Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2020:10022

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-08-2020
Datum publicatie
07-10-2020
Zaaknummer
NL20.12985
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin, Frankrijk, N.H. en anderen tegen Frankrijk, indirect réfoulement, ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.12985

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H. Loth), en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: J.R. Toussaint).

Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak NL20.12986, plaatsgevonden op 28 juli 2020. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.

  2. Eiser voert aan dat hij geen vertrouwen heeft in het Franse asielsysteem en de opvang in Frankrijk. Hij vreest ook voor indirect réfoulement, omdat hij in Frankrijk uitgeprocedeerd is. Daarbij voert eiser aan dat hij medische klachten heeft, zoals tuberculose en ernstige depressie. Eiser heeft verweerder dan ook indirect verzocht om de discretionaire bevoegdheid op basis van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening toe te passen. In dit verband verwijst eiser naar het arrest Halaf van 30 mei 2013 van het Hof van Justitie van

de Europese Unie (HvJEU)1, waaruit blijkt dat een lidstaat een asielaanvraag aan zich kan trekken vanwege politieke, humanitaire en praktische overwegingen. Verweerder heeft ten onrechte geen gebruik gemaakt van deze discretionaire bevoegdheid. Voornoemde bezwaren gelden onverkort ten aanzien van de gevolgen van het overdrachtsbesluit. Verder wijst eiser op een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 2 juli 2020, inzake N.H. en anderen tegen Frankrijk (arrest N.H. en anderen tegen Frankrijk)2. Eiser noemt dit arrest in samenhang met het arrest Jawo van 19 maart 2019 van het HvJEU3 dat in het bestreden besluit wordt genoemd en waarin criteria zijn omschreven wanneer en of er sprake is van schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). In het arrest van 2 juli 2020 heeft het EHRM namelijk geoordeeld dat Frankrijk in strijd met artikel 3 van het Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft gehandeld bij drie alleenstaande mannen, die rond 2013 in Frankrijk asiel hebben aangevraagd. Zij kregen maandenlang geen geld of opvang gedurende de behandeling van hun aanvraag, terwijl zij niet mochten werken.

Frankrijk was verantwoordelijk voor hun slechte leefomstandigheden. Volgens eiser is dit arrest van belang voor de omvang van de verantwoordelijkheid van lidstaten voor de opvang van asielzoekers en is dit zeker in het geval van eiser relevant omdat hij eveneens een alleenstaande man is die problemen heeft gehad in Frankrijk.

3. De rechtbank overweegt als volgt. In het arrest N.H. en anderen tegen Frankrijk heeft het EHRM in de individuele gevallen van de drie mannen uit deze zaak geoordeeld dat artikel 3 van het EVRM is geschonden door Frankrijk. Deze mannen waren tijdens hun asielprocedure afhankelijk van de staat voor hun onderdak en financiën, omdat ze niet mochten werken. Frankrijk heeft niet in deze behoeften voorzien en om die reden is Frankrijk verantwoordelijk geacht voor hun slechte leefomstandigheden. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee niet aannemelijk gemaakt dat Frankrijk in het algemeen de verdragsverplichtingen niet nakomt. Daarnaast is het geval van eiser niet vergelijkbaar met de door het EHRM beoordeelde situatie. Uit de gegevens van het gehoor van eiser en uit Eurodac-gegevens blijkt dat eiser in 2016 een asielaanvraag heeft gedaan in Frankrijk en dat deze is afgewezen. Eiser is daarna naar Duitsland vertrokken, heeft daar een asielaanvraag gedaan en is vervolgens naar eigen zeggen in december 2017 weer teruggekeerd naar Frankrijk. In Frankrijk heeft eiser in oktober 2018 opnieuw een asielaanvraag gedaan en hij heeft aangegeven dat hij ziekenhuisopvang en tijdelijke opvang heeft gehad. Hij is in Frankrijk gebleven tot hij de afwijzing van zijn asielaanvraag ontving in februari 2020. In de periode waarin eiser aangeeft dat hij heeft rondgezworven is het niet gebleken dat eiser in de asielprocedure in Frankrijk was en het is daarom ook niet gebleken dat Frankrijk uit dien hoofde toen verantwoordelijk was voor eisers leefomstandigheden. Ook blijkt uit de verklaringen van eiser dat hij wel opvang heeft gehad en toegang heeft gehad tot medische zorg. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom niet gebleken dat Frankrijk in het geval van eiser artikel 3 van het EVRM heeft geschonden of dit zal gaan doen.

4. Uit het arrest N.H. en anderen tegen Frankrijk kan niet worden afgeleid dat in zijn algemeenheid ten opzichte van Frankrijk niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. Het EHRM heeft namelijk beslist in drie individuele gevallen. Ook verder heeft eiser geen informatie overgelegd die aanleiding geeft

1. C-528/11, ECLI:EU:C:2013:342.

2 Nummers 28820/13, 75547/13 en 13114/15, ECLI:CE:ECHR:2020:0702JUD002882013.

3 C-163/17, ECLI:EU:C:2019:218.

voor het oordeel dat in Frankrijk sprake is van systematische tekortkomingen in het Franse asiel- en opvangsysteem. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij geen asiel zal kunnen aanvragen of geen opvang zal krijgen. Verder overweegt de rechtbank dat Frankrijk met het claimakkoord garandeert dat een asielaanvraag van eiser in behandeling zal worden genomen en zijn situatie zal worden beoordeeld aan dezelfde criteria als in Nederland. De garantie van de lidstaat om het asielverzoek in behandeling te nemen omvat ook de verantwoordelijkheid dat een eventuele uitzetting niet in strijd met het verbod van réfoulement zal zijn. Dat sprake is van indirect réfoulement omdat eiser al is uitgeprocedeerd volgt de rechtbank dan ook niet. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om de zaak aan te houden voor nader onderzoek.

5. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening kan in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Dublinverordening, een lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom hij geen aanleiding ziet om eisers aanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening onverplicht te behandelen. Eiser heeft geen medische stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn gestelde medische problematiek. Ook verder heeft eiser niet onderbouwd waarom verweerder gebruik zou moeten maken van de bevoegdheid uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.

7. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het bestreden besluit voldoende zorgvuldig heeft gemotiveerd en voorbereid.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. T.R. Oosterhoff - Vos, griffier.

Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.

De uitspraak is gedaan en bekendgemaakt op:

04 augustus 2020

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.