Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:9895

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-09-2019
Datum publicatie
04-10-2019
Zaaknummer
C-09-569561-HA ZA 19-247
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

mondeling vonnis 30p Rv, schadevergoeding winstderving wegens ontbinding 6:277 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

proces-verbaal

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C-09-569561-HA ZA 19-247

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 18 september 2019

in de zaak van

BANGARAGE B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eisers,

advocaat mr. M.J. Koning te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde sub 1] , te [plaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. S.A.P. van den Berg te Den Haag,

2. [PCAS] B.V., te Den Haag,

gedaagde,

niet verschenen,

3. [TVA] B.V., te Den Haag,

gedaagde,

niet verschenen.

Partijen worden hierna Bangarage, [gedaagde sub 1] , PCAS en TVA genoemd.

1 Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 22 februari 2019 met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord met producties,

  • -

    het b-formulier van Bangarage van 20 augustus 2019 waarbij producties 14 en 15 zijn overgelegd,

  • -

    het b-formulier van Bangarage van 4 september 2019 waarbij producties 16 en 17 zijn overgelegd,

  • -

    de akte van Bangarage genomen op de zitting van 18 september 2019 met een productie,

  • -

    de comparitie van partijen op 18 september 2019. Namens Bangarage is mr. Koning verschenen. [gedaagde sub 1] is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat.

Van het verhandelende ter zitting is met instemming van partijen geen afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

1.2.

PCAS en TVA zijn niet in de procedure verschenen. Nu [gedaagde sub 1] wel in de procedure is verschenen, wordt het vonnis op grond van artikel 140 Rv als een op tegenspraak gewezen vonnis beschouwd.

1.3.

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank met toepassing van artikel 30p van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ter zitting onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. Dat PCAS en TVA niet in de procedure zijn verschenen staat hieraan niet in de weg.

2 De beslissing

De rechtbank:

2.1.

veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling van een bedrag van € 40.258,14 aan Bangarage, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 12 augustus 2019,

2.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] in de proceskosten, aan de zijde van Bangarage begroot op € 3.236,40 en op € 157 aan nog te maken nakosten, te vermeerderen met € 82 in geval van betekening,

2.3.

veroordeelt Bangarage in de proceskosten van PCAS en TVA, tot op heden begroot op nihil,

2.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

2.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

3 De beoordeling

3.1.

De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

3.2.

Bangarage vordert schadevergoeding uit hoofde van een door Bangarage Amsterdam B.V. (hierna: Bangarage Amsterdam) aan haar gecedeerde vordering. Aan deze vordering heeft Bangarage ten grondslag gelegd dat [gedaagde sub 1] en Bangarage Amsterdam een koopovereenkomst hebben gesloten met betrekking tot een Volvo XC40 en een Volvo XC60. Bangarage heeft verder gesteld dat voor zover niet [gedaagde sub 1] als de contractspartij van Bangarage Amsterdam moet worden aangemerkt maar de vennootschappen van [gedaagde sub 1] (PCAS en TVA), dient die schade volgens Bangarage door hen te worden vergoed. Inmiddels is tussen partijen niet langer in geschil dat geen van deze vennootschappen als kopende partij moeten worden aangemerkt, maar dat [gedaagde sub 1] in privé heeft gehandeld, zodat de vorderingen jegens PCAS en TVA zullen worden afgewezen.

3.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde sub 1] op 23 november 2017 een orderbevestiging heeft getekend voor de aankoop van twee nieuwe auto’s, een Volvo XC60 en een Volvo XC40, voor de prijs van respectievelijk € 97.385,17 en € 64.887,67. Evenmin is in geschil dat als verkopende partij heeft te gelden Bangarage Amsterdam en niet Bangarage. [gedaagde sub 1] heeft een niet-ontvankelijkheidsverweer gevoerd, inhoudende dat Bangarage niets van hem te vorderen heeft en om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Dit betoog wordt verworpen, nu Bangarage een overeenkomst van cessie in het geding heeft gebracht, waarin staat vermeld dat Bangarage Amsterdam alle vorderingen die zij heeft op [gedaagde sub 1] aan Bangarage cedeert.

3.4.

Vervolgens is de vraag aan de orde of tussen Bangarage Amsterdam en [gedaagde sub 1] een overeenkomst tot stand is gekomen waarvan nakoming kan worden gevorderd. [gedaagde sub 1] stelt dat de overeenkomst onder de voorwaarde van goedkeuring van de directie tot stand is gekomen, dat niet is gebleken dat de directie haar goedkeuring heeft verleend en dat van een volmaakte overeenkomst waarvan Bangarage Amsterdam nakoming door [gedaagde sub 1] kan vorderen dus geen sprake is. Ook betoogt hij dat Bangarage pas tot inkoop zou overgaan zodra [gedaagde sub 1] een aanbetaling heeft gedaan. Nu hij geen aanbetaling heeft gedaan, is – zo begrijpt de rechtbank het verweer – van een volmaakte overeenkomst geen sprake. Beide verweren gaan niet op. De rechtbank ligt dit als volgt toe.

3.5.

Het staat vast dat na het ondertekenen van de twee opdrachtbevestigingen tussen Bangarage Amsterdam en [gedaagde sub 1] een e-mailwisseling heeft plaatsgevonden over het moment waarop [gedaagde sub 1] de auto’s zou komen ophalen. Zo heeft [gedaagde sub 1] op 14 februari 2018 in reactie op een betalingsverzoek van Bangarage Amsterdam aan Bangarage Amsterdam te kennen gegeven dat een eerdere betalingspoging is mislukt omdat er maximaal € 100.000 kon worden overgemaakt en dat hij twee nieuwe betalingsopdrachten aan de bank heeft verstrekt waarbij het bedrag dat hij aan Bangarage Amsterdam diende te voldoen is gesplitst in twee kleinere bedragen. Het staat ook vast dat Bangarage Amsterdam op 27 februari 2018 aan [gedaagde sub 1] heeft laten weten dat de Volvo XC40 op het punt stond om bij de garage binnen te komen. Op 12 april 2018 heeft hij per e-mail te kennen gegeven dat hij voor zijn werk in China is en rond 30 april terug komt en dan zal laten weten wanneer kan worden geleverd. Diezelfde dag heeft hij een e-mail verstuurd waarin hij zich verontschuldigt dat het niet eerder kan dan 30 april. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat ook [gedaagde sub 1] ervan uitging dat er een overeenkomst tot stand was gekomen, inhoudende dat Bangarage Amsterdam twee auto’s aan hem zou leveren en dat hij de overeengekomen prijs diende te betalen. Het staat ook vast dat hij aan die verplichting niet heeft voldaan. Het verweer dat hij niet in verzuim was omdat er geen goedkeuring van de directie was en dat hij geen aanbetaling heeft gedaan, wordt dan ook verworpen.

3.6.

Vaststaat dat Bangarage Amsterdam de overeenkomsten op 12 augustus 2019 heeft ontbonden. Tegen de rechtsgeldigheid van die ontbinding heeft [gedaagde sub 1] geen verweer gevoerd. Op grond van artikel 6:277 lid 1 BW is [gedaagde sub 1] verplicht aan Bangarage Amsterdam de schade te vergoeden die deze laatste lijdt doordat geen nakoming maar ontbinding van de overeenkomst heeft plaatsgevonden. Op grond van artikel 6:95 jo. 6:96 BW omvat vermogensschade zowel geleden verlies als gederfde winst. Bangarage heeft de door Bangarage Amsterdam gederfde winst gevorderd, inhoudende het verschil tussen de inkoopprijs en de verkoopprijs van de twee auto’s, in totaal € 40.258,14. Hij heeft dit bedrag onderbouwd door de inkoopnota’s van de auto’s over te leggen, waaruit een bedrag van € 68.502,09 respectievelijk € 42.469,45 aan inkoopprijs blijkt, en te verwijzen naar de getekende orderbevestiging. Ten aanzien van de waarde van de auto’s heeft Bangarage verder nog de catalogus van Volvo in het geding gebracht. Anders dan [gedaagde sub 1] betoogt, staat daarmee voldoende vast voor welke prijs Bangarage de auto’s heeft moeten inkopen. Dat op de inkoopnota een andere kleur van de XC60 wordt vermeld, is dan ook niet relevant. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank ook vast welke winst Bangarage Amsterdam zou hebben behaald met de met [gedaagde sub 1] gesloten overeenkomst. [gedaagde sub 1] heeft ten verwere aangevoerd dat het in beide gevallen om courante auto’s gaat waar veel vraag naar is, zodat – zo begrijpt de rechtbank dit verweer – Bangarage Amsterdam die auto’s alsnog heeft kunnen verkopen. Deze verweren worden verworpen. Voor de vraag welke winst Bangarage Amsterdam heeft gederfd is niet relevant of Bangarage Amsterdam die auto’s alsnog heeft kunnen verkopen. Bangarage heeft toegelicht dat zij aan die derden geen andere auto’s heeft kunnen verkopen waarop zij winst had kunnen maken, en dus nog steeds winst heeft gederfd doordat de overeenkomst met [gedaagde sub 1] is ontbonden in plaats van dat nakoming van die overeenkomst heeft plaatsgevonden. De gevorderde gederfde winst van € 40.258,14 zal dan ook worden toegewezen.

3.7.

Bangarage heeft verder afschrijving op de Volvo XC40 gevorderd, bestaande uit 3% afschrijvingskosten per maand. [gedaagde sub 1] heeft daartegen ten verwere aangevoerd dat de auto in de showroom heeft gestaan zodat het maar zeer de vraag is of de auto minder waard is geworden en verder heeft hij betwist dat een percentage van 3% een reëel afschrijvingspercentage is. Hierop heeft Bangarage haar stelling dat de auto in waarde is gedaald en dat een percentage van 3% reëel is niet nader onderbouwd, zodat de rechtbank de vordering tot afschrijvingskosten zal afwijzen.

3.8.

Hierop komt het totaal van de toe te wijzen schadevergoeding op € 40.258,14, te vermeerderen met de (gewone) wettelijke rente. De rechtbank zal de ingangsdatum van de wettelijke rente bepalen op de datum van ontbinding door Bangarage Amsterdam van 12 augustus 2019.

3.9.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen, nu niet is gebleken dat namens Bangarage Amsterdam buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht.

3.10.

[gedaagde sub 1] zal als in de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. [gedaagde sub 1] heeft nog ten verwere aangevoerd dat geen proceskosten zijn verschuldigd, nu Bangarage Amsterdam die kosten niet heeft gemaakt maar Bangarage. Dat verweer wordt verworpen, nu vaststaat dat Bangarage kosten heeft gemaakt om de vordering van Bangarage Amsterdam te kunnen incasseren. Bovendien worden de proceskosten forfaitair berekend. De kosten worden begroot op € 3.326,40, te weten griffierecht van € 1.992,00, advocaatkosten van € 1.158,00 (2 x € 579, tarief III) en explootkosten € 86,40.

3.11.

Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116). De rechtbank zal de nakosten begroten conform het daarop toepasselijke liquidatietarief.

3.12.

Bangarage zal als de jegens PCAS en TVA in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van PCAS en TVA worden veroordeeld. Nu PCAS en TVA niet in de procedure zijn verschenen, zullen die kosten worden begroot op nihil.

Deze mondelinge uitspraak is gedaan door mr. J.S. Honée, rechter, en in het openbaar uitgesproken in de aanwezigheid van de griffier, waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat is verzonden op 19 september 2019.