Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:1007

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-02-2020
Datum publicatie
02-03-2020
Zaaknummer
AWB - 19 / 3508
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag verblijfsvergunning wegens huiselijk geweld is afgewezen. Eiseres kan zich onttrekken aan huiselijk geweld door terug te gaan naar haar land van herkomst. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 19/3508

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S. Bouddount),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. van Nijnatten).

Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’ afgewezen.

Bij besluit van 9 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2019.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen L. Makadan.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1965 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiseres heeft onderhavige aanvraag ingediend omdat zij slachtoffer is geworden van huiselijk geweld.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen. Verweerder heeft aangenomen dat eiseres in Nederland slachtoffer is geworden van huiselijk geweld maar heeft gesteld dat eiseres zich kan onttrekken aan het huiselijk geweld door zich te vestigen in haar land van herkomst. In het bezwaarschrift van eiseres heeft verweerder geen aanleiding gezien om tot een andere beslissing te komen.

3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert aan dat zij zich niet kan onttrekken aan het huiselijk geweld in Marokko. De man van eiseres heeft gedreigd en gezworen haar te vermoorden waar zij zich ook moge bevinden. Eiseres kan in Marokko niet terugvallen op familie. Ze heeft in Marokko sinds de dood van haar moeder in 2003 niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats en heeft geen netwerk waarop ze kan terugvallen. Ook haar broers en haar zus in Marokko willen haar niet bijstaan omdat een slecht huwelijk volgens hen aan eiseres zelf te wijten is en zij hoort te worden onderhouden door haar echtgenoot. Daarnaast kan eiseres zichzelf niet onderhouden in Marokko. Haar broers en zussen hebben geen financiële middelen om haar te onderhouden. Eiseres zelf kan als ongeschoolde vijftigplusser zonder werkervaring geen werk vinden op de krappe Marokkaanse arbeidsmarkt. Ook haar in Nederland wonende zus heeft geen middelen nu zij een bijstandsuitkering ontvangt. Voorts betoogt eiseres dat de Marokkaanse overheid geen bescherming biedt aan vrouwen die slachtoffer zijn van huiselijk geweld.

3.1.

In beroep heeft eiseres haar stellingen met stukken onderbouwd en aangevoerd dat de stukken meegenomen moet worden in de procedure nu zij dienen ter nadere onderbouwing van een eerder ingenomen standpunten. Eiseres heeft overgelegd:

  • -

    een verklaring onder ede van twee broers en één zus in Marokko (met vertaling);

  • -

    een kopie van de overlijdensakte van haar moeder;

  • -

    een kopie van een familieboekje waaruit blijkt dat appellante twee broers en twee zussen heeft;

  • -

    tien sms-berichten van de echtgenoot van eiseres waarin hij haar bedreigt met de dood (met vertaling);

  • -

    een proces-verbaal aangifte van eiseres van 14 juli 2019 van bedreiging door haar echtgenoot; en

  • -

    een deskundigenbericht van dr. E. Bartels van 9 juli 2019.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1.

Verweerder verleent een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder f, van het Vreemdelingenbesluit 2000 aan de vreemdeling die slachtoffer is geworden of dreigt te worden van huiselijk geweld. Verweerder heeft voor toepassing hiervan cumulatieve voorwaarden gesteld in paragraaf B8/2.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000. In geschil is de voorwaarde onder punt 4. onder de kop ‘huiselijk geweld’: het slachtoffer kan zich niet onttrekken aan het huiselijk geweld door vestiging in het land van herkomst. Volgens het beleid moet naast geweld of dreiging in Nederland ook in het land van herkomst een dreiging aanwezig zijn. Hiervoor moet aannemelijk worden gemaakt dat van de familieleden die in het land van herkomst wonen, dreiging uitgaat.

4.2.

Eiseres heeft in beroep stukken overgelegd omtrent haar onmogelijkheid zich te vestigen in haar land van herkomst. De rechtbank overweegt dat de bestuursrechter in een beroepsprocedure toetst naar de stand van zaken ten tijde van het bestreden besluit. De bestuursrechter mag geen rekening houden met feiten en omstandigheden die verweerder niet heeft kunnen betrekken in zijn beoordeling (ex tunc-toetsing). Eiseres betoogt dat de stukken moeten worden meegenomen daar zij dienen als nadere onderbouwing van een eerder ingenomen standpunt.

4.3.

De rechtbank volgt dit betoog van eiseres niet. Het is vaste jurisprudentie – onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 juli 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2900) – dat een nadere onderbouwing niet in de weg staat van het indienen van stukken in beroep. De stukken mogen echter niet bij de beoordeling van het beroep worden betrokken indien de stukken nieuwe informatie bevatten waar verweerder geen rekening mee heeft kunnen houden. De stukken die eiseres in beroep heeft overgelegd zien toe op haar broers en haar zus in Marokko, het overlijden van de moeder van eiseres en een deskundigenbericht met een algemene en op eiseres toegespitste conclusie. Nu deze stukken niet eerder zijn ingediend en verweerder geen rekening heeft kunnen houden met de inhoud ervan, heeft verweerder de stukken niet kunnen betrekken in zijn besluitvorming en laat de rechtbank om deze reden de stukken in zijn beoordeling buiten beschouwing. De rechtbank overweegt hierbij dat verweerder eiseres erop heeft gewezen om bewijsstukken te overleggen in het aanvraagformulier, de herstelverzuimbrief van 29 augustus 2018 en het primaire besluit. Desalniettemin heeft zij haar standpunten voor het eerst in beroep met stukken onderbouwd. De stukken zien niet op een nadere onderbouwing van eerder ingenomen standpunten, maar zijn een eerste onderbouwing.

4.4.

Gelet hierop, heeft eiseres haar stellingen niet met stukken onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij zich niet in Marokko kan vestigen. Eiseres voldoet niet aan de voorwaarden voor de aanvraag.

5. De rechtbank ziet gezien de betrokken belangen en in het kader van finale geschilbeslechting aanleiding om een inhoudelijke beoordeling te geven over de overgelegde stukken.

5.1.

Eiseres heeft aangevoerd dat haar familie als mogelijke ‘oplossing’ zelfmoord aanraadt. Ook heeft blijkens het deskundigenbericht haar familie in Marokko haar beschuldigd van respectloos en oneerbaar gedrag en aangegeven dat ze de familie te schande heeft gemaakt. Ter onderbouwing hiervan is (een vertaling van) een verklaring onder ede van haar twee broers en één zus overgelegd, waarin het volgende staat:

“Dit gezegd hebbende, weten wij met zekerheid, om redenen van haar veiligheid ingeval zij uitgewezen mocht worden, dat zij bij niemand onderdak zal krijgen en wij zijn ervan overtuigd dat zij in dit geval haar verstandelijke vermogens zal verliezen en zelfmoord pleegt, als enige middel om zich van haar nachtmerries te bevrijden. Wij hopen dat dit niet gaat gebeuren, als de Nederlandse autoriteiten deze humanitaire zaak in overwegingen nemen.”

5.2.

De rechtbank overweegt dat uit de verklaring niet volgt dat haar familie haar aanraadt om zelfmoord te plegen of haar beschuldigt van respectloos en oneerbaar gedrag. De verklaring schetst een beeld van mogelijke gevolgen als eiseres geen onderdak zou krijgen, maar toont geen dreigement vanuit de familieleden. Tevens volgt uit de verklaring niet dat de familie haar weigert te ondersteunen maar juist dat ze hopen dat eiseres niet wordt gedreven tot het plegen van zelfmoord.

5.3.

Ten aanzien van het deskundigenbericht overweegt de rechtbank dat het deskundigenbericht een weergave is van de eigen verklaringen van eiseres. Uit het deskundigenbericht blijkt dat de deskundige het verhaal van eiseres enkel van commentaar voorziet en niet dat haar verhaal is geverifieerd of door de deskundig is bevestigd. De geschetste situatie in het rapport is niet met stukken onderbouwd of volgt de rechtbank gelet op de verklaring onder ede niet. Evenmin zijn de gevolgen die de deskundige aan de geschetste situatie verbindt met stukken onderbouwd. De enkele stelling dat de deskundige veel onderzoekservaring en wetenschappelijke publicaties heeft, is onvoldoende.

5.4.

De overige stukken zien op het huiselijk geweld in Nederland en behoeven geen bespreking nu het niet in geschil is. De rechtbank overweegt dat uit de overgelegde stukken niet volgt dat vanuit de familie van eiseres een dreiging uitgaat noch dat familieleden haar niet kunnen of willen opvangen. Eiseres heeft niet met stukken onderbouwd en aannemelijk gemaakt dat er in Marokko een dreiging aanwezig is en dat eventueel de autoriteiten haar niet kunnen beschermen tegen de dreiging.

Conclusie

6. Verweerder heeft het bestreden besluit op juiste gronden genomen. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. G.A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.