Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:9910

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-09-2019
Datum publicatie
30-09-2019
Zaaknummer
C/09/560424 / HA ZA 18-1000
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering jegens verzekeraar en assurantie tussenpersoon. Jegens de verzekeraar gaat het om de uitleg van de polisvoorwaarden van de brandverzekering van een bedrijvencomplex, waarbij sprake is van onderverzekering. Valt de schade aan de terreinverharding/bestrating onder de verzekerde som of is het gedekt boven de verzekerde som? Met betrekking tot de tussenpersoon is aan de orde of hij zijn zorgplicht jegens eiser heeft verzaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/560424 / HA ZA 18-1000

Vonnis van 18 september 2019

in de zaak van

[eiser] te [plaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. E.J. Eijsberg te Rotterdam,

tegen

1 NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. M. de Haan te Den Haag,

2. BURO NOMDEN B.V. te Delft,

gedaagde,

advocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] , NN en Buro Nomden worden genoemd. Gedaagden worden hierna gezamenlijk aangeduid als NN c.s.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de twee exploten van dagvaarding van 17 september 2018, met producties;

  • -

    de rolbeslissing van 3 oktober 2018;

  • -

    de akte overleggen producties van [eiser] , met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van NN, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van Buro Nomden, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 16 januari 2019, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van 9 juli 2019 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Met instemming van partijen is het proces-verbaal buiten hun aanwezigheid opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om opmerkingen te maken over het proces-verbaal voor zover het feitelijke onjuistheden betreft. [eiser] heeft bij brief van 23 juli 2019 van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Het proces-verbaal zal met inachtneming van de gemaakte opmerkingen worden gelezen.

1.3.

Tenslotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is eigenaar van een groot aantal panden, waaronder de panden aan de [adres 1] en de [adres 2] te [plaats 2] (hierna: de panden). Deze panden bevinden zich op een industrieterrein.

2.2.

Al geruime tijd is een zoon van [eiser] , de heer [X jr.] (hierna: [X jr.] ) in toenemende mate betrokken bij de aan- en verkoop en de exploitatie van panden van [eiser] .

2.3.

Vanaf januari 2003 heeft [eiser] zich laten adviseren en bijstaan door een vaste assurantietussenpersoon, Buro Nomden. De laatste jaren is het contact met Buro Nomden vrijwel alleen via [X jr.] verlopen.

2.4.

In 2004 heeft [eiser] de panden via Buro Nomden, onder meer voor het brandrisico, verzekerd bij NN. Op deze verzekering zijn van toepassing de polisvoorwaarden “Perfect Gebouwenverzekering” (hierna: de polisvoorwaarden). Op het polisblad is vermeld dat is verzekerd:

“Gebouw(en) waarin Metaalverwerkingsbedrijf [adres 2] en [adres 1] , [plaats 2]

Bouwaard steen/metaal met metaal gedekt”

2.5.

De polisvoorwaarden bevatten onder meer de volgende bedingen:

Artikel 1 Begrippen

(…)

1.4

Gebouw

Een als zodanig omschreven onroerende zaak met inbegrip van:

• al hetgeen volgens verkeersopvatting daarvan deel uitmaakt;

• alle bijbehorende bouwsels die naar hun aard en inrichting bestemd zijn om duurzaam ter plaatse te blijven, voor zover niet voor afzonderlijke sommen verzekerd. Funderingen, zonweringen, antennes en lichtreclames worden niet tot het gebouw gerekend, tenzij deze uitdrukkelijk zijn meeverzekerd.

(…)

Artikel 5 Dekking boven de verzekerde som

Zonder maximum:

(…)

Tot ten hoogste 10% van de verzekerde som voor elk onderdeel 5.3 t/m 5.7 afzonderlijk:

5.3

kosten van tuinaanleg en beplanting behorende bij het gebouw tegen alle gedekte gebeurtenissen,

(…)

Artikel 13 Onderverzekering

Indien de verzekerde som lager is dan de waarde waarvan wordt uitgegaan bij de schaderegeling, vindt vergoeding van de vastgestelde schade en kosten plaats in de verhouding van de verzekerde som tot die waarde onmiddellijk vóôr de gebeurtenis en tot de toepasselijke maxima.

(…)”

2.6.

Op 27 augustus 2017 zijn de panden ten gevolge van brand ernstig beschadigd geraakt. NN heeft dekking verleend.

2.7.

Ten tijde van de brand was het polisblad van 2 november 2017 van toepassing. De verzekerde som bedroeg € 9.838.773.

2.8.

Bij akte van taxatie van 22 februari 2018 hebben EMN namens NN en Von Reth Contra-Expertise namens [eiser] de schade en kosten van de brand als volgt vastgesteld:

Waarde voor Waarde na Verschil/Schade

Op basis van herbouwwaarde:

Opstal € 14.191.481 € 10.549.350 € 3.642.131

Bestrating/terreinverharding € 950.000 € 911.990 € 38.010

Bereddingskosten € 7.400

Opruimingskosten € 41.720

Tuinaanleg € 2.000

Huurderving € 701.576

2.9.

Omdat sprake was van onderverzekering als bedoeld in artikel 13 van de polisvoorwaarden, hoeft NN niet de volledige schade uit te keren. Bij het bepalen van de omvang van de uitkering stelt NN zich jegens [eiser] op het standpunt dat de waarde van de bestrating/terreinverharding tot de verzekerde som behoort, zodat NN uitgaat van een waarde van het verzekerde complex voorafgaand aan de brand van (€ 14.191.481 + € 50.000 =) € 15.141.481. Op basis daarvan heeft NN, met inachtneming van de zogenoemde onderverzekeringsbreuk, de schadeuitkering becijferd op € 2.880.210,24. In afwachting van herstel van de panden door [eiser] , heeft NN tot op heden een bedrag van € 1.476.394,14 aan [eiser] betaald.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

primair:

I NN veroordeelt tot betaling aan [eiser] van € 204.477,34, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 maart 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

II Buro Nomden veroordeelt tot betaling aan [eiser] van € 1.347.949,42, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 maart 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

subsidiair:

III Buro Nomden veroordeelt tot betaling aan [eiser] van € 1.552.426,76, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 maart 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

primair en subsidiair:

IV NN en Buro Nomden hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten, nader door de rechtbank conform de toepasselijke staffel te begroten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dag tot aan de dag der algehele voldoening;

V NN en Buro Nomden hoofdelijk veroordeelt in de kosten van deze procedure, inclusief nakosten.

3.2.

Aan deze vorderingen legt [eiser] , samengevat, het volgende ten grondslag.

Het standpunt van NN als weergegeven onder 2.9 is onjuist. De bestrating/terreinverharding behoort niet tot het gebouw als bedoeld onder 1.4 van de polisvoorwaarden, maar valt onder tuinaanleg als bedoeld in artikel 5.3 van de polisvoorwaarden, waarvoor de verzekering dekking biedt boven de verzekerde som. Hieruit volgt dat NN nog aanvullend € 204.477,34 aan [eiser] moet uitkeren.

Buro Nomden is ernstig tekortgeschoten in de nakoming van haar zorgplicht als assurantietussenpersoon door i) een brandverzekering af te sluiten waarvan de verzekerde som evident te kort schiet, ii) na te laten de hoogte van de verzekerde som periodiek te (laten) toetsen en iii) [eiser] nimmer te waarschuwen voor de gevolgen van onderverzekering. De hoogte van de onderverzekering waarvoor Buro Nomden jegens [eiser] moet opkomen bedraagt minimaal € 1.347.949,42, maar neemt toe tot
€ 1.552.426,76 als de rechtbank NN in haar standpunt volgt, dat de bestrating/ tuinverharding valt onder het gebouw.

3.3.

NN en Buro Nomden voeren afzonderlijk verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Vordering tegen NN

4.1.

In de zaak tussen [eiser] en NN staat centraal of de verzekering voor de opgetreden schade aan de bestrating/terreinverharding dekking biedt boven de verzekerde som, zoals [eiser] betoogt, of dat de verzekering hiervoor dekking biedt als onderdeel van de verzekerde som, het standpunt van NN.

4.2.

Dit is een kwestie van uitleg van de polisvoorwaarden. Bij deze uitleg is de Haviltex-norm het uitgangspunt. Deze norm houdt in dat bij de uitleg van een overeenkomst niet kan worden volstaan met een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen, maar dat de uitleg mede afhankelijk is van de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan (de bepalingen in) de overeenkomst mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De uitleg van bedingen in een overeenkomst waarover niet is onderhandeld, zoals de polisvoorwaarden, is echter met name afhankelijk van objectieve factoren zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel.

Daarnaast dient tot uitgangspunt dat het een verzekeraar vrijstaat om in de polisvoorwaarden de grenzen te omschrijven waarbinnen hij bereid is dekking te verlenen (vgl. HR 9 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV9435, NJ 2006, 326). Dat brengt ook de vrijheid mee om daarbij - op een wijze die voor de verzekeringnemer op grond van voormelde objectieve factoren voldoende duidelijk kenbaar is - binnen een samenhangend feitencomplex slechts aan bepaalde feiten en omstandigheden (rechts)gevolgen te verbinden en aan andere niet, dan wel onderscheid te maken tussen gevallen die feitelijk zeer dicht tegen elkaar aan liggen (vgl. HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2793, NJ 2008, 284).

4.3.

De rechtbank is van oordeel dat uit de polisvoorwaarden niet voor [eiser] voldoende duidelijk kenbaar blijkt dat bestrating/terreinverharding valt onder het begrip “Gebouw” van artikel 1.4 van de polisvoorwaarden. Deze bepaling verwijst voor de betekenis van “Gebouw” allereerst naar de “als zodanig beschreven onroerende zaak”. De beschrijving op het polisblad vermeldt echter geen bestrating/terreinverharding.

4.4.

Volgens artikel 1.4 van de polisvoorwaarden is verder inbegrepen “al hetgeen volgens verkeersopvatting daarvan deel uitmaakt”, waarmee volgens NN is bedoeld aan te sluiten op artikel 3:4 BW lid 1 BW. Daarnaast heeft NN erop gewezen dat bestrating en terreinverharding onderdeel zijn van de opstal als bedoeld in artikel 6:174 BW.

4.5.

Deze argumenten overtuigen niet. Artikel 3:4 BW lid 1 strekt ertoe te bepalen wat een bestanddeel is van een zaak. Bestrating en terreinverharding zijn echter geen bestanddelen van een gebouw in de zin van voormeld wetsartikel. De definitie van opstal in artikel 6:174 BW acht de rechtbank voor de uitleg evenmin relevant, nu het begrip opstal in de tekst van artikel 1.4 van de polisvoorwaarden niet voorkomt. Bovendien ziet artikel 6:174 BW op het aansprakelijkheidsrecht, dat in deze zaak niet aan de orde is.

4.6.

Volgens artikel 1.4 van de polisvoorwaarden zijn tenslotte nog inbegrepen

“alle bijbehorende bouwsels die naar hun aard en inrichting bestemd zijn om duurzaam ter plaatse te blijven, voor zover niet voor afzonderlijke sommen verzekerd. Funderingen, zonweringen, antennes en lichtreclames worden niet tot het gebouw gerekend, tenzij deze uitdrukkelijk zijn meeverzekerd.” Zoals [eiser] onweersproken heeft aangevoerd, moet onder bouwsels worden verstaan bijgebouwen, garages, tuinhuisjes, erfafscheidingen en dergelijke, dus geen bestrating/terreinverharding.

4.7.

Daarbij komt nog dat Van Dale als definitie van een gebouw geeft “iets dat gebouwd is: huis, kantoor, fabriek enz.” Hieruit volgt dat ook in taalkundig opzicht bestrating/terreinverharding niet als een gebouw kan worden aangemerkt.

4.8.

De door NN aangevoerde - en door [eiser] betwiste - omstandigheid dat zij standaard bestrating (tenzij dit uitdrukkelijk is uitgesloten) meeneemt bij het vaststellen van de herbouwwaarde en de verzekerde som acht de rechtbank voor de uitleg van artikel 1.4 van de polisvoorwaarden niet van beslissende betekenis, nu niet gesteld of gebleken is dat deze omstandigheid voor [eiser] of zijn assurantietussenpersoon Buro Nomden kenbaar was bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst.

4.9.

Dit betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat de bestrating/terreinverharding niet valt onder de noemer “gebouw” als bedoeld in artikel 1.4 van de polisvoorwaarden

4.10.

Vervolgens is aan de orde of de bestrating/terreinverharding valt onder “tuinaanleg” als bedoeld in artikel 5.3 van de polisvoorwaarden. Dat ligt niet direct voor de hand, nu niet ieder bedrijfscomplex is voorzien van een tuin en dit evenmin het geval is bij [eiser] . Dit neemt niet weg dat tot een tuininrichting ook bestrating of terreinverharding kan behoren. Bovendien biedt NN de verzekering aan bedrijven aan, terwijl bedrijven veelal rondom hun bedrijfsgebouw bestrating/terreinverharding aanleggen en deze dan ook (net als [eiser] ) zullen willen verzekeren. Zoals hiervoor is beslist, valt bestrating of terreinverharding niet onder artikel 1.4 van de polisvoorwaarden, zodat – als de uitleg van NN juist zou zijn – bestrating/terreinverharding niet gedekt zou zijn onder de polis. Naar het oordeel van de rechtbank had NN, als zij had willen uitsluiten dat bestrating/terreinverharding boven de verzekerde som verzekerd is, dit duidelijk in de polisvoorwaarden tot uitdrukking moeten laten komen. Die duidelijkheid heeft NN niet gegeven. Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat de bestrating/terreinverharding in dit geval valt onder tuinaanleg als bedoeld in artikel 5.3 van de polisvoorwaarden. Dit betekent dat de bestrating/terreinverharding is verzekerd boven de verzekerde som en dat de waarde van de bestrating/terreinverharding dus niet meetelt bij het bepalen van de mate van onderverzekering.

4.11.

Volgens NN is zij bij deze stand van zaken niet € 204.477,34, zoals [eiser] stelt, maar een aanvullende uitkering van € 192.819,18 verschuldigd, aangezien overeenkomstig artikel 13 van de polisvoorwaarden de onderverzekeringsbreuk ook wordt toegepast op de schade en kosten. [eiser] heeft deze stelling niet weersproken en heeft evenmin de juistheid van de door NN overgelegde herberekening (haar productie F) betwist. De rechtbank houdt deze herberekening dan ook voor juist. Zoals NN verder onweersproken heeft aangevoerd, is op dit moment de helft van de uitkering opeisbaar en de andere helft pas na uitvoering van het herstel. Dit leidt tot de slotsom dat de vordering van [eiser] wordt toegewezen tot een bedrag van (50% van € 192.819,18 = ) € 96.409,59, te vermeerderen met de daarover gevorderde wettelijke rente, waartegen NN geen separaat verweer heeft gevoerd.

4.12.

[eiser] heeft onvoldoende feitelijk toegelicht dat er andere buitengerechtelijke werkzaamheden hebben plaatsgevonden dan die waarvoor de proceskosten een vergoeding inhouden. De vordering met betrekking tot de buitengerechtelijke kosten wordt dan ook afgewezen.

Vordering tegen Buro Nomden

4.13.

In de zaak tussen [eiser] en Buro Nomden neemt de rechtbank het volgende tot uitgangspunt. Een assurantietussenpersoon moet tegenover zijn opdrachtgever de zorg betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. Het is zijn taak te waken voor de belangen van de verzekeringnemers bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen. Deze taak brengt niet mee dat de tussenpersoon zonder meer ervoor moet zorgen dat in zijn portefeuille geen verzekeringen voorkomen waarbij sprake is van onderverzekering. Wel mag van de tussenpersoon worden verwacht dat hij de verzekeringnemers voldoende vaak en voldoende indringend waarschuwt voor de gevolgen van mogelijke onderverzekering, dat hij de verzekeringnemers voldoende deskundig en voldoende actief behulpzaam is bij het toetsen of sprake is van onderverzekering en dat hij voor de verzekeringnemer die te kennen geeft dat te wensen, zorg draagt voor bijverzekering. Hoe frequent en hoe indringend die waarschuwingen moeten zijn en welke hulp bij de bedoelde toets voldoende is om de zorgplicht van de tussenpersoon nagekomen te achten, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

(vgl. Gerechtshof Amsterdam, 9 juli 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:2223).

4.14.

De rechtbank zal eerst ingaan op het verwijt dat Buro Nomden [eiser] niet heeft gewaarschuwd voor het risico van onderverzekering (zie 3.2 onder iii).

4.15.

Buro Nomden heeft als verweer tegen het verwijt van [eiser] aangevoerd zij [X jr.] voldoende vaak en voldoende indringend heeft gewaarschuwd voor de gevaren van onderverzekering. Daarbij heeft [X jr.] volgens Buro Nomden echter steeds te kennen gegeven dat [eiser] geen prijs stelde op een taxatie van de panden.

4.16.

Ter onderbouwing van haar standpunt heeft Buro Nomden allereerst het volgende aangevoerd. Nadat [eiser] zich in januari 2003 bij haar had gemeld, is uit een inspectie gebleken dat kritisch moest worden gekeken naar de herbouwwaarde van de panden. Volgens Buro Nomden heeft zij dit onder de aandacht van [eiser] gebracht in haar brief van 20 januari 2003 aan de heer [A] (productie 1 van Buro Nomden), waarin zij opgave heeft gedaan van de premie van de brandverzekeringen:

De totale premie en eigen risico is gunstiger dan de huidige polis (…), bij de inspectie is naar voren gekomen dat er nogmaals kritisch gekeken moet worden naar de herbouwwaarde.”

4.17.

Daarnaast heeft Buro Nomden gewezen op een schriftelijke verklaring van haar voormalig directeur [B] (haar productie 3), die lange tijd de verzekeringsportefeuille van [eiser] bij Buro Nomden heeft beheerd. Daarin heeft [B] onder meer verklaard:

“Ik heb de Fam. [eiser] en aanhorige bedrijven alle periodiek bezocht en gesproken in de bovengenoemde periode en heb zoals gebruikelijk (bij alle klanten) regelmatig gewezen op het vast (te laten) stellen van de herbouwwaarden. Ook heb ik talloze bezoeken afgelegd op de adressen van de verzekerde panden en ben (naar ik mij kan herinneren) bij zo’n beetje alle inspecties van de verzekeraars en gesprekken aanwezig geweest.

(…)

Gedurende de periode 2003 - 2014 (v.j. 2015) en zeker tijdens de afgewikkelde schades, met name grote brandschade 2005 – 2006, is de kans van onder/oververzekering en de consequenties hiervan aan de orde geweest. Ook met de brandschade (2,1 milj) van 2005 – 2006 was er een discussie over de verzekerde som. Nationale Nederlanden, ondergetekende en de verzekerde zijn hier toen uitgekomen.”

4.18.

Buro Nomden heeft vervolgens gewezen op de volgende e-mailcorrespondentie tussen haar werknemer [C] (de opvolger van [B] als contactpersoon van [X jr.] bij Bureau Nomden), en [X jr.] naar aanleiding van de aankoop van een pand door een (andere) zoon van [eiser] :

a. a) het e-mailbericht van 6 oktober 2016, waarin [C] onder meer het volgende heeft geschreven:

“Ik word net (waarschijnlijk n.a.v. het ontvangen aanvraagformulier) gebeld door de acceptant van ASR. Hij wil de inspectie-opdracht gaan verstrekken en vroeg zich af of je broer ook een kosteloze waardebepaling op prijs stelt. Ik heb gezegd dat jij en je vader dit normaliter niet wensen, maar mogelijk denkt jouw broer er anders over. Daarom voor alle zekerheid nog even de afstemming of dit wel of niet gewenst is.”

b) de reactie hierop van [X jr.] dezelfde dag bij e-mailbericht aan [C] :

“Wat is de consequentie als hij dat doet moet het dan verzekerd worden volgens die waarde?”

c) het antwoord van [C] bij e-mailbericht van dezelfde dag:

“Het is gebruikelijk om de waarde die vastgesteld wordt door een deskundige (vaak ingenieurs van een onafhankelijk taxatiebureau) over te nemen. Ik heb ASR even gebeld en zij maken het eigenlijk nooit mee dat klanten het niet overnemen.

Voordeel van een waardebepaling is dat er bij schade nooit discussie kan ontstaan bij schade (klein of groot). Er wordt namelijk bij een geïndexeerde gebouwenverzekering een onderverzekeringsgarantie afgegeven voor 6 jaar.

Mijn advies is om er wel gebruik van te maken. Mocht de uitkomst dusdanig afwijken van de
E 2.4 mio. dat je broer het echt te gek vindt, dan kan hij uiteraard altijd nog afwijken door toch zelf de verzekerde som te bepalen. Alleen kan er dan uiteraard wel bij schade discussie ontstaan of het bedrag correct is. En in het dossier heeft men dan natuurlijk wel de waardebepaling zitten. Stel dat die uitkomt op E 3,0 mio. en ASR stelt op het moment van schade dat dat juist is (….), dan is het uitgangspunt dat van iedere schade 2,4/3.0 (=80%) betaald wordt (toepassing onderverzekeringsregel). Dus heb je E 500.000 schade dan wordt er E 400.000 uitgekeerd. Het is dus niet alleen als het hele complex af zou branden, ook bij “kleinere” schades.”

d) de reactie van [X jr.] bij e-mailbericht van 7 oktober 2016:

“Ze hoeven die waarde bepaling niet te doen bij al mijn panden is er ook nooit naar gevraagd mochten ze er problemen hebben horen we ze wel.”

e) de reactie hierop van [C] bij e-mailbericht van 7 oktober 2016:

“Wat mij betreft kan dit desgewenst per pand worden bepaald. Ook voor je/jullie bestaande panden. Zou je dit voor een aantal panden interessant vinden, dan kunnen wij dat uiteraard bij de betreffende verzekeraars in gang zetten. Zonder uitdrukkelijke opdracht van jou of je vader zullen wij dit uiteraard niet uit onszelf doen, aangezien je mij hebt verteld hierin terughoudend te zijn.

Voor het nieuwe pand van je broer ( […] ) wil ik graag nog even duidelijkheid of hij wel of geen waardebepaling wil laten uitvoeren.”

f) waarop volgt de reactie van [X jr.] bij e-mailbericht van 9 oktober 2017:

“Wij willen geen waarde bepaling voor de panden en me broer ook niet!”

g) en ten slotte de reactie van [C] bij e-mailbericht van 10 oktober 2016:

“Prima. Belangrijkste is dat het een bewuste keuze is. Ik heb deze keuze (geen waardebepaling) doorgegeven aan ASR.”

4.19.

Buro Nomden heeft daaraan toegevoegd dat [C] in het eerste halfjaar van 2016 verschillende keren (veelal telefonisch) contact heeft gehad met [X jr.] , waarin expliciet is gesproken over het risico van onderverzekering en de noodzaak van het laten uitvoeren van waardebepalingen. Buro Nomden heeft in dit verband verwezen naar een telefoonnotitie van [C] van 11 mei 2016, waarin hij heeft aangetekend:

“Wil geen waardebep: bang te hoog”

4.20.

Tot slot heeft Buro Nomden aangevoerd dat haar werknemer [D] in november 2016 het beheer van de verzekeringsportefeuille van [eiser] heeft overgenomen van [C] en dat [D] ter gelegenheid van inspecties van de panden de noodzaak van het laten uitvoeren van een waardebepaling met [X jr.] heeft besproken. Dit is volgens Buro Nomden onder meer gebeurd bij een inspectie op 20 juni 2017. Naar aanleiding hiervan heeft [D] volgens Buro Nomden de volgende gespreksaantekening gemaakt:

“ [X jr.] : waardebepaling besproken voor gehele en/of dat pand om juiste VB bedragen? [X jr.] [lees: [X jr.] , rechtbank] houdt de boot af”

4.21.

Tegenover deze gedocumenteerde onderbouwing van het standpunt van Buro Nomden heeft [eiser] , samengevat, het volgende aangevoerd. De heer [A] (zie 4.16) heeft niets te maken met de panden, omdat hij werkte voor een andere zoon van [eiser] .

Buro Nomden heeft geen besprekingsverslagen overgelegd, hetgeen wel van haar had mogen worden verwacht. De gespreksaantekeningen (zie 4.19 en 4.20) zijn voor [eiser] oncontroleerbaar, zodat niet kan worden beoordeeld of deze gesprekken daadwerkelijk hebben plaatsgevonden en of de aantekeningen direct na afloop daarvan of pas later zijn opgemaakt. [eiser] betwist tot slot dat [B] , zoals hij heeft verklaard (zie 4.17), diverse malen met de heren [eiser] heeft gesproken over het risico van onderverzekering en dat er bij de brand in 2005 (waaraan [B] refereert) sprake was van onderwaarde.

4.22.

Gelet op het gemotiveerde verweer van Buro Nomden en de reactie daarop van [eiser] , is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan dat Buro Nomden [eiser] niet, althans onvoldoende vaak en onvoldoende indringend heeft gewaarschuwd voor de gevolgen van onderverzekering. [C] heeft in het onder 4.18 onder c weergegeven e-mailbericht aan [X jr.] duidelijk uitgelegd wat onderverzekering is en wat de gevolgen daarvan zijn. Weliswaar is deze correspondentie gevoerd in verband met de aankoop van een pand door een andere zoon van [eiser] , maar [C] heeft in zijn onder 4.18 onder e bedoelde e-mailbericht erop gewezen dat de waardebepaling ook van belang kan zijn voor de panden van [eiser] . De reactie daarop van [X jr.] “we willen geen waardebepaling voor de panden en me broer ook niet!” (zie 4.18 onder f) laat er geen twijfel over bestaan dat [X jr.] – terwijl [C] hem had gewezen op de risico’s daarvan – bewust heeft afgezien van de mogelijkheid de waarde van de panden te laten bepalen. De enkele omstandigheid dat Buro Nomden geen besprekingsverslagen heeft overgelegd, brengt niet mee dat geen betekenis toekomt aan de gespreksaantekeningen (zie 4.19 en 4.20), zodat de rechtbank van de juistheid van die aantekeningen uitgaat. Daarbij komt nog dat [eiser] niet heeft betwist dat [D] bij de inspectie op 20 juni 2017 de noodzaak van het laten uitvoeren van een waardebepaling heeft besproken.

4.23.

Bij dit een en ander moet in aanmerking worden genomen dat [eiser] een professionele partij is, die een groot aantal panden bezit en zijn bedrijf maakt van het handelen in en verhuren van onroerend goed. Van zo’n professionele partij mag meer worden verwacht dan van een consument. Hieruit volgt ook dat [eiser] , anders dan hij heeft aangevoerd, er niet zomaar vanuit mocht gaan dat de panden voldoende verzekerd waren omdat hij de verzekerde sommen afstemde op de WOZ-waarde van de panden.

4.24.

Gelet op het voorgaande gaat het verwijt van [eiser] dat Buro Nomden hem niet heeft gewaarschuwd voor het risico van onderverzekering, niet op.

4.25.

Ook de verwijten dat Buro Nomden i) voor [eiser] een brandverzekering heeft afgesloten waarvan de verzekerde som evident te kort schoot en ii) heeft nagelaten de hoogte van de verzekerde som periodiek te (laten) toetsen, gaan niet op. Buro Nomden kan, zoals zij onweersproken heeft aangevoerd, als tussenpersoon niet zelfstandig inschatten of er sprake is van onderverzekering. Uit hetgeen onder 4.12 is overwogen volgt dat het wel de verantwoordelijkheid was van Buro Nomden om [eiser] te wijzen op het risico van onderverzekering (wat zij, zoals de rechtbank hiervoor overwoog, ook heeft gedaan). Van haar kan niet worden verlangd dat zij tegen de wil van [eiser] in de verzekerde som zou verhogen of (uit eigen beweging) zou laten toetsen of er sprake was van onderverzekering.

4.26.

De slotsom is dat de vordering jegens Buro Nomden wordt afgewezen.

De proceskosten

4.27.

In de procedure tussen [eiser] en NN zal NN in de proceskosten worden veroordeeld, nu zij in het ongelijk is gesteld. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van [eiser] op € 5.417, namelijk € 3.946 aan griffierecht, € 81 aan deurwaarderskosten en € 1.390 aan salaris advocaat (twee punten à € 695, volgens tarief III). Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert. De rechtbank zal de nakosten begroten overeenkomstig het daarop toepasselijke liquidatietarief.

4.28.

In de procedure tussen [eiser] en Buro Nomden zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd. De rechtbank overweegt in dit verband dat [eiser] onweersproken heeft aangevoerd dat haar advocaat voorafgaand aan deze procedure verschillende keren haar klantdossier bij Buro Nomden heeft opgevraagd, maar dat Buro Nomden daarop niet heeft gereageerd. Ook op de aansprakelijkstelling van Buro Nomden is geen enkele reactie gevolgd. De advocaat van [eiser] heeft in een e-mail aan (de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van) Buro Nomden van 6 juli 2018 het volgende geschreven:

“Al weken zijn wij bij uw verzekerde en u aan het – ik heb er geen andere woord voor – zeuren om stukken. Ons geduld is nu wel op. Ook vanuit klantoogpunt ( [eiser] – Nomden) heb ik daar zo mijn gedachten over.

Het is heel eenvoudig, cliënte heeft bij ons de mogelijkheid open gelaten uw verzekerde te dagvaarden. Het aanleveren van stukken aan ons kantoor is zo bezien ook in het belang van uw verzekerde en (bij dekking, waar ik vanuit ga) van u. Immers, indien uw verzekerde haar dossier op orde had en heeft, dwingen die stukken mogelijk tot een andere inschatting van deze kwestie door ons. Indien u niets (meer) stuurt, weet u zeker dat onze voorlopige inschatting niet wijzigt en dús dat uw verzekerde met zekerheid tegen een procedure aankijkt. Het zou zo zonde van de tijd, het geld en de moeite zijn indien er – en ik maak het wel eens mee – bij conclusie van antwoord wél ineens (meer) stukken blijken te zijn”.

4.29.

Ook op deze e-mail is geen inhoudelijke reactie gevolgd, noch heeft Buro Nomden de gevraagde informatie aangeleverd. Pas in deze procedure heeft Buro Nomden (delen van) haar klantdossier overgelegd, op basis waarvan de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat de verwijten die [eiser] Buro Nomden maakt, onterecht zijn. In het licht van deze weigerachtige houding van Buro Nomden ziet de rechtbank aanleiding de door Buro Nomden gemaakte proceskosten voor haar eigen rekening te laten.

5 De beslissing

De rechtbank

in de procedure tussen [eiser] en NN

5.1.

veroordeelt NN tot betaling aan [eiser] van € 96.409,59, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 maart 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt NN in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] begroot op € 5.417 aan tot op heden gemaakte proceskosten en op € 157 aan nog te maken nakosten, te vermeerderen met € 82 in geval van betekening;

5.3.

verklaart de veroordeling onder 5.1 en 5.2 uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in de procedure tussen [eiser] en Buro Nomden

5.5.

wijst de vorderingen af;

5.6.

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Brandt en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2019.1

1 type: 1554 coll: