Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:9986

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-09-2019
Datum publicatie
24-09-2019
Zaaknummer
09/797388-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 6 Wegenverkeerswet 1994. De verdachte heeft zich als automobilist aanmerkelijk onvoorzichtig gedragen in het verkeer en daarmee een ernstig verkeersongeval veroorzaakt. Hij heeft een auto ingehaald waar dat gezien de verkeerssituatie ter plaatse (in de nabijheid van een vluchtheuvel) onverantwoord en gevaarlijk was en daarbij met een veel te hoge snelheid gereden. Aldus heeft de verdachte de ter plaatse geldende maximale snelheid van 30 km/uur in ernstige mate overschreden. Door deze handelwijze is zijn auto frontaal in botsing gekomen met de bestuurder van een bromfiets en is hij met zijn auto over die bestuurder heengereden, die daardoor zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Bij de strafoplegging heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij het LOVS oriëntatiepunt met betrekking tot aanmerkelijke schuld ten aanzien van het veroorzaken van een verkeersongeval, waarbij een slachtoffer zwaar lichamelijk letsel is toegebracht. Aan de verdachte is opgelegd een taakstraf van 120 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid om motorrijtuigen te besturen die gelijk is aan de tijd dat het rijbewijs ingevorderd en ingehouden is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/797388-16

Datum uitspraak: 23 september 2019

Tegenspraak (ex art. 279 Sv)

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboorte datum] te Leiderdorp,

BRP-adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 25 mei 2018 en 9 september 2019.

De rechtbank heeft op de terechtzitting van 9 september 2019 kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. N. Bakker en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. J.G.D. Rutten – daartoe door (de niet op de terechtzittingen verschenen) verdachte uitdrukkelijk gemachtigd als bedoeld in art. 279 van het Wetboek van Strafvordering – naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 02 september 2016 te Hazerswoude-Rijndijk, gemeente Alphen aan den Rijn, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto), daarmede rijdende over de weg, de Rijndijk zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, als volgt te handelen:

hij, verdachte aldaar,

- niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen en/of onvoldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of (vervolgens)

- vlak voor een in die weg gelegen vluchtheuvel een voor hem rijdende auto heeft ingehaald en daarbij snelheid heeft vermeerderd en/of (vervolgens)

- heeft gereden met een snelheid van ongeveer 76 kilometer per uur, althans met een (veel) hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximum snelheid van 30 kilometer per uur en/of (vervolgens)

- heeft gereden met een gelet op de verkeersveiligheid en/of verkeerssituatie ter plaatse (veel) te hoge snelheid tengevolge waarvan hij (frontaal) in botsing is gekomen met een hem tegemoetkomende bromfietser en/of (vervolgens) over die bromfietser heen is gereden, waardoor een ander te weten die bromfietser (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten gebroken kuitbeen en/of open broekfractuur van het bekken en/of gescheurde (buik)ader en/of een longcontusie en/of wervelfractuur en/of ernstige wonden aan (onder)been, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij de krachtens deze wet gestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 02 september 2016 te Hazerswoude-Rijndijk, gemeente Alphen aan den Rijn, als bestuurder van een voertuig (auto), daarmee rijdende op de weg, de Rijndijk, als volgt heeft gehandeld:

hij, verdachte aldaar,

- niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen en/of onvoldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of (vervolgens)

- vlak voor een in die weg gelegen vluchtheuvel een voor hem rijdende auto heeft ingehaald en daarbij snelheid heeft vermeerderd en/of (vervolgens)

- heeft gereden met een snelheid van ongeveer 76 kilometer per uur, althans met een (veel) hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximum snelheid van 30 kilometer per uur en/of (vervolgens)

- heeft gereden met een gelet op de verkeersveiligheid en/of verkeerssituatie ter plaatse (veel) te hoge snelheid tengevolge waarvan hij (frontaal) in botsing is gekomen met een hem tegemoetkomende bromfietser en/of (vervolgens) over die bromfietser heen is gereden, waardoor een ander te weten die bromfietser (genaamd [slachtoffer] ) letsel heeft bekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon

worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon

worden gehinderd.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding1

Op 2 september 2016 heeft te Hazerswoude-Rijndijk een verkeersongeval plaatsgevonden, waarbij de verdachte als bestuurder van een bestelauto, merk Seat, betrokken is geweest en [slachtoffer] als bestuurder van een bromscooter gewond is geraakt.2

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde. De officier van justitie kwalificeert de mate van schuld van de verdachte als zeer onvoorzichtig.

3.3

Het standpunt van de verdediging

Namens de verdachte heeft de raadsman ten aanzien van het primair tenlastegelegde vrijspraak bepleit. Daartoe is – met verwijzing naar een arrest van het Gerechtshof Arnhem van 19 juni 2011, ECLI:NL:GHAR:2011:BR7021 – aangevoerd dat bij de vaststelling van de mate van schuld van de verdachte ook moet worden betrokken de vraag of zich de omstandigheid voordoet dat er door de andere weggebruiker eveneens een verkeersfout is gemaakt. Die omstandigheid kan ertoe leiden dat niet is bewezen dat de verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

De raadsman stelt zich op het standpunt dat dit in deze zaak het geval is geweest doordat de bromfietser [slachtoffer] onverhoeds de rijbaan is opgereden, zoals door de [getuige 1] is verklaard. Het is mede door de verkeersfout van [slachtoffer] dat de aanrijding heeft plaatsgevonden.

De verdachte heeft weliswaar 30 à 35 km harder gereden dan ter plaatse is toegestaan, maar deze gedraging is op zichzelf onvoldoende voor de vaststelling dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld. Daarmee kan aan de verdachte zeker een strafrechtelijk verwijt worden gemaakt, maar dan in de zin van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Dit betekent dat de verdachte van het primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken en dat het subsidiair tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard, aldus de raadsman.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de feitelijke gedragingen die de verdachte ten laste zijn gelegd, kunnen worden bewezen en, indien dat het geval is, de vraag of die gedragingen kunnen worden gekwalificeerd als een overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 dan wel een overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank stelt op grond van het onderzoek ter terechtzitting, waaronder de stukken in het dossier, de volgende feiten en omstandigheden vast.

[getuige 2] heeft verklaard3 dat hij op 2 september 2016 omstreeks 16:45 uur fietste vanuit de richting van Hazerswoude-Rijndijk richting Leiden en dat hij door een scooter werd ingehaald. Hij zag dat deze scooter via de stoep de rijbaan van de Rijndijk opreed en dat er vanuit de richting Leiden een auto aan kwam rijden. Op het moment dat de scooter de weg opreed, hoorde hij beide voertuigen remmen. Hij zag dat de scooter blokkeerde en de bestuurder werd gelanceerd en voor de scooter op de grond kwam. Hij zag vervolgens dat de auto over de scooterbestuurder en daarna over de scooter heen reed. [getuige 3] heeft verklaard4 dat hij met zijn auto ten tijde van het ongeval zelf langzamer dan 50 reed omdat het daar een gevaarlijke situatie is. Hij werd net voor een vluchtheuvel ingehaald door het voertuig dat het ongeval heeft veroorzaakt. Hij schat dat het voertuig zeker 60 kilometer per uur reed. Hij zag dat het voertuig snel de baan opreed waar hij ook op reed. Hij zag dat het voertuig remde en dat er rook bij de banden vandaan kwam. Hij zag dat er iets van rechts kwam en dat het voertuig daarover heen reed. De verdachte heeft bij de politie verklaard5 dat hij via het fietspad een scooter zag aan komen rijden vanuit de tegengestelde richting. Hij zag dat de scooter het wegdek op kwam rijden en voor zijn auto terechtkwam. De afstand tussen de scooter en zijn auto betrof minder dan vijf meter.

De dienst regionale recherche, forensische opsporing van de politie eenheid Den Haag, heeft op 2 september 2016 omstreeks 17:00 uur ter plaatse een onderzoek ingesteld naar de toedracht van het verkeersongeval, waarbij een bestelauto en een bromfiets betrokken zijn geraakt.6

Uit dit onderzoek is gebleken dat het ongeval heeft plaatsgevonden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijndijk binnen de bebouwde kom van Hazerswoude-Rijndijk, gemeente Alphen aan den Rijn. De locatie van het ongeval bevindt zich binnen een 30 km/uur zone. Bij het sporenonderzoek zijn twee bandensporen gezien.7

Aansluitend op het sporenonderzoek zijn ter plaatse remproeven gehouden om de remvertraging van de Seat te bepalen. Het langst zichtbare bandenspoor had een lengte van ongeveer 31,6 meter. De bandensporen waren afkomstig van remmen met blokkerende wielen. Op de voorbanden van de Seat zijn slijtagesporen gezien, afkomstig van het remmen met geblokkeerde wielen. Het is daarom zeer waarschijnlijk dat de bandensporen afkomstig zijn van de Seat. De snelheidsafname op de bandensporen is minimaal ongeveer 74 km/uur geweest en maximaal ongeveer 76 km/uur. Indien de Seat niet harder had gereden dan de toegestane maximumsnelheid van 30 km/uur dan had de Seat eerder tot stilstand kunnen worden gebracht. Uitgaande van het zelfde punt van waarnemen, had de Seat minimaal

14,9 meter en maximaal 28,3 meter voor de plaats van confrontatie stil kunnen staan.8

Vanuit de rijrichting van de Seat stonden meerdere verkeersborden geplaatst die aangaven dat het een 30 km/uur zone betrof en kort voor de ongevalslocatie was op het wegdek “30” aangebracht.9

[slachtoffer] heeft bij de politie verklaard dat hij als gevolg van de aanrijding onder meer een gebroken kuitbeen, een open boekfractuur van het bekken en een gescheurde ader heeft opgelopen.10 Op de dag van het ongeval is [slachtoffer] medisch onderzocht. Bij dit onderzoek is onder meer als letsel geconstateerd: een wervelfractuur, een longcontusie en ernstige wonden aan een onderbeen.11

Is sprake van schuld als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994?

Ter beantwoording staat de vraag of de verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval en zo ja, in welke mate. Daarbij komt het, volgens vaste rechtspraak, aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan niet reeds worden afgeleid dat sprake is van schuld.

Uit de bewijsmiddelen volgt, kort gezegd, dat de verdachte vlak voor een vluchtheuvel een andere auto heeft ingehaald, met een snelheid die ver boven de daar geldende maximumsnelheid lag en met nog immer een veel te hoge snelheid op de Rijndijk is blijven rijden. Het rijden met een snelheid van ongeveer 76 kilometer per uur waar een maximum snelheid van 30 kilometer per uur geldt, merkt de rechtbank als een ernstige overschrijding van de maximumsnelheid aan. Het gevolg hiervan was dat hij in botsing kwam met het slachtoffer die op zijn bromfiets van het fietspad de weg was opgereden.

De rechtbank acht het op grond van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk geworden dat indien de verdachte niet die inhaalmanoeuvre vlak voor een vluchtheuvel had gemaakt én de maximumsnelheid niet in zo’n ernstige mate had overschreden, hij het slachtoffer eerder had gezien en zijn auto tijdig tot stilstand had kunnen brengen. De verdachte heeft aldus met onvoldoende aangepaste snelheid en aandacht voor het verkeer en de verkeerssituatie gereden en is met een grote snelheid tegen het slachtoffer aangereden. Hieruit concludeert de rechtbank dat de verdachte zijn vermogens in het verkeer niet heeft aangewend, zoals dat in het algemeen van een bestuurder van een personenauto mag worden verwacht en daarmee de op hem rustende zorgplicht om gevaarzettende situaties te voorkomen heeft geschonden. De rechtbank acht dit verkeersgedrag van de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig.

Als gevolg van dit ongeval is het slachtoffer gewond geraakt. De rechtbank merkt het letsel dat het slachtoffer door het ongeval heeft opgelopen aan als zwaar lichamelijk letsel.

Gedragingen slachtoffer

Door de raadsman is nog betoogd dat de verdachte van het primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, omdat de aanrijding mede is veroorzaakt doordat het slachtoffer een verboden manoeuvre heeft uitgevoerd.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

De rechtbank stelt voorop dat eigen schuld of medeschuld in beginsel niet relevant is voor het bewijs van de schuld van de verdachte. Dit is slechts anders indien de onvoorzichtigheid van de ander zo groot is geweest dat de onvoorzichtigheid van de verdachte te gering wordt om schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 op te leveren.

Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet, althans onvoldoende gebleken dat er sprake zou zijn van schuld of medeschuld van het slachtoffer. Andere verkeersdeelnemers hoeven geen rekening te houden met iemand die zoveel te hard reed als verdachte.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

hij op 02 september 2016 te Hazerswoude-Rijndijk, gemeente Alphen aan den Rijn, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (auto), daarmede rijdende over de weg, de Rijndijk zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig als volgt te handelen:

hij, verdachte aldaar,

- niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen en onvoldoende aandacht heeft gehad voor het verkeer en de verkeerssituatie ter plaatse en

- vlak voor een in die weg gelegen vluchtheuvel een voor hem rijdende auto heeft ingehaald en

- heeft gereden met een snelheid van ongeveer 76 kilometer per uur, te weten een veel hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximum snelheid van 30 kilometer per uur

en

- heeft gereden met een gelet op de verkeersveiligheid en verkeerssituatie ter plaatse veel te hoge snelheid tengevolge waarvan hij frontaal in botsing is gekomen met een hem tegemoetkomende bromfietser en vervolgens over die bromfietser heen is gereden, waardoor een ander te weten die bromfietser (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten gebroken kuitbeen en open boekfractuur van het bekken en gescheurde buikader en een longcontusie en wervelfractuur en ernstige wonden aan onderbeen, werd toegebracht, terwijl hij de krachtens deze wet gestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 2.500,= subsidiair 35 dagen hechtenis, een geheel voorwaardelijke taakstraf van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 730 dagen, waarvan 556 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingehouden is geweest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zich als automobilist aanmerkelijk onvoorzichtig gedragen in het verkeer en daarmee een ernstig verkeersongeval veroorzaakt. Hij heeft een auto ingehaald waar dat gezien de verkeerssituatie ter plaatse (in de nabijheid van een vluchtheuvel) onverantwoord en gevaarlijk was. Bij die inhaalmanoeuvre heeft hij met een veel te hoge snelheid gereden en aldus de ter plaatse geldende maximale snelheid van 30 km/uur in ernstige mate, te weten met tenminste 44 km/uur, overschreden.

Door zijn handelwijze is zijn auto frontaal in botsing gekomen met de bestuurder van een bromfiets en met zijn auto over die bestuurder is heen gereden, die daardoor zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

De gevolgen van het ongeval zijn voor het slachtoffer bijzonder groot geweest. Op de zitting heeft het slachtoffer gebruik gemaakt van zijn spreekrecht. Hij heeft verteld over zijn bijna dood ervaring, de vele operaties die hij heeft moeten ondergaan, waaronder 13 operaties vanwege huidtransplantaties, alsmede het operatief plaatsen van schroeven in zijn lichaam om zijn gebroken en van zijn middenrif losgeraakte bekken weer aan elkaar en aan zijn rug te laten groeien. Hij heeft na negen weken in het ziekenhuis te hebben gelegen, nog twee weken in een revalidatiekliniek verbleven waar hij opnieuw heeft moeten leren lopen.

Ook is hij door de vele letsels zijn baan kwijtgeraakt, die voor hem in fysiek opzicht te zwaar was geworden. Door de vele littekens zal hij blijvend aan het ongeval worden herinnerd. De ervaring leert dan ook dat slachtoffers van verkeersongevallen als deze, daarvan nog geruime tijd psychische last ondervinden.

In het voordeel van de verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat de verdachte, zoals blijkt uit een op zijn naam staand uittreksel uit de Justitiële Documentatie, niet eerder wegens een strafbaar feit is veroordeeld.

Bij de keuze voor de op te leggen straf en het bepalen van de hoogte ervan heeft de rechtbank tot uitgangspunt genomen wat in de jurisprudentie doorgaans wordt opgelegd voor het veroorzaken van een verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank kwalificeert het handelen van verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig. In beginsel zoekt zij dan aansluiting bij de landelijke oriëntatiepunten van straftoemeting met betrekking tot aanmerkelijke schuld ten aanzien van het veroorzaken van een verkeersongeval, waarbij een slachtoffer zwaar lichamelijk letsel is toegebracht. De LOVS oriëntatiepunten adviseren daarvoor als strafmaat een taakstraf van 120 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden. De rechtbank ziet in het geval van de verdachte geen aanleiding om van het hiervoor genoemde uitgangspunt af te wijken.

De rechtbank stelt vast dat het drie jaar heeft geduurd voordat deze zaak inhoudelijk ter terechtzitting is behandeld. Dit is echter voornamelijk het gevolg geweest van de omstandigheid dat de verdachte langdurig in het buitenland heeft verbleven en de behandeling van de strafzaak is aangehouden, zodat de verdachte bij de inhoudelijke behandeling van zijn zaak aanwezig kon zijn. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank een taakstraf van 120 uren passend en geboden. Voorts zal de rechtbank aan de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid om motorrijtuigen te besturen opleggen die gelijk is aan de tijd dat het rijbewijs ingevorderd en ingehouden is geweest.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 22 c, 22d van het Wetboek van Strafrecht;

- 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder primair tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

- overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl het feit is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

- een taakstraf voor de tijd van 120 (HONDERDTWINTIG) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 60 (ZESTIG) DAGEN;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

- ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van 174 (HONDERDVIERENZEVENTIG) DAGEN;

bepaalt, dat de tijd, dat het rijbewijs vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak reeds ingevorderd of ingehouden is geweest bij de uitvoering van de ontzegging geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.S. Neervoort voorzitter,

mr. G.P. Verbeek, rechter,

mr. M.T. Paulides, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. Gest, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 september 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het [PL nummer] , van de politie eenheid Den Haag, district Alphen aan den Rijn – Gouda, basisteam Alphen aan den Rijn, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 66).

2 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 14-15.

3 Proces-verbaal van verhoor [getuige 2] , pagina 45.

4 Proces-verbaal van verhoor [getuige 3] , pagina 61.

5 Proces-verbaal van verhoor meerderjarige [verdachte] , pagina 23.

6 Verkort proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse, [proces-verbaalnummer] , pagina 1 tot en met 8 (met daarachter gevoegd bijlagen (ongenummerd), waaronder 24 fotobladen).

7 Verkort proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse, pagina 4.

8 Verkort proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse, pagina 5.

9 Verkort proces-verbaal van verkeersongevallenanalyse, pagina 6.

10 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer] , pagina 39.

11 Geschrift, zijnde een medische verklaring op 20 maart 2017 opgesteld door [chirurg] , Leids Universitair Medisch Centrum, pagina 42.