Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:9985

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-09-2019
Datum publicatie
24-09-2019
Zaaknummer
09/857046-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Shaken Baby syndroom. De verdachte heeft zich twee keer schuldig gemaakt aan poging tot doodslag op haar dochter van enkele maanden oud doordat zij haar op twee verschillende momenten krachtig heen en weer heeft geschud, welk handelen hersenletsel tot gevolg heeft gehad. De rechtbank acht bewezen dat zij voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van haar baby. Bij de hoogte van de straf heeft de rechtbank gekeken naar wat in soortgelijke gevallen pleegt te worden opgelegd. Aan de verdachte is opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en een ambulante behandeling bij De Waag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/857046-17

Datum uitspraak: 23 september 2019

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te ‘s-Gravenhage,

BRP-adres: [adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 9 september 2019.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M.S. Warnaar en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman mr. F. Akachar naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.


zij op of omstreeks 26 oktober 2016 te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon
[slachtoffer] ( [geboortedatum slachtoffer] ) van het leven te beroven, opzettelijk die [slachtoffer] heeft vastgepakt en (met kracht) heen en weer heeft geschud en/of op die [slachtoffer] enig ander geweld heeft uitgeoefend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 26 oktober 2016 te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan haar dochter [slachtoffer] ( [geboortedatum slachtoffer] ) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk die [slachtoffer] heeft vastgepakt en (met kracht) heen en weer heeft geschud en/of op die [slachtoffer] enig ander geweld heeft uitgeoefend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 26 oktober 2016 te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland haar dochter [slachtoffer] ( [geboortedatum slachtoffer] ) heeft mishandeld door die [slachtoffer] vast te pakken en (met kracht) heen en weer te schudden en/of enig ander geweld op haar uit te oefenen;

2.

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 december 2016 tot en met 10 december 2016 te Leidschendam-Voorburg en/of elders in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [slachtoffer] ( [geboortedatum slachtoffer] ) van het leven te beroven, opzettelijk die [slachtoffer] heeft vastgepakt en (met kracht) heen en weer heeft geschud en/of op die [slachtoffer] enige ander geweld heeft uitgeoefend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 09 december 2016 tot en met 10 december 2016 te Leidschendam-Voorburg en/of elders in Nederland aan haar dochter [slachtoffer] ( [geboortedatum slachtoffer] ) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een bloeding in de hersenen en/of vochtophoping in de hersenen, heeft toegebracht door die [slachtoffer] vast te pakken en (met kracht) heen en weer te schudden en/of enig ander geweld op haar uit te oefenen;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 december 2016 tot en met 10 december 2016 te Leidschendam-Voorburg en/of elders in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan haar dochter [slachtoffer] ( [geboortedatum slachtoffer] ) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk die [slachtoffer] heeft vastgepakt en (met kracht) heen en weer heeft geschud en/of op die [slachtoffer] enig ander geweld heeft uitgeoefend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meest subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 9 december 2016 tot en met 10 december 2016 te Leidschendam-Voorburg en/of elders in Nederland opzettelijk haar dochter [slachtoffer] ( [geboortedatum slachtoffer] ) heeft vastgepakt en (met kracht) heen en weer heeft geschud en/of enig andere geweld op die [slachtoffer] heeft uitgeoefend tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (een bloeding in de hersenen en/of vochtophoping in de hersenen), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De verdachte wordt met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde verweten dat zij omstreeks 26 oktober 2016 in Den Haag haar destijds 16 weken oude dochtertje genaamd [slachtoffer] zou hebben mishandeld, onder meer door haar krachtig heen en weer te schudden. De verdachte wordt met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde verweten dat zij omstreeks 9 en 10 december 2016 in Voorburg haar inmiddels vijf maanden oude dochtertje [slachtoffer] op soortgelijke wijze als op 26 oktober 2016 zou hebben mishandeld, welke mishandeling een bloeding en vochtophoping in de hersenen van [slachtoffer] tot gevolg heeft gehad.

Ter terechtzitting heeft de verdachte het onder 1 tenlastegelegde in zoverre bekend dat zij op 26 oktober 2016 haar dochter van destijds 16 weken oud één keer heeft geschud toen zij bij haar schoonmoeder in Den Haag woonde. De verdachte heeft daarover verklaard dat zij dit niet bewust heeft gedaan en dat zij destijds niet wist welke gevolgen het schudden zou kunnen hebben. Ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde heeft de verdachte verklaard dat zij zich niet kan herinneren of zij haar dochter op 9 en/of 10 december 2016 heen en weer heeft geschud dan wel ander geweld op haar heeft uitgeoefend.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat zij van het onder 1 primair, 1 subsidiair en 1 meer subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte tijdens het schudden van haar dochter op 26 oktober 2016 vanwege haar zwakbegaafdheid geen wetenschap had dat [slachtoffer] daarvan zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen of als gevolg daarvan zou kunnen overlijden.
Aldus heeft zij geen opzet gehad op de dood van [slachtoffer] dan wel op het toebrengen van (zwaar) lichamelijk letsel bij [slachtoffer] . Ook van het onder 2 tenlastegelegde dient de verdachte te worden vrijgesproken, aldus de raadsman namens de verdachte.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de onder 1 en 2 tenlastegelegde gedragingen wettig en overtuigend bewezen kunnen worden en, indien dat het geval is, de vraag of deze gedragingen als poging tot doodslag dan wel als (poging tot) zware mishandeling dan wel als mishandeling (met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg) kunnen worden gekwalificeerd.


De rechtbank stelt op grond van het onderzoek ter terechtzitting, waaronder de stukken in het dossier, de volgende feiten en omstandigheden vast.

In de nacht van 10 december 2016 is [slachtoffer] , [geboortedatum slachtoffer] , vanuit haar woonadres te Voorburg in een ambulance vervoerd naar het Sophia Kinderziekenhuis te Rotterdam. Daar is een CT scan van [slachtoffer] gemaakt, waarbij door artsen is vastgesteld dat zij bloedingen in haar hersenen had en bloed achter het netvlies. Gezien de aard van het letsel kon dat volgens de artsen het directe gevolg zijn van het schudden van [slachtoffer] . Namens de Raad voor de Kinderbescherming is aangifte gedaan van zware mishandeling.2

Over het schudden van [slachtoffer] heeft de verdachte ter terechtzitting verklaard3 dat zij dat één keer heeft gedaan en dat dit op 26 oktober 2016 in de woning van haar schoonmoeder in Den Haag is geweest. Bij de politie heeft zij daarover verklaard dat [slachtoffer] bleef huilen, ook nadat zij haar uit haar bedje had gehaald. Zij heeft haar toen bij haar bovenarmen beetgepakt en van voor naar achteren geschud. Zij zag dat het hoofdje van [slachtoffer] van voor naar achteren meeschudde en dat het hoofdje op een gegeven moment naar achteren ging en daar bleef hangen. [slachtoffer] stopte met huilen en werd gelijk stijf.4 Over die gebeurtenis heeft de verdachte verder verklaard dat de medewerkers van de ambulance die dag ter plaatse zijn gekomen en dat zij [slachtoffer] meteen naar het Juliana Kinderziekenhuis hebben gebracht, waar men besloot haar op te nemen voor observatie.5

Tijdens haar verhoor bij de politie op 31 januari 2018 heeft de verdachte verklaard dat zij [slachtoffer] ook op 9 december 2016 heeft geschud.6 Nu ter terechtzitting door de verdediging niets is aangevoerd op grond waarvan die verklaring terzijde zou moeten worden gesteld,

zal de rechtbank met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde van die verklaring uitgaan. Daarin vertelt de verdachte aan de politie dat zij na het inbakeren van [slachtoffer] geprobeerd heeft haar te sussen, maar dat dit niet lukte. [slachtoffer] bleef huilen en probeerde (de rechtbank begrijpt: van het ingebakerd zijn) los te komen, waarna de verdachte haar heeft geschud.

Zij zette [slachtoffer] rechtop, pakte haar beet en schudde haar één keer, weer met haar hoofd heen en weer. Zij zag [slachtoffer] ’s hoofd van voor naar achteren en teruggaan.7

[deskundige] heeft een medisch forensisch onderzoek ingesteld.8 Hij ziet opvallende overeenkomsten tussen de klinische verschijnselen die zich op 26 oktober 2016 en op 9 en 10 december 2016 bij [slachtoffer] hebben voorgedaan.9 De klinische verschijnselen op 9 en 10 december 2016 zijn zeer suggestief voor een encephalopathisch beeld passend hetzij bij een aandoening hetzij bij een neurotrauma.10 Gezien de overeenkomsten met de klinische verschijnselen op 9 en 10 december 2016 kan niet uitgesloten worden dat de klinische verschijnselen op 26 oktober 2016 niet het gevolg waren van een voedingsgerelateerd incident, maar passend bij een encephalopathisch beeld.11

Tijdens het onderzoek zijn volgens [deskundige] geen aanwijzingen gevonden voor medische aandoeningen als verklaring voor het ontstaan van de afzonderlijke bevindingen (subdurale bloedingen, netvliesbloedingen en hersenbeschadiging). Dit betekent dat een medische aandoening ook uitgesloten kan worden geacht als verklaring voor de combinatie van de bevindingen bij [slachtoffer] op en na 10 december 2016. De combinatie van bevindingen kan om die reden alleen worden verklaard op basis van een trauma en is veel tot zeer veel waarschijnlijker bij een opvallend en/of ernstig trauma (accidenteel: niet gemeld incident of niet-accidenteel: toegebracht letsel) dan bij een andere oorzaak, bijv. een triviaal trauma of een aandoening.12

[deskundige] concludeert dat de bevindingen bij [slachtoffer] (vanaf de geboorte op 1 juli 2016 tot en met de opname op en na 10 december 2016) waarschijnlijker zijn bij twee of meer momenten dan bij één moment van optreden van een neurotrauma.13 Gezien het voorspoedige herstel tijdens de opname kan worden geconcludeerd dat klinisch gezien bij [slachtoffer] vermoedelijk sprake was van een mild verlopend encephalopathisch beeld met tijdelijke verstoring van de hersenfuncties.14

De rechtbank ziet in het rapport van [deskundige] bevestigd dat de verdachte haar dochter [slachtoffer] in ieder geval op 26 oktober 2016 en in de periode tussen 9 en 10 december 2016 heeft geschud en dat zij dit beide keren ook met kracht heeft gedaan.

De verdachte heeft bij de politie bekend dat zij [slachtoffer] op twee verschillende momenten heeft geschud. Gelet op deze bekentenis, in samenhang met de hiervoor besproken bevindingen van de deskundige, is de rechtbank van oordeel dat andere oorzaken voor het bij [slachtoffer] geconstateerde hersenletsel zijn uitgesloten en dat het letsel is ontstaan doordat de verdachte [slachtoffer] op tenminste twee verschillende momenten met kracht heeft geschud.

Door de verdediging is met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde betoogd dat het opzet van de verdachte op de dood dan wel lichamelijk letsel heeft ontbroken, omdat de verdachte door haar zwakbegaafdheid niet in staat is geweest dergelijke gevolgen te overzien.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

Volgens vaste jurisprudentie is voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, in dit geval de dood van [slachtoffer] of het ontstaan van hersenletsel bij [slachtoffer] , aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Of de gedraging van de verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal dan moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n aanmerkelijke kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat deze die kans ten tijde van de gedragingen bewust heeft aanvaard.

De rechtbank gaat er niet van uit dat de verdachte de bedoeling had om haar dochter van het leven te beroven. Het is evenwel een feit van algemene bekendheid dat baby's zeer kwetsbaar zijn en dat die kwetsbaarheid groter is naarmate de baby jonger is. Het door elkaar schudden van een jonge baby is uitermate gevaarlijk voor de gezondheid van die baby en kan zeer wel de dood tot gevolg hebben.

Door haar dochter beet te pakken en haar vervolgens met kracht heen en weer te schudden heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat dit de dood van haar kind tot gevolg zou kunnen hebben. Hierbij gaat de rechtbank ervan uit – ook indien moet worden aangenomen dat de verdachte door haar zwakbegaafdheid enigszins in haar keuzes beperkt is – zij voldoende inzicht heeft gehad in de ongeoorloofdheid van haar handelen en zich ook van die aanmerkelijke kans bewust is geweest en deze ook heeft aanvaard.

Dit geldt te meer bij de gedragingen van de verdachte op 9 en of 10 december 2016 omdat zij toen vanwege het voorval van 26 oktober 2016 al wist wat de gevolgen van het schudden van haar dochter konden zijn en toch opnieuw is overgegaan tot het schudden van haar dochter. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er met betrekking tot het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van haar dochter. Daaraan doet niet af dat de verdachte telkens direct na het schudden de ambulance heeft gebeld, dat [slachtoffer] niet is overleden, dat het thans goed met haar lijkt te gaan en dat nog niet is komen vast te staan of zij blijvend letsel als gevolg van het schudden heeft opgelopen.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank de onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.


zij op 26 oktober 2016 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [slachtoffer] ( [geboortedatum slachtoffer] ) van het leven te beroven, opzettelijk die [slachtoffer] heeft vastgepakt en met kracht heen en weer heeft geschud, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

zij in de periode van 9 december 2016 tot en met 10 december 2016 te Leidschendam-Voorburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [slachtoffer] ( [geboortedatum slachtoffer] ) van het leven te beroven, opzettelijk die [slachtoffer] heeft vastgepakt en met kracht heen en weer heeft geschud, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering en een ambulante behandeling bij De Waag.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de rechtbank geen gevangenisstraf zal opleggen en het reclasseringsadvies zal volgen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft op twee verschillende momenten haar jonge dochter [slachtoffer] beetgepakt en met kracht heen en weer geschud. Beide keren trad een verstijving van het lichaam op, reageerde zij niet meer op de stem van de verdachte en raakte zij tijdelijk bewusteloos. Nadat de verdachte beide keren de ambulance had gebeld, is haar dochter in het ziekenhuis opgenomen. Bij de tweede ziekenhuisopname zijn bloedingen en een vochtophoping in de hersenen en netvliesbloedingen in één oog geconstateerd. Zij heeft in kritieke toestand op de Intensive Care gelegen. Het bloed moest operatief worden verwijderd en genoemde letsels hebben een tijdelijke verstoring van de hersenfuncties tot gevolg gehad.

Daarmee heeft de verdachte zich twee keer schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op haar eigen kind. Hoewel [slachtoffer] inmiddels goed lijkt te zijn hersteld, is nog onzeker wat de gevolgen van het schudden zullen zijn op de lange(re) termijn.

Dit zijn ernstige feiten. Het slachtoffer was als baby volledig weerloos en bovendien volledig afhankelijk van de verdachte aan wie op dat moment de zorg voor haar was toevertrouwd. Niet alleen in de naaste omgeving van het gezin, maar ook in de maatschappij brengen dergelijke feiten gevoelens van verdriet en verontwaardiging met zich.

De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan, temeer nu zij dit twee keer heeft gedaan. Anderzijds weegt de rechtbank als verzachtende omstandigheid mee dat ten tijde van de feiten bij de verdachte sprake was van een verhoogde kwetsbaarheid als gevolg van een depressie die na de zwangerschap was ontstaan en die mede verband hield met een psychisch belast verleden.

De rechtbank heeft kennis genomen van het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies, dat op 29 augustus 2019 is opgesteld door [reclasseringswerker] bij RN Advies & Toezichtunit 6 Zuidwest. Geadviseerd wordt aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandeling bij De Waag met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname voor maximaal 7 weken.

Op de zitting heeft de verdachte zich bereid verklaard de door de reclassering geadviseerde voorwaarden na te komen.

Gelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat niet met een andere straf kan worden volstaan dan met een die vrijheidsbeneming met zich brengt. Bij de hoogte van de te op te leggen straf heeft de rechtbank gekeken naar wat in soortgelijke gevallen pleegt te worden opgelegd. Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met het tijdsverloop dat in deze strafzaak is opgetreden sinds de eerste aanhouding van de verdachte.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Aan het voorwaardelijke deel zullen de voorwaarden worden verbonden dat de verdachte zich dient te melden bij de reclassering, zo vaak en zo lang als de reclassering nodig acht, en dat zij zich ambulant laat behandelen bij De Waag of een soortgelijke ambulante forensische zorginstelling.

Dit voorwaardelijke deel dient de verdachte er voorts van te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan soortgelijke strafbare feiten schuldig te maken.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feiten 1 primair en 2 primair telkens

- poging tot doodslag;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 18 MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 6 MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland, RN Advies & Toezichtunit 6 Zuidwest, Bezuidenhoutseweg 179, 2594 AH ’s-Gravenhage, op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van De Waag of een soortgelijke ambulante forensische zorginstelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland, RN Advies & Toezichtunit 6 Zuidwest, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

 ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

 medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P. Verbeek, voorzitter,

mr. M.T. Paulides, rechter,

mr. M.S. Neervoort, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. Gest, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 september 2019.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van een bundel ambtsedige processen-verbaal met het nummer [PLnummer] , van de politie eenheid Den Haag, districtsrecherche Zoetermeer, met bijlagen (doorgenummerd p. 01 t/m 265).

2 Proces-verbaal van aangifte van [aangever] d.d. 19 december 2018, p. 81 en 82.

3 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 9 september 2019.

4 Proces-verbaal van 2e verhoor [verdachte] d.d. 31 januari 2018, p. 226.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 1 februari 2017, p. 38.

6 Proces-verbaal van 2e verhoor [verdachte] d.d. 31 januari 2018, p. 227.

7 Proces-verbaal van 2e verhoor [verdachte] d.d. 31 januari 2018, p. 228 (onderaan) en 229 (bovenaan).

8 Verslag van deskundige, zijnde een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van medisch forensisch onderzoek van een 5 maanden oud meisje in verband met een vermoeden van toegebracht letsel, op 20 oktober 2017 opgesteld door [deskundige] , forensisch arts KNMG, [zaaknummer] (in de voetnoten hierna vermeld als: NFI rapport), pagina 1 tot en met 43.

9 NFI rapport, p. 24.

10 NFI rapport, p. 26.

11 NFI rapport, p. 27.

12 NFI rapport, p. 36.

13 NFI rapport, p. 40.

14 NFI rapport, p. 40.