ’ en ‘ [eisende partij sub 5] ’ en gezamenlijk als ‘eisers’. Gedaagde wordt hierna aangeduid als ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met daarbij en nadien overgelegde producties;

- de brief van de zijde van de Staat van 14 januari 2020;

- de brief van de zijde van eisers van 17 januari 2020;

- de door de Staat overgelegde conclusie van antwoord met producties;

- de op 28 januari 2020 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

Introductie eisers

2.1.

De Jagersvereniging heeft, onder meer, als doel het behartigen van de belangen van haar leden voor zover verband houdende met jacht, faunabeheer en schadebestrijding en het mogelijk maken van de jacht door haar leden in de ruimste zin van het woord. Natuurlijke personen kunnen lid worden van de Jagersvereniging. De Jagersvereniging heeft ongeveer 21.000 leden, waaronder 800 aspirant-jagers.

2.2.

Een jager heeft een jachtakte nodig die bovendien jaarlijks dient te worden verlengd. Daartoe diende hij tot voor kort een WM32-formulier in te vullen en mee te werken aan een antecedenten- en referenten onderzoek en een huisbezoek. Aspirant-jagers moeten een opleiding volgen en vier examens met goed gevolg afleggen voordat een jachtakte kan worden aangevraagd.

2.3.

De KNSA heeft, onder meer, als doel het behartigen van de belangen van de schietsport in de meest algemene zin. Rechtspersonen, waaronder schietsportverenigingen, kunnen lid worden van de KNSA en zij heeft ongeveer 680 leden. Via deze leden vertegenwoordigt de KNSA indirect ongeveer 40.000 sportschutters. Van deze sportschutters heeft ongeveer 75% een eigen wapenverlof.

2.4.

Om lid te worden van een KNSA-schietsportvereniging moet iemand eerst (maximaal) drie keer geïntroduceerd worden. Na overlegging van een Verklaring Omtrent Gedrag (hierna: VOG) kan iemand aspirant lid worden, gedurende tenminste zes maanden. Gedurende deze zes maanden vindt een zogenaamde ballotage door de betreffende schietsportvereniging plaats, met aanmeldingsformulieren, eigen verklaringen en individuele gesprekken. Na minimaal één jaar volwaardig lidmaatschap en (onder meer) tenminste 18 schietbeurten en goedkeuring van het verenigingsbestuur kan iemand vervolgens een wapenverlof aanvragen. De aanvraag diende tot voor kort vergezeld te gaan van een WM32-formulier. Tevens vindt een antecedenten, referenten en huisbezoek plaats in het kader van een aanvraag voor een vuurwapen.

2.5.

[eisende partij sub 3] , [eisende partij sub 4] en [eisende partij sub 5] waren reeds geruime tijd in het bezit van jachtaktes. Deze zijn – nadat bij hen de e-screenertest (waarover hierna meer) is afgenomen – bij besluiten van de korpschef van politie in oktober 2019 ingetrokken, waarna hun wapens en munitie door de politie bij hen thuis zijn opgehaald. [eisende partij sub 3] , [eisende partij sub 4] en [eisende partij sub 5] hebben administratief beroep ingesteld tegen deze besluiten en een voorlopige voorziening bij de bestuursrechter ingesteld. In het kader van deze bestuursrechtelijke voorlopige voorzieningen zijn voormelde besluiten geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op administratief beroep en hebben [eisende partij sub 3] , [eisende partij sub 4] en [eisende partij sub 5] weer de beschikking gekregen over hun wapens en munitie.

Overige feiten

2.6.

In Nederland is het bezit van vuurwapens verboden, tenzij aan de bezitter een wapenverlof of jachtakte is verleend (hierna gezamenlijk ook aan te duiden als ‘wapenverlof’). In artikel 7 lid 1 onder c van de Wet Wapens en Munitie (‘Wwm’) is bepaald dat een wapenverlof niet wordt verleend als er reden is om te vrezen dat aan de aanvrager het in bezit hebben van een vuurwapen niet kan worden toevertrouwd en onder lid d is opgenomen dat het wapenverlof niet wordt verleend als er reden is te vrezen dat van wapens of munitie misbruik zal worden gemaakt. Op grond van artikel 3.28 lid 3 onder a van de Wet natuurbescherming (‘Wnb’) wordt een jachtakte geweigerd, voor zover nu van belang, als er grond is om aan te nemen is dat de aanvrager van de bevoegdheid een geweer en munitie voorhanden te hebben misbruik zal maken, of zodanig gebruik zal maken dat hij een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid kan gaan vormen.

2.7.

Op 9 april 2011 vond een schietincident plaats in Alphen aan den Rijn (hierna: ‘het schietincident’), waarbij zeventien gewonden en zeven doden (waaronder de schutter) vielen. Aan de schutter was een wapenverlof verleend.

2.8.

Naar aanleiding van het schietincident heeft de Onderzoeksraad voor Veiligheid (hierna: ‘OvV’) op verzoek van de minister van Justitie en Veiligheid (hierna: ‘de minister’) onderzoek gedaan naar het Nederlandse systeem ter beheersing van het legaal wapenbezit. In het door de OvV opgestelde rapport “Wapenbezit door sportschutters, Onderzoek naar het stelsel ter beheersing van het legaal wapenbezit naar aanleiding van het schietincident in Alphen aan den Rijn op 9 april 2011” van september 2011 zijn de volgende aanbevelingen gedaan:

AANBEVELINGEN

De Raad komt tot de volgende aanbevelingen

Laat belanghebbende meer informatie geven

1. Aan de minister van Veiligheid en Justitie

a. Neem in de wet een regeling op die de belanghebbende verplicht meer inzicht te verschaffen in zaken over zijn persoonlijke situatie die relevant zijn voor de beoordeling of sprake is van vrees voor misbruik. De Raad beveelt een ‘omkering van de bewijslast’ aan: niet de politie moet aantonen dat hij ongeschikt is, maar de aanvrager moet aantonen dat hij wel geschikt is. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een verklaring van een arts, een psychologische test of een verklaring van huisgenoten.

b. (…)

(…)

Inventariseer risico-indicatoren en maak deze toepasbaar

3. Aan de minister van Veiligheid en Justitie

a. Inventariseer periodiek welk soort informatie over personen een indicator kan zijn voor de kans op misbruik van een wapen. Benut hiertoe ten minste ervaringen en kennis uit de Nederlandse en buitenlandse uitvoeringspraktijk, en resultaten van wetenschappelijke studies;

b. Waarborg dat deze indicatoren bij de verlofverlening worden toegepast;

c. Informeer de Koninklijke Nederlandse Schutters Associatie over deze indicatoren;

d. Ontwikkel concreet toepasbare werkwijzen en methoden voor het verkrijgen van informatie over deze indicatoren en betrek hierbij in ieder geval informatie uit de sociale omgeving.

(…)”

2.9.

De Staat heeft (als vervolg op voormelde aanbevelingen van de OvV) het Trimbos Instituut (een onafhankelijk kennisinstituut voor alcohol, tabak, drugs en mentale gezondheid) gevraagd een risicotaxatie-instrument te ontwikkelen dat risicofactoren meet en weegt om daarmee een inschatting te maken van risico’s in verband met een wapenverlof (de E-Screener Psychische Gesteldheid van Wapenverlofaanvragers, hierna: ‘de e-screener’). Het Trimbos Instituut heeft bij de ontwikkeling van de e-screener deskundigen betrokken verbonden aan Tilburg University, UvA, VU Brussel, het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, VU Amsterdam, Radboud Universiteit en Universiteit Utrecht.

2.10.

De e-screener is na ontwikkeling ervan door het Trimbos Instituut in opdracht van de Staat gekalibreerd en gevalideerd door de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (hierna: TNO). TNO heeft van dit onderzoek rapport uitgebracht (het rapport ‘TNO 2018 R10219, Validatie E-screening ‘Psychische Gesteldheid van Wapenverlofaanvragers’) en daarin een aantal aanbevelingen gedaan. Naar aanleiding van deze aanbevelingen is de e-screener aangepast.

2.11.

In de managementsamenvatting van voormeld TNO-rapport staat over de e-screener het volgende vermeld:

“(…)

(…) De E-Screener is een gedigitaliseerde vragenlijst die erop gericht is om 10 risicofactoren te meten zoals deze door experts zijn geïdentificeerd. Deze risicofactoren, die gezamenlijk een afspiegeling vormen van de psychische gesteldheid van een kandidaat, zouden mogelijk kunnen leiden tot wapenmisbruik. Elke risicofactor is uitgedrukt in één schaal (categorie) die bestaat uit een aantal items (vragen). In totaal bestaat de E-Screener uit 10 schalen (overeenkomstig met de 10 risicofactoren) en 99 items. De schalen zijn gebaseerd op bestaande en reeds gevalideerde (getoetste) vragenlijsten.

(…)

De doelstelling van het validatieonderzoek is tweeledig:

1. Het vaststellen van de geschiktheid van de E-screener als meetinstrument – gegeven de geïdentificeerde risicofactoren – om af te nemen bij aanvragers van een wapenvergunning.

2. Het identificeren van mogelijke aanpassingen aan de E-screener, bijvoorbeeld met betrekking tot schalen, items, of de beslisregels om de einduitslag van de E-screener te bepalen.

(…)”

TNO heeft blijkens de managementsamenvatting een aantal aanbevelingen gedaan om de e-screener te verbeteren alvorens te implementeren. Zo beveelt zij aan enkele schalen aan te passen voor wat betreft formulering, kan de kwaliteit nog worden verbeterd door toevoeging van een persoonlijkheidsschaal en kan de volgorde van de vragen volgens haar nog worden aangepast. Voorts is het volgens TNO belangrijk om daadwerkelijke data na implementatie te blijven analyseren en het instrument op basis daarvan zo nodig nader bij te stellen.

2.12.

Op 22 maart 2016 is een voorstel tot wijziging van (onder meer) de Wwm en de Wet natuurbescherming, verder Wnb (hierna: het wetsvoorstel) ingediend. Dit wetvoorstel heeft geleid tot de Wet van 29 mei 2017, houdende wijziging van de Wet wapens en munitie, de Flora- en faunawet en de Wet natuurbescherming in verband met de versterking van het stelsel ter beheersing van het legaal wapenbezit. Op grond van deze wet zijn op 1 oktober 2019 in werking getreden:

 artikel 6a van de Wwm. Ingevolge lid 1 aanhef en onder b van dit artikel worden wapenverloven – onverminderd de overige geldende vereisten – slechts verleend als de aanvrager van een wapenverlof heeft meegewerkt aan een door de minister aangewezen onderzoek op grond waarvan kan worden beoordeeld of er verhoogde kans is op de situatie bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder c Wwm (reden om te vrezen dat aan de aanvrager het in bezit hebben van een vuurwapen niet kan worden toevertrouwd); en

 artikel 3.28a Wnb. Ingevolge lid 1 aanhef en onder b van dit artikel wordt de jachtakte – onverminderd de overige geldige vereisten – slechts verleend als de aanvrager heeft meegewerkt aan het op grond van artikel 6a, eerste lid, onderdeel b Wwm door de minister aangewezen onderzoek.

2.13.

Uit de memorie van toelichting op het wetsvoorstel (Kamerstukken II, 2015-2016, 34 432, nr. 3) blijkt dat de bedoeling is om met de hiervoor onder 2.12 genoemde bepalingen invulling te geven aan aanbeveling 1 van de OvV en dat met het onderzoek gedoeld wordt op de e-screener (hetgeen ook volgt uit artikel 48a van de Regeling wapens en munitie). Uit de Wwm en de Wnb volgt dat de e-screener in beginsel slechts eenmaal (bij de eerste aanvraag van een wapenverlof en na implementatie van de e-screener eenmalig door degenen die al een wapenverlof hebben) moet worden ingevuld. Over de e-screener wordt, voor zover nu relevant, het volgende vermeld in de memorie van toelichting:

“(…)

In dit wetsvoorstel wordt teneinde een nadere weging over de persoon en de persoonskenmerken van de aanvrager mogelijk te maken, de aanvrager zoals gezegd verplicht mee te werken aan een onderzoek, waarmee kan worden bepaald of de aanvrager op grond van persoonlijkheidskenmerken, persoonlijke omstandigheden of middelengebruik, of een combinatie hiervan, een verhoogd risico op gevaarlijk gebruik of misbruik van wapens of munitie oplevert. Dit onderzoek zal worden afgenomen in de vorm van een digitale vragenlijst: de e-screener. Op grond van de uitslag hiervan wordt een indicatie aan de korpschef gegeven van de psychische gesteldheid van de aanvrager. De vergunning moet geweigerd worden als er reden is om te vrezen dat aan de aanvrager het onder zich hebben van wapens of munitie niet kan worden toevertrouwd.

(…) De e-screener is een computergestuurde vragenlijst, die is samengesteld uit zoveel mogelijk (onderdelen van) gevalideerde vragenlijsten die risicofactoren en daderkarakteristieken meten. Omdat er veel risicofactoren te benoemen zijn, is het belangrijk om op te merken dat het niet zozeer gaat om het meten van zo veel mogelijk risicofactoren, maar juist te kijken naar specifieke combinaties van risicofactoren of cumulatie van specifieke risicofactoren. Naast de risicofactoren zijn specifieke daderkarakteristieken van belang. Het gaat bijvoorbeeld om impulsiviteit, gebrek aan empathie, egocentrisme, suïcidaliteit, narcistische krenking en extremisme. De keuze voor de risicofactoren en daderkarakteristieken die zijn opgenomen in de e-screener, komt voort uit literatuuronderzoek en bevraging van experts. (…)

(…)

Op grond van vastgestelde risicoprofielen worden de gemeten resultaten gewogen. Deze weging leidt tot bepaalde uitkomst van de e-screener. De test is opgebouwd uit een aantal standaard vragen zoals die ook bij een psychologisch onderzoek zouden worden gesteld. De weging van de antwoorden en de waarde die aan een gewogen combinatie moet worden gegeven wordt door een computerprogramma op basis van gevalideerde algoritmen uitgevoerd. Dit geeft op een snelle en efficiënte manier een oordeel dat anders door een psycholoog of psychiater zou moeten worden gegeven. In de medische wetenschap komt het vaker voor dat op professionele kennis gebaseerde beslissingsschema’s worden geautomatiseerd.

Er wordt niet voorgesteld dat een negatieve indicatie uit de controle bij de officier van justitie van BOPZ-gegevens of een negatieve uitslag van de e-screener onvermijdelijk leidt tot afwijzing van de aanvraag voor het bevoegdheidsdocument. Of het bevoegdheidsdocument wordt verleend, blijft afhangen van het oordeel van de korpschef over de geschiktheid van de betrokkene, waarbij alle informatie wordt gewogen. Ook is het denkbaar dat de aanvrager, in geval van een negatieve uitslag van de e-screener een eigen onderzoek laat verrichten en de conclusie hiervan aan de korpschef overlegt. De korpschef betrekt deze informatie uiteraard bij zijn oordeel over de geschiktheid van betrokkene en zal als hij toch tot de conclusie komt dat de aanvrager een wapen niet kan worden toevertrouwd, moeten motiveren dat het geleverde tegenbewijs niet tot een ander oordeel leidt. Overigens is het ook niet zo dat een positieve uitslag van de e-screener automatisch leidt tot een toewijzing van het verlof.

(…)”

2.14.

Op 1 oktober 2019 is de e-screener geïmplementeerd. Vanaf die datum zijn een aantal bestaande verlofhouders alsmede personen die een eerste wapenverlof aanvragen door verschillende politieregio’s uitgenodigd om de e-screener in te vullen. De e-screener moet worden ingevuld bij een commerciële derde partij, een algemeen examencentrum (namelijk Lamark). De e-screener moet op de testlocatie op een computer, met behulp van een computermuis, worden ingevuld.

2.15.

De minister heeft bij brief van 7 oktober 2019 (Kamerstukken II, 2019-2020, 33 033, nr. 23) de Tweede Kamer als volgt geïnformeerd over de invoering van de e-screener, voor zover nu relevant:

“(…)

De e-screener is een digitale vragenlijst die tot doel heeft een advies inzake de risicotaxatie te geven bij de vraag of iemand een wapen kan worden toevertrouwd en vormt een onderdeel van de gehele verlofaanvraag. Verdere informatie wordt verkregen uit een antecedentenonderzoek, een door de aanvrager verstrekt inlichtingenformulier, het nagaan van opgegeven referenten en bezoek aan huis in het kader van de kluiscontrole. Medewerking aan de e-screener is, conform de bepalingen van de wet, voor de aanvrager een verplichte stap. Hieraan geen gevolg geven resulteert in weigering van het verlof.

Het Trimbos-instituut heeft het kader voor de e-screener ontwikkeld door middel van literatuurstudie en in afstemming met experts. TNO heeft hierop een kalibratieonderzoek gedaan en de e-screener verder afgesteld. Hierin zijn aanpassingen gemaakt op basis van aanbevelingen, door Ipsos (technisch) en TNO (inhoudelijk). De e-screener is getest op mensen uit een hoogrisicogroep, bestaande uit mensen met psychische afwijkingen, en een laagrisicogroep, bestaande uit mensen uit een representatieve steekproef van de bevolking en mensen met een wapenvergunning. Het instrument is inmiddels klaar en is op 1 oktober 2019 geïmplementeerd.

Dit alles betekent in de praktijk dat komende maanden een aantal wapenverlofhouders en jachtaktehouders de uitnodiging krijgt het onderzoek te doen als onderdeel van de aanvraagprocedure van de (nieuwe) verlening van hun wapenverlof of jachtakte. In drie jaar worden alle circa 60.000 wapenverlofhouders eenmalig aan het onderzoek onderworpen. Ook dienen aanvragers van een ontheffing (art. 4 Wwm) of erkenning (art. 9 Wwm) de e-screener af te nemen.

De e-screener is gebaseerd op gevalideerde psychologische testen over erkende risicofactoren voor wapenbezit. Te denken valt aan alcoholmisbruik, agressiebeheersing en snel gekrenkt zijn. Juist een combinatie van dergelijke factoren levert al snel twijfel over de geschiktheid voor wapenbezit op. (…) Mede op basis van het arrest van de Hoge Raad heb ik besloten de kalibratie van e-screener dusdanig af te stellen dat de bescherming van de burger het meest optimaal gegarandeerd kan worden, en de kans op misbruik van het wapen zo klein mogelijk is.

Vanwege de wettelijke maatstaf van geringe twijfel is de kalibratie zo afgesteld dat de kans dat iemand een positieve score haalt terwijl een wapenverlof niet verantwoord moet worden geacht, klein is. Dit heeft wel tot gevolg dat een deel van de aanvragers – en van diegene die nu reeds een verlof hebben – een negatieve uitkomst kan krijgen. Voor de vergunningaanvraag betekent een negatieve uitkomst wettelijk gezien geen automatische afwijzing, maar ik heb wel met de korpschef afgesproken dat – conform de hierboven gememoreerde uitspraak van de Hoge Raad – de aanvraag zal worden afgewezen als er geen heldere contra-indicaties zijn die de negatieve uitkomst van de e-screener in een ander perspectief plaatsen.

De verlofaanvrager kan in administratief beroep gaan tegen het besluit om geen wapenverlof te verlenen. Hierin heeft een aanvrager de gelegenheid om de uitkomst van de e-screener te betwisten middels door hem over te leggen nadere medische of psychologische verklaringen waaruit blijkt dat hem een wapen kan worden toevertrouwd.

Bij de ontwikkeling van de e-screener heb ik de samenwerking gezocht met onder andere de belangenvereniging van de jagers en de sportschutters. Zij hebben mij laten weten niet onverdeeld gelukkig te zijn met de uitrol van dit instrument. Ik zal de komende tijd nauwlettend in de gaten houden hoe de toepassing van dit instrument zich in de praktijk voltrekt. En over een jaar evalueert TNO de e-screener op basis van de uitslagen van wapenverlofhouders die tot dan toe de e-screener hebben afgelegd (dit zijn er circa 20.000). Eventueel kunnen we nadien of zo nodig al eerder tot aanpassingen overgaan. (…) hieromtrent.

(…)”

2.16.

Bij brief van 29 oktober 2019 (Kamerstukken II, 2019-2020, 33 033, nr. 23) heeft de minister als volgt aan de Tweede Kamer bericht over een bijstelling van de uitvoeringspraktijk met betrekking tot de e-screener:

“(…)

De e-screener was oorspronkelijk bedoeld als vervanging van het WM-32 formulier. De werking van het instrument wordt, zo is bij de introductie ervan al aan uw Kamer toegezegd, strak gemonitord en door TNO geëvalueerd. De eerste 300 resultaten laten een wisselend beeld zien. Enerzijds is de werking van het instrument in lijn met hetgeen daarover verwacht werd naar aanleiding van de eerdere testen en pilots. Anderzijds blijkt dat aanvragers meer dan vooraf verwacht hoog scoren op één van de schalen en daardoor een negatief advies ontvangen.

(…)

Problematiek in de uitvoeringspraktijk heeft mij doen besluiten dat aanpassing nodig is. Het komende jaar blijft de e-screener als verplicht instrument aangewezen voor nieuwe aanvragers van wapenverloven en jachtaktes. Dit gaat in totaal om een groep van circa 5.000 aanvragers per jaar. De reeds bestaande verloven zullen de komende twee jaar nog beoordeeld worden op basis van een nieuwe (uitgebreidere) versie van het zogenaamde WM-32 formulier. De aanwijzing van het wettelijke verplichte onderzoeksinstrument in artikel 48a van de Regeling wapens en munitie zal hiertoe worden aangepast. De informatie over mogelijke risicofactoren wordt op een andere manier verkregen. De afweging die de korpschef moet maken bij de verlening van de vergunning blijft voor alle gevallen gelijk. Daarbij benadruk ik dat de e-screener en/of het WM-32 formulier slechts een onderdeel is in het proces, en dat er ook een antecedentenonderzoek en een referentencontrole wordt verricht, evenals een huiscontrole.

Deze differentiatie geeft de mogelijkheid alsnog de e-screener voortvarend en zorgvuldig voor alle gevallen in te voeren. Dit betekent in praktische zin dat het volledige bestand verlofhouders niet in drie à vier jaar, maar in vijf jaar zal worden gescreend. Ik treed met de betrokken partijen in overleg op welke wijze omgegaan moet worden met de huidige wapenverlofhouders die een negatief eindoordeel hebben gekregen op de e-screener. Ik zal dit van geval tot geval bekijken.

(…)”

2.17.

Op vragen van twee leden van de Tweede Kamer heeft de minister op 18 november 2019 als volgt geantwoord (TK 2019-2020, Aanhangsel van de Handelingen, 741):

“(…)

Zoals ik u in mijn brief van 29 oktober 2019 heb laten weten, vindt er een bijstelling van de implementatie van de e-screener plaats vanwege problemen bij uitvoerende organisaties politie en Justis. Dit betekent dat alleen nieuwe aanvragers de komende twee jaar gescreend zullen worden met de e-screener, de bestaande verlofhouders worden de komende twee jaar gescreend met een vernieuwd WM-32 formulier. Na twee jaar wordt de eerste tranche van 20.000 bestaande verlofhouders ook gescreend. Zoals ik aangaf in mijn brief van 29 oktober wordt voortvarend van geval tot geval bekeken of wapens worden teruggegeven. Hierbij onderscheid ik drie categorieën. Aanvragers die einduitslag rood hebben gekregen op basis van een knock-out categorie (psychose, psychopathie, suïcidaliteit) krijgen geen wapens terug. Aanvragers die einduitslag rood hebben door louter sociale wenselijkheid krijgen terstond wel hun wapens terug. Aanvragers die einduitslag rood hebben door een combinatie van factoren krijgen een gedifferentieerde beoordeling. Wapens blijven in bewaring totdat het volledige proces (administratief beroep) is doorlopen.

(…)

Het is geenszins zo dat een «negatief» resultaat automatisch tot inbeslagname van wapens en munitie mag leiden. De uitslag van de e-screener weegt zwaar mee in de afweging die de korpschef of ik (in het geval van ontheffingen) moet maken bij het al dan niet toekennen van het gevraagde bevoegdheidsdocument. Een besluit tot directe inbeslagname is in ieder geval aangewezen indien er aanwijzingen voor psychose, psychopathie en/of zelfdoding zijn. Maar ook indien er andere indicaties zijn die een voornemen tot weigering/intrekking rechtvaardigen kan, om veiligheidsredenen, tot directe inbeslagname besloten worden. In de besluitvorming rond de afgifte moet het verlofverleden van de aanvrager worden meegewogen. Zodra ik had vernomen dat een negatieve score op de e-screener in alle gevallen leidde tot direct inbeslagname, heb ik de politie laten weten dat dit niet geoorloofd is buiten bovenstaande criteria.

(…)

Zoals u stelt leidt een negatieve uitslag op de e-screener inderdaad niet automatisch tot een afwijzing van de aanvraag voor het bevoegdheidsdocument (voornemen tot weigering). De besluitvorming of een bevoegdheidsdocument wordt verleend, blijft afhangen van het oordeel van de korpschef. Dit blijft een beoordeling op basis van de e-screener of het WM32 formulier, gecombineerd met een antecedentenonderzoek en een referentenonderzoek. De verlofgeschiedenis wordt hierbij meegenomen. In haar arrest geeft de Hoge Raad4 aan dat -gegeven de wetsgeschiedenis – de uitleg van de wet moet zijn dat tegen de achtergrond van het grote maatschappelijke belang van de veiligheid, geringe twijfel aan het verantwoord af kunnen geven van het verlof, voldoende reden is om een verlof niet te verlenen of dit in te trekken. Voorwaarde is dat deze twijfel objectief is vast te stellen. Voor de korpschef en voor mij is de uitslag van de e-screener een objectief vastgestelde waarde. Dit kan dus een doorslaggevende factor zijn, binnen het aanvraagproces dat uit meerdere elementen bestaat. Aanvragers kunnen nog steeds in administratief beroep gaan tegen de beslissing bij Justis door ontlastende documenten, zoals de verklaring van een arts, in te dienen. Behoudens potentieel levensbedreigende situaties (psychose, suïcidaliteit, psychopathie) wordt hiervoor een termijn van zes weken aangehouden. Indien een voornemen tot weigering of intrekking van het verlof wordt afgegeven, wordt de aanvrager in het kader van de zogeheten zienswijzeprocedure in de gelegenheid gesteld alle aanvullende informatie aan de korpschef te overleggen om de eigen argumenten kracht bij te zetten. Daaronder kan ook een verklaring van een arts worden verstaan. Vervolgens is tegen een negatieve beslissing van de Korpschef administratief beroep bij Justis mogelijk.

(…)

De uitvoerder die in opdracht van de politie de e-screener onderzoeken afneemt wordt geïnstrueerd te handelen conform het dienstverleningsniveau van de politie. Concreet betekent dit dat het laaggeletterden en mensen met dyslexie toegestaan wordt om iemand mee te nemen die de vragen voorleest aan degene die het onderzoek ondergaat, onder de instructie dat geen enkele andere vorm van communicatie plaatsvindt op straffe van uitsluiting. In geval van dyslexie kan er meer tijd gegeven worden. Door de dienstverlener zal hierop worden toegezien. Indien in het komende jaar of nadien een meer als normaal te bestempelen beroep op deze – en eventuele andere – aanvullende dienstverlening wordt gedaan, waardoor door de dienstverlener aanzienlijke aanvullende kosten worden gemaakt, die aan de politie worden doorberekend, zullen de leges (momenteel 54,45 euro) daarop worden aangepast. Voor digibeten zijn reeds voorzieningen getroffen in de zin dat instructeurs van de dienstverlener vooraf mondeling uitleg geven over de wijze waarop het onderzoek wordt afgenomen. Overigens is bij de ontwikkeling van de e-screener reeds rekening gehouden met het aspect van de gebruiksvriendelijkheid. Ook mensen met weinig ervaring met computers zouden zonder problemen de gevraagde handelingen (het klikken met een muisknop) moeten kunnen verrichten.

(…)”

2.18.

In het (ongedateerde) document “Werkinstructie E-screener” van de minister (namens deze de Directeur Politieel Beleid en Taakuitvoering) aan de Nationale Politie en Justis staat, voor zover nu relevant, het volgende vermeld:

“(…)

Dit betreft een instructie hoe om te gaan met de uitkomsten van de e-screener (zowel van de gemaakte e-screener testen t/m 29-10-2019, als daarna).

1. Instructie

(…)

Verlofhouders die voor de vernieuwing van hun verlof/jachtakte een e-screener hebben

ingevuld

Voor bestaande verlofhouders die voor de vernieuwing van hun verlof/jachtakte bij de e-screener rood hebben gescoord én waarvan dientengevolge het verlof en/of de jachtakte is ingetrokken als ook de wapens reeds in bewaring zijn genomen geldt de volgende instructie:

Van aanvragers die rood hebben gescoord op één of meer knock-out categorieën (suïcidaliteit, psychose in combinatie gebruik medicijnen, psychopathie, opname in psychiatrische inrichting), dient het besluit van de korpschef gehandhaafd te blijven. Wapens blijven in bewaring.

Voor aanvragers waarvan de uiteindelijke uitslag rood was, zonder dat rood is gescoord op één of meer van de knock-out categorieën en niet alleen op sociale wenselijkheid, geldt een gedifferentieerde beoordeling:

a) onderbouwde beschikkingen blijven in stand;

b) incomplete beschikkingen worden alsnog verder aangevuld in een aanvullend besluit, met aandacht voor dossiers die in een vovo zitten

Bij zowel a als b blijven de oorspronkelijke spoedbesluiten in stand. Wapens blijven in bewaring.

Voor aanvragers die alleen in de categorie sociale wenselijkheid rood hebben gescoord en op basis daarvan geconfronteerd zijn met een besluit tot intrekking en inbewaringname van wapens, geldt dat het besluit tot intrekking terug wordt gedraaid (uitslag e-screeners wordt niet geldig geacht) én dat de wapens terstond terug gegeven worden. Deze aanvragers worden volgens de reguliere procedure weer in behandeling genomen, waaronder begrepen het invullen van WM 32.

Deze groep aanvragers zal bij de invoering van het onderzoek bij de doelgroepen een nieuwe e-screener in moeten vullen.

(…)

Nieuwe aanvragers

(aanvragers die nu geen geldig verlof hebben en er een wensen te krijgen).

Van aanvragers die rood hebben gescoord op één of meer knock-out categorieën, zal de aanvraag, na een voornemen tot weigering, geweigerd worden.

Voor aanvragers waarvan de uitslag rood is, zonder dat rood is gescoord op één of meer van de knock-out categorieën, indien van toepassing aangevuld met andere gronden, zal een voornemen tot weigeren worden afgegeven.

Er zijn nieuwe aanvragers die niet op de afspraak voor deelname aan het onderzoek van de e-screener zijn verschenen, waardoor ze geen medewerking hebben verleend aan het onderzoek. Er wordt voor deze aanvrager een voornemen tot weigeren opgesteld.

NB. Indien zij aangeven dat zij onlangs op aanraden van de koepelorganisaties de

uitnodiging hebben laten verlopen, kunnen zij in de gelegenheid gesteld worden om alsnog de e-screener test te doen.

Voor aanvragers die groen gescoord hebben wordt de reguliere aanvraagprocedure ge- of vervolgd (zonder gebruikmaking van de WM32).

2. Awb procedure (nieuwe aanvragers)

Einduitslag rood zal automatisch resulteren in een voornemen tot weigering van het verlof/de jachtakte. Over betrokkene worden, naast de uitslag e-screener, de nodige andere gegevens vergaard zoals JD en politiegegevens.

Conform AWB wordt de aanvrager in het kader van het voornemen tot weigering van het verlof in de gelegenheid gesteld gehoord te worden (zienswijzegesprek). Bij het geven van zijn zienswijze heeft betrokkene de mogelijkheid contra-indicaties aan te dragen. Dat kan bijvoorbeeld een verklaring van een arts of psychiater zijn, waaruit blijkt dat de psychische gesteldheid niet aan wapenbezit in de weg staat. Zo’n verklaring zal door politie betrokken worden in de beoordeling van de aanvraag. Wanneer de behandelend ambtenaar bij politie zelf – eventueel na afstemming met collega – overtuigd is van de door aanvrager aangevoerde argumentatie, kan besloten worden tot herziening van het eerder gegeven oordeel in het voornemen tot weigering/intrekking.

(…)”

3 Het geschil

3.1.

De Jagersvereniging en de KNSA vorderen de Staat te verbieden gebruik te (doen) maken van (de resultaten van) de e-screener en deze resultaten te (doen) vernietigen.

3.2.

De Jagersvereniging en de KNSA voeren daartoe – samengevat – het volgende aan. Het gebruik van (de resultaten van) de e-screener is onzorgvuldig en onrechtmatig en moet verboden worden. Daarnaast moeten de resultaten ervan vernietigd worden. De redenen hiervoor zijn, aldus de Jagersvereniging en de KNSA dat:

  1. de deugdelijkheid van de e-screener niet is beoordeeld en aangetoond;

  2. de uitnodiging voor d e-screener misleidend is;

  3. er geen passende voorzieningen zijn getroffen voor personen met beperkingen en de uitvoering in strijd is met de wetten op de gelijke behandeling;

  4. de e-screener niet voldoet aan elementaire vereisten van een medische keuring;

  5. de e-screener niet voldoet aan dwingendrechtelijke vereisten met betrekking tot de geneeskundige behandeling;

  6. de e-screener het fundamentele beginsel van “equality of arms” schendt;

  7. het resultaat wordt gebruikt als eindconclusie in plaats van als hulpmiddel;

  8. personen die een nieuw verlof aanvragen op dit gelijk behandeld moeten worden als bestaande verlofhouders die een verlenging aanvragen (en die niet worden onderworpen aan de e-screener test, maar een (aangepast WM32-formulier);

  9. de e-screener in strijd is met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG);

  10. de e-screener in strijd is met de Wet politiegegevens.

3.3.

Alle eisers vorderen de Staat te gebieden afschrift aan hen te verschaffen van de volgende bescheiden:

i. alle bescheiden waarover de staat beschikt afkomstig van het ministerie van Justitie en Veiligheid, Trimbos, TNO, GfK en COTAN vanaf 27 september 2012 die betrekking hebben op de volgende vragen over de e-screener:

1. wat zijn de theoretische achtergronden (wat wordt er gemeten?);

2. gegevens over de psychometrische betrouwbaarheid;

3. gegevens over de psychometrische validiteit;

4. gegevens over hoe een cesuur is bepaald (dat wil zeggen hoe is bepaald wanneer iemand voldoet of niet voldoet);

5. of is onderzocht of deze vorm van afname voldoet (kans op faken?);

6. of is onderzocht of de vragenlijst fair is voor bepaalde groepen (bijvoorbeeld ouderen-jongeren);

7. is de test voorgelegd aan COTAN?;

de vragen waaruit de e-screener bestaat;

de bewerkingsovereenkomst met TNO en de subbewerkingsovereenkomsten die TNO met het onderaannemers sloot;

het eerste (“maximaal complete”) conceptrapport over het door TNO uitgevoerde onderzoek naar de e-screener van op of omstreeks 8 januari 2018;

het finale validatierapport van TNO van op of omstreeks 29 januari 2018;

(de stukken uit de aanbesteding voor) de (opdracht)overeenkomst(en) met het instituut dat de testen heeft uitgevoerd;

de werkinstructie(s) aan de politie en/of de korpschef voor de uitvoering van de e-screener die per 1 oktober 2019 geldt/gelden.

Voorts vorderen alle eisers de Staat te veroordelen in de proceskosten.

3.4.

Ter onderbouwing van hun vordering tot afgifte van de stukken voeren eisers aan dat zij op relatief korte termijn een bodemprocedure tegen de Staat willen starten, waarin zij vergoeding van de geleden schade en het definitief stoppen met het gebruik van (de resultaten van) de e-screener zullen vorderen. In deze bodemprocedure moet eindvonnis zijn gewezen uiterlijk voorafgaand aan de voorgenomen herinvoering van de e-screener voor bestaande verlofhouders. De gevorderde stukken hebben eisers nodig om hen in staat te stellen een of meer deskundigen onderzoeken te laten doen naar de werking van de e-screener en de manier waarop deze is ingevoerd en toegepast en de onrechtmatigheid daarvan verder aan te tonen. De Jagersvereniging en de KNSA hebben daarnaast belang bij de gevorderde stukken voor bestuursrechtelijke procedures die zij namens gedupeerden voeren of ondersteunen. [eisende partij sub 3] , [eisende partij sub 4] en [eisende partij sub 5] hebben belang bij de gevorderde stukken voorafgaand aan de beslissing op het namens hen ingediende administratief beroep.

3.5.

De Staat voert tegen alle vorderingen verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

Vooraf

4.1.

In Nederland geldt een verbod om wapens in bezit te hebben. Op grond van de Wwm en de Wnb kan een uitzondering op dit verbod worden toegestaan en kan toch verlof worden verleend om een wapen te bezitten. De bevoegdheid van de Staat om een wapenverlof te verlenen moet – vanwege de aan wapenbezit verbonden risico’s – zeer zorgvuldig worden gebruikt. Daarbij geldt dat een wapenverlof op grond van artikel 7 lid 1 Wwm onder meer niet wordt verleend als er reden is om te vrezen dat van wapens of munitie misbruik gemaakt zal worden. Een soortgelijke bepaling geldt voor de jachtakte, nu in artikel 3.28 lid 3 onder a Wnb is bepaald dat een jachtakte wordt geweigerd als er grond is om aan te nemen dat de aanvrager van de bevoegdheid om een geweer en munitie voorhanden te hebben misbruik zal maken of zodanig gebruik zal maken dat hij een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid kan gaan vormen. Volgens vaste jurisprudentie van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en ook op grond van recente civiele jurisprudentie (HR 20 september 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1409), over het schietincident) worden voormelde weigeringsgronden ruim uitgelegd. Vanwege het grote belang van de veiligheid van de samenleving (ter bescherming waarvan de regels gelden waaraan de bevoegdheid om het wapenverlof te verlenen onderworpen is) is reeds geringe twijfel aan het verantwoord zijn van het wapenverlof genoeg reden om een verlof niet te verlenen of dit in te trekken, mits deze twijfel objectief vast te stellen is.

Verbod gebruik (resultaten) e-screener en vernietigen resultaten e-screener

a. Algemeen

4.2.

In dit kort geding ligt allereerst ter beoordeling voor of er reden is de Staat te verbieden de (resultaten van de) e-screener nog langer te gebruiken en om de tot nu toe met de e-screener vergaarde resultaten te vernietigen.

4.3.

De voorzieningenrechter begrijpt de vordering om de Staat te verbieden de (resultaten van de) e-screener nog te gebruiken aldus dat de Jagersvereniging en de KNSA beogen dat gebruik van de e-screener zelf, en van de inmiddels verkregen resultaten, voorlopig, in afwachting van de uitkomsten van een bodemprocedure, zal worden verboden. Een verderstrekkende vordering zou immers geen ordemaatregel meer betreffen en dus het bestek van een kort geding te buiten gaan. Bij de beoordeling van deze vordering geldt als maatstaf de vraag of de (wijze van) invoering van de e-screener en het verdere gebruik er van dermate onzorgvuldig – en daarmee onrechtmatig – is dat het gebruik onmiddellijk moet worden gestaakt. Hierbij moet tevens in aanmerking genomen worden het spoedeisend belang bij een dergelijk verbod, alsmede de vraag of het zo waarschijnlijk is dat een bodemrechter in lijn met de stellingen van eisers zal oordelen, dat het verantwoord is op dat oordeel van de bodemrechter met een voorlopige voorziening vooruit te lopen.

4.4.

De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat vorenstaande toets met zich brengt dat sprake moet zijn evidente onzorgvuldigheid bij invoering van de e-screener en/of het gebruik ervan, die het noodzakelijk maakt het gebruik met onmiddellijke ingang voorlopig te staken. Die evidente onzorgvuldigheid moet verder strekken dan dat er in individuele gevallen naar zeggen van de betrokkene iets niet helemaal goed is gegaan bij het invullen van de e-screener. Het enkele feit dat sommige betrokkenen (waaronder [eisende partij sub 3] , [eisende partij sub 4] en [eisende partij sub 5] ) het niet eens zijn met de uitkomsten van de afgelegde test, kan evenmin redengevend zijn voor toewijzing van de eis. Immers, voor dergelijke individuele gevallen staat de weg van administratief bezwaar en beroep open, met in spoedeisende gevallen de mogelijkheid om een (bestuursrechtelijke) voorlopige voorziening te vragen. Van die rechtsgang hebben de drie individuele eisers overigens ook allen gebruik gemaakt, hetgeen vooralsnog heeft geleid tot schorsing van de jegens hen genomen beslissingen. Dit betekent dat zij feitelijk ook geen spoedeisend belang hebben. Alleen als er sprake is van een situatie waarin door de Staat systematisch onzorgvuldig in de zin van onrechtmatig wordt gehandeld door het handhaven van de e-screener kan er aanleiding zijn voor toewijzing van (een van) de gevorderde ordemaatregelen.

b. Deugdelijkheid van de e-screener

4.5.

Naar aanleiding van het schietincident en het daarop volgende onderzoek van de OvV wilde de Staat de beoordeling van de psychische gesteldheid van de aanvrager van een wapenverlof – ter invulling van de toets als neergelegd in artikel 7 lid 1 onder c Wwm en artikel 3.28 lid 3 onder a Wnb – anders vormgeven. Dat is een bevoegdheid die de Staat toekomt. De opmerking van de Jagersvereniging en de KNSA dat daartoe geen enkele aanleiding bestond omdat er reeds een goed werkend systeem bestond (onder meer door het invullen van het WM32-formulie bij een nieuwe aanvraag en bij verlengingen) kan derhalve – wat daar ook van zij – onbesproken blijven, aangezien dat de bevoegdheid van de Staat om een nieuw systeem te gaan gebruiken onverlet laat. Het enkele feit dat internationale regelgeving niet verplicht tot invoering van een middel als de e-screener is in het kader van deze beoordeling evenmin van doorslaggevend belang.

4.6.

Bij de ontwikkeling van het beoogde nieuw in te zetten middel (de e-screener), waarmee de Staat inmiddels al sinds 2012 doende is, en waarover van de aanvang af ook al overleg heeft plaatsgevonden met de Jagersvereniging en de KNSA, heeft de Staat het Trimbos Instituut ingeschakeld. De voorzieningenrechter stelt vast dat de Jagersvereniging en de KNSA de deskundigheid van het Trimbos Instituut op het gebied van geestelijke gezondheidszorg en het gebruik van digitale instrumenten op dat gebied niet hebben betwist. Evenmin hebben de Jagersvereniging en de KNSA betwist dat het Trimbos Instituut bij de ontwikkeling van de e-screener vele deskundigen heeft betrokken (volgens onweersproken stelling van de Staat heeft “een groep van achttien hooggeleerde, gepromoveerde en andere deskundigen” meegedacht en meegelezen, waaronder deskundigen verbonden aan Tilburg University, de Universiteit van Amsterdam, Vrije Universiteit van Brussel, Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, Vrije Universiteit Amsterdam, Radboud Universiteit en Universiteit Utrecht). Tot slot hebben de Jagersvereniging en de KSNA ook niet voldoende gemotiveerd betwist dat de e-screener een middel is dat benut kan worden bij de beoordeling van de aanvraag van een wapenverlof en dat de ontwikkeling van de e-screener door het Trimbos Instituut op een deugdelijke manier heeft plaatsgevonden. Al met al hebben de Jagersvereniging en de KNSA onvoldoende aangevoerd om aan te nemen dat de e-screener door het Trimbos Instituut niet deugdelijk is ontwikkeld.

4.7.

De stellingen van de Jagersvereniging en de KNSA die zijn gestoeld op andersluidende uitlatingen van prof. dr. [A] , hoogleraar Juridisch Kennismanagement bij de Universiteit van Amsterdam (hierna: ‘ [A] ’) doen daaraan niet af. [A] stelt volgens de Jagersvereniging en de KNSA over de e-screener onder andere dat wetenschappelijk onderzoek geen correlatie heeft laten zien die een psychologische karakterisering koppelt aan (on)eigenlijke vuurwapengebruik en dat de hoeveelheid data in Nederland zo gering is dat het onderzoeken van een dergelijk verband praktisch ondoenlijk is. Volgens [A] wordt de overtuiging dat zo’n relatie bestaat niet gestaafd met een wetenschappelijk onderbouwde evidentie en is daarom het inzetten van de e-screener in de huidige gebruikscontext ondeugdelijk. Deze uitlatingen van [A] baten de Jagersvereniging en de KNSA echter niet. Daargelaten dat eerder genoemde groep van deskundigen kennelijk anders denkt over de waarde van een dergelijke test miskennen eisers dat de test geen 100% zekerheid biedt, maar beoogt risico’s in te schatten op basis van gevalideerde tests en dat een wapenverlof conform de wet reeds moet geweigerd worden als er reden is om te vrezen dat de aanvrager het onder zich hebben van een vuurwapen niet kan worden toevertrouwd of er reden is om te vrezen voor misbruik van de wapens. Deze vrees voor misbruik moet ruim worden uitgelegd, waarbij geringe twijfel al voldoende reden is om het wapenverlof te weigeren. Weliswaar moet die geringe twijfel objectief toetsbaar zijn, maar het door [A] verlangde empirische bewijs – dat simpelweg bij gebrek aan incidenten in Nederland (gelukkig) niet beschikbaar is – is daar voor niet vereist.

4.8.

Het grootste bezwaar van eisers tegen de e-screener lijkt overigens de validatie en kalibratie van de e-screener te betreffen. Die kan volgens hen evident niet juist zijn, hetgeen volgens hen ook blijkt uit het feit dat diverse leden die de test hebben gedaan negatief hebben gescoord, terwijl hen eerder wel een wapenverlof was verleend. Daarbij miskennen eisers echter dat geenszins op voorhand valt uit te sluiten dat (een deel van) die negatieve uitslagen terecht is, althans dat die uitslagen terecht gerede twijfel met zich brengen over de voortdurende geschiktheid voor een wapenverlof. In het kader van de vraag naar de deugdelijkheid van de e-screener hebben de Jagersvereniging en de KNSA voorts aangevoerd dat de validatie en kalibratie dermate onzorgvuldig is geweest dat de invoering van het gebruik van de e-screener prematuur is. Volgens de Jagersvereniging en de KNSA was het de bedoeling dat ten behoeve van de validatie en kalibratie totaal 500 mensen de e-screener zouden invullen, waaronder een groep van 300 verlofhouders terwijl uiteindelijk bij slechts 100 verlofhouders de e-screener is afgenomen. Daarbij zijn bovendien – omdat via social media is opgeroepen om mee te doen aan de test met de e-screener – mensen die geen ervaring met computers hebben niet of nauwelijks vertegenwoordigd. Voorts blijkt, aldus de Jagersvereniging en de KNSA, uit de bevindingen van TNO zelf (neergelegd in de door de Staat overgelegde Managementsamenvatting TNO Rapport: TNO 2018 R10219, Validatie E-screening ‘Psychische Gesteldheid van Wapenverlofaanvragers) dat ook TNO vond dat de e-screener niet voldeed, om zeer fundamentele redenen, waarbij TNO aanbevelingen heeft gedaan om een fundamenteel ander systeem te ontwikkelen.

4.9.

De voorzieningenrechter volgt eisers daarin niet. Uit de managementsamenvatting van TNO waar de Jagersvereniging en de KNSA naar verwijzen blijkt dat TNO in het kader van de validatie en kalibratie de e-screener bij 513 deelnemers heeft afgenomen, onderverdeeld in twee groepen: een hoogrisicogroep (107 deelnemers) en een laagrisicogroep (bestaande uit een representatieve groep (303 deelnemers, steekproef uit de Nederlandse bevolking) en huidige bezitters van een wapenvergunning (103 deelnemers). Dat hiermee een te kleine groep of onvoldoende verlofhouders de e-screener hebben ingevuld is uit de managementsamenvatting niet af te leiden. Integendeel, in de rapportage wordt gerept van een “groot onderscheidend vermogen”. Indien TNO daadwerkelijk zou hebben geoordeeld dat de aantallen te gering zouden zijn geweest om te kunnen valideren dan zou dat zonder meer in haar rapport zijn vermeld. Uit de managementsamenvatting is, anders dan de Jagersvereniging en de KNSA betogen, evenmin af te leiden dat TNO vindt dat de e-screener overigens niet voldoet. TNO plaatst er weliswaar enige kanttekeningen bij, maar deze zijn niet van dien aard dat daaruit kan worden afgeleid dat de e-screener als hulpmiddel om te beoordelen of een wapenverlof kan worden verleend niet kan worden gebruikt. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat TNO naar aanleiding van haar onderzoek enige aanbevelingen ter verbetering heeft gedaan en dat de Staat gemotiveerd heeft gesteld dat hij deze aanbevelingen heeft overgenomen. De voorzieningenrechter heeft vooralsnog geen aanleiding te twijfelen aan deze uitlating van de Staat.

4.10.

Op grond van het vorenstaande gaat de voorzieningenrechter er van uit dat de e-screener door TNO voldoende is gevalideerd en gekalibreerd. Daarbij is ook in aanmerking dat TNO heeft aanbevolen dat het gebruik van de e-screener de komende periode wordt gemonitord, om te bezien of na verloop van tijd herkalibratie nodig is en dat de Staat heeft toegezegd dat ook daadwerkelijk te zullen doen. Ook ten aanzien van deze toezegging geldt dat de voorzieningenrechter geen aanleiding heeft om er aan te twijfelen dat de Staat deze toezegging gestand zal doen. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat gebleken is dat de monitoring inmiddels al effect heeft gehad. Immers, vrij snel is gebleken dat onder de populatie van jagers en schutters een meer dan verwacht groot aantal hoog blijkt te scoren op het testonderdeel ‘sociaal wenselijke antwoorden’ en daardoor negatief scoorde. De Staat is, in overleg met TNO, bezig ten aanzien van dit punt een andere aanpak in te voeren én heeft zodra dat duidelijk werd besloten dat bestaande verlofhouders die op basis van een rode score op het punt van sociale wenselijkheid hun wapenverlof zijn kwijtgeraakt hun wapens direct terugkrijgen. Met de Staat is de voorzieningenrechter van oordeel dat dergelijke aanpassingen inherent kunnen zijn aan invoering van een nieuw screeningsmiddel, zoals ook TNO heeft aangegeven; dat maakt de invoering zelf echter niet onrechtmatig. Door de gewenste aanpassingen direct door te voeren heeft de Staat ook overigens voldoende zorggedragen voor een verantwoorde toepassing van de e-screener.

4.11.

De slotsom is dat binnen het bestek van dit kort geding en mede in aanmerking nemend de onder 4.1 weergegeven strenge toets bij de beoordeling van de aanvraag van een wapenverlof (waarvoor de e-screener een hulpmiddel is) niet aannemelijk is geworden dat de deugdelijkheid van de e-screener onvoldoende is beoordeeld en/of aangetoond. Bij die stand van zaken kan de gestelde ondeugdelijkheid geen grond vormen voor toewijzing van het gevorderde in kort geding. Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat de Staat niet bereid is geweest het door de Jagersvereniging en de KNSA verlangde inzicht in de exacte wijze van validatie en kalibratie te geven. Voor de beoordeling van de deugdelijkheid van de e-screener binnen het bestek van een kort geding was die informatie niet vereist, althans de Staat heeft de stellingen van de Jagersvereniging en de KNSA in dit verband ook zonder die informatie voldoende gemotiveerd betwist.

4.12.

De voorzieningenrechter ziet gezien het vorenstaande geen aanleiding in te gaan op het aanbod van de Staat om zijn stelling (dat de e-screener een geschikt middel is voor onderzoek naar de vraag of er reden is voor twijfel aan de geschiktheid van een aanvrager voor het toevertrouwen van een wapen en het maken van een uitzondering op het verbod vuurwapens te hebben) door middel van een deskundigenbericht te bewijzen. Hierbij is ook in aanmerking genomen dat een kort geding zich in beginsel niet leent voor bewijslevering door een deskundigenbericht en dat de Jagersvereniging en de KNSA ter zitting er geen blijk van hebben gegeven een dergelijk deskundigenonderzoek in het kader van dit kort geding te wensen, althans niet indien niet tevens zou worden bepaald of overeengekomen dat de e-screener voorlopig niet zou worden gebruikt.

c. Uitnodiging e-screener

4.13.

De bezwaren van de Jagersvereniging en de KNSA over de uitnodiging om de e-screener in te vullen hebben allemaal betrekking op de uitnodiging voor bestaande verlofhouders. Nu de Staat heeft besloten de e-screener voorlopig niet meer bij bestaande verlofhouders in te zetten, kunnen de bezwaren ten aanzien van de uitnodiging voor bestaande verlofhouders niet leiden tot toewijzing van de gevorderde ordemaatregel in kort geding. Deze bezwaren kunnen derhalve verder onbesproken blijven.

d. Voorzieningen voor personen met beperkingen / wetten op de gelijke behandeling, eindconclusie of hulpmiddel)

4.14.

De Jagersvereniging en de KNSA hebben betoogd dat bij de uitnodiging en het weigeren of intrekken van verloven op basis van de resultaten van de e-screener wordt gehandeld in strijd met diverse wetten op gelijke behandeling en wordt gediscrimineerd. Van de bestaande verlofhouders zijn alleen personen met een bepaalde leeftijd uitgenodigd, waarmee – volgens hen zonder rechtvaardiging – is gediscrimineerd op basis van leeftijd. Daarnaast wordt bij de uitvoering van de e-screener geen rekening gehouden met dyslectische personen, personen met een geheugenbeperking of digibeten. Deze personen zullen door hun beperkingen moeite hebben met het correct invullen van de e-screener, daardoor eerder ‘rood’ scoren, terwijl zij niet minder geschikt zijn om een wapenverlof te hebben, aldus eisers.

4.15.

Het bezwaar ten aanzien van de leeftijd van de bestaande verlofhouders kan onbesproken blijven, nu bestaande verlofhouders momenteel niet meer worden uitgenodigd voor de e-screener. De overige bezwaren van de Jagersvereniging en de KNSA hebben betrekking op problemen bij de uitvoering van de e-screener. Uit de toelichting van de Staat in dit kort geding, alsmede uit de beantwoording van de Kamervragen door de minister op 18 november 2019 blijkt dat de Staat aandacht heeft voor dit soort uitvoeringsproblemen en waar nodig aanpassingen doorvoert. Zo is aangegeven dat inmiddels een instructie is uitgegaan dat in geval van dyslexie meer tijd voor de e-screener gegeven kan worden, dat zo nodig (lees)begeleiding kan plaatsvinden en dat ook voor digibeten extra voorzieningen zijn getroffen. Dat er ten aanzien van deze aspecten in de beginfase wellicht niet altijd optimaal is gehandeld, levert, voor zover dat al zou komen vast te staan, in de huidige aangepaste werkwijze geen onrechtmatigheid op die noopt tot een onmiddellijk verbod op verder gebruik van de e-screener. Inherent aan het invoeren van een nieuw systeem is overigens dat er in de beginfase tegen onvoorziene aspecten aangelopen kan worden. Nu hiervoor alle aandacht is en de minister bereidheid toont om waar nodig aanpassingen door te voeren, is van onrechtmatigheid op dit punt geen sprake. Daar waar het in individuele gevallen mis is gegaan of onverhoopt toch nog om enigerlei reden mis zal gaan staat bovendien de weg van bezwaar en beroep open. Deze individuele gevallen rechtvaardigen in het licht van het grote maatschappelijke belang dat met de e-screener is gemoeid in ieder geval niet de toewijzing van de gevorderde, verstrekkende, ordemaatregelen.

d. Medische keuring / geneeskundige behandeling

4.16.

Anders dan de Jagersvereniging en de KNSA stellen levert de e-screener geen strijd op met de Wet op de medische keuringen. Zoals de Staat terecht – en onweersproken – stelt is de reikwijdte van de Wet op de medische keuringen in artikel 1 sub a van die wet beperkt tot keuringen in verband met het aangaan of wijzigen van een burgerrechtelijke arbeidsverhouding of aanstelling in openbare dienst en keuringen in verband met het aangaan of wijzigen van bepaalde, in de wet genoemde, verzekeringen. De e-screener wordt niet in verband met een van deze doelen gebruikt en van strijd met de Wet op de medische keuringen bij het gebruik van de e-screener kan dus geen sprake zijn.

4.17.

De stellingen omtrent de strijd met de bepalingen in het Burgerlijk Wetboek over de geneeskundige behandelingsovereenkomst treffen hetzelfde lot. Naar voorshands oordeel zijn de bepalingen over de geneeskundige behandelingsovereenkomst niet van toepassing op de e-screener, simpelweg omdat daarvoor vereist is dat een geneeskundige handeling wordt verricht door een hulpverlener in de uitoefening van een geneeskundig beroep of bedrijf. Lamark – waar de e-screener wordt afgenomen – kan niet als zodanige hulpverlener worden aangemerkt, evenmin als het Trimbos Instituut of TNO.

e. Equality of arms

4.18.

De Jagersvereniging en de KNSA betogen dat het voor aanvragers die worden onderworpen aan de e-screener onmogelijk is om te achterhalen hoe deze werkt en waar de conclusies op gebaseerd zijn. De vragen van de e-screener worden niet openbaar gemaakt en de wijze van kalibratie is niet bekend. Ook niet voor de korpschefs. Men wordt geconfronteerd met de conclusies, vergelijkbaar met een beoordeling op basis van een geheim dossier. Hiertegen kan men zich niet verweren en een rechter kan ook niet vaststellen of de conclusies gerechtvaardigd zijn. Deze gang van zaken is, zo stellen de Jagersvereniging en de KNSA in strijd met fundamentele (mensen)rechten, waaronder het beginsel van ‘equality of arms’ van artikel 6 EVRM.

4.19.

De voorzieningenrechter volgt eisers ook hier niet. De Staat heeft immers gemotiveerd en voldoende toegelicht waarom hij belang heeft bij geheimhouding van informatie over de exacte werking van de e-screener, de vragen van de e-screener en de kalibratie er van. Blijkens de managementsamenvatting van TNO is ook TNO van oordeel dat een deel van de informatie vertrouwelijk dient te blijven. De samenvatting vermeldt: “Gezien het toepassingsdoel van de E-screener is het van belang dat de doelgroep geen kennis heeft van de specifieke werking van het instrument. De details van het onderzoek zijn daarom beschreven in een vertrouwelijk rapport.” De Staat heeft toegelicht dat wanneer die informatie toch bekend wordt, de mogelijkheid bestaat dat experts op het gebied van gedragswetenschappen trainingen ontwikkelen ter voorbereiding op het ondergaan van de e-screener. Daarmee wordt de e-screener feitelijk onbruikbaar. Met de Staat is de voorzieningenrechter van oordeel dat de Staat hiermee een gerechtvaardigd belang heeft om (in het kader van dit kort geding) de betreffende stukken niet aan eisers te verstrekken. Dit levert, noch in dit kort geding, noch anderszins, strijd met artikel 6 EVRM op. Nog daargelaten dat veiligheidsredenen een gegronde reden kunnen zijn dat bepaalde informatie bij de Staat wel en bij de Jagersvereniging en de KNSA niet bekend is en dat dat niet zonder meer strijd met artikel 6 EVRM oplevert, voorziet de wet ook in mogelijkheden om desondanks een rechterlijke toetsing te krijgen van de e-screener. Binnen het bestek van een voorlopig deskundigenbericht kan de rechter bijvoorbeeld beoordelen in hoeverre de Staat de betreffende informatie alsnog moet verstrekken, eventueel onder voorwaarden van geheimhouding. In zaken van individuele aanvragers van een wapenverlof kan de bestuursrechter op grond van artikel 8:29 Awb een zelfde beoordeling toepassen. Overigens is ter zitting gebleken dat de minister zich rekenschap geeft van de beperkte informatie die momenteel wordt verstrekt over de resultaten van de e-screener. Thans wordt onderzocht of de mogelijkheid bestaat om ten behoeve van te leveren tegenbewijs door middel van een rapport van een eigen deskundige (bijvoorbeeld een arts, psychiater of psycholoog) de percentielen van de uitslag van de e-screener aan de betrokkene te verstrekken.

f. Eindconclusie in plaats van hulpmiddel

4.20.

De Jagersvereniging en de KNSA hebben betoogd dat de resultaten van de e-screener ten onrechte als eindconclusie worden gebruikt, terwijl de e-screener slechts is bedoeld en ontwikkeld als hulpmiddel. Desondanks zijn verloven ingetrokken en niet verleend enkel op basis van de resultaten van de e-screener. Daarbij is in strijd met het beginsel van hoor- en wederhoor gehandeld (geen gelegenheid geboden voor het indienen van zienswijzen), aldus eisers.

4.21.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat genoegzaam is gebleken dat er in de aanvang besluiten zijn genomen die uitsluitend waren gebaseerd op de (negatieve) resultaten van de e-screener en dat daarbij betrokkenen niet in de gelegenheid zijn gesteld vooraf hun zienswijze te geven en/of tegenbewijs te leveren. Dit is zonder meer in strijd met de bedoeling van de e-screener en in strijd met de relevante bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht. De voorzieningenrechter is evenwel van oordeel dat dit het gevolg is (geweest) van zogenaamde invoeringsperikelen. Ook hiervoor geldt dat de minister zich hier rekenschap van heeft gegeven en een en ander in de werkinstructie inmiddels heeft verduidelijkt. Uit de thans overgelegde werkinstructie e-screener blijkt uitdrukkelijk dat onderdeel van de aanvraagprocedure moet zijn dat voorafgaand aan een eventuele weigering een voornemen tot weigering wordt gegeven. Dat biedt de aanvrager de gelegenheid tegenbewijs te leveren – in de vorm van een eigen deskundigenrapport of anderszins – waar de korpschef bij de beoordeling van de aanvraag acht op moet slaan. Dat uitsluitend de e-screener blijvend en structureel als eindconclusie in plaats van als hulpmiddel wordt gebruikt acht de voorzieningenrechter dan ook niet aannemelijk geworden. Daarmee is geen plaats voor toewijzing van de gevorderde ordemaatregel, aangezien voor individuele gevallen in voorkomend geval de weg van bezwaar en beroep openstaat. Dit wordt niet anders door de instructie in de werkinstructie e-screener dat van aanvragers die rood hebben gescoord op één of meer knock-out categorieën, de aanvraag na een voornemen tot weigering geweigerd zal worden. Immers, het voornemen tot weigering biedt de aanvrager steeds de gelegenheid ook dan tegenbewijs te leveren en in redelijkheid valt niet in te zien dat de korpschef op dat tegenbewijs geen acht zal (hoeven te) slaan.

g. Gelijke behandeling nieuwe aanvragers / bestaande verlofhouders

4.22.

De Jagersvereniging en de KNSA betogen dat de Staat in strijd handelt met artikel 28 lid 4 Wwm door de e-screener voor een periode van twee jaar alleen uit te voeren bij aanvragers van een nieuw verlof en dat er hierdoor sprake is van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van nieuwe aanvragers ten opzichte van bestaande verlofhouders.

4.23.

Dit betoog slaagt niet. Van een ongelijke behandeling van vergelijkbare aanvragers is geen sprake. Bestaande verlofhouders kunnen niet zonder meer gelijk gesteld worden aan nieuwe aanvragers, nu zij al eerder een verlof hebben gekregen. Niet valt in te zien waarom het enkele feit dat er thans op pragmatische gronden voor is gekozen het verplicht stellen van de e-screener gefaseerd in te voeren en te beginnen met de nieuwe aanvragers onrechtmatig zou zijn. Dat klemt te meer daar uiteindelijk ook bestaande verlofhouders aan de e-screener zullen worden onderworpen.

h. AVG en Wet politiegegevens

4.24.

De Staat heeft in de conclusie van antwoord onder verwijzing naar de memorie van toelichting bij Wijziging van de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens ter implementatie van Europese regelgeving over de verwerking van persoonsgegevens met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen (Kamerstukken II, 2017-2018, 34889, nr. 3) gesteld dat op de gegevensverwerking die verbonden is aan de e-screener niet de Wet politiegegevens maar de AVG van toepassing is. De Jagersvereniging en de KNSA hebben deze stelling niet weersproken en hebben ter zitting geen beroep meer gedaan op de Wet politiegegevens. De voorzieningenrechter gaat er dan ook vanuit dat de Jagersvereniging en de KNSA hun stelling dat de e-screener in strijd is met de Wet politiegegevens niet langer handhaven.

4.25.

Anders dan de Jagersvereniging en de KNSA stellen is er wel degelijk sprake van een rechtmatige verwerking van de persoonsgegevens ten behoeve van de inzet van de e-screener. Op grond van artikel 6 lid 1 aanhef en onder c AVG is een verwerking van persoonsgegevens rechtmatig als de verwerking noodzakelijk is om te voldoen aan een wettelijke verplichting. Aan dit vereiste is voldaan, nu de korpschef ten behoeve van de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een wapenverlof wettelijk verplicht is de e-screener in te zetten (artikel 6a Wwm / 3.28a Wnb). De stellingen van de Jagersvereniging en de KNSA dat deze verwerking in strijd is met het proportionaliteitsbeginsel en het subsidiariteitsbeginsel hebben zij, mede in het licht van de strenge toets die geldt bij de aanvraag van een wapenverlof, onvoldoende onderbouwd.

4.26.

De Jagersvereniging en de KNSA hebben in het kader van hun stellingen omtrent de AVG ook nog een beroep gedaan op artikel 15 en artikel 22 AVG. In deze artikelen is geregeld dat betrokkene van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel kan krijgen over het wel of niet verwerken van zijn persoonsgegevens en de inzage daarin en dat betrokkene het recht heeft om niet onderworpen te worden aan een uitsluitend op geautomatiseerde verwerking gebaseerd besluit waaraan rechtsgevolgen zijn verbonden. Dat betrokkenen zelf geen informatie kunnen opvragen op grond van artikel 15 AVG is niet gebleken. Voor zover een individuele betrokkene daarbij geen bevredigende reactie krijgt, hetgeen in dit geval niet is gebleken, staat hem de daartoe geëigende rechtsgang open. Dit rechtvaardigt dus geen toewijzing van vergaande ordemaatregelen. Ten aanzien van het beroep op artikel 22 AVG geldt nog dat, zoals al uit hetgeen hiervoor onder 4.21 is overwogen volgt, het besluit ten aanzien van het wapenverlof niet wordt genomen uitsluitend op basis van de resultaten van de e-screener. Bovendien wordt het besluit altijd genomen met tussenkomst van de korpschef. Van een besluit uitsluitend gebaseerd op geautomatiseerde verwerking is derhalve geen sprake.

4.27.

Voor zover de Jagersvereniging en de KNSA hun vordering om de resultaten van de e-screener te vernietigen (mede) baseren op artikel 17 lid 1 aanhef en onder d AVG overweegt de voorzieningenrechter dat op grond van dat artikel een betrokkene het recht heeft om – onder omstandigheden – wissing van gegevens te vragen. De vordering om de resultaten van de e-screener te vernietigen is echter – zo blijkt uitdrukkelijk uit de dagvaarding – uitsluitend ingesteld door de Jagersvereniging en de KNSA en zij kunnen niet worden aangemerkt als betrokkenen in de zin van genoemd artikel. Overigens is wissing los daarvan ook in de individuele zaken niet aan de orde, nu dat een definitieve maatregel betreft waarvoor voorshands onvoldoende gronden zijn.

i. Slotsom

4.28.

Uit al het vorenstaande volgt dat de Staat bij de invoering van de e-screener een zwaarwegend en rechtmatig belang heeft en houdt. Dat hij daarbij tegen enkele praktische problemen is aangelopen en dat er sprake is (geweest) van invoeringsperikelen, is door de Staat erkend. Dat is helaas veelal inherent aan de invoering van een nieuw systeem. Daaruit volgt echter niet dat de e-screener niet had mogen worden ingevoerd en evenmin dat die alsnog per direct moet worden verboden. Op de Staat rust – gezien de strenge maatstaf die geldt bij het verlenen van een wapenverlof en de recente uitspraak van de Hoge Raad naar aanleiding van het schietincident – de verplichting zich optimaal in te spannen risico’s van wapenverloven objectief in kaart te brengen. Zij heeft door deskundigen in te schakelen een middel ontwikkeld dat daaraan moet bijdragen. De Staat monitort (in overleg met TNO) het gebruik van de e-screener en de effecten daarvan en gaat waar nodig over tot aanpassing van de werkwijze en/of het systeem. Daarmee handelt de Staat rechtmatig. Voor het treffen van een ordemaatregel om de Staat te verbieden de (resultaten van de) e-screener nog langer te gebruiken is dan ook geen aanleiding. De vordering om de Staat te veroordelen de resultaten van de e-screener te (doen) vernietigen treft op grond van het vorenstaande (nog daargelaten dat dit een onomkeerbare maatregel is waarvoor in kort geding geen plaats is) hetzelfde lot.

Verstrekken bescheiden

4.29.

Artikel 843a Rv biedt een partij de mogelijkheid om kennis te nemen van bescheiden waarover zij niet, maar een ander wel beschikt. Een op basis van dit artikel ingestelde vordering is, behoudens in de gevallen genoemd in het derde en vierde lid van dit artikel, toewijsbaar als het gaat om concreet door de eiser geduide bescheiden die betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarin hij (of zijn rechtsvoorganger) partij is, en de eiser een rechtmatig belang heeft bij inzage in, of afschrift dan wel uittreksel van, die bescheiden. Het vierde lid bepaalt dat degene die over de bescheiden beschikt of ze onder zijn berusting heeft geen inzage daarin, of afschrift dan wel uittreksel daarvan, hoeft te geven als daar gewichtige redenen voor zijn. Of in een concreet geval een dergelijke ingeroepen gewichtige reden bestaat die tot afwijzing van de vordering of het verzoek moet leiden waar het vertrouwelijke gegevens betreft, dient door de rechter met afweging van alle betrokken belangen, gemotiveerd te worden beslist. Het ligt op de weg van de partij die zich op het bestaan van die gewichtige reden beroept om te stellen en zo nodig aannemelijk te maken met betrekking tot welke gegevens zij het bestaan van haar belang bij vertrouwelijkheid inroept en, zo nodig, waarin dat belang bestaat. Daarbij dient de opgave zo specifiek te zijn dat de rechter zich een oordeel kan vormen over de gerechtvaardigdheid van het beroep (HR 26 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1985, r.o. 3.4.2).

4.30.

Ten aanzien van de gevorderde stukken sub vi (de aanbestedingstukken) heeft de Staat gesteld dat deze stukken bij Wob-besluit van 25 maart 2019 al aan de Jagersvereniging en de KNSA zijn verstrekt. Eisers betwisten dat, maar hebben deze betwisting verder niet onderbouwd. Gelet hierop en nu eisers ook niet hebben onderbouwd welk rechtmatig belang zij erbij hebben om over de aanbestedingsstukken te beschikken, zal de vordering op dit punt worden afgewezen.

4.31.

De Staat heeft betwist dat de gevorderde stukken sub iii (de bewerkingsovereenkomst met TNO en de subbewerkingsovereenkomsten die TNO met haar onderaannemers sloot) bestaan. Tegen deze betwisting hebben de eisers niets ingebracht, zodat de vordering op dit punt ook zal worden afgewezen.

4.32.

Bij toewijzing van de vordering om afgifte van de werkinstructies (sub vii) hebben eisers geen belang meer, omdat die werkinstructie in dit kort geding door de Staat is overgelegd. Ook die vordering zal worden afgewezen.

4.33.

De overige gevorderde stukken hebben allemaal betrekking op de inhoud en werking van de e-screener. De Staat heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij gewichtige redenen heeft om in die stukken geen inzage te verstrekken, omdat die stukken – om te voorkomen dat de werking van de e-screener wordt ondermijnd – vertrouwelijk moeten blijven (vgl onder 4.19). Onder deze omstandigheden kan van de Staat niet verlangd worden dat hij inzage in deze stukken verstrekt. De toezegging van eisers dat zij de betreffende stukken vertrouwelijk zullen behandelen maakt dit niet anders. Begrijpelijk is dat de Staat die mondelinge toezegging – zonder enige waarborgen – gelet op het belang van de Staat niet toereikend vindt. Hier komt nog bij dat eisers afgifte van deze stukken ook niet nodig hebben om het door hen gestelde doel te bereiken, omdat de Staat ter zitting toegezegd heeft desgewenst medewerking te zullen verlenen aan een voorlopig deskundigenbericht, met de daaraan verbonden (vertrouwelijkheids)waarborgen. Hiermee kunnen de eisers het door hen beoogde doel – een onderbouwd rapport op laten stellen door een deskundige over de e-screener – ten behoeve van een eventuele bodemprocedure ook bereiken.

Proceskosten

4.34.

Aangezien alle vorderingen van eisers worden afgewezen, worden zij – als in de in het ongelijk gestelde partij – veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt de Jagersvereniging en de KNSA hoofdelijk in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.619,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 639,-- aan griffierecht;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2020.

idt