Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:10083

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
08-10-2020
Zaaknummer
AWB 20/996
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vovo VK - 8 EVRM - aanvraag buiten behandeling.- bezwaar geen redelijke kans van slagen - verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 20/996

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 augustus 2020 in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster,

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M. Flipse),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. K.H.A.M. Elias).

Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd “humanitair niet tijdelijk” artikel 8 van het verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) afgewezen.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Met toestemming van partijen heeft voorzieningenrechter een zitting achterwege gelaten.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.

2. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3. Gedurende de behandeling van het bezwaar zal uitzetting niet achterwege worden gelaten. Verzoekster heeft daarom een spoedeisend belang bij de verzochte voorziening.

4. Bij de beoordeling toetst de voorzieningenrechter of het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag een redelijke kans van slagen heeft.

5. De voorzieningenrechter neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Verzoekster is geboren op [1993] en heeft de Iraakse nationaliteit. Verzoekster is op 3 maart 2018 bevallen van haar zoontje dat op [2018] is overleden. Haar zoontje ligt in Nederland begraven.

Verzoekster heeft op 2 juli 2019 verzocht om een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Bij brief van 18 november 2019 heeft verweerder verzoekster in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken diverse gegevens en stukken in te dienen. Verzoekster heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Bij brief van 21 november 2019 is verzoekster uitgenodigd om de aanvraag in persoon in te dienen en griffierecht te betalen. Verzoekster heeft van deze mogelijkheid ook geen gebruikt gemaakt. Bij brief van 6 december 2019 is verzoekster nogmaals uitgenodigd om te verschijnen op gesprek op 9 januari 2020. Bij brief van 23 december 2019 heeft eiseres verweerder verzocht de afspraak te verzetten naar een andere locatie, mede met het oog op haar gezondheid. Bij brief van 2 januari 2020 heeft verweerder dit verzoek afgewezen omdat verzoekster haar gezondheidssituatie niet met stukken heeft onderbouwd.

6. Verweerder heeft de aanvraag van verzoekster buiten behandeling gesteld op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat de aanvraag niet in persoon is ingediend en de overgelegde gegevens en bescheiden onvoldoende waren voor de beoordeling van de aanvraag. Ook is geen griffierecht betaald.

7. Verzoekster heeft aangevoerd dat verweerder de aanvraag ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld. Het klopt dat verzoekster niet is verschenen op de afspraak van 10 januari 2020, maar dit heeft zij tijdig gemeld. Verzoekster heeft aangegeven niet in staat te zijn om vanuit [woonplaats] , waar zij woont, naar Zwolle te reizen omdat zij zwaar depressief is. Verweerder heeft hier ten onrechte geen rekening mee gehouden met verzoekster.

8. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

9. Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten een aanvraag niet te behandelen, als de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag. De aanvrager moet wel de gelegenheid hebben gehad om de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

10. Niet in geschil is dat verzoekster op 2 juli 2019 een onvolledige aanvraag heeft ingediend en dat zij geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om deze aan te vullen. Ook is niet in geschil dat verzoekster niet is verschenen op de afspraken van 5 december 2019 en 9 januari 2020 om de aanvraag in persoon in te dienen en de leges te voldoen. De voorzieningenrechter is op basis van deze informatie (voorlopig) van oordeel dat verweerder de aanvraag buiten behandeling heeft mogen stellen.

11. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat verweerder niet onzorgvuldig heeft gehandeld door het verzoek om de afspraak van 9 januari 2020 te verplaatsen af te wijzen.

Verzoekster heeft haar stelling dat zij medisch niet in staat was om vanuit [woonplaats] naar Zwolle te reizen niet onderbouwd. Dat verweerder door de eerdere procedures op de hoogte zou zijn van de persoonlijke en medische problemen van verzoekster doet daar niet aan af. Met die informatie is immers niet onderbouwd waarom verzoekster op 9 januari 2020 niet naar Zwolle kon reizen.

12. Verzoekster heeft aangevoerd dat het opgelegde inreisverbod van twee jaar in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Het overleden kindje van verzoekster ligt in Nederland begraven. Verzoekster is nog altijd zeer depressief en het bezoeken van dit grafje biedt haar enige troost.

13. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster in haar verzoek om een voorlopige voorziening wil bereiken dat zij gedurende de bezwaarprocedure niet zal worden uitgezet.

Met schorsing van het inreisverbod valt dit niet te realiseren omdat de opschorting van het inreisverbod haar geen verblijfstitel op grond waarvan zij in Nederland mag verblijven.

De voorzieningenrechter komt in het kader van deze procedure daarom niet toe aan de beoordeling van de rechtmatigheid van het opgelegde inreisverbod.

14. Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat op grond van de thans voorhanden zijnde gegevens het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft.

15. Aangezien ook overigens, gelet op de betrokken belangen, in het onderhavige geval geen aanleiding bestaat voor het treffen van de gevraagde voorziening, zal het verzoek worden afgewezen.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schuman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.G.C. Bulten, griffier, op 4 augustus 2020.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd De voorzieningenrechter is verhinderd

om deze uitspraak te ondertekenen om deze uitspraak te ondertekenen

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.