Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:9894

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-09-2019
Datum publicatie
20-09-2019
Zaaknummer
C/09/576326 / KG ZA 19/614
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Uitlevering aan Turkije niet verboden. Terugkeergarantie, artikel 3, 6 en 13 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2020/11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09576326 / KG ZA 19/614

Vonnis in kort geding van 18 september 2019

in de zaak van

[eiser] te [plaats] ,

eiser,

advocaat mr. V.A. Groeneveld te Amsterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de door de Staat gedaagde overgelegde producties;

- de op 28 augustus 2019 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de Staat pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser] heeft de Nederlandse en de Turkse nationaliteit.

2.2.

Bij uitleveringsverzoek van 10 november 2015 (ontvangen door de Nederlandse autoriteiten op 17 juni 2016) hebben de Turkse autoriteiten om uitlevering van [eiser] gevraagd in verband de tenuitvoerlegging van twee vonnissen met betrekking tot opzettelijke mishandeling. De vonnissen zijn uitgesproken bij afwezigheid van [eiser] en zijn advocaat. De Turkse autoriteiten hebben de garantie gegeven dat [eiser] op grond van artikel 3 van het Tweede Aanvullende Protocol bij het Europees Verdrag betreffende Uitlevering de waarborg krijgt van een nieuw proces in Turkije. Het uitleveringsverzoek betreft aldus een verzoek tot uitlevering met het oog op strafvervolging.

2.3.

Bij brief van 12 februari 2016 is, voor zover nu relevant, namens de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) als volgt bericht aan de Turkse autoriteiten:

“Furthermore I would like to ask your attention for the following. Article 6 of the European Convention on Extradition allows states the possibility to deny extradition of its own nationals. The Dutch declaration to this article states that the Netherlands can only permit the extradition of its nationals for purposes of prosecution if the requesting State provides a guarantee that the person claimed may be returned to the Netherlands to serve his sentence there if, following his extradition, a custodial sentence other than a suspended sentence or a measure depriving him of his liberty is imposed.

Concerning the transfer of this sentence the requesting state needs to guarantee that the procedure of article 11 of the Convention on the Transfer of Sentenced Persons will be allowed. I therefore kindly ask you to give me this guarantee and to confirm that you agree with the Dutch conversion of the sentence imposed on Mr [eiser] in accordance with Article 11 of the Convention on the Transfer of Sentenced Persons.”

2.4.

Bij diplomatieke nota van 2 mei 2016 hebben de Turkse autoriteiten als volgt bericht, voor zover nu relevant:

“(…)

The Embassy requests the assistance of the esteemed Ministry in extraditing Mr. [eiser] to Turkey in accordance with the relevant provisions of the European Convention on Extradition of 13 December 1957, and in informing the competent Dutch authorities about the guarantee which was given by the Ministry of Justice of the Republic of Turkey during the consultations in the field of judicial cooperation in September 2012 in Ankara:

“The Ministry of Justice of the Republic of Turkey declares that a person whose extradition is requested from the Netherlands in order to be prosecuted or tried in Turkey, shall be sent to the Netherlands within the procedure of transfer of sentenced persons, where any criminal sanction requiring the deprivation of liberty was imposed upon him and became final after his extradition to Turkey and the conditions set out in the article 3 of Convention on the Transfer of Sentenced Persons are met. As regards such transfer to the Netherlands, the Ministry of Justice of the Republic of Turkey shall consent to the application of procedure of conversion of sentence, which is provided by the article 11 of the Convention.”

(…)”

2.5.

Bij uitspraak van de rechtbank Gelderland van 2 maart 2018 is de uitlevering van [eiser] toelaatbaar verklaard. Voor zover nu relevant heeft de rechtbank de Minister geadviseerd na te gaan in welke mate de situatie in Turkije gevolgen heeft voor de termijn waarbinnen berechting kan plaatsvinden, voor de toegang tot een raadsman, voor de detentieomstandigheden en voor het klachtrecht van artikel 13 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en, indien nodig een garantie te vragen bij de Turkse autoriteiten voor de naleving hiervan conform de standaarden van het EVRM.

2.6.

Het cassatieberoep van [eiser] tegen voormelde uitspraak van 2 maart 2018 is door de Hoge Raad bij arrest van 6 november 2018, onder verwijzing naar artikel 81, eerste lid van de Wet op de rechterlijke organisatie, verworpen.

2.7.

Naar aanleiding van verzoeken van de Minister om informatie en garanties in het kader van de uitleveringsverzoeken van diverse personen hebben de Turkse autoriteiten bij brieven van 3 februari 2017 en 24 maart 2017 verschillende garanties gegeven voor de bejegening van opgeëiste personen. Bij schrijven van 6 mei 2019 hebben de Turkse autoriteiten verklaard dat die garanties ook van toepassing zijn op [eiser] .

2.8.

Bij beschikking van 5 juni 2019 heeft de Minister de uitlevering van [eiser] toegestaan.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven:

primair: de Staat te bevelen hem niet aan Turkije uit te leveren en zijn hechtenis op te heffen;

subsidiair: de Staat te bevelen de feitelijke uitlevering aan te houden en de Turkse autoriteiten te verzoeken om een nieuwe garantie ex artikel 4 lid 2 van de Uitleveringswet (Uw), tenminste inhoudende dat expliciet wordt erkend dat [eiser] Nederlands staatsburger is en dat hij na het onherroepelijk worden van een eventuele vrijheidsbenemende straf op zijn verzoek aan Nederland zal worden teruggeleverd, waarbij [eiser] pas kan worden uitgeleverd na ontvangst van zo’n ondubbelzinnige garantie;

met veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – kort samengevat – het volgende aan. De Minister handelt onrechtmatig jegens [eiser] door de uitlevering aan Turkije toe te staan. Een afdoende terugkeergarantie als bedoeld in artikel 4 lid 2 Uw ontbreekt. Daarnaast is er sprake van een dreigende flagrante schending van de mensenrechten van [eiser] , met name de rechten bedoeld in artikel 3 en 6 EVRM, waartegen naar verwachting geen “effective remedy” als bedoeld in artikel 13 EVRM open zal staan.

3.3.

De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

Vooraf

4.1.

Op grond van de Uitleveringswet vindt uitlevering van een opgeëiste persoon plaats nadat die door de uitleveringsrechter toelaatbaar is verklaard en vervolgens door de Minister bij besluit is toegestaan. In verband met de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister zoals neergelegd in de Uitleveringswet, toetst de uitleveringsrechter bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de uitlevering niet alle aspecten van de uitlevering. Aspecten die volgens die taakverdeling worden beoordeeld door de Minister en daarom bij de toelaatbaarverklaring door de uitleveringsrechter niet aan de orde zijn gekomen, kan de opgeëiste persoon desgewenst betrekken in een vordering bij de burgerlijke rechter die ertoe strekt de uitlevering te verbieden op de grond dat het besluit van de Minister, of de tenuitvoerlegging daarvan, onrechtmatig is tegenover de opgeëiste persoon.

4.2.

Uit de artikelen 8 en 10 Uw volgt dat het oordeel over de vraag of de uitlevering een schending oplevert of tot een schending zal leiden van fundamentele rechten in de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister is voorbehouden aan de Minister (vgl. HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0547, NJ 1997, 533). Indien tegen een besluit van de Minister om de uitlevering toe te staan, wordt opgekomen bij de burgerlijke rechter met de stelling dat de uitlevering strijdig is met fundamentele rechten, dient toetsing van die beslissing een volledige te zijn (vgl. HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV7387, NJ 2007, 277).

Terugkeergarantie

4.3.

Op grond van artikel 4, lid 2 Uw wordt een Nederlandse onderdaan alleen ten behoeve van strafrechtelijk onderzoek uitgeleverd als gewaarborgd is dat hij, mocht hij in de verzoekende Staat tot onvoorwaardelijke vrijheidsstraf worden veroordeeld, deze straf in Nederland zal mogen ondergaan. De vraag of een dergelijke terugkeergarantie toereikend is, is ter beoordeling aan de Minister.

4.4.

[eiser] stelt dat voor hem een afdoende terugkeergarantie ontbreekt. Hij voert daartoe aan dat hij zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit heeft. In het Turkse uitleveringsverzoek en de bijlagen daarbij wordt [eiser] echter consequent aangeduid als (alleen) Turks onderdaan. Turkije draagt eigen onderdanen niet over aan het buitenland, noch in het kader van uitlevering, noch in het kader van teruglevering. Het is staande praktijk dat de Turkse autoriteiten Nederlanders die tevens de Turkse nationaliteit bezitten allereerst behandelen als Turkse onderdanen. In het licht daarvan moet een door Turkije gegeven terugkeergarantie ‘spijkerhard’ zijn, aldus nog steeds [eiser] . De brief van 2 mei 2016 bevat volgens [eiser] geen spijkerharde terugkeergarantie. Er wordt slechts verwezen naar een garantie van het Turkse Ministerie van Justitie gedaan tijdens “the consultations in the field of judicial cooperation in September 2012 in Ankara”, maar de brief bevat geen op [eiser] toegesneden garantie. De garantie wordt bovendien uitdrukkelijk afhankelijk gesteld van de vraag of aan de voorwaarden van artikel 3 Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (VOGP) is voldaan, terwijl niet expliciet in de brief staat dát aan die voorwaarden is voldaan. Een van die voorwaarden van dat artikel is dat de gevonniste persoon kan worden overgebracht als hij onderdaan is van de Staat waar het vonnis dan ten uitvoer zal worden gelegd (Nederland). Het is echter allerminst duidelijk of de Turkse autoriteiten [eiser] beschouwen als Nederlandse onderdaan en derhalve of zij zullen vinden dat aan de voorwaarden van artikel 3 VOGP is voldaan.

4.5.

De vraagtekens die [eiser] heeft gezet bij de waarde van de Turkse terugkeergarantie kunnen niet leiden tot toewijzing van het gevorderde. Met de Staat is de voorzieningenrechter van oordeel dat de terugkeergarantie volstaat. Dit wordt niet anders doordat er in de terugkeergarantie staat dat er aan de voorwaarden van artikel 3 VOGP moet zijn voldaan. Deze voorwaarden omvatten meer dan uitsluitend de vereiste dat de gevonniste persoon onderdaan is van de Staat waar het vonnis dan ten uitvoer zal worden gelegd (onder meer over onherroepelijkheid van het vonnis en duur van de resterende straf) en [eiser] komt ook alleen voor terugkeer naar Nederland in aanmerking als blijkt dat aan al deze voorwaarden is voldaan, hetgeen thans nog niet te beoordelen is.

4.6.

Dat Turkije uiteindelijk zal stellen dat [eiser] slechts Turks onderdaan is en op grond daarvan geen teruglevering zal toestaan is niet aannemelijk geworden. Dit kan niet worden afgeleid uit de omstandigheid dat de Turkse autoriteiten telkens alleen melding maken van de Turkse nationaliteit van [eiser] en niet benoemen dat hij tevens de Nederlandse nationaliteit heeft. De voorzieningenrechter gaat er van uit dat de brief van 2 mei 2016 waarin de terugkeergarantie wordt gegeven een reactie is op de brief van de Minister van 12 februari 2016, waarin uitdrukkelijk vanwege de Nederlandse nationaliteit van [eiser] om een terugkeergarantie wordt gevraagd. [eiser] stelt weliswaar dat uit de brief van 2 mei 2016 niet blijkt dat het om een reactie op de brief van 12 februari 2016 gaat, maar – zoals de Staat terecht stelt – niet valt in te zien dat en waarom de Turkse autoriteiten zich zonder enige aanleiding uit zouden laten over een terugkeergarantie. Nu de bij brief van 2 mei 2016 gegeven terugkeergarantie aldus moet worden gezien als een reactie op de brief van 12 februari 2016 en daarin in relatie tot [eiser] wordt verwezen naar in 2012 gemaakte diplomatieke afspraken over terugkeergaranties, volstaat deze. Hierbij is ook in aanmerking genomen dat die diplomatieke afspraken juist betrekking hebben op de door [eiser] aan de orde gestelde houding van Turkije ten aanzien van Nederlanders die tevens de Turkse nationaliteit bezitten. Eerst in 2012 heeft Turkije de bereidheid uitgesproken ten aanzien van verdachten met zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit een terugkeergarantie af te geven. Gezien het in uitleveringszaken geldende vertrouwensbeginsel moet er vervolgens ook vanuit worden gegaan dat Turkije deze terugkeergarantie ook na zal komen.

Schending artikel 3, 6 en 13 EVRM

4.7.

Met betrekking tot het beroep van [eiser] op schending van artikel 3, 6 en 13 EVRM stelt de voorzieningenrechter voorop dat in de gevallen waarin – zoals hier het geval is – zowel de verzoekende Staat als de aangezochte Staat is toegetreden tot het EVRM, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat de bepalingen van dit verdrag zal eerbiedigen. Dit vertrouwen brengt mee dat ervan moet worden uitgegaan dat de opgeëiste persoon in geval van schending van enig hem bij dat verdrag toegekend recht na zijn uitlevering ter (verdere) strafvervolging het recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM voor een instantie van de verzoekende Staat. Dit betekent dat een verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering alleen dan moet wijken voor de ingevolge artikel 1 EVRM op de Staat rustende verplichting om de rechten van dat verdrag te verzekeren indien (a) blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6, eerste lid, EVRM toekomend recht, en (b) voorts naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat ter zake van die inbreuk. Artikel 3 EVRM staat in de weg aan uitlevering indien er gegronde redenen (“substantial grounds”) zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon in geval van uitlevering een reëel gevaar (“a real risk”) loopt te worden onderworpen aan foltering of aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, (o.a. EHRM 7 juli 1989, ECLI:NL:XX:AB9902, NJ 1990, 158). Doet zo’n situatie zich voor dan kan de Minister niet volstaan met een verwijzing naar het vertrouwensbeginsel. Bij beoordeling van de vraag of die situatie zich voordoet heeft als uitgangspunt te gelden dat de “mere possibility of ill-treatment on account of an unsettled situation in the requesting country does not in itself give rise to a breach of Article 3” (EHRM 18 september 2012, zaak 17455 / 11 Umirov-Russia).

4.8.

Ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is van een dreigende flagrante schending van artikel 3 en 6 EVRM stelt [eiser] kort samengevat dat de situatie met betrekking tot de mensenrechten de laatste jaren ernstig is verslechterd in Turkije. Hij stelt dat een groot aantal rechters, aanklagers, ambtenaren en advocaten uit hun functie zijn ontheven, met als kennelijk doel om de burgerlijke samenleving – waaronder het rechtsbedrijf – onder controle van de centrale overheid te plaatsen. Na de couppoging in juli 2016 is in Turkije de noodtoestand van kracht geweest. Die noodtoestand is inmiddels opgeheven, maar uit diverse publicaties van Amnesty International, de Minister van Buitenlandse Zaken, het Committee on Foreign affairs van de Europese Unie en Human Right Watch blijkt dat er alle reden is om aan te nemen dat deze opheffing geen wezenlijke verandering ten aanzien van de mensenrechten teweeg heeft gebracht, zowel de rechten die worden beschermd door artikel 3 EVRM, als de rechten die worden beschermd door artikel 6 EVRM.

4.9.

De voorzieningenrechter overweegt dat een beroep op schending van artikel 6 EVRM in algemene bewoordingen niet volstaat. De te verwachten omstandigheden voor de opgeëiste persoon ( [eiser] ) zélf moeten worden beoordeeld en [eiser] zal dus moeten onderbouwen dat híj een risico loopt op schending van artikel 6 EVRM. Er zijn al diverse rechterlijke procedures gevoerd over de vraag of uitlevering naar Turkije toelaatbaar was, waarbij – zoals ook [eiser] in deze procedure doet – ook is gewezen op de invloed van de Turkse overheid op rechterlijke benoemingen en het functioneren van politie en justitie na de couppoging. In die eerdere procedures is, zoals de Staat terecht stelt, steeds aangenomen dat de invloed van de centrale overheid op de rechtspleging alleen de positie van specifieke groepen personen kwetsbaar maakte, namelijk (vermeende) aanhangers van de Gülen-beweging, personen die vanaf 2013 betrokken zijn geweest bij het corruptieonderzoek tegen (familie van) overheidsdienaren / leden van de Erdogan-regering, personen met een Koerdische achtergrond en (vermeende) banden met de PKK. Politieke druk op de rechtspleging in commune zaken – en op die grond schending van artikel 6 EVRM – is tot op heden nooit aangenomen (vgl. Gerechtshof Den Haag, 9 juni 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:1600 en Gerechtshof Den Haag 31 oktober 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3257).

4.10.

Bij [eiser] is sprake van een commune strafzaak. Hij wordt verdacht van opzettelijke mishandeling. De enkele omstandigheid dat in het Turkse uitleveringsverzoek staat dat hij lid was van een maatschappelijke organisatie (Stichting voor bron van idealisme, educatie en cultuur) en dat de verdenking een conflict met een medewerker van een universiteit betrof, die mogelijk wordt gezien als een vertegenwoordiger van de autoriteit, is ontoereikend om aan te nemen dat sprake is van een politiek delict of dat de Turkse autoriteiten [eiser] als een oppositioneel figuur zouden beschouwen. Gelet hierop maakt [eiser] geen onderdeel uit van een van de onder 4.9 genoemde kwetsbare groepen.

4.11.

In het licht van het bovenstaande heeft [eiser] niet onderbouwd dat na uitlevering een risico op flagrante schending van artikel 6 EVRM aan de orde zal zijn die het recht op een eerlijk proces in de kern aantast én waartegen in Turkije geen rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM openstaat. De enkele stelling dat de opheffing van de noodtoestand geen wezenlijke verandering teweeg heeft gebracht ten aanzien van de mensenrechten is daartoe – gezien de eerdere rechterlijke uitspraken over de schending van artikel 6 EVRM in Turkije en het feit dat [eiser] geen onderdeel is van een kwetsbare groep – ontoereikend. [eiser] heeft op geen enkele wijze geconcretiseerd dat hij het risico loopt op een flagrante inbreuk op artikel 6 EVRM en dat hem, ingeval van een dergelijke inbreuk, geen rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat. De publicaties van Amnesty International, de Minister van Buitenlandse Zaken, het Committee on Foreign affairs van de Europese Unie en Human Right Watch waar [eiser] naar verwijst bevatten, zoals de Staat terecht stelt, in relatie tot artikel 6 EVRM geen relevante informatie voor de beoordeling van commune strafzaken. Ook uit het door de Staat overgelegde document (opgesteld door het Ministerie van Buitenlandse Zaken) “Update detentieomstandigheden Turkije m.b.t. uitlevering bij commuun delict” van 8 maart 2019 blijkt niet van een risico op schending van artikel 6 EVRM. In dit document staat vermeld dat in Turkije sprake is van een juridisch systeem waarbij processen vrijwel standaard leiden tot voorarrest en gevangenisstraf. Uit deze zinsnede kan – anders dan [eiser] stelt – niet worden afgeleid dat in elk strafzaak vrijwel standaard een bewezenverklaring volgt en dat dus van een eerlijk proces geen sprake is. De zinssnede heeft betrekking op constateringen over de stijging van het aantal gevangenen. Gezien de context waarin deze zin staat is duidelijk dat bedoeld wordt aan te geven dat in Turkije nog geen (of nauwelijks) sprake is van alternatieve wijze van afdoening in strafzaken – hetgeen dus gevolgen heeft voor het aantal gevangenen.

4.12.

Ook het beroep op een dreigende flagrante schending van artikel 3 EVRM kan niet leiden tot toewijzing van de vordering van [eiser] . [eiser] verwijst in dit verband naar de Country Summary Turkey 2018 van Human Right Watch waarin staat vermeld dat in 2017 marteling en mishandeling in voorlopige hechtenis “widely reported” was, “especially by individuals detained under the anti-terror law” en stelt dat hieruit blijkt dat die marteling en mishandeling dus niet alleen betrekking had op personen die op grond van de antiterrorisme wet gedetineerd waren; ook “commuun” gedetineerden lopen de kans op een dergelijke behandeling. In de Country Summary Turkey 2019 van Human Right Watch staat verder vermeld dat in 2018 klachten over marteling en mishandeling in voorlopige hechtenis nog steeds aan de orde waren, zonder dat er een serieus onderzoek naar werd ingesteld door de Turkse autoriteiten. Opvallend daarbij is, aldus [eiser] , dat Human Right Watch geen beslissend onderscheid maakt tussen commune en politieke gevangenen, waar het marteling et cetera betreft. Daarnaast stelt [eiser] – naar de voorzieningenrechter begrijpt – dat er sprake is van schending van artikel 3 EVRM omdat de gevangenissen in Turkije overbevolkt zijn.

4.13.

[eiser] heeft met voormelde verwijzingen niet aannemelijk gemaakt dat juist hij een reëel risico loopt op een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling en evenmin dat iedere persoon die aan Turkije wordt uitgeleverd dat risico loopt. Uit de rapporten van Human Right Watch waar [eiser] naar verwijst kan worden afgeleid dat diegenen die gedetineerd zijn onder de antiterrorisme wet een risico lopen op een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling. Zoals al is overwogen heeft [eiser] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij tot een risicogroep behoort of dat hij terecht staat in een politiek gevoelige zaak en gesteld noch gebleken is dat hij onder de antiterrorisme wet gedetineerd zal worden. Ook anderszins heeft [eiser] niet onderbouwd waarom juist hij risico loopt op een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling. Uit de rapporten van Human Right Watch waar [eiser] in dit verband naar verwijst is bovendien ook niet af te leiden dat verdachten van een commuun delict in het algemeen een reëel risico op een dergelijke behandeling lopen, terwijl enkel de mogelijkheid van zo’n bejegening – blijkens het onder 4.7 weergegeven toetsingskader – onvoldoende is.

4.14.

Ook aan de door de Staat overgelegde producties (bevindingen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 10 maart 2017, 18 september 2017 en 8 maart 2019) en de verwijzing van de Staat naar het jaarrapport van 2018 van het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken kan geen andere conclusie worden verbonden ten aanzien van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM. Uit die stukken kan zonder meer worden afgeleid dat er aanmerkingen zijn te maken op de detentieomstandigheden in Turkije. Ook uit die stukken blijkt echter dat de zorgelijke omstandigheden vooral politieke gevangenen betreffen. Dat [eiser] in het bijzonder of alle commune gevangenen in het algemeen een reëel risico lopen op een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling kan ook uit die stukken niet worden geconcludeerd.

4.15.

De Staat heeft verder voldoende gemotiveerd betwist dat de overbevolking in detentie leidt tot schending van artikel 3 EVRM, stellende dat thans sprake is van een bezettingsgraad van 115% en dat er op dit moment 45 gevangenissen worden bijgebouwd en de bouw van nog 183 gevangenissen in de komende vier jaar voorzien is. Onder deze omstandigheden had het op de weg van [eiser] gelegen om te motiveren waarom – de relatief beperkte – overbevolking zou leiden tot een reëel risico van schending van artikel 3 EVRM. Dit heeft hij nagelaten.

4.15.1.

Ook in het licht van de schending van artikel 3 EVRM heeft [eiser] , tot slot, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er een schending van artikel 13 EVRM dreigt. Dit gezien de verwijzing van de Staat naar een uitlating van de heer [A], VN-rapporteur “on Torture and Other Cruel, Inhuman or Degrading Treatment or Punishment”, die eind 2016 Turkije heeft bezocht en heeft geconcludeerd als volgt: “Judicial safeguards are in place, including at the level of the Constitutional Court, which allow individuals to directly file petitions for allegations of human rights violations, torture and ill-treatment included.” Gezien deze waarneming, in samenhang met de door de Turkse autoriteiten bij brieven van 3 februari 2017 en 24 maart 2017 verstrekte expliciete garanties op dit punt, maakt de constatering van de Turkse NGO Civil Society Association in Penal System – waarnaar in voormelde bevindingen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 8 maart 2019 wordt verwezen – dat er volgens lokale NGO’s geen effectieve klachtenmechanismen zijn voor detentieomstandigheden, niet dat moet worden aangenomen dat in geval van schending van artikel 3 EVRM geen rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM beschikbaar is.

Slotsom

4.16.

Slotsom van al het vorenstaande is dat de vordering van [eiser] zal worden afgewezen. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.619,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 639,= aan griffierecht;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2019.

idt