Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2019:9782

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-08-2019
Datum publicatie
24-09-2019
Zaaknummer
NL19.16639
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Italie. Beleid aangifte mensenhandel. Ondeugdelijk gemotiveerd. Gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.16639


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] , eiseres

mede namens haar minderjarige zoon

[naam 2]

(gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.H.M. Post).

Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.16640, plaatsgevonden op 8 augustus 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen V. Emechete. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres stelt de Nigeriaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum 1] . Haar zoontje [naam 2] heeft eveneens de gestelde Nigeriaanse nationaliteit, hij is geboren op [geboortedatum 2] . Eiseres heeft op 28 maart 2019 asiel aangevraagd in Nederland.

2. Uit onderzoek is gebleken dat eiseres eerder asiel heeft aangevraagd in Italië. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres daarom niet in behandeling genomen1, omdat Italië op grond van de Dublinverordening2 verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder heeft de autoriteiten van Italië gevraagd eiseres terug te nemen. De Italiaanse autoriteiten hebben niet tijdig op het verzoek gereageerd, waardoor sinds 25 mei 2019 de verantwoordelijkheid van Italië vaststaat3.

3. Eiseres stelt dat er sinds de inwerkingtreding van het Salvini-wetsdecreet ten aanzien van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Zij en haar zoontje lopen na overdracht aan Italië het risico op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM4 en artikel 4 van het Handvest5. Volgens eiseres zijn individuele garanties zoals opgenomen in het Tarakhel-arrest noodzakelijk; de enkele verwijzing van verweerder naar de circular letter van 8 januari 2019 is onvoldoende. De omstandigheden in de opvangcentra zijn erbarmelijk. Verweerders stelling dat er geen sprake meer is van capaciteitsgebrek is gebaseerd cijfers over de instroom van vluchtelingen, maar bij gebrek aan inzicht op de uitstroomcijfers kan dit niet gesteld worden. De overweging van verweerder dat eiseres zich dient te beklagen bij de (hogere) Italiaanse autoriteiten is zonder tolk of advocaat illusoir. Ter onderbouwing van haar stellingen wijst eiseres op de brief van VluchtelingenWerk Nederland van 29 mei 2019, met name voor zover daarin wordt verwezen naar:

 een artikel van Lorenzo Vianelli: "Warehousing Asylum Seekers: Salvini’s Attempt to Dismantle the Italian Reception System" van 25 april 2019;

 een analyse van de Italiaanse organisatie In Migrazione van de nieuwe richtlijnen voor de noodopvangcentra van 25 maart 2019;

 een Italiaans bericht van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van 3 oktober 2018;

 cijfers van Eurostat over aantallen asielzoekers in Europa van 14 maart 2019;

 een rapport van USDOS6 van 13 maart 2019;

 e-mailcorrespondentie tussen Maria Cristina Romano, ELENA contactpersoon voor Italië en VluchtelingenWerk Nederland van 27 februari 2019;

 een artikel van de krant Il Sole 24 Ore van 10 februari 2019;

 een artikel uit The Guardian van 14 februari 2019;

 een brief van de Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa van 7 februari 2019 aan de Italiaanse premier;

 een Factsheet Italy van de UNHCR van 31 januari 2019;

 een rapport van het European Stability Initiative (ESI) van 13 maart 2018.

Eiseres wijst verder op het rapport van de Swiss Refugee Council (SFH/OSAR) van 8 mei 2019. Zij doet een beroep op de Europese jurisprudentie, meer specifiek de uitspraken M.S.S. tegen België7, N.S. tegen VK8, en Jawo tegen Duitsland9. Ook verwijst zij naar nationale rechtspraak, waaronder de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaatsen Roermond10, Haarlem11, Utrecht12 en ‘s-Hertogenbosch13. Tot slot voert eiseres aan dat haar belang om aangifte te doen van mensenhandel groter is dan het belang dat verweerder heeft bij overdracht van eiseres aan Italië.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

4. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft op 19 december 201814 geoordeeld dat het Salvini-wetsdecreet niet tot gevolg heeft dat Dublinclaimanten geen opvang meer krijgen. Er is volgens de Afdeling geen sprake van een zodanige structurele verslechtering van de opvangomstandigheden in Italië dat Dublinclaimanten een reëel risico lopen op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. De Afdeling heeft dit vervolgens diverse malen herhaald en bevestigd15, waaronder in de uitspraak van 12 juni 201916. In die laatstgenoemde uitspraak is geoordeeld dat ook de opvang van gezinnen of ouders met minderjarige kinderen die aan Italië zijn overgedragen, niet structureel zodanig is verslechterd sinds het wetsdecreet dat voor deze vreemdelingen een reëel risico op een onmenselijke behandeling bestaat. Volgens de Afdeling heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de verklaring van de Italiaanse autoriteiten in de circular letter van 8 januari 2019 dat zij ook na het wetsdecreet bij de opvang van minderjarige kinderen de eenheid van het gezin en de bescherming van de minderjarige kinderen garanderen. De Afdeling heeft deze lijn in twee recente uitspraken van 12 en 24 juli 2019 bevestigd17.

5. De Afdeling heeft bij de laatstgenoemde uitspraak van 24 juli 2019 reeds (indirect) geoordeeld over het rapport van SFH/OSAR van 8 mei 2019 waar eiseres op wijst, nu in de beroepszaak die daaraan vooraf is gegaan (een uitspraak waar eiseres overigens ook naar heeft verwezen) ook een beroep werd gedaan op dat rapport. Dit heeft niet tot een ander oordeel geleid. Eiseres heeft de verbeterde verhouding tussen de instroom en opvangplaatsen in Italië bovendien niet gemotiveerd bestreden. Dat er minder uitstroom is, betekent nog niet dat geen opvang voor Dublinclaimanten meer mogelijk zou zijn. Over de gestelde gebeurtenissen in Italië heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres zich bij voorkomende problemen tot de aangewezen (hogere) Italiaanse autoriteiten kan wenden. Met de enkele stelling dat dit zonder tolk of advocaat praktisch niet mogelijk is, heeft zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat dat niet kan.

6. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat sprake is van een structurele verslechtering van de opvangomstandigheden in Italië. Zij is daarin naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. Eiseres heeft nog gewezen op de tussenuitspraak van 28 juni 2019 van deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, waarbij vragen zijn gesteld aan de UNHCR over de kwaliteit van de opvang in Italië voor gezinnen met kinderen. De rechtbank ziet daarin geen aanleiding om het beroep van eiseres gegrond te verklaren of om de zaak aan te houden in afwachting van een mogelijk deskundigenbericht van de UNHCR, zoals door de gemachtigde van eiseres ter zitting wel is betoogd. Het uitgangspunt is immers nog steeds dat verweerder zich vanwege het interstatelijk vertrouwensbeginsel op het standpunt mag stellen dat ervan kan worden uitgegaan dat Italië de verplichtingen zoals vastgelegd in het Vluchtelingenverdrag en het EVRM niet zal schenden. De beroepsgrond slaagt niet.

Aangifte mensenhandel

7. In haar beroepschrift heeft eiseres vermeld dat er op 23 juli 2019 een intake aangifte slachtoffer mensenhandel bij de politie heeft plaatsgevonden. Ter zitting heeft zij verklaard dat zij op 31 juli 2019 daadwerkelijk aangifte van mensenhandel bij de politie heeft gedaan. Verweerder heeft dit ter zitting bevestigd en daaraan toegevoegd dat de kennisgeving van de aangifte is op 5 augustus 2019 door de politie aan verweerder verzonden. De aangifte wordt gelijkgesteld met een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier op humanitaire gronden. Volgens de verweerder leidt dit voor Dublinclaimanten door de inwerkingtreding van het WBV 2019/1018 niet meer automatisch tot de verstrekking van een dergelijke verblijfsvergunning.

8. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd verklaard dat niet de kennisgeving maar het moment van aangifte bepalend is in deze situatie. Tussen partijen is niet in geschil dat de aangifte van eiseres dateert van 31 juli 2019. Het WBV 2019/10 is een dag later, op 1 augustus 2019, in werking getreden. Op grond van artikel 3.103 van het Vb19 wordt de aanvraag getoetst aan het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen, tenzij uit de Wet anders voortvloeit of het recht dat geldt op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven, voor de vreemdeling gunstiger is.

9. Volgens het beleid van verweerder, neergelegd in paragraaf B8/3.1 van de Vc20, zoals dat gold op 31 juli 2019, diende de IND binnen 24 uur te beslissen op een aanvraag van een vermoedelijk slachtoffer van mensenhandel. In de regel werd de vreemdeling dan in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Deze vergunning werd ingetrokken wanneer een bericht van het OM werd ontvangen dat er niet langer sprake was van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek.

10. Blijkens de toelichting bij WBV 2019/10 vormt de toename van het aantal Dublinclaimanten dat aangifte doet van mensenhandel de aanleiding voor de beleidswijziging. Voor Dublinclaimanten heeft het vrijwel direct verlenen van een reguliere verblijfsvergunning tot gevolg dat Nederland verantwoordelijk wordt voor de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag. Dit terwijl veelal binnen enkele weken door het OM wordt geconstateerd dat geen (nader) strafrechtelijk onderzoek in Nederland mogelijk is vanwege het ontbreken van (voldoende) opsporingsindicaties. Met WBV 2019/10 is paragraaf B8/3.1 van de Vc zo aangepast dat Dublinclaimanten enkel in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wanneer het OM heeft vastgesteld dat de aanwezigheid van deze vreemdeling in Nederland noodzakelijk is voor het strafrechtelijk onderzoek. Voor Dublinclaimanten wordt dan ook niet langer een streeftermijn van 24 uur gehanteerd voor de beslissing van de IND, omdat pas na de ontvangst van een bericht van het OM duidelijk is of aan alle voorwaarden voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt voldaan.

11. De rechtbank stelt vast dat WBV 2019/10 niet gunstiger is voor eiseres, nu verweerder haar als Dublinclaimant geen verblijfsvergunning verleent gedurende de behandeling van haar aangifte mensenhandel zolang het OM niet uitdrukkelijk heeft verklaard dat haar aanwezigheid noodzakelijk is voor het strafrechtelijk onderzoek. Op grond van artikel 3.103 van het Vb had verweerder naar het oordeel van de rechtbank dan ook toepassing moeten geven aan het beleid zoals dat gold ten tijde van haar aangifte, wat feitelijk betekent dat verweerder eiseres in het bezit dient te stellen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Deze verblijfvergunning staat aan overdracht aan Italië in de weg omdat Nederland daarmee, volgens het voor eiseres geldende beleid, mede gelet op de onder 10 weergegeven toelichting bij het nieuwe beleid, verantwoordelijk wordt voor de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag. De rechtbank begrijpt dat beleid aldus, dat verweerder daarmee toepassing geeft haar bevoegdheid om de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de aanvraag met toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich te trekken. Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom de aangifte mensenhandel van eiseres niet heeft geleid tot toepassing van het hiervoor beschreven beleid. Het bestreden besluit is dan ook in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

Conclusie

12. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep gegrond;

 vernietigt het bestreden besluit;

 draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.024 (duizendvierentwintig euro), te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier.

Griffier Rechter

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

1 Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

2 Verordening (EU) nr. 604/2013

3 Op grond van artikel 25 van de Dublinverordening

4 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

5 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

6 United States Department of State

7 Arrest van 21 januari 2011, ECLI:XX:2011:BP4356

8 Arrest van 21 december 2011, ECLI:EU:C:2011:865

9 Arrest van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218

10 Uitspraak van 20 mei 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:5081

11 Uitspraken van 24 mei 2019 en 4 juni 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:4490 ECLI:NL:RBNHO:2019:4922

12 Uitspraak van 12 juni 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:2641

13 Uitspraak van 28 juni 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:6493

14 ECLI:NL:RVS:2018:4131

15 Zie de uitspraken van 29 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1395), 13 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1526) en 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1861)

16 ECLI:NL:RVS:2019:1861

17 ECLI:NL:RVS:2019:2312 en ECLI:NL:RVS:2019:2513

18 Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 10 juli 2019, nummer WBV 2019/10, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, Staatscourant 2019, 40593

19 Vreemdelingenbesluit 2000

20 Vreemdelingencirculaire