Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:9915

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
20-09-2019
Zaaknummer
AWB 18/7428
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afschaffing ouderenbeleid niet in strijd met Besluit 1/80.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/7428

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 maart 2019 in de zaak tussen

[naam eiseres] , eiseres,

gemachtigde: mr. A. Kotan,

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. J.J. Balfoort.

Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen en bepaald dat aan haar geen uitstel van vertrek wordt verleend op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Bij besluit van 10 september 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2019. Eiseres is naar de zitting gekomen, bijgestaan door mr. S. Rahimzadeh, waarnemer voor haar gemachtigde, en vergezeld door haar dochter, [naam referente] (referente). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres, geboren op [geboortedatum eiseres] , heeft de Turkse nationaliteit en beoogt verblijf bij referente. Op 23 februari 2018 heeft eiseres een kennisgeving ingediend voor de aanvraag van een verblijfsvergunning. Op 17 april 2018 heeft zij zich gemeld bij het loket van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en een aanvraag gedaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd zonder machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Verweerder heeft vervolgens het primaire besluit genomen, dat hij bij het bestreden besluit heeft gehandhaafd.

2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres niet voldoet aan het mvv-vereiste. Zij wordt van dit vereiste niet vrijgesteld. Hiertoe stelt verweerder zich op het standpunt dat eiseres haar medische omstandigheden niet voldoende heeft onderbouwd, dat zij geen rechten kan ontlenen aan het inmiddels afgeschafte ouderenbeleid en dat er geen sprake is van gezins- en familieleven in de zin van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3. Het wettelijk kader is weergegeven in de bijlage van deze uitspraak.

4.1

Eiseres betoogt dat zij aanspraak kan maken op een verblijfsvergunning op grond van het op 1 oktober 2012 afgeschafte ouderenbeleid, dat was neergelegd in artikel 3.25 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en paragraaf B2/7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), in samenhang gezien met artikel 13 (de standstill-bepaling) van Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije betreffende de ontwikkeling van de Associatie (besluit 1/80). Hiertoe voert zij aan dat zij voldoet aan de destijds in het ouderenbeleid gestelde vereisten om een verblijfsrecht te krijgen. Het afschaffen van het ouderenbeleid is in strijd met de standstill-bepaling, zodat zij aan dit beleid nog rechten ontleent. Op basis hiervan had verweerder haar vrij moeten stellen van het mvv-vereiste.

4.2

De rechtbank dient allereerst te beoordelen of eiseres rechten kan ontlenen aan de standstill-bepaling. Hierbij staat ter discussie of zij aangemerkt dient te worden als gezinslid als bedoeld in deze bepaling.

4.3

In besluit 1/80 is het begrip gezinslid niet nader omschreven. In overweging 45 van het arrest van 30 september 2004 (Ayaz, ECLI:EU:C:2004:570) heeft het Hof van Justitie van (thans) de Europese Unie (HvJ) geoordeeld dat voor de invulling van dit begrip te rade moet worden gegaan bij de strekking van artikel 10, eerste lid, van de Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap. Deze bepaling is inmiddels vervangen door artikel 2, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn (Richtlijn 2004/38/EG van het Europees parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG). Hieruit volgt dat onder het begrip gezinslid onder meer dient te worden begrepen de rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn, alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder artikel 2, tweede lid, onder b, van de Verblijfsrichtlijn, die te hunnen laste zijn.

4.4

In het arrest van het HvJ van 9 januari 2007 (Jia, ECLI:EU:C:2007:1) is voor recht verklaard dat voor een antwoord op de vraag of een gezinslid ten laste komt van de burger van de Unie dient te worden beoordeeld in hoeverre het gezinslid materieel wordt gesteund en in hoeverre de materiële ondersteuning nodig is voor het familielid om in zijn of haar basisbehoeften te kunnen voorzien in de lidstaat van oorsprong of herkomst op het moment dat hij of zij verzoekt om hereniging met die Unieburger.

4.5

Niet ter discussie staat dat eiseres een rechtstreeks bloedverwant in opgaande lijn is van referente, zodat alleen beoordeeld hoeft te worden of eiseres ten laste kwam van referente. Uit wat is overwogen in 4.4 volgt dat verweerder in dat kader dient te beoordelen of materiele ondersteuning van eiseres op 23 februari 2018 (de datum van kennisgeving, die als datum van indiening van de – toen nog onvolledige – aanvraag heeft te gelden) noodzakelijk was teneinde in Turkije in haar basisbehoeften te kunnen voorzien. Nu eiseres reeds langere tijd in Nederland verblijft, heeft dit op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 30 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX6823), tot gevolg dat verweerder de fictieve situatie in Turkije dient te beoordelen om te bepalen of eiseres aldaar ten laste zou komen van referente.

4.6

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiseres op 23 februari 2018 vanwege haar sociale en economische toestand niet in haar basisbehoeften kon voorzien. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Eiseres heeft slechts enkele stukken overgelegd met betrekking tot haar medische situatie. Zij heeft informatie overgelegd van twee afspraken met oogartsen en een “bijlage bewijs omtrent medische situatie vreemdeling”, ingevuld door haar huisarts. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres hiermee geen volledig medisch dossier heeft overgelegd en dat hij daarom het Bureau Medische Advisering niet heeft kunnen inschakelen om een advies uit te brengen over haar medische situatie. Van eiseres had immers verwacht mogen worden dat zij, zoals haar door verweerder was verzocht in de brieven van 13 maart 2018 en 10 augustus 2018, voor elke behandelaar de volgende stukken zou toesturen: een bijlage toestemmingsverklaring medische gegevens, een bijlage bewijs omtrent medische situatie en andere relevante informatie van de behandelaar. Het ontbreken van medische informatie dient naar het oordeel van de rechtbank voor risico van eiseres te komen, te meer nu haar verschillende keren is verzocht een volledig medisch dossier over te leggen. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres haar medische situatie niet voldoende heeft onderbouwd en dat zij daarom ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet voor zichzelf kon zorgen en op anderen was aangewezen voor zorg en hulp. Bovendien is niet gebleken dat eiseres voor die gestelde noodzakelijke zorg alleen op referente was aangewezen, nu eiseres in Turkije zorg ontving van een buurvrouw en een nicht.

Hiernaast staat niet ter discussie dat eiseres maandelijks een AOW-uitkering en een remigratie-uitkering ontving. Eiseres heeft gesteld dat deze inkomsten onvoldoende waren om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien, maar zij heeft dit niet nader onderbouwd. Eiseres heeft niet met controleerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat zij met deze uitkeringen niet in haar basisbehoeften in Turkije kon voorzien en hiervoor afhankelijk was van referente. Ook heeft eiseres niet onderbouwd dat zij reeds langere tijd financieel werd ondersteund door referente. Zij heeft hiertoe slechts enkele betaalbewijzen uit 2010 en 2011 overgelegd van betalingen door de zoon van een van de andere kinderen van eiseres. Het is niet gebleken dat eiseres door referente financieel werd onderhouden door middel van contante bedragen die over een langere periode aan haar zijn betaald en die noodzakelijk waren om in haar basisbehoeften te voorzien. De enkele stelling daartoe is onvoldoende.

4.7

Gelet op wat is overwogen in 4.6, is niet gebleken dat eiseres ten laste komt van referente. Zij valt om die reden niet onder het begrip ‘gezinslid’ als bedoeld in besluit 1/80 en kan dus geen rechten ontlenen aan de standstill-bepaling. Aan de vraag of het afschaffen van het ouderenbeleid in strijd is met deze bepaling komt de rechtbank daarom niet toe. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het afschafte ouderenbeleid niet op eiseres diende te worden toegepast en dat zij dus niet op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vb in aanmerking kwam voor vrijstelling van het mvv-vereiste. De beroepsgrond slaagt niet.

5.1

Eiseres betoogt dat verweerder haar ten onrechte niet heeft vrijgesteld van het mvv-vereiste. Zij is afhankelijk van de zorg van referente en daarom is er sprake van beschermenswaardig gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

5.2

Tussen partijen staat ter discussie of tussen eiseres en referente sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Uit vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens, bijvoorbeeld het arrest van 12 juni 2010 (Khan, ECLI:CE:ECHR:2010:0112JUD004748606) volgt dat pas sprake is van (beschermenswaardig) gezinsleven tussen ouders en hun meerderjarige kinderen als sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat tussen haar en referente sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en emotionele binding en dat er dus familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM bestaat. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:176). Als geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid en dus niet van beschermenswaardig gezinsleven, hoeft geen belangenafweging te worden gemaakt, omdat dan per definitie geen sprake kan zijn van schending van artikel 8 van het EVRM.

5.3

Dat eiseres en referente een goede en sterke band hebben, is onvoldoende voor het aannemen van een bijzondere afhankelijkheidsrelatie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en emotionele binding van eiseres met referente en dat daarom ook geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Zoals overwogen in 4.6, heeft eiseres haar medische situatie niet voldoende onderbouwd en heeft zij daarom ook niet aannemelijk gemaakt dat zij niet voor zichzelf kon zorgen en op anderen was aangewezen voor zorg en hulp. Verder is niet gebleken dat de zorg die eiseres stelt nodig te hebben niet door anderen dan referente verleend zou kunnen worden. Hierbij heeft verweerder niet ten onrechte meegewogen dat eiseres ook nog familie in Turkije heeft en dat zij hulp ontving van haar buren. Eiseres heeft weliswaar gesteld dat zij is verstoten en geen contact meer heeft met haar familieleden, maar ter zitting is verklaard dat referente contact met hen heeft gehad. Verweerder hoefde daarom niet op voorhand aan te nemen dat er sprake is van onwil of onmogelijkheid van deze familieleden om voor haar te zorgen. Voor zover er sprake zou zijn van onwil, heeft verweerder zich gelet op de uitspraak van de Afdeling van 4 november 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BK3317) op het standpunt kunnen stellen dat onwil van deze familieleden om eiseres de benodigde zorg te bieden of onwil van eiseres om in dit verband een beroep op hen te doen, onvoldoende is om aan te nemen dat zij in Turkije geen hulp en ondersteuning zou kunnen ontvangen. Ook heeft verweerder er niet ten onrechte belang aan gehecht dat eiseres in Turkije zorg van haar buurvrouw en haar nicht kreeg en dat daar dus (een begin van) een familie- of zorgnetwerk aanwezig is. De stelling van eiseres dat dit door de medische omstandigheden van de buurvrouw en de nicht niet meer mogelijk is, heeft zij niet onderbouwd. Verweerder heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken dat de mogelijkheid tot zorg in Turkije ontbreekt. Hiernaast heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiseres financieel ten laste komt van referente, aangezien eiseres een remigratie- en AOW-uitkering ontvangt en, zoals is overwogen in 4.6, niet is gebleken dat zij eerder financieel werd ondersteund door referente.

6. De algemene en niet nader toegelichte stelling dat eiseres ‘mater familias’ is, is onvoldoende om van verweerder te verlangen dat hij onderzoek doet naar de mogelijke band van eiseres met haar (meerderjarige) kleindochter, met wie zij in de woning van referente samenwoont. De beroepsgrond, zoals eerst ter zitting naar voren gebracht, dat er sprake is van een motiveringsgebrek omdat verweerder niet op deze band is ingegaan, slaagt daarom niet.

7. Gelet op wat is overwogen in 5.3 en 6 is geen sprake van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiseres en referente of tussen eiseres en haar thuiswonende kleindochter. Er is daarom ook geen sprake van een schending van dit artikel. Verweerder heeft daarom niet ten onrechte geweigerd eiseres op grond van artikel 8 van het EVRM vrij te stellen van het mvv‑vereiste.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.F. Smulders, voorzitter, en mr. M.G.L. de Vette en mr. B. van Velzen, leden, in aanwezigheid van mr. A.J. Mourik, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 26 maart 2019.

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

BIJLAGE

In artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 kan worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

In artikel 17, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw is bepaald dat de aanvraag niet wordt afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv indien het de vreemdeling betreft die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie.

In artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vb is bepaald dat, op grond van artikel 17, eerste lid, onder g, van de Vw, van het vereiste van een geldige machtiging tot verblijf is vrijgesteld de vreemdeling die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van besluit 1/80 of van wie uitzetting in strijd zou zijn met de op 12 september 1963 te Ankara gesloten Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (Trb. 1964, 217), het op 23 november 1970 te Brussel tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij die overeenkomst (Trb. 1971, 70) of dat Besluit nr. 1/80.

In het tweede lid, aanhef en onder l, van artikel 3.71 van het Vb is bepaald dat van het vereiste van een geldige machtiging tot verblijf is vrijgesteld de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM zou zijn.

In paragraaf B10/2.2 van de Vc is, voor zover hier van belang, vermeld:

Ten laste zijn van

Als een familielid als bedoeld in artikel 8.7, tweede lid, aanhef en onder c en d, Vb en artikel 8.7, derde lid, Vb stelt ten laste te zijn van een burger van de Unie, dan beoordeelt de IND of dit familielid, op het moment dat dit familielid verzoekt om hereniging met de burger van de Unie, in het land van herkomst of het land vanwaar het familielid kwam (dat wil zeggen niet in Nederland) materieel wordt ondersteund door de burger van de Unie. Deze materiële ondersteuning moet noodzakelijk en reëel zijn.

[De IND neemt] in ieder geval aan dat de materiële ondersteuning noodzakelijk is als het familielid vanwege zijn economische en sociale toestand niet (volledig) in zijn basisbehoeften voorziet. Waarom het familielid een beroep doet op materiële ondersteuning is niet van belang. [De IND neemt] in ieder geval aan dat de materiële ondersteuning reëel is als de burger van de Unie aan het familielid ten minste één jaar ononderbroken regelmatig een som geld heeft betaald welke voor het familielid noodzakelijk is om in zijn basisbehoeften te voorzien in zijn land van herkomst.

In de standstill-bepaling is bepaald dat de lidstaten van de Europese Economische Gemeenschap en Turkije geen nieuwe beperkingen mogen invoeren met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn.

In artikel 2, tweede lid, aanhef en onder d, van de Verblijfsrichtlijn is bepaald dat voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder “familie”: de rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn, alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder b), die te hunnen laste zijn.

Op grond van artikel 8, eerste lid, van het EVRM, voor zover hier van belang, heeft een ieder recht op respect voor zijn familie- en gezinsleven.

Op grond van het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toegestaan, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.